EzechiŽl 7-9

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Aantekeningen over dit gedeelte

 

Ezech 7-9

1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Gij nu, mensenkind, zo zegt Adonai de Eeuwige over het land IsraŽls: het einde komt! Het einde over de vier hoeken des lands! 3  Nu breekt het einde voor u aan, want Ik zal mijn toorn tegen u loslaten, Ik zal u richten volgens uw wandel en al uw gruwelen aan u vergelden. 4  Ik zal u niet ontzien en geen deernis hebben, maar Ik zal uw wandel aan u vergelden, uw gruwelen zullen op u neerkomen, en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 5  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Onheil op onheil! Zie, het komt! 6  Er komt een einde; het einde komt! Het wordt wakker over u! Zie, het komt! 7  De doem komt over u, inwoner des lands! De tijd komt! De dag is nabij. Verwarring en geen vreugdegeroep op de bergen! 8  Nu zal Ik weldra mijn grimmigheid over u uitstorten en mijn toorn ten volle over u brengen, Ik zal u richten volgens uw wandel en al uw gruwelen aan u vergelden. 9  Ik zal niets ontzien en geen deernis hebben; naar uw wandel zal Ik u vergelden, en uw gruwelen zullen op u neerkomen. En gij zult weten, dat Ik, de Eeuwige, het ben, die slaat. 10  Zie, de dag! Zie, het komt; de doem voltrekt zich; de staf bloeit; de overmoed spruit uit. 11  Het geweld is opgeschoten tot een staf van gíddeloosheid. Niets zal er van hen overblijven, noch van hun rumoer, noch van hun getier; verdwijnen zal al hun praal. 12  De tijd komt! De dag nadert! De koper verheuge zich niet en de verkoper treure niet, want toorngloed komt over heel hun rumoerige menigte. 13  Want de verkoper zal tot het verkochte niet terugkeren, ook al zouden beiden (zielen) dan nog in leven zijn, want de profetie tegen heel hun rumoerige menigte is onherroepelijk, en niemand, voor wie de ongerechtigheid zijn lust en zijn leven is, zal zich handhaven. 14  Blaast maar op de trompet en maakt alles gereed, er is echter niemand die ten strijde trekt; want mijn toorngloed is over heel hun rumoerige menigte. 15  Het zwaard buiten, de pest en de honger binnen! Wie op het veld is, zal door het zwaard sterven; en wie in de stad is, die zullen de honger en de pest verteren. 16 Al zouden enigen van hen ontkomen, dan zullen zij op de bergen zijn als duiven uit de dalen, allen klagende, ieder om eigen ongerechtigheid. 17 Alle handen zullen slap worden en alle knieŽn van water druipen. 18  Zij zullen zich met rouwgewaden omgorden, schrik zal hen overdekken, op alle gezichten zal schaamte zijn, op ieders hoofd een kale plek. 19  Hun zilver zullen zij op straat werpen en hun goud zal een voorwerp van afschuw zijn; hun zilver en goud zullen hen niet kunnen redden op de dag van de verbolgenheid van de Eeuwige; zij zullen zich daarmee niet kunnen verzadigen, noch daarmee hun binnenste kunnen vullen, want het is hun een struikelblok tot ongerechtigheid geweest. 20 Daarvan hebben zij de sierlijke pracht tot hovaardij aangewend; daarvan hebben zij hun gruwelijke beelden, hun afschuwelijkheden, gemaakt; daarom zal Ik dat voor hen maken tot een voorwerp van afschuw, 21  Ik zal het aan de vreemden ten roof en aan de gíddelozen der aarde ten buit geven, opdat zij het ontheiligen. 