EzechiŽl 18-20

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Er uit gelicht

 

18: 1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Hoe komt gij er toch toe, dit spreekwoord te gebruiken in het land IsraŽls: de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden? 3  Zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, gij zult dit spreekwoord in IsraŽl niet meer gebruiken. 4  Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon zijn van Mij; de ziel die zondigt, die zal sterven. 5  Wanneer nu iemand rechtvaardig is en naar recht en gerechtigheid handelt, 6  op de bergen geen offermaaltijd houdt en zijn ogen niet opslaat naar de afgoden van het huis IsraŽls, de vrouw van zijn naaste niet onteert en geen gemeenschap heeft met een vrouw die haar maandelijkse onreinheid heeft, 7 niemand onderdrukt, de schuldenaar zijn pand teruggeeft, geen roof pleegt, zijn brood aan de hongerige geeft en de naakte met kleding dekt, 8  niet tegen rente uitleent noch woekerwinst neemt, zich van onrecht onthoudt, eerlijk bij geschillen de rechtvaardigheid betracht, 9  naar mijn inzettingen wandelt en mijn verordeningen in acht neemt door trouw te betonen; Zo iemand is rechtvaardig; hij zal voorzeker leven, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 10 Maar verwekt hij een zoon, die een rover is, een bloedvergieter, en die, helaas, een dezer dingen doet 11  (hoewel hijzelf er geen van deed) ook op de bergen een offermaaltijd houdt, de vrouw van zijn naaste onteert, 12  de ellendige en de arme onderdrukt, roof pleegt, het pand niet teruggeeft en zijn ogen opslaat naar de afgoden, gruwelen doet, 13  tegen rente uitleent en woekerwinst neemt. Zou zo iemand leven? Hij zal niet leven. Al deze gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker ter dood gebracht worden. Zijn bloedschuld rust op hemzelf. 14  En zie, hij verwekt een zoon, en deze ziet al de zonden die zijn vader doet hij ziet ze, maar doet iets dergelijks niet: 15  op de bergen houdt hij geen offermaaltijd en zijn ogen slaat hij niet op naar de afgoden van het huis IsraŽls, de vrouw van zijn naaste onteert hij niet, 16  hij onderdrukt niemand, neemt geen pand en pleegt geen roof; hij geeft zijn brood aan de hongerige en de naakte dekt hij met kleding; 17  hij onthoudt zich van onrecht, rente en woekerwinst neemt hij niet, hij voert mijn verordeningen uit en wandelt naar mijn inzettingen. Deze zal niet sterven om de ongerechtigheid van zijn vader; hij zal voorzeker leven. 18  Zijn vader, omdat hij zich aan afpersing schuldig gemaakt, zijn naaste beroofd en te midden van zijn volksgenoten gedaan heeft wat niet goed is, zie, die zal sterven om zijn ongerechtigheid. 19  Maar gij zegt: Waarom draagt de zoon niet mede de ongerechtigheid van de vader? Die zoon heeft immers naar recht en gerechtigheid gehandeld; hij heeft al mijn inzettingen naarstig onderhouden; hij zal voorzeker leven. 20  De ziel die zondigt, die zal sterven. Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal alleen rusten op hemzelf en de goddeloosheid van de goddeloze zal alleen rusten op hemzelf. 21 Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van alle zonden die hij begaan heeft, al mijn inzettingen onderhoudt en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij voorzeker leven; hij zal niet sterven. 22  Geen van de overtredingen die hij begaan heeft, zal hem worden toegerekend; om de gerechtigheid die hij betracht heeft, zal hij leven. 23  Zou Ik een welgevallen hebben aan de dood van de goddeloze? luidt het woord van Adonai de Eeuwige. Niet veeleer hieraan, dat hij zich bekere van zijn wegen en leve? 24  Maar wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardige wandel en onrecht doet, naar al de gruwelen handelt, die de goddeloze bedrijft; Zal hij dan leven? Met geen van zijn rechtvaardige daden zal rekening gehouden worden. Om de ontrouw die hij gepleegd, en om de zonde die hij bedreven heeft, daarom zal hij sterven. 25  Maar gij zegt: De weg van de Eeuwige is niet recht. Hoort toch, huis IsraŽls, is mijn weg niet recht? Zijn niet veeleer uw wegen niet recht? 26  Wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardige wandel en onrecht doet en daarom sterft, dan sterft hij om het onrecht dat hij gedaan heeft. 27  Maar als een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloze daden, en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij het leven behouden. 28  Immers, hij is tot inzicht gekomen en heeft zich bekeerd van alle overtredingen die hij begaan heeft. Hij zal voorzeker leven; hij zal niet sterven. 29  Maar het huis IsraŽls zegt: De weg van de Eeuwige is niet recht. Zijn mijn wegen niet recht, huis IsraŽls? Zijn niet veeleer uw wegen niet recht? 30 Daarom zal Ik u richten, huis IsraŽls, ieder naar zijn eigen wegen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. Bekeert u en wendt u af van al uw overtredingen, dan zal u dat niet een struikelblok tot ongerechtigheid worden. 31  Werpt alle overtredingen die gij begaan hebt, van u weg, en vernieuwt uw hart en uw geest. Waarom toch zoudt gij sterven, huis IsraŽls? 32  Want Ik heb geen welgevallen aan de dood van wie sterven moet, luidt het woord van Adonai de Eeuwige; daarom bekeert u, opdat gij leeft.

