EzechiŽl 12-13

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Er uit gelicht

 

12:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, gij woont te midden van een weerspannig geslacht; van hen die ogen hebben om te zien, maar niet zien; die oren hebben om te horen, maar niet horen, want zij zijn een weerspannig geslacht. 3  En gij, mensenkind, breng in gereedheid wat gij voor een ballingschap nodig hebt, en trek in ballingschap bij dag, voor hun ogen; voor hun ogen moet gij uit uw woonplaats wegtrekken naar een andere plaats. Misschien zullen zij tot inzicht komen, want zij zijn een weerspannig geslacht. 4  Breng wat gij nodig hebt als het pak van een balling, bij dag, voor hun ogen, naar buiten, en zelf zult gij bij avond naar buiten komen te hunnen aanschouwen, als iemand die in ballingschap gaat. 5  Maak een gat in de muur, voor hun ogen en ga daardoor naar buiten. 6  Gij zult uw pak voor hun ogen op uw schouder laden; bij dikke duisternis zult gij het wegbrengen; uw gezicht zult gij bedekken, zodat gij de grond niet ziet. Want Ik stel u tot een zinnebeeld voor het huis IsraŽls. 7  Toen deed ik, zoals mij bevolen was: wat ik nodig had, bracht ik bij dag naar buiten als het pak van een balling en in de avond maakte ik met mijn hand een gat in de muur; bij dikke duisternis bracht ik het weg; voor hun ogen laadde ik het op mijn schouder. 8  En des morgens kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 9  Mensenkind, heeft het huis IsraŽls, dat weerspannige geslacht, niet tot u gezegd: wat doet gij? 10  Zeg tot hen: zo zegt de Adonai de Eeuwige: op de vorst in Jeruzalem slaat deze Godsspraak en op het gehele huis IsraŽls, dat daar woont. 11 Zeg: ik ben voor u een zinnebeeld; zoals ik gedaan heb, zo zal aan hen geschieden: in ballingschap, in gevangenschap zullen zij gaan; 12  en de vorst onder hen zal bij dikke duisternis zijn pak op zijn schouder laden en naar buiten trekken; in de muur zal men een gat maken om hem daar doorheen te laten; zijn gezicht zal hij bedekken, omdat hij met zijn oog deze grond niet zal weerzien. 13  Ik zal mijn net over hem uitspreiden en hij zal in mijn strik gevangen worden; Ik zal hem naar Babel, het land der ChaldeeŽn, brengen, maar hij zal dat niet zien; en daar zal hij sterven. 14 Allen die hem omgeven, zijn helpers en al zijn krijgsbenden, zal Ik naar alle windstreken verstrooien, en achter hen zal Ik het zwaard trekken. 15  En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik hen onder de volken verspreid en over de landen verstrooi. 16  Maar Ik zal van hen een klein aantal mannen het zwaard, de honger en de pest doen overleven, opdat zij al hun gruwelen vertellen onder de volken in wier gebied zij komen; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. 17  Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 18  Mensenkind, eet uw brood met beving en drink uw water met siddering en kommer, 19  en zeg tot het volk des lands: alzo zegt Adonai de Eeuwige aangaande de inwoners van Jeruzalem op IsraŽls bodem: hun brood zullen zij met kommer eten en hun water drinken in stomme smart. Opdat hun land, beroofd van al wat het heeft, een woestenij worde vanwege de geweldenarij van allen die het bewonen. 20  De bewoonde steden zullen tot puin en het land zal tot een woestenij worden en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 21 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 22  Mensenkind, wat is dat voor een zegswijze bij u in het land van IsraŽl: de tijd verstrijkt, maar geen enkel gezicht komt uit? 23  Daarom zeg tot hen: zo zegt Adonai de Eeuwige: Ik zal aan deze zegswijze een einde maken, en men zal ze niet langer gebruiken in IsraŽl. Zeg daarentegen tot hen: de tijd is nabij en de vervulling van elk gezicht! 24  Want er zal geen bedrieglijk gezicht noch verleidende waarzeggerij meer zijn onder het huis IsraŽls. 25  Ik, de Eeuwige, zal het woord spreken, dat Ik spreken zal, en het zal in vervulling gaan; niet langer zal het worden uitgesteld. Want in uw dagen, weerspannig geslacht, zal Ik een woord spreken en Ik zal het ten uitvoer brengen ook, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 26  Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 27  Mensenkind, zie, het huis IsraŽls zegt: het gezicht dat hij schouwt, heeft betrekking op een verwijderde toekomst, en hij profeteert aangaande verre tijden. 28  Daarom zeg tot hen: zo zegt de Adonai de Eeuwige: geen van mijn woorden zal nog langer worden uitgesteld. Het woord dat Ik spreken zal, zal in vervulling gaan, luidt het woord van de Adonai de Eeuwige.

13:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, profeteer tegen de profeterende profeten IsraŽls en zeg tot hen die naar eigen inzicht profeteren: hoort het woord van de Eeuwige. 3  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Wee de dwaze profeten, die hun eigen geest volgen, zonder iets geschouwd te hebben. 4  (Als vossen in bouwvallen zijn uw profeten, IsraŽl). 5  Gij zijt niet op de bressen gaan staan en gij hebt geen muur opgetrokken om het huis IsraŽls, opdat het op de dag van de Eeuwige zou kunnen standhouden in de strijd. 6  Bedrieglijke dingen en leugenachtige waarzeggerij hebben zij geschouwd, die zeggen: zo luidt het woord van de Eeuwige, terwijl de Eeuwige hen niet gezonden heeft; en dan wachten zij nog op de vervulling van het woord! 7  Hebt gij dan geen bedrieglijk gezicht geschouwd en leugenachtige waarzeggerij gesproken, toen gij zeidet: zo luidt het woord van de Eeuwige, terwijl Ik niet gesproken had? 8  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, omdat gij bedrieglijke dingen gesproken en leugen geschouwd hebt, daarom zie, Ik zal u! luidt het woord van Adonai Eeuwige. 9  Mijn hand zal zijn tegen de profeten die bedrieglijke dingen schouwen en leugen waarzeggen; tot de kring van mijn volk zullen zij niet behoren, in het boek van het huis IsraŽls niet ingeschreven worden, en in het land IsraŽls niet komen, en gij zult weten, dat Ik Adonai de Eeuwige ben. 10 Omdat, ja omdat zij mijn volk hebben doen dwalen door te zeggen: vrede! zonder dat er vrede is; Als het een muur bouwt, zie, dan bepleisteren zij die met kalk; 11 zeg tot hen die met kalk pleisteren: toch zal hij vallen! Er zal een stromende regen komen, en gij, hagelstenen, zult neervallen, en een stormwind zal losbreken. 12  Als dan de muur gevallen is, zal dan niet tot u gezegd worden: waar is de kalk waarmee gij gepleisterd hebt? 13  Daarom, zo zegt Adonai Eeuwige, ja, Ik zal een stormwind doen losbreken in mijn grimmigheid en stromende regen zal er zijn in mijn toorn, en hagelstenen; In grimmigheid, tot verdelgens toe. 14  Ik zal de muur die gij met kalk bepleisterd hebt, neerhalen en ter aarde werpen, en zijn fundament zal worden blootgelegd; de stad zal vallen en gij zult daarin omkomen. En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 15  Zo zal Ik mijn grimmigheid ten volle uitstorten over de muur en over hen die hem met kalk bepleisteren, en Ik zal tot u zeggen: weg is de muur en weg zijn zij die hem bepleisterden: 16  de profeten van IsraŽl, die tot Jeruzalem profeteerden en daarvoor een gezicht van vrede schouwden, zonder dat er vrede is, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 17 En gij, mensenkind, richt u tegen de dochters van uw volk, die naar eigen inzicht profeteren; profeteer tegen haar, 18  en zeg: Zo zegt Adonai de Eeuwige: wee haar, die toverbanden binden om alle polsen en die sluiers winden om het hoofd van groot en klein, om zielen te vangen! Zoudt gij zielen vangen van mijn volk en uw eigen zielen in het leven behouden? 19  Gij ontheiligt Mij bij mijn volk voor handen vol gerst en voor brokken brood, om zielen te doden die niet sterven moesten, en om zielen in het leven te behouden, die niet moesten blijven leven, doordat gij mijn volk beliegt, dat naar leugen hoort. 20  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, zie, Ik keer Mij tegen uw toverbanden, waarmee gij de zielen laat vliegen, Ik zal ze van uw armen rukken, en de zielen vrijlaten, die gij als vogels vangt. 21  Ik zal uw sluiers verscheuren en mijn volk uit uw hand redden, het zal niet langer tot een prooi in uw handen zijn. En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 22  Omdat gij het hart van de rechtvaardige bedroefd hebt met leugen, terwijl Ik hem geen smart aandeed, en de handen van de goddeloze gesterkt hebt, opdat hij zich niet van zijn boze weg zou bekeren en leven, 23  daarom zult gij niet langer bedrieglijke dingen schouwen en waarzeggerij plegen; Ik zal mijn volk uit uw hand redden. En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben.