22  Ik zal mijn aangezicht van hen afwenden en men zal mijn kleinood (schuilplaats ) ontheiligen: geweldenaars zullen er binnendringen en het ontheiligen. 23  Maak een keten gereed, want het land is vol bloedschuld en de stad vol geweld. 24  Ik zal de kwaadaardigste volken doen komen en deze zullen hun huizen in bezit nemen; Ik zal een einde maken aan de trots der machtigen, en hun heiligdommen zullen ontheiligd worden. 25  Angst komt; dan zullen zij behoud zoeken, maar het is er niet. 26  Ramp op ramp zal komen, gerucht op gerucht zich verbreiden. Zij zullen een gezicht begeren van een profeet, aan de priester zal een aanwijzing ontbreken en raad aan de oudsten. 27  De koning zal rouw bedrijven en de vorst zal zich in ontzetting hullen en de handen van het volk des lands zullen van schrik verlamd zijn. Overeenkomstig hun wandel zal Ik hun doen, naar hun gedragingen zal Ik hen richten. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. 8:1 In het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde der maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda voor mij zaten, viel daar de hand van Adonai de Eeuwige op mij. 2  En ik zag en zie, daar was een gedaante, als van vuur; vanaf wat op zijn lendenen leek naar beneden was vuur; en vanaf zijn lendenen naar boven had het de aanblik van een lichtgloed, schitterend als metaal. 3  En Hij strekte iets uit, dat de vorm had van een hand, en greep mij bij een lok van mijn hoofdhaar (in hebreeuws tsietsiet). Toen hief de Geest mij op tussen aarde en hemel en bracht mij in gezichten Gíds naar Jeruzalem, bij de ingang van de binnenste poort, die op het noorden uitziet, waar het afgodsbeeld zich bevond, het voorwerp van naijver, dat naijver opwekt. 4  En zie, daar was de heerlijkheid van de Gíd van IsraŽl, gelijk aan de verschijning die ik in het dal gezien had. 5  Hij zeide tot mij: Mensenkind, richt uw blik naar het noorden! Toen richtte ik mijn blik naar het noorden, en zie, ten noorden van de poort bij het altaar stond aan de ingang dat afgodsbeeld, het voorwerp van naijver. 6  En Hij zeide tot mij: Mensenkind, ziet gij wat zij doen? de grote gruwelen die het huis IsraŽls hier bedrijft, zodat Ik ver van mijn heiligdom moet blijven? Maar nog meer grote gruwelen zult gij zien. 7 Toen bracht Hij mij naar de ingang van de voorhof en ik zag en zie, er was een gat in de muur. 8  Hij zeide tot mij: Mensenkind, breek toch door de muur heen. Toen brak ik door de muur heen en zie, daar was een deur. 9  Hij zeide tot mij: Ga naar binnen en zie de boze gruwelen die zij hier bedrijven. 10  En ik ging naar binnen en zag en zie, daar waren allerlei afbeeldingen van gruwelen (kruipend gedierte en beesten) en van al de afgoden van het huis IsraŽls, als graveerwerk op de muur, overal in het rond; 11  en zeventig mannen uit de oudsten van het huis IsraŽls met Jaazanja, de zoon van Safan, in hun midden, stonden daarvoor; ieder had zijn wierookvat in de hand, en de geurende wolk van het reukwerk steeg op. 12  Hij zeide tot mij: Hebt gij gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis IsraŽls in het donker doen, ieder in zijn kamer met afbeeldingen? Want zij denken: de Eeuwige ziet ons niet; de Eeuwige heeft het land verlaten. 