EzechiŽl 16-17

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

  Er uit gelicht

16:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, doe Jeruzalem haar gruwelen kennen 3  en zeg: zo spreekt Adonai de Eeuwige tot Jeruzalem: gij zijt naar afkomst en geboorte uit het land der Kanašnieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethitische. 4  Wat uw geboorte aangaat: toen gij geboren waart, werd uw navelstreng niet afgesneden en werd gij niet tot uw reiniging met water gewassen; ook werd gij niet met zout ingewreven noch in windsels gewikkeld. 5  Geen oog zag met ontferming op u neer om uit mededogen een dezer dingen aan u te doen, maar gij werdt weggeworpen op het veld, omdat men geen waarde hechtte aan uw leven, toen gij geboren waart. 6 Toen kwam Ik voorbij u, en Ik zag u trappelen in het bloed van uw geboorte en Ik zeide tot u, in uw bloed: leef; ja, Ik zeide tot u, in uw bloed: leef. 7  Ik deed u opgroeien als het veldgewas, gij groeidet op en werdt groot en kwaamt tot volle schoonheid; uw borsten werden vast en uw haar groeide; maar gij waart naakt en bloot. 8  Toen kwam Ik voorbij u en zag u, en zie, de tijd der liefde was voor u gekomen; Ik spreidde de slip van mijn kleed over u en bedekte uw naaktheid, Ik ging onder ede een verbond met u aan, luidt het woord van Adonai de Eeuwige; zo werdt gij de mijne. 9  Toen wies Ik u met water, spoelde het bloed van u af en zalfde u met olie. 10  Ik bekleedde u met een kleurig geborduurd gewaad, schoeide u met het kostbaarste leder, wond u een fijn linnen hoofddoek om en hulde u in zijde. 11 Ik tooide u met sieraden, deed armbanden aan uw armen en een keten om uw hals. 12  Ik gaf u een ring voor uw neus, oorringen voor uw oren en een sierlijke kroon op het hoofd. 13  Gij tooidet u met goud en zilver, uw kleding was fijn linnen en zijde en kleurig geborduurd gewaad. Gij at fijn meel, honig en olie, en gij werdt uitermate schoon, ja, het koningschap waardig. 14 Zo ging er een roep van u uit onder de volken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt, dank zij de sieraden waarmee Ik u getooid had, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 15 Maar gij hebt op uw schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd, trots op uw faam, en gij hebt aan iedere voorbijganger uw ontucht opgedrongen: het zou voor hem zijn. 16  Gij hebt van uw klederen genomen, de hoogten kleurig gemaakt en daarop ontucht gepleegd; nooit is zo iets voorgekomen en nooit zal het weer geschieden. 17  Ook hebt gij uw sieraden van goud en zilver, dat Ik u gegeven had, genomen en u daarvan mansbeelden gemaakt en daarmee ontucht gepleegd. 18  Gij hebt uw kleurig geborduurde gewaden genomen en hen daarin gehuld; mijn olie en mijn reukwerk hebt gij hun voorgezet. 19  De spijze die Ik u gegeven had (fijn meel, olie en honig gaf Ik u te eten) hebt gij hun tot een liefelijke reuk voorgezet. Zelfs is het zover gekomen luidt het woord van Adonai de Eeuwige, 20  dat gij de zonen en dochters die gij Mij gebaard hadt, genomen en ten offer gebracht hebt, hun tot spijze. Was uw ontucht niet voldoende, 21  dat gij ook mijn zonen geslacht hebt en die hebt overgegeven door ze voor hen te verbranden? 22  Bij al uw gruwelen en uw ontucht hebt gij niet gedacht aan de dagen van uw jeugd, toen gij naakt en bloot waart en laagt te trappelen in uw bloed. 23  En na al uw boosheid (wee, wee u! luidt het woord van Adonai de Eeuwige) 24  hebt gij u een verhoging gebouwd en een verhevenheid op elk plein gemaakt. 25  Op elk kruispunt hebt gij uw verhevenheid gebouwd, uw schoonheid weggeschonken, u aan iedere voorbijganger schaamteloos aangeboden en veel ontucht gepleegd. 26  Ook hebt gij ontucht gepleegd met de Egyptenaren, uw wellustige naburen; veel ontucht hebt gij gepleegd, waarmee gij Mij hebt gekrenkt. 27  Maar zie, Ik heb mijn hand tegen u uitgestrekt, het u toegewezen deel verkleind en u overgegeven aan het goeddunken van wie u haten: de dochters der Filistijnen, die zich schamen over uw schandelijke levenswijze. 28  Bovendien hebt gij ontucht gepleegd met de Assyriers, omdat gij niet te bevredigen waart; ja, gij hebt ontucht met hen gepleegd en toch zijt gij niet bevredigd geworden. 29  Eveneens hebt gij veel ontucht gepleegd met het handelsland Chaldea, maar ook daardoor werdt gij niet bevredigd. 