19:1 En gij, hef een klaaglied aan over de vorsten van IsraŽl, 2  en zeg: Hoe was uw moeder een leeuwin onder de leeuwen! Tussen jonge leeuwen legde zij zich neer, haar welpen bracht zij groot. 3  Een van haar welpen kweekte zij op, hij werd een jonge leeuw, verscheuren leerde hij zijn prooi, zelfs mensen verslond hij! 4  De volken hoorden van hem gewagen. In hun valkuil werd hij gevangen en met haken brachten zij hem naar het land Egypte. 5 Toen zij zag, dat haar hoop uitbleef, ja, was verloren gegaan, nam zij een andere van haar welpen en maakte hem tot jonge leeuw. 6  Fier liep hij rond tussen de leeuwen, hij was een jonge leeuw, verscheuren leerde hij zijn prooi, zelfs mensen verslond hij! 7  Hij onteerde hun weduwen en verwoestte hun steden; de gehele aarde werd van schrik vervuld om zijn machtig gebrul. 8  Nu keerden de volken zich tegen hem, uit de landstreken van rondom; hun net spreidden zij over hem uit, in hun valkuil werd hij gevangen. 9  Zij sloten hem op in een kooi, met haken bedwongen, naar Babels koning voerden zij hem en brachten hem in een sterke burcht, opdat zijn gebrul niet meer zou worden gehoord op de bergen van IsraŽl. 10 Uw moeder, in de tijd van uw bloei was zij als een wijnstok, aan het water geplant, die vruchten ging dragen en ranken schoot door het overvloedige water. 11  Hij kreeg sterke takken: tot heersersstaven werden zij. Een daarvan schoot ver omhoog boven de dichte twijgen uit en viel in het oog door zijn hoogte zijn welige ranken. 12  Maar in toorn werd die wijnstok uitgerukt, neergeworpen ter aarde. De wind uit het oosten verdroogde zijn vruchten; ze vielen af en droogden uit. Zijn sterke tak, een vuur verteerde hem! 13  Nu is hij geplant in de woestijn, in een land van dorheid en dorst. 14  Vuur ging er uit van zijn tak, dat twijg en vrucht verteerde. Geen sterke tak heeft hij meer over, geen staf tot heersen! Dit is een klaaglied en het is tot een klaaglied geworden.