13 En Hij zeide tot mij: Nog meer gruwelen die zij bedrijven, zult gij zien. 14  Daarop bracht Hij mij naar de ingang der poort van het huis van de Eeuwige aan de noordzijde; en zie, daar zaten vrouwen, die Tammuz beweenden. 15  Hij zeide tot mij: Hebt gij dat gezien, mensenkind? Nog grotere gruwelen dan deze zult gij zien. 16  Toen bracht Hij mij naar de binnenste voorhof van het huis van de Eeuwige. En zie, aan de ingang van de tempel van de Eeuwige, tussen de voorhal en het altaar waren ongeveer vijfentwintig mannen, met hun rug naar de tempel van de Eeuwige en met hun gezicht naar het oosten, en zij bogen zich in de richting van het oosten neer voor de zon. 17  Hij zeide tot mij: Hebt gij dat gezien, mensenkind? Was het voor het huis Juda nog niet genoeg om de gruwelen te doen, die zij hier bedrijven, dat zij ook het land met geweld vullen en Mij telkens weer krenken? En zie, zij houden een wijnrank bij hun neus. 18  Daarom zal Ik in grimmigheid met hen handelen. Ik zal niet ontzien en geen deernis hebben. Al roepen zij met luider stem aan mijn oren, toch zal Ik naar hen niet horen. 9:1 Toen riep Hij met luider stem te mijnen aanhoren: Treedt nader, gij, die aan de stad de straf voltrekken moet, ieder met zijn verdelgingswapen in de hand! 2  En zie, zes mannen kwamen van de kant van de Bovenpoort, die op het noorden uitziet, ieder met zijn vernietigingswapen in de hand, en een man onder hen was in linnen gekleed en droeg een schrijfkoker aan zijn zijde; zij kwamen nader en gingen staan naast het koperen altaar. 3  De heerlijkheid van de Gíd van IsraŽls nu had zich opgeheven van de cherub waarop zij rustte, en zich begeven naar de dorpel van de tempel, en Hij riep de man die in linnen gekleed was en de schrijfkoker aan zijn zijde droeg. 4  En de Eeuwige zeide tot hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en maak een teken op de voorhoofden der mannen die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden. 5 Tot de anderen zeide Hij te mijnen aanhoren: Trekt achter hem aan door de stad en slaat neer. Ontziet niet en hebt geen deernis. 6  Grijsaards, jongelingen en jonge meisjes, kleine kinderen en vrouwen, moet gij doden en verdelgen; maar niemand die het teken draagt, moogt gij aanraken; bij mijn heiligdom moet gij beginnen. Toen begonnen zij bij de mannen, de oudsten, die zich voor de tempel bevonden. 7  En Hij zeide tot hen: Verontreinigt de tempel en vult de voorhoven met gedoden. Gaat heen. Gaat heen en slaat neer in de stad. 8  Toen zij nu bezig waren met neer te slaan, (ik was achtergebleven) wierp ik mij op mijn aangezicht, schreeuwde het uit en zeide: Ach, Here Here, gaat Gij nu heel het overblijfsel van IsraŽls verdelgen door uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem? 9  En Hij zeide tot mij: De ongerechtigheid van het huis IsraŽls en van Juda is uitermate groot, zodat het land van bloedschuld vol is, en de stad vol van rechtsverkrachting, want zij denken: de Eeuwige heeft het land verlaten, en: de Eeuwige ziet het niet. 10 Daarom zal Ik ook niet ontzien en geen deernis hebben; hun wandel zal Ik op hun eigen hoofd doen neerkomen. 11 En zie, de man die in linnen gekleed was en de schrijfkoker aan zijn zijde droeg, bracht bericht: Ik heb gedaan zoals Gij mij bevolen hadt.