 

 

 

 

Eruit gelicht:

 

-         Breng wat gij nodig hebt als het pak van een balling, bij dag, voor hun ogen, naar buiten, en zelf zult gij bij avond naar buiten komen te hunnen aanschouwen, als iemand die in ballingschap gaat (12:4) Ezechiel moet nu uit gaan beelden wat hun te wachten staat om ze zo wakker te schudden. De attributen van een balling zijn: Een lamp/licht, een schotel en een deken (Talmud, traktaat Nedarim 40b)

 

-         voor hun ogen moet gij uit uw woonplaats wegtrekken naar een andere plaats. Misschien zullen zij tot inzicht komen, want zij zijn een weerspannig geslacht. (12:3b). EzechiŽl moet de 2e wegvoering uitbeelden opdat het volk IsraŽl tot inzicht en inkeer komt en dat het dan niet uitgevoerd hoeft te worden.

 

-         Maak een gat in de muur, voor hun ogen en ga daardoor naar buiten (12:5). Beeld de vlucht uit van koning Zidkiyahu (Sedekia) uit Jeruzalem bij de belegering van Jeruzalem. 2 Kon.25:1 In het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, rukte Nebukadnessar, de koning van Babel, zelf met zijn gehele leger tegen Jeruzalem op en sloeg het beleg erom, en zij bouwden er een belegeringswal omheen. 2  Zo werd de stad belegerd tot het elfde jaar van koning Sedekia. 3  Op de negende van de vierde maand, toen de hongersnood in de stad zwaar geworden was en er geen brood meer was voor het volk des lands, 4  werd een bres in de stadsmuur geslagen; en al de krijgslieden vluchtten des nachts door de poort tussen de beide muren bij de koninklijke tuin (de Chaldeeen nu lagen rondom tegen de stad), en sloegen de weg in naar de Vlakte. 5  Maar het leger der Chaldeeen zette de koning na en achterhaalde hem in de vlakte van Jericho; zijn gehele leger werd van hem gescheiden en verstrooid. 6  Zij grepen de koning, brachten hem naar de koning van Babel te Ribla, en men velde vonnis over hem: 7  de zonen van Sedekia bracht men voor diens ogen ter dood; en hij liet de ogen van Sedekia verblinden en hem met twee koperen ketenen binden; en men bracht hem naar Babel.. Dit gebeurde doordat hij niet naar God luisterde. 2 Kron. 36: 15,16  De Eeuwige, de God hunner vaderen, zond wel zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde Zich over zijn volk en zijn woning, maar zij bespotten de boden Gods, verachtten zijn woorden en hoonden zijn profeten, totdat de gramschap van de Eeuwige zich zozeer tegen zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was.

 

-         uw gezicht zult gij bedekken (12:6). Zo heeft volgens de overlevering Zidkiyahu zijn gezicht bedekt, beschaamd en bang om herkend te worden) toen hij Jeruzalem uitvluchtte.

 

-         en in de avond maakte ik met mijn hand een gat in de muur (12:7b). Als een vluchteling die niet het juiste gereedschap heeft en aan de andere kant ook niet gehoord wil worden bij zijn vlucht.

 