20: 1 In het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende der maand, kwamen er mannen uit de oudsten van IsraŽl om de Eeuwige te raadplegen, en zetten zich voor mij neer. 2  Toen kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 3  Mensenkind, spreek met de oudsten van IsraŽl en zeg tot hen: zo zegt Adonai de Eeuwige: zijt gij gekomen om Mij te raadplegen? Zo waar Ik leef, Ik laat Mij door u niet raadplegen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 4  Wilt gij hen oordelen, wilt gij oordelen, mensenkind? Maak hun de gruwelen van hun vaderen bekend, 5 en zeg tot hen: zo zegt Adonai de Eeuwige: ten dage dat Ik IsraŽl uitverkoos, zwoer Ik een eed aan het geslacht van het huis Jakobs en Ik maakte Mij aan hen bekend in het land Egypte; ja, Ik zwoer hun een eed, zeggende: Ik ben de Eeuwige, uw God. 6  Te dien dage zwoer Ik hun, dat Ik hen uit het land Egypte zou leiden naar een land dat Ik voor hen uitgezocht had, vloeiende van melk en honig; een sieraad is het onder alle landen. 7  En Ik zeide tot hen: Ieder werpe de gruwelen weg, waarop zijn ogen gevestigd zijn; verontreinigt u niet met de afgoden van Egypte. Ik ben de Eeuwige, uw God. 8  Maar zij waren weerspannig tegen Mij en wilden naar Mij niet luisteren; niemand wierp de gruwelen weg, waarop zijn ogen gevestigd waren, en de afgoden van Egypte verlieten zij niet, zodat Ik overwoog mijn grimmigheid over hen uit te storten, mijn toorn ten volle over hen te brengen in het land Egypte. 9  Maar Ik heb gehandeld ter wille van mijn naam, om die niet te ontheiligen ten aanschouwen van de volken in wier midden zij woonden, voor wier ogen Ik Mij aan hen had bekendgemaakt door hen uit het land Egypte te leiden. 10 Ik leidde hen uit het land Egypte en bracht hen in de woestijn. 11  Ik gaf hun mijn inzettingen en maakte hun mijn verordeningen bekend; de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. 12  Ook gaf Ik hun mijn sabbatten als een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de Eeuwige, hen heilig. 13  Maar het huis IsraŽls was weerspannig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden niet naar mijn inzettingen en verwierpen mijn verordeningen; de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. Mijn sabbatten ontheiligden zij ten zeerste, zodat Ik overwoog mijn grimmigheid in de woestijn over hen uit te storten ter vernietiging. 14  Maar Ik heb gehandeld ter wille van mijn naam, om die niet te ontheiligen ten aanschouwen van de volken voor wier ogen Ik hen had uitgeleid. 15  Nochtans zwoer Ik hun in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen naar het land dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honig (een sieraad is het onder alle landen), 16  omdat zij mijn verordeningen verwierpen, niet naar mijn inzettingen wandelden en mijn sabbatten ontheiligden, want hun hart ging uit naar hun afgoden. 17  Maar Ik ontzag hen, zodat Ik hen niet verdierf en geen einde aan hen maakte in de woestijn. 18  Toen zeide Ik tot hun zonen in de woestijn: Wandelt niet naar de inzettingen van uw vaderen, onderhoudt hun verordeningen niet en verontreinigt u niet met hun afgoden. 19  Ik ben de Eeuwige, uw God, wandelt naar mijn inzettingen en onderhoudt naarstig mijn verordeningen. 20  Heiligt mijn sabbatten, dan zullen deze een teken zijn tussen Mij en u, opdat gij weet, dat Ik, de Eeuwige, uw God ben. 21  Maar die zonen waren weerspannig tegen Mij; zij wandelden niet naar mijn inzettingen en onderhielden geenszins mijn verordeningen; de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. Mijn sabbatten ontheiligden zij, zodat Ik overwoog mijn grimmigheid over hen uit te storten, mijn toorn ten volle over hen te doen komen in de woestijn. 22  Maar Ik trok mijn hand terug en handelde ter wille van mijn naam, om die niet te ontheiligen ten aanschouwen van de volken voor wier ogen Ik hen had uitgeleid. 23  Nochtans zwoer Ik in de woestijn, dat Ik hen zou verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen, 24  omdat zij mijn verordeningen niet opvolgden, mijn inzettingen verwierpen, mijn sabbatten ontheiligden en omdat hun ogen gevestigd waren op de afgoden van hun vaderen. 25  Toen gaf Ik hun zelf inzettingen die niet goed waren, en verordeningen waardoor zij niet zouden leven. 