 

 

  Aantekeningen over dit gedeelte

 

-         Het woord het einde (7:2) Ketz () heeft dezelfde wortel als wakker maken (). Het einde dat nabij komt heeft als bedoeling het volk IsraŽl wakker te maken. Wordt volgens de uitleggers zo gebruikt om het doel van het einde direct duidelijk te maken.

-         De vier hoeken des lands (7:2). Heel het land zal het raken. Niemand ontkomt eraan.

-         Volgens uw wandel en al uw gruwelen aan u vergelden () (7:3). Nathan wordt gebruikt als beloning geven voor straf. Jer. 17:10  Ik, YHWH, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat, om aan een ieder te geven () naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden. Jer. 32:19  groot van raad en machtig van daad, wiens ogen open zijn over alle wegen der mensenkinderen om aan een ieder te geven () naar zijn wegen en naar de vrucht zijner handelingen;

-         (7:4) Niet meer ontzien. () Wordt gebruikt in de betekenis dat iets (het object zelf) eigenlijk te waardevol zou moeten zijn om weg te gooien. (bij vanwege de goedheid van iets wordt iets anders gebruikt). Laat zien dat het volk een doel en bestemming heeft om in de wegen van Gíd te gaan.

-         Vreugdegeroep (7:7). Bemoedigende stemmen (veugdeboden) die de mensen aanmoedigen de beschutting op te zoeken.ie ook Jes. 16:10  Zo zijn vreugde en jubel geweken uit de gaarde, en in de wijngaarden wordt niet gejubeld noch gejuicht; de treder treedt geen wijn in de perskuipen, het vreugdegeroep heb Ik doen ophouden.

-         Ik zal u richten volgens uw wandel en al uw gruwelen aan u vergelden (7:8). Het geweld ( Chamas is geweld / onrecht) is opgeschoten tot een staf van gíddeloosheid (7:11) Niet alleen straft Gíd hen maar ook straft het volk zichzelf door hun doen. Hun handel is geweld tegen henzelf.

-         De staf bloeit (7:10). De staf die gemaakt is om te slaan zal vrucht dragen (tot zijn bestemming komen). Dat betekend hij zal daadwerkelijk gebruikt gaan worden om te slaan.

-         (7:12)  De koper verheuge zich niet en de verkoper treure niet. Normaal is er droefheid over verlies van eigendom

-          (7:22) Gíds heerlijkheid (aangezicht) verdwijnt door de gruwelen. De bescherming van het volk was Gíds aanwezigheid. Ex. 25: 8  En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen. Daardoor verdwijnt de bescherming en is het volk en de tempel tot prooi ter vernietiging. Ps. 1:6  want de Eeuwige kent de weg der rechtvaardigen, maar de weg der gíddelozen vergaat. 1 Sam. 2:9  De voeten zijner gunstgenoten behoedt Hij, maar de gíddelozen komen om in duisternis, want niet door kracht is een man sterk. Ps. 34:20  Hij behoedt al zijn beenderen, niet een daarvan wordt gebroken. 21  Het onheil doodt de gíddeloze, en wie de rechtvaardige haten, zullen ervoor boeten. 22  De Eeuwige verlost de ziel van zijn knechten, allen die bij Hem schuilen, zullen niet boeten. Ps. 37: 38  maar de overtreders worden tezamen verdelgd, het nakroost van de gíddelozen wordt uitgeroeid. 39  Doch het heil der rechtvaardigen is van de Eeuwige, hun schutse ten tijde der benauwdheid; Lev. 26:21  Indien gij u tegen Mij verzet en naar Mij niet wilt luisteren, dan zal Ik u nog zevenmaal harder slaan, naar uw zonden;Ö23  Indien gij u door deze tuchtiging nog niet tot Mij keert en u tegen Mij blijft verzetten,Ö.27 En indien gij desondanks niet naar Mij luistert en u tegen Mij blijft verzetten,..... 39 En wie van u overgebleven zijn, zullen in de landen hunner vijanden wegkwijnen vanwege hun ongerechtigheid en ook vanwege de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij, evenals dezen, wegkwijnen. 40 Maar belijden zij hun ongerechtigheid en die hunner vaderen, in de ontrouw waarmede zij tegen Mij ontrouw zijn geweest, en ook dat zij zich tegen Mij verzet hebben, 41  (ook Ik verzette Mij tegen hen en bracht hen in het land hunner vijanden) of vernedert zich dan hun onbesneden hart en boeten zij dan hun ongerechtigheid, 42  dan zal Ik mijn verbond met Jakob gedenken; ook mijn verbond met Isaak en ook mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en Ik zal het land gedenken.