-         Zeg tot hen: zo zegt de Adonai de Eeuwige: op de vorst in Jeruzalem slaat deze GodsspraakÖ.. (12:10-14). De vorst is koning Zidkiyahu. (Drie gedeelten spreken over de vervulling ervan zie 2 Kon. 25:4, Jer. 39:1-8 (1 In het negende jaar van Sedekia, de koning van Juda, in de tiende maand, was Nebukadressar, de koning van Babel, met zijn gehele leger naar Jeruzalem gekomen om het te belegeren; 2  in het elfde jaar van Sedekia, in de vierde maand, op de negende van de maand, werd een bres in de stad geslagen; 3  toen trokken al de vorsten van de koning van Babel binnen en vatten post in de Middenpoort, Nebusazban, de hofmaarschalk, Nergal-sareser, de bewindvoerder, en al de overige vorsten van de koning van Babel. 4  Toen Sedekia, de koning van Juda, en al de krijgsbenden hen zagen, namen zij de vlucht en verlieten de stad bij nacht in de richting van de koninklijke tuin, de poort tussen de beide muren door, en zij trokken weg in de richting van de Vlakte. 5  Maar het leger der ChaldeeŽn zette hen na, en zij achterhaalden Sedekia in de vlakten van Jericho; zij namen hem gevangen en brachten hem naar Nebukadressar, de koning van Babel, te Ribla in het land van Hamat, en deze velde vonnis over hem. 6  De koning van Babel bracht de zonen van Sedekia voor diens ogen in Ribla ter dood; ook al de edelen van Juda bracht de koning van Babel ter dood; 7  en hij liet de ogen van Sedekia verblinden en boeide hem met twee koperen ketenen om hem naar Babel te voeren. 8  En het koninklijk paleis en de huizen van het volk verbrandden de ChaldeeŽn met vuur, en de muren van Jeruzalem haalden zij neer.) en Jeremia 52:1-11 (1  Eenentwintig jaar was Sedekia oud, toen hij koning werd, en elf jaar regeerde hij te Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal; zij was een dochter van Jirmeja uit Libna. 2  Hij deed wat kwaad is in de ogen van de Eeuwige, geheel zoals Jojakim gedaan had. 3  Zo kwam het door de toorn van de Eeuwige zover met Jeruzalem en Juda, dat Hij hen van zijn aangezicht verwierp. Sedekia nu kwam in opstand tegen de koning van Babel. 4  In het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, rukte Nebukadressar, de koning van Babel, zelf met zijn gehele leger tegen Jeruzalem op, sloeg het beleg erom en bouwde er een belegeringswal omheen. 5  Zo werd de stad belegerd tot het elfde jaar van koning Sedekia. 6  In de vierde maand, op de negende van de maand, toen de hongersnood in de stad zwaar geworden was en er geen brood meer was voor het volk des lands, werd een bres in de stad geslagen 7  en al de krijgslieden namen de vlucht en verlieten des nachts de stad door de poort tussen de beide muren bij de koninklijke tuin (de Chaldeeen nu lagen rondom tegen de stad) en sloegen de weg in naar de Vlakte. 8  Maar het leger der ChaldeeŽn zette de koning na en achterhaalde Sedekia in de vlakten van Jericho en zijn gehele leger werd van hem gescheiden en verstrooid. 9  Zij grepen de koning, brachten hem naar de koning van Babel te Ribla in het land van Hamat, en deze velde vonnis over hem; 10  de koning van Babel bracht de zonen van Sedekia voor diens ogen ter dood en ook al de vorsten van Juda bracht hij in Ribla ter dood; 11  en hij liet de ogen van Sedekia verblinden en hem met twee ketenen binden; en de koning van Babel bracht hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.)

 

-         Ik zal mijn net over hem uitspreiden en hij zal in mijn strik gevangen worden (12:13) Rashi legt uit dat, toen koning Zidkiyahu de stad uitvluchtte, door een grot die tot Jericho liep, Gíd een hert voor het Chaldese leger uitstuurde boven de grot heen. Toen koning Zidkiyahu de grot uitkwam, zag het leger hem en werd hij gevangen.

 