26  Ik verontreinigde hen door hun offergaven (doordat zij alle eerstgeborenen door het vuur lieten gaan) om hen te verbijsteren, en opdat zij zouden weten, dat Ik de Eeuwige ben. 27 Daarom, mensenkind, spreek tot het huis IsraŽls, en zeg tot hen: Zo zegt Adonai de Eeuwige: ook hiermee hebben uw vaderen Mij gelasterd, dat zij Mij ontrouw geworden zijn. 28  Toen Ik hen gebracht had naar het land dat Ik gezworen had hun te zullen geven, keken zij naar elke hoge heuvel en naar elke bladerrijke boom en offerden daar hun offers, brachten daar hun ergerlijke offergaven, bereidden daar hun liefelijke reuk en plengden er hun plengoffers. 29  En Ik zeide tot hen: Wat is dat voor een hoogte, waarheen gij opgaat? Daarom wordt zij Hoogte genoemd tot op de huidige dag. 30  Daarom zeg tot het huis IsraŽls: Zo zegt Adonai de Eeuwige: zult gij u op de wijze van uw vaderen verontreinigen en hun gruwelen overspelig nalopen? 31  Ja, door uw offergaven te brengen (uw zonen door het vuur te laten gaan) verontreinigt gij u aan al uw afgoden, tot heden toe, en zou Ik Mij dan door u laten raadplegen, huis IsraŽls? Zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, Ik laat Mij door u niet raadplegen. 32  En wat u in de zin gekomen is, zal geenszins geschieden, namelijk dat gij zegt: wij willen aan de volken gelijk worden, gelijk aan de geslachten der landen, door hout en steen te dienen. 33 Zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid zal Ik over u heersen. 34  Ik zal u voeren uit het midden der volken en u bijeenbrengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid. 35  Ik zal u brengen naar de woestijn der volken en daar met u in het gericht treden, van aangezicht tot aangezicht. 36  Zoals Ik met uw vaderen in het gericht getreden ben in de woestijn van het land Egypte, zo zal Ik ook met u in het gericht treden, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 37  Ik zal u onder de herdersstaf doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond. 38  Ik zal de weerspannigen uit u uitschiften en hen die tegen Mij overtreden hebben; wel zal Ik hen leiden uit het land waarin zij als vreemdelingen vertoeven, maar in het land van IsraŽl zullen zij niet komen. En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 39  En gij, huis IsraŽls, zo zegt Adonai de Eeuwige, welaan, laat ieder zijn afgoden maar dienen! Doch later, dan zult gij naar Mij luisteren en mijn heilige naam niet meer ontheiligen met uw offergaven en uw afgoden. 40  Want op mijn heilige berg, op de hoge berg IsraŽls, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, daar zal het ganse huis IsraŽls in zijn geheel Mij in het land dienen. Daar zal Ik behagen in hen hebben en daar zal Ik heffingen van u vorderen en het beste uwer gaven, bij alles wat gij heiligt. 41  Als in een liefelijke reuk zal Ik behagen in u hebben, wanneer Ik u voer uit het midden der volken. Dan zal Ik u uit de landen waarin gij verstrooid zijt, bijeenbrengen en Mij aan u de Heilige betonen ten aanschouwen van de volken. 42  En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben, als Ik u in het land van IsraŽl brengen zal, in het land dat Ik gezworen heb aan uw vaderen te geven. 43  Daar zult gij terugdenken aan alle handel en wandel, waarmee gij u verontreinigd hebt, en van uzelf walgen om al de slechte daden die gij bedreven hebt. 44  En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik ter wille van mijn naam niet met u doen zal naar uw verkeerde wandel en naar uw verdorven handel, huis IsraŽls, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 45 (21:1) Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 46  Mensenkind, keer uw gelaat naar het zuiden, laat uw woorden stromen tegen de Zuiderstreek, profeteer tegen het woudgebied, het Zuiderland (Negev), 47  en zeg tot het woud van het Zuiderland (Negev): Hoor het woord van de Eeuwige: zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik steek een vuur in u aan, dat elke groene boom en elke dorre boom in u zal verteren. De laaiende vlam zal niet uitdoven, maar van het zuiden tot het noorden zullen alle aangezichten erdoor verzengd worden. 48  En al wat leeft zal zien, dat Ik, de Eeuwige, ze ontstoken heb; zij zal niet uitdoven. 49  Toen zeide ik: Ach, Adonai Eeuwige, men zegt van mij: spreekt hij niet enkel in raadselspreuken?