-          Doel van de tempel is dat Gíds aanwezigheid er is. Ex 29:43  Ik zal dan daar samenkomen met de Israelieten, en zij zullen door mijn heerlijkheid geheiligd worden. 44  Ik zal de tent der samenkomst en het altaar heiligen, en Aaron en zijn zonen zal Ik heiligen om voor Mij het priesterambt te bekleden. 45  Ik zal in het midden van de Israelieten wonen en Ik zal hun tot een Gíd zijn. 46  En zij zullen weten, dat Ik, YHWH, hun Gíd ben, die hen uit het land Egypte geleid heb, opdat Ik in hun midden wone; Ik ben YHWH, hun Gíd. Zonder de aanwezigheid van Gíd is de tempel functieloos en waardeloos.

-         kleinood (7:22) betekend schuilplaats () of verborgen plaats / bergplaats. Verborgen plaats waar je samen met Gíd bent.. De plaats waar Gíd verborgen was (de tempel).

-         (7:24). De tempel was ook een trots symbool van macht. Gíd was hun sterkte. Het was een heiligdom waar ze door Gíds aanwezigheid geheiligd werden. Ontheiligt; Gíds aanwezigheid vertrekt. Toen pas werd duidelijk wat het heiligen door Gíd betekende. Daar waar het ontbrak werd het zichtbaar.

-         (7:26) Een gezicht begeren. Daar waar Gíds aanwezigheid vertrekt, vertrekt de echte openbaring en de valse profeten worden in het hemd gezet omdat gezien wordt dat ze geen inzicht hebben.

-         (7:27) De koning en de prins. Volgens de commentatoren is dat dezelfde, nl. de door Nebukadnezar aangestelde gouveneur Gedalya ben Achikom.

-         Overeenkomstig hun wandel zal Ik hun doen, naar hun gedragingen zal Ik hen richten. Bij de gedragingen die ze doen horen volgens de Thora (Lev. 26 en Deut 28-30) bepaalde gevolgen. Doordat die gevolgen inderdaad zichtbaar worden wordt Ďbewezení dat de Eeuwige de enige echte Gíd is. Aan de uitkomst van iemands woorden wordt zijn kracht gezien (zie ook Deut. 18: 17  Toen zeide de Eeuwige tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben; 18  een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied. 19  De man, die niet luistert naar de woorden welke hij in mijn naam spreken zal, van die zal Ik rekenschap vragen. 20  Maar een profeet, die overmoedig genoeg is om in mijn naam een woord te spreken, dat Ik hem niet gebood te spreken, of die in de naam van andere gíden spreekt, die profeet zal sterven. 21  Wanneer gij nu bij uzelf mocht zeggen: Hoe onderkennen wij het woord dat de Eeuwige niet gesproken heeft? 22  Als een profeet spreekt in de naam van de Eeuwige en zijn woord wordt niet vervuld en komt niet uit, dan is dit een woord, dat de Eeuwige niet gesproken heeft; in overmoed heeft de profeet het gesproken, gij zult voor hem niet vrezen.

-         Hoofdstuk 8 gaat over de afgodendienst in de tempel. Hoofdst. 9 Het begin van het verdwijnen van de Shechina, de heerlijkheid van Gíd uit de tempel, de boodschappers van de dood. Hoofdstuk 10 Het verdere verdwijnen van de Shechina uit de tempel. Het vernietigingsvuur komt al op de stad aan. Hoofdstuk 11 Het lot van de inwoners van de stad is bezegeld. Verstrooiing. De Shechina is compleet vertrokken.

-         (8:1) Het zesde jaar is het 6e jaar sinds het begin van Yehoyachinís verbanning.

-         De oudsten van Juda zijn daar (mee weggevoerd) (8:1). In tegenstelling tot de oudsten van IsraŽl (14:3 en 20:1) staat er verder niets over.  De oudsten van IsraŽl kwamen omdat ze een antwoord van Gíd wilden.

-         (8:3) Gíd laat hem in een de afgoderij zien. Die was er werkelijk fysiek geweest. In 40:1 en 2 laat Gíd opnieuw in een beeld de heerlijkheid zien van de tempel die gaat komen (wat ook weer fysiek) te zien zal zijn.