-         En daar zal hij sterven (12:13b). Uiteindelijk sterft Zidkiyahu na Nebukadressar. Na Nebukadressar sterven zou Zidkiyahu vrijgelaten zijn. Direct daarop zou hij sterven. Deze gunst zou hij hebben gekregen omdat hij Jeremia van de dood in een modderput redde. Jer. 38:1 Toen hoorden Sefatja, de zoon van Mattan, Gedalja, de zoon van Paschur, Jukal, de zoon van Selemja, en Paschur, de zoon van Malkia, de woorden, die Jeremia tot het gehele volk bleef spreken: 2  Zo zegt de Eeuwige: Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, de honger of de pest, maar wie eruit gaat naar de ChaldeeŽn, zal leven en zijn ziel als buit hebben en in leven blijven. 3  Zo zegt de Eeuwige: Voorzeker zal deze stad in de macht van het leger van de koning van Babel gegeven worden en dat zal haar innemen. 4  Toen zeiden de vorsten tot de koning: Laat deze man toch ter dood gebracht worden, want zo ontmoedigt hij de krijgslieden die in deze stad zijn overgebleven, en de gehele bevolking, door op zulk een wijze tot hen te spreken, want deze man zoekt niet het heil voor dit volk, maar het kwade. 5  Koning Sedekia zeide: Zie hij is in uw hand, want de koning vermag niets tegen u. 6  Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in de put van prins Malkia, die in de gevangenhof was, en zij lieten hem aan touwen zakken; in de put nu was geen water, maar wel slijk; en Jeremia zonk in het slijk. 7  Ebed-melek echter, de EthiopiŽr, een hoveling, die in het paleis des konings was, hoorde, dat zij Jeremia in de put hadden neergelaten (de koning nu vertoefde in de Benjaminpoort) 8  en Ebed-melek ging uit het paleis des konings en sprak tot de koning: 9  Mijn heer de koning, deze mannen hebben slecht gehandeld in alles wat zij de profeet Jeremia hebben aangedaan, dat zij hem in de put hebben geworpen; hij zou toch op de plaats zelf wel sterven van de honger, doordat er geen brood meer in de stad is. 10  Toen gebood de koning Ebed-melek, de EthiopiŽr: Neem vanhier drie mannen mee en trek de profeet Jeremia uit de put, voordat hij sterft.

 

-         Allen die hem omgeven, zijn helpers en al zijn krijgsbenden, zal Ik naar alle windstreken verstrooien, en achter hen zal Ik het zwaard trekken. (12:14). Zo is het gebeurt. Als koning Zidkiyahu het advies van Jeremia had opgevolgd was zou Jeruzalem gespaard zijn gebleven en zijn familie in leven zijn gebleven.  Jeremia 38:17-23 (17  Toen zeide Jeremia tot Sedekia: Zo zegt de Eeuwige, de God der heerscharen, de God van Israel: Indien gij vrijwillig uitgaat tot de vorsten van de koning van Babel, dan zult gij in leven blijven en zal deze stad niet met vuur verbrand worden en zult gij met uw huis in leven blijven. 18  Maar indien gij niet uitgaat tot de vorsten van de koning van Babel, dan zal deze stad in de macht der ChaldeeŽn gegeven worden en die zullen haar met vuur verbranden en gij zelf zult aan hun macht niet ontkomen. 19  Doch koning Sedekia zeide tot Jeremia: Ik ben bevreesd voor de Judeeers die naar de ChaldeeŽn zijn overgelopen, dat men mij in hun macht zal overgeven en zij de spot met mij zullen drijven. 20  Daarop zeide Jeremia: Dat zal men niet doen; hoor toch naar de stem van de Eeuwige in hetgeen ik tot u spreek, dan zal het u wel gaan en zult gij in leven blijven. 21  Maar indien gij weigert uit te gaan, dan is dit het woord, dat de Eeuwige mij heeft doen zien: 22  Zie nu, al de vrouwen die in het paleis van de koning van Juda zijn overgebleven, werden uitgeleid tot de vorsten van de koning van Babel, terwijl zij zeiden: Misleid en overweldigd hebben u de lieden, met wie gij bevriend waart; zij deden uw voeten zinken in de modder, zij weken terug! 23  Men zal dan al uw vrouwen en uw kinderen uitleiden tot de ChaldeeŽn en gij zelf zult aan hun macht niet ontkomen, maar door de hand van de koning van Babel zult gij gegrepen worden en deze stad zal met vuur verbrand worden.

 

-         Maar Ik zal van hen een klein aantal mannen het zwaard, de honger en de pest doen overleven, opdat zij al hun gruwelen vertellen onder de volken in wier gebied zij komen; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben (12:16). In Ezech. 14:22 en 23 wordt het doel nog eens uitgelegd (22 zie, dan zullen er daar overblijven, die ontkomen, die eruit geleid worden, zonen zowel als dochters; zie, zij zullen tot u uitgaan, gij zult hun handel en wandel zien en getroost worden over het onheil dat Ik over Jeruzalem heb doen komen, al wat Ik daarover heb doen komen. 23  Ja, zij zullen u troosten, wanneer gij hun handel en wandel zult zien. En gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb al wat Ik daar gedaan heb, luidt het woord van de Adonai de Eeuwige.)