 

 

 

Eruit gelicht:

 

-         Hoe komt gij er toch toe, dit spreekwoord te gebruiken in het land IsraŽls: de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden? (18:2) Het volk zei: We worden puur gestraft vanwege de zonden van onze voorvaders. Gíd geeft aan dat ook zij zondigen en dat ze daarom de oordelen van Gíd te wachten staan.

 

-         gij zult dit spreekwoord in IsraŽl niet meer gebruiken (18:3). Het volk moet gaan zien dat ze ook nu in zonden leven en de schuld van de oordelen niet op hun voorouders moeten schuiven.

 

-         Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon zijn van Mij; de ziel die zondigt, die zal sterven. (18:4). Ieder is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn daden.

 

-         Wanneer nu iemand rechtvaardig is en naar recht en gerechtigheid handelt, op de bergen geen offermaaltijd houdt en zijn ogen niet opslaat naar de afgoden van het huis IsraŽls, de vrouw van zijn naaste niet onteert en geen gemeenschap heeft met een vrouw die haar maandelijkse onreinheid heeft, niemand onderdrukt, de schuldenaar zijn pand teruggeeft, geen roof pleegt, zijn brood aan de hongerige geeft en de naakte met kleding dekt, niet tegen rente uitleent noch woekerwinst neemt, zich van onrecht onthoudt, eerlijk bij geschillen de rechtvaardigheid betracht, naar mijn inzettingen wandelt en mijn verordeningen in acht neemt door trouw te betonen; Zo iemand is rechtvaardig; hij zal voorzeker leven (18:5-9). Iemand is rechtvaardig en zal rechtvaardig zijn als zijn daden rechtvaardig zijn. Ofwel dat hij leeft volgens de Thora. God geeft aan voor dat moment en voor de toekomst dat bekering betekend dat je je daden in orde maakt. Hier worden specifiek een aantal van die herstelde daden genoemd die voor het volk IsraŽl van toepassing waren (en evt. profetisch van toepassing zijn). Degene die zijn daden in orde maakt, zijn fouten herstelt en niet meer een zondige levensstijl er op na houdt zal leven.

 

-         Wanneer nu iemand (18:5-8) Zie Ex. 21,22. 

 

-         zijn brood aan de hongerige geeft (18:7). Hij geeft er de voorkeur aan zijn eigen maaltij aan de hongerige te geven dan de hongerige te onthouden van voedsel of om hem een mindere kwaliteit voedsel te geven.