-         Ďafgodsbeeld zich bevond, het voorwerp van naijver, dat naijver opwektí (8:3). Manashe had een beeld met vier gezichten gemaakt zoals in Ezech. 1. Daarom roept het beeld al de Ďnaijverí van Gíd op. Daarnaast roept de plaats, de berg Sion de naijver van Gíd op. 2 Kon. 21 1 Manasse was twaalf jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde vijfenvijftig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Chefsiba. 2  Hij deed wat kwaad is in de ogen van de Eeuwige, naar de gruwelen der volken die de Eeuwige  voor de IsraŽlieten uit had verdreven. 3  Hij herbouwde de offerhoogten die zijn vader Hizkia verwoest had, richtte altaren voor de Baal op, maakte gewijde palen, zoals Achab, de koning van IsraŽl, gedaan had, en boog zich neer voor het gehele heer des hemels en diende het. 4  Ook bouwde hij altaren in het huis van de Eeuwige, met het oog waarop de Eeuwige gezegd had: In Jeruzalem zal Ik mijn naam vestigen. 5  En hij bouwde altaren voor het gehele heer des hemels in de beide voorhoven van het huis van de Eeuwige. 6  Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, liet zich in met toverij en waarzeggerij, en stelde bezweerders van doden en van geesten aan. Hij deed veel, dat kwaad is in de ogen van de Eeuwige, en krenkte Hem daardoor. 7  Hij plaatste ook een beeld van Asjera, dat hij gemaakt had, in het huis, waarvan de Eeuwige gezegd had tot David en diens zoon Salomo: In dit huis, hier in Jeruzalem, dat Ik verkoren heb uit al de stammen van IsraŽl, zal Ik mijn naam vestigen tot in eeuwigheid; 8  Ik zal IsraŽls voet niet meer doen wijken van het land dat Ik aan hun vaderen gegeven heb, indien zij slechts naarstig doen naar al wat Ik hun geboden heb, en naar de gehele wet, die mijn knecht Mozes hun geboden heeft. 9  Maar zij luisterden niet; want Manasse verleidde hen, zodat zij meer kwaad deden dan de volken die de Eeuwige voor de IsraŽlieten had verdelgd. 10 Daarom sprak de Eeuwige door zijn knechten, de profeten, aldus: 11  Aangezien Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, bedreef hij meer kwaad dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn; ook Juda heeft hij door zijn afgoden doen zondigen.

-         Gíd laat duidelijk zien als waarschuwing dat Zijn Shechina weggaat (8:6) Daar waar afgoderij is verdwijnt Gíd met Zijn heerlijkheid.

-         (8:10) Jes. 2:20 Te dien dage zal de mens zijn zilveren en gouden afgoden, die hij zich gemaakt had om zich daarvoor neer te buigen, voor de ratten en de vleermuizen werpen,

-         (8:11) en zeventig mannen uit de oudsten van het huis IsraŽls met Jaazanja, de zoon van Safan, in hun midden, stonden daarvoor. Is een vervulling van Jes. 3:12b volk, uw leiders zijn verleiders en zij maken de weg die u tot pad moest zijn, tot een doolweg.

-         Want zij denken: de Eeuwige ziet ons niet (8:12). Ziet ons niet kan ook betekenen interesseert het niet. Hun bestemming vergaten ze. Zo erg was hun val. Tot nog toe waren er zelfs in de donkerste tijden mensen die wisten wat de bestemming van IsraŽl was. 2 Kon 17: 26  Toen zeide men tot de koning van Assur: De volken die gij hebt weggevoerd en in de steden van Samaria hebt doen wonen, kennen de juiste dienst van de Gíd des lands niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden en zie, deze doden hen, omdat zij de juiste dienst van de Gíd des lands niet kennen. 27  Toen gebood de koning van Assur: Brengt daarheen een van de priesters die gij vandaar hebt weggevoerd, om daar te gaan wonen; hij moet hun de juiste dienst van de Gíd des lands leren. 28  Toen kwam een van de priesters die men uit Samaria weggevoerd had; deze ging te Betel wonen en leerde hun, hoe zij de Eeuwige moesten vereren.