 

-         Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: Mensenkind, wat is dat voor een zegswijze bij u in het land van IsraŽl: de tijd verstrijkt, maar geen enkel gezicht komt uit? DaaromÖÖ(12:21-25). In Jes. 28:22 staat een soortgelijke zegswijze: 22  Nu dan, spot niet, opdat uw banden niet nog vaster worden; want van een verdelging (en zij is vast besloten) heb ik gehoord van Adonai de Eeuwige der heerscharen, over het gehele land. 23 Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn woord!

 

-         Mensenkind, profeteer tegen de profeterende profeten IsraŽls en zeg tot hen die naar eigen inzicht profeteren: hoort het woord van de Eeuwige (13:2). De valse profeten in IsraŽl. Het resultaat van het spreken van valse profeten is dat de Naam van God (de Eeuwige) en zijn Thora worden vergeten. Jeremia 23: 26 Tot hoelang? is er iets in het hart van de profeten, die leugen profeteren en profeten zijn van de bedriegerij van hun hart; 27 die erop bedacht zijn mijn volk mijn naam te doen vergeten door hun dromen, die zij elkander vertellen, evenals hun vaderen mijn naam hebben vergeten door de Baal?. Zie ook Deut. 13:1-5 (1 Wanneer onder u een profeet optreedt of iemand, die dromen heeft, en hij u een teken of een wonder aankondigt, 2  en het teken of het wonder komt, waarover hij u gesproken heeft met de woorden: laten wij andere goden achterna lopen, die gij niet gekend hebt, en laten wij hen dienen; 3  dan zult gij naar de woorden van die profeet of van die dromer niet luisteren; want de Eeuwige, uw God, stelt u op de proef om te weten, of gij de Eeuwige, uw God, liefhebt met uw ganse hart en met uw ganse ziel. 4  De Eeuwige, uw God, zult gij volgen, Hem vrezen, zijn geboden houden en naar zijn stem luisteren: Hem zult gij dienen en aanhangen. 5  Die profeet of dromer zal ter dood gebracht worden, omdat hij afval gepredikt heeft van de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte geleid en uit het diensthuis verlost heeft; om u af te trekken van de weg, die de Eeuwige, uw God, u geboden heeft te gaan. Zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen.) en Deut. 18:9-18 (9 Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de Eeuwige, uw God, u geven zal, dan zult gij niet leren doen naar de gruwelen van die volken. 10  Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan, die waarzeggerij pleegt, geen wichelaar, uitlegger van voortekenen, of tovenaar, 11  geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt. 12  Want ieder die deze dingen doet, is de Eeuwige een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de Eeuwige, uw God, hen voor u weg. 13  Gij zult onberispelijk staan tegenover de Eeuwige, uw God; 14 want deze volken, die gij verdrijven zult, luisteren naar wichelaars en waarzeggers, maar u heeft de Eeuwige, uw God, dit niet toegelaten. 15 Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Eeuwige, uw God, u verwekken; naar hem zult gij luisteren. 16  Juist zoals gij van de Eeuwige, uw God, gevraagd hebt op Horev, op de dag der samenkomst, toen gij zeidet: Ik wil niet langer de stem van de Eeuwige, mijn God, horen en dit grote vuur niet langer zien, opdat ik niet sterve. 17  Toen zeide de Eeuwige tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben; 18  een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied. 19  De man, die niet luistert naar de woorden welke hij in mijn naam spreken zal, van die zal Ik rekenschap vragen. 20  Maar een profeet, die overmoedig genoeg is om in mijn naam een woord te spreken, dat Ik hem niet gebood te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt, die profeet zal sterven. 21  Wanneer gij nu bij uzelf mocht zeggen: Hoe onderkennen wij het woord dat de Eeuwige niet gesproken heeft? 22  Als een profeet spreekt in de naam van de Eeuwige en zijn woord wordt niet vervuld en komt niet uit, dan is dit een woord, dat de Eeuwige niet gesproken heeft; in overmoed heeft de profeet het gesproken, gij zult voor hem niet vrezen.)

 

-         Gij zijt niet op de bressen gaan staan en gij hebt geen muur opgetrokken om het huis IsraŽls (13:5a) Op de bressen gaan staan wil zeggen. Je deed geen goede daden. Muur optrekken wil zeggen. Oproepen en inspireren tot bekering zodat de oordelen niet worden uitgevoerd. Het oordeel wordt niet afgewend door een verlosser maar juist door bekering. Ongegronde haat (antisemitisme etc.) zal worden gebroken door een verlosser, de Messias.