 

-         Maar verwekt hij een zoon, die een rover is, een bloedvergieter, en die, helaas, een dezer dingen doet   (hoewel hijzelf er geen van deed) ook op de bergen een offermaaltijd houdt, de vrouw van zijn naaste onteert, de ellendige en de arme onderdrukt, roof pleegt, het pand niet teruggeeft en zijn ogen opslaat naar de afgoden, gruwelen doet, tegen rente uitleent en woekerwinst neemt. Zou zo iemand leven? Hij zal niet leven (18:10-13). Iemand die in zijn zonden blijft leven zonder zich te bekeren (wat hij en in wie hij dan ook gelooft) zal sterven.

 

-         En zie, hij verwekt een zoon, en deze ziet al de zonden die zijn vader doet hij ziet ze, maar doet iets dergelijks niet: Ö.., hij voert mijn verordeningen uit en wandelt naar mijn inzettingen. Deze zal niet sterven om de ongerechtigheid van zijn vader; hij zal voorzeker leven. (18:14-17). De zoon is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn daden. Hij zal niet sterven vanwege het feit dat zijn vader in zonde leeft. Hij wordt beoordeelt op zijn eigen daden. Ook dit is een profetisch woord wat nu nog steeds op dezelfde manier van kracht is.

 

-         De ziel die zondigt, die zal sterven (18:20). Dat is degene die zich niet bekeert. Zie de volgende verzen.

 

-         Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van alle zonden die hij begaan heeft, al mijn inzettingen onderhoudt en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij voorzeker leven; hij zal niet sterven.  Geen van de overtredingen die hij begaan heeft, zal hem worden toegerekend; om de gerechtigheid die hij betracht heeft, zal hij leven. (18:21-22). Nogmaals benadrukt Gíd (door de mond van EzechiŽl) dat de weg van terugkeer naar Gíd een weg van bekering is. Als iemand zich bekeerd zullen zijn /haar zonden die hij/zij heeft gedaan hem/haar niet worden toegerekend !!!. Dat geldt ook nog steeds voor nu want deze profetische woorden van EzechiŽl hebben betrekking op het herstel (wat ook duidelijk beschreven wordt in EzechiŽl 36) van IsraŽl wat nog steeds niet compleet is. In EzechiŽl 33 wordt ook nog eens beschreven dat bekering, terugkeer naar Gíd inhoudt dat je als IsraŽliet weer in de wegen van Gíd leeft, oftewel leeft volgens de Thora) Verder wordt er ook niet gesproken in beide stukken over het erkennen van een/de Messias als voorwaarde voor vergeving !!!.

 

-         Zou Ik een welgevallen hebben aan de dood van de goddeloze? luidt het woord van Adonai de Eeuwige. Niet veeleer hieraan, dat hij zich bekere van zijn wegen en leve? (18:23). Gíds verlangen is dat ieder zich bekeert.

 

-         Maar wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardige wandel en onrecht doet, naar al de gruwelen handelt, die de goddeloze bedrijft; Zal hij dan leven? Met geen van zijn rechtvaardige daden zal rekening gehouden worden. Om de ontrouw die hij gepleegd, en om de zonde die hij bedreven heeft, daarom zal hij sterven. (18:24). Iemand die van Gíd afvalt, dat wil zeggen die niet meer in overeenstemming met Gíds instructies leeft zal niet gered worden door de goede dingen die hij in het verleden heeft gedaan. Alleen als hij zich bekeert zal hij leven.

 

-         Bekeert u en wendt u af van al uw overtredingen, dan zal u dat niet een struikelblok tot ongerechtigheid worden. Werpt alle overtredingen die gij begaan hebt, van u weg, en vernieuwt uw hart en uw geest. Waarom toch zoudt gij sterven, huis IsraŽls? (18:30-31). God doet een oproep aan IsraŽl om terug te keren naar Gíd (voor op dat moment en in de toekomst). Dit kunnen ze door weer volgens Gíds instructies te gaan leven.

 

-         Want Ik heb geen welgevallen aan de dood van wie sterven moet, luidt het woord van Adonai de Eeuwige; daarom bekeert u, opdat gij leeft (18:32). En weer herhaalt Gíd dat hij een weg van terugkeer heeft gegeven (bekering) opdat ze niet zullen sterven maar leven.