-         die Tammuz beweenden (8:14). Letterlijke vertaling. Die er voor zorgde dat Tammuz weende.Rashi legt uit dat Tammuz een afgod was die zo gemaakt was dat hij kon huilen en zo om offers Ďbedeldeí. De ogen waren gemaakt van zacht lood. Als het beeld verwarmt werd en het lood daardoor smolt leek alsof hij tranen huilde. Anderen leggen uit dat vrouwen de afgod Tammuz beweenden. Maimonides spreekt over het door vrouwen bewenen van een profeet Tammuz (die gedood was om zijn afgoderij) op de eerste Tammuz.

-         (8:18) Zolang zij zich niet geheel bekeren naar Gíd zal Gíd hun niet beantwoorden en hen horen. Alleen als ze zich geheel bekeren zal Gíd horen. Deut. 30:2  en wanneer gij u dan tot de Eeuwige, uw Gíd, bekeert en naar zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met geheel uw hart en met geheel uw ziel, 3  dan zal de Eeuwige, uw Gíd, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken, naar wier gebied de Eeuwige, uw Gíd, u verstrooid heeft.

-         Hoofdst. 9 Het begin van het verdwijnen van de Shechina, de heerlijkheid van Gíd uit de tempel, de boodschappers van de dood.

-         En zie, zes mannen kwamen (6:2). Het woord voor mannen is eigenlijk (enoosh) wat moeilijk te vertalen is. Het is zoiets als individu. Uitvoerders van Gíds oordelen.

-         De heerlijkheid van de Gíd van IsraŽls nu had zich opgeheven van de cherub waarop zij rustte, en zich begeven naar de dorpel van de tempel (9:3). Als eerste begint de Shechina van Gíd te verdwijnen. De Shechina was een bescherming voor het volk. Als de Shechina weg is kunnen de oordelen uitgevoerd worden. De heerlijkheid van Gíd verdwijnt in verschillende fasen. Door de glorie heen spreekt Gíd. Ex. 25:22  En Ik zal daar met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de ark der getuigenis, over alles met u spreken wat Ik u voor de IsraŽlieten gebieden zal.

-         En de Eeuwige zeide tot hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en maak een teken () op de voorhoofden der mannen die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden. (9:4). Al degene die niet in de afgoderij van de omgeving meegaan worden door Gíd Ďgemerkt met de letter Taví zodat ze door Gíd beschermt worden. (net zoals bij Pesach). Sommige zeggen dat het teken komt van de Thora van Alef tot Tav .

-         Het oordeel begint bij het Gídshuis (9:6) waar de afgoderij wordt bedreven. De bedrijvers en die het zien zonder er tegen te zijn, vallen als eerste.

-         Ontziet niet en hebt geen deernis. Grijsaards, jongelingen en jonge meisjes, kleine kinderen en vrouwen, moet gij doden en verdelgen (9:5b,6). Dan beginnen er doden te vallen.

-         (9:8)Zelfde als in Gen.17:3  Toen wierp Abram zich op zijn aangezicht en Gíd sprak tot hem:

-         Volgens de Joodse uitleggers verschil tussen Sodom en Jeruzalem. In Jeruzalem bleef men toch op elkaar letten. Was er toch nog iets aan zorg voor elkaar.

EzechiŽl hoofdpagina

EzechiŽl hoofdstuk   1 - 3

EzechiŽl hoofdstuk   4 - 6

EzechiŽl hoofdstuk 10 - 11

EzechiŽl hoofdstuk 12 - 13

EzechiŽl hoofdstuk 14 - 15

EzechiŽl hoofdstuk 16 - 17

EzechiŽl hoofdstuk 18 - 20

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl 10-11 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021