 

-         opdat het op de dag van de Eeuwige zou kunnen standhouden in de strijd (13:5b). Als de profeten rechtvaardig waren geweest en zo goed hun werk hadden gedaan zouden ze de oordelen kunnen tegenhouden.

 

-         Bedrieglijke dingen en leugenachtige waarzeggerij hebben zij geschouwd, (13:6) Zoals in Jes. 58:1-5 (1 Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin en maak mijn volk zijn overtreding bekend en het huis van Jakob zijn zonden. 2  Wel zoeken zij Mij dag aan dag en hebben zij een welgevallen aan de kennis mijner wegen, als een volk dat gerechtigheid doet en het recht van zijn God niet veronachtzaamt. Zij vragen Mij rechtvaardige verordeningen, zij hebben er een welgevallen aan tot God te naderen. 3 Waarom vasten wij, als Gij er toch niet op let: verootmoedigen wij ons, als Gij er toch geen acht op slaat? Zie, op uw vastendag doet gij zaken en drijft gij al uw arbeiders aan. 4  Zie, tot twist en tot strijd vast gij en om te slaan met snode vuist; gij vast heden niet om uw stem in den hoge te doen horen. 5  Zou dit het vasten zijn, dat Ik verkies, een dag, waarop de mens zichzelf verootmoedigt: dat hij zijn hoofd laat hangen als een bieze en zich rouwgewaad en as tot een leger spreidt? Noemt gij dat een vasten, dat een dag die de Eeuwige welgevallig is?) 

 

-         Mijn hand zal zijn tegen de profeten die bedrieglijke dingen schouwen en leugen waarzeggen; tot de kring van mijn volk zullen zij niet behoren, in het boek van het huis IsraŽls niet ingeschreven worden, en in het land IsraŽls niet komen, en gij zult weten, dat Ik Adonai de Eeuwige ben (13:9)  Aanhaling uit de Mishna Talmud Ketubot 112a. EzechiŽl neemt dit gedeelte uit de mondelinge Thora over als woord van Gíd evenals Jeremia Jer. 17: 20-23  ďHoort het woord van de Eeuwige, gij koningen van Juda en geheel Juda en al gij inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten binnenkomt; 21  zo zegt de Eeuwige: Hoedt u ervoor, om uws levens wil, dat gij op de sabbatdag geen last draagt en door de poorten van Jeruzalem binnenbrengt. 22  Ook zult gij op de sabbatdag geen last naar buiten brengen uit uw huizen of enigerlei werk doen; gij zult de sabbatdag heiligen, gelijk Ik aan uw vaderen geboden heb. 23  Doch zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigdĒ Vers 21 is ook een instructie uit de mondelinge Thora.

 

-         Als het een muur bouwt, zie, dan bepleisteren zij die met kalk; (13:10b). Een muur van losse stenen op elkaar (zonder Ďcement met stroí). Met los kalk erover zodat het ontbreken van cement met stro niet wordt gezien.

 

-         Gij ontheiligt Mij bij mijn volk voor handen vol gerst en voor brokken brood, om zielen te doden die niet sterven moesten (13:19a). Voor de valse profetieŽn werden de valse profeten betaald. Daar leefden ze van. Voor deze betalingen ruÔneerden zij de levens van hun raadplegers.

 

-         Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, zie, Ik keer Mij tegen uw toverbanden, waarmee gij de zielen laat vliegen. (13:20). Laat vliegen naar het dodenrijk Gehinnom (Rashi). 

 

-         en de handen van de goddeloze gesterkt hebt (13:22). De valse profeten bevestigden de goddelozen in de goddeloze dingen die ze deden en moedigden hen aan om door te gaan.

 

EzechiŽl hoofdpagina

EzechiŽl hoofdstuk   1 - 3

EzechiŽl hoofdstuk   4 - 6

EzechiŽl hoofdstuk   7 - 9

EzechiŽl hoofdstuk 10 - 11

EzechiŽl hoofdstuk 14 - 15

EzechiŽl hoofdstuk 16 - 17

EzechiŽl hoofdstuk 18 - 20

 

Start ] Omhoog ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021