 

-          En gij, hef een klaaglied aan over de vorsten van IsraŽl, en zeg: Hoe was uw moeder een leeuwin onder de leeuwen! Tussen jonge leeuwen legde zij zich neer, haar welpen bracht zij groot. (19:1,2)  Hier kan het huis IsraŽl als het koningshuis Yoshiyahu mee bedoeld worden.

 

-         In hun valkuil werd hij gevangen en met haken brachten zij hem naar het land Egypte. (19:4). Ziet op 2 Kon. 23:33,34 Farao Neko zette hem gevangen te Ribla in het land van Hamat, opdat hij te Jeruzalem niet zou regeren, en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud. En Farao Neko maakte Eljakim, de zoon van Josia, koning in de plaats van zijn vader Josia en veranderde zijn naam in Jojakim. Maar hij nam Joachaz mee; en deze kwam in Egypte en stierf aldaar.

 

-         Nu keerden de volken zich tegen hem, uit de landstreken van rondom; hun net spreidden zij over hem uit, in hun valkuil werd hij gevangen (19:8). 2 Kon 24:1  In zijn dagen trok Nebukadnessar, de koning van Babel, op en Jojakim werd hem onderdanig, drie jaar; maar daarna kwam hij weer tegen hem in opstand.2  En de Eeuwige zond tegen hem de benden der Chaldeeen, en die van Aram, Moab en de Ammonieten; Hij zond hen tegen Juda om het te gronde te richten, volgens het woord dat de Eeuwige gesproken had door zijn knechten, de profeten.

 

-         Nu is hij geplant in de woestijn, in een land van dorheid en dorst. Vuur ging er uit van zijn tak, dat twijg en vrucht verteerde. Geen sterke tak heeft hij meer over, geen staf tot heersen! Dit is een klaaglied en het is tot een klaaglied geworden. (19:13,14). Het huis IsraŽl had (en heeft) de potentie om een machtig volk te zijn. Door hun ongehoorzaamheid kwamen ze als het ware in een woestijn. 

 

-         In het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende der maand, kwamen er mannen uit de oudsten van IsraŽl om de Eeuwige te raadplegen, en zetten zich voor mij neer. ÖÖIk laat Mij door u niet raadplegen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. Ö.  En Ik zeide tot hen: Ieder werpe de gruwelen weg, waarop zijn ogen gevestigd zijn; verontreinigt u niet met de afgoden van Egypte. Ik ben de Eeuwige, uw God..(20:1-7). De leiders van IsraŽl kwamen naar EzechiŽl om Gíd te raadplegen terwijl ze niet naar de wil van Gíd leven. Gíd geeft geen advies. Hij antwoordt ze wel. Hij zegt dat ze weer in de wegen van Gíd moeten wandelen, dat is volgens Gíds instructies leven.

 

-         Maar zij waren weerspannig tegen Mij en wilden naar Mij niet luisteren; niemand wierp de gruwelen weg, waarop zijn ogen gevestigd waren, en de afgoden van Egypte verlieten zij niet (20:8). Ze wilden niet luisteren. De afgoden die nog vanuit Egypte kwamen (het volk IsraŽl was in Egypte dermate geassimileerd dat ze ook hun afgoden aanbaden).  Steeds weer stak deze afgoderij de kop op.

 

-         zodat Ik overwoog mijn grimmigheid over hen uit te storten, mijn toorn ten volle over hen te brengen in het land Egypte. (20:8b). Dit is wellicht net voor Moshťís komst vanuit de woestijn naar Egypte kwam. Toen kwam er een keerpunt. Ze geloofden zijn woorden en handelden. Ex 4: 31  Het volk nu geloofde, en toen zij hoorden, dat de Eeuwige op de IsraŽlieten acht geslagen en hun ellende gezien had, knielden zij en bogen zich neder.

 

-         heb gehandeld ter wille van mijn naam (20:9). Ter wille van Zijn Naam zal de Eeuwige uiteindelijk compleet herstel geven van IsraŽl.

 

-         Ik gaf hun mijn inzettingen en maakte hun mijn verordeningen bekend; de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. (20:11). Staat in de toekomstige tijd. Dat wil zeggen dat het op dat moment nog steeds zo geldt en dat het ook in de toekomst zo zal gelden.

 

-         Ook gaf Ik hun mijn sabbatten als een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de Eeuwige, hen heilig (God gaf Zijn Shabbat ook aan het volk IsraŽl als teken/herinnering dat Hij hen heiligt/apart zet). Ondanks het feit dat het een scheppingsorde is wordt alleen IsraŽl opgedragen hem te houden (en allen die zich bij IsraŽl voegen (zie Jes.56: 6 En de vreemdelingen die zich bij de Eeuwige aansloten om Hem te dienen, en om de naam van de Eeuwige lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn, allen die de sabbat onderhouden, zodat zij hem niet ontheiligen, en die vasthouden aan mijn verbond: 7  hen zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op mijn altaar, want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken.) als teken van hun relatie met de Eeuwige.

 

-         Maar het huis IsraŽls was weerspannig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden niet naar mijn inzettingen en verwierpen mijn verordeningen; de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. (20:13). Sommigen probeerden manna te verzamelen op de shabbat.

 

-         Wandelt niet naar de inzettingen van uw vaderen, onderhoudt hun verordeningen niet en verontreinigt u niet met hun afgoden. Ik ben de Eeuwige, uw God, wandelt naar mijn inzettingen en onderhoudt naarstig mijn verordeningen. Heiligt mijn sabbatten, dan zullen deze een teken zijn tussen Mij en u, opdat gij weet, dat Ik, de Eeuwige, uw God ben.(20:18-20). Van het begin af aan was er een oproep om volgens de instructies van Gíd te leven.

 

-         Maar Ik trok mijn hand terug en handelde ter wille van mijn naam (20:22). God gaat door ter wille van Zijn heilige Naam.

 

-         Nochtans zwoer Ik in de woestijn, dat Ik hen zou verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen, omdat zij mijn verordeningen niet opvolgden, mijn inzettingen verwierpen, mijn sabbatten ontheiligden en omdat hun ogen gevestigd waren op de afgoden van hun vaderen. (20:23,24). Ze werden verstrooid omdat ze niet volgens de Thora leefden.

 

-         Doch later, dan zult gij naar Mij luisteren en mijn heilige naam niet meer ontheiligen (20:39). Hier wordt weer het herstel aangekondigd. Ze zullen weer volgens de Thora leven.

 

-         Want op mijn heilige berg, op de hoge berg IsraŽls, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, daar zal het ganse huis IsraŽls in zijn geheel Mij in het land dienen. (20:40). De tempel zal er weer staan en het volk IsraŽl zal de Eeuwige weer in die tempel dienen. De berg Sion is verheven en ook het land IsraŽl is verheven boven andere landen.

 

-         Dan zal Ik u uit de landen waarin gij verstrooid zijt, bijeenbrengen en Mij aan u de Heilige betonen ten aanschouwen van de volken. En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben, als Ik u in het land van IsraŽl brengen zal, in het land dat Ik gezworen heb aan uw vaderen te geven (20:41,42). De Eeuwige verbindt Zijn betrouwbaarheid aan het feit dat het volk IsraŽl weer terug in hun land zal zijn.

 

 

EzechiŽl hoofdpagina

EzechiŽl hoofdstuk   1 - 3

EzechiŽl hoofdstuk   4 - 6

EzechiŽl hoofdstuk   7 - 9

EzechiŽl hoofdstuk 10 - 11

EzechiŽl hoofdstuk 12 - 13

EzechiŽl hoofdstuk 14 - 15

EzechiŽl hoofdstuk 16 - 17

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl 21-22 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021