30  Hoe werdt gij door hartstocht verteerd, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, dat gij dit alles gedaan hebt, het werk van een brutale hoer, 31  dat gij uw verhoging gebouwd hebt op elk kruispunt en uw verhevenheid gemaakt op elk plein. Toch hebt gij u zelfs niet als een hoer gedragen, omdat gij het loon van een hoer versmaaddet. 32  Zoín overspelige vrouw, die vreemden aanhaalt, terwijl zij gehuwd is! 33  Aan alle hoeren geeft men geschenken, maar gij gaaft zelf geschenken aan al uw minnaars en loktet hen daarmee om van alle kanten naar u toe te komen en ontucht met u te plegen. 34  Zo was het bij u in uw ontucht juist omgekeerd als bij andere vrouwen; want men liep u niet als hoer achterna, maar, terwijl gij zelf het loon van een hoer gaaft, werd er aan u geen gegeven. Zo was het met u juist omgekeerd. 35 Daarom, hoer, hoor het woord van de Eeuwige. 36  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Omdat uw eer prijsgegeven en uw schaamte ontbloot werd bij uw ontucht met uw minnaars en met al uw gruwelijke afgoden, en om het bloed uwer zonen die gij hun gegeven hebt, 37  daarom zie, Ik ga al de minnaars die gij behaagd hebt, bijeenbrengen, allen die gij hebt liefgehad zowel als allen van wie gij een afkeer gekregen hebt: Ik zal hen van alle kanten tegen u bijeenbrengen en Ik zal uw schaamte voor hen ontbloten, zodat zij heel uw schaamte zien. 38  Ik zal u richten naar wat men met overspeelsters en bloedvergietsters pleegt te doen; Ik zal u maken tot een voorwerp van bloedige grimmigheid en naijver. 39  Ik zal u in hun macht overgeven, zij zullen uw verhoging neerhalen en uw verheven plaatsen slechten, zij zullen u uw klederen uittrekken, uw sieraden wegnemen en u naakt en bloot doen staan. 40  Zij zullen een menigte tegen u doen optrekken, die u zal stenigen en met zwaarden neerhouwen, 41  en ook uw huizen met vuur zal verbranden en gerichten aan u voltrekken ten aanschouwen van vele vrouwen. Ik zal u met de ontucht doen ophouden, en ook het loon van een hoer zult gij niet meer geven. 42  Daardoor zal Ik mijn grimmigheid tegen u tot bedaren doen komen en mijn naijver zal van u wijken; dan zal Ik tot rust komen en niet langer vertoornd zijn. 43  Omdat gij niet gedacht hebt aan de dagen van uw jeugd, maar door dit alles Mij tot toorn geprikkeld heb, zal Ik uw wandel op uw hoofd doen neerkomen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. Want hebt gij niet naast al uw gruwelen deze schandelijke ontucht bedreven? 44 Zie, iedere spreukendichter zal over u deze spreuk gebruiken: zo moeder, zo dochter. 45  Gij zijt de dochter van uw moeder, die een afkeer had van haar man en haar zonen, gij zijt de zuster uwer zusters, die een afkeer hadden van haar mannen en zonen. Uw moeder was een Hethitische en uw vader een Amoriet. 46 Uw grote zuster was Samaria, die met haar dochters ten noorden van u woonde; en uw kleine zuster die ten zuiden van u woonde, was Sodom met haar dochters. 47  Maar gij hebt zelfs niet gewandeld in haar wegen en naar haar gruwelen gedaan; het duurde niet lang, of gij waart erger dan zij in heel uw gedrag. 48  Zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, voorzeker, uw zuster Sodom, samen met haar dochters, heeft niet gedaan wat gij gedaan hebt, samen met uw dochters. 49  Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: in trots, overdaad en zorgeloze rust leefde zij met haar dochters zonder de ellendige en de arme te ondersteunen. 50  Verwaten waren zij en bedreven gruwelen voor mijn aangezicht. Daarom vaagde Ik ze weg, zodra Ik het zag. 51  En Samaria heeft nog niet de helft van uw zonden bedreven; gij hebt meer gruwelen gedaan dan zij. Zo hebt gij uw zuster onschuldig doen schijnen door al de gruwelen die gij bedreven hebt. 52  Draag dan uw schande, gij die het oordeel over uw zusters gunstiger hebt doen worden; door uw zonden, waarin gij gruwelijker hebt gehandeld dan zij, zijn zij minder schuldig dan gij. Schaam u dan en draag uw schande, omdat gij uw zusters onschuldig hebt doen schijnen. 53  En Ik zal een keer brengen in haar lot, het lot van Sodom en haar dochters en het lot van Samaria en haar dochters; en tevens zal Ik een keer brengen in uw lot, 54 opdat gij uw schande draagt en u beschaamd gevoelt over alles wat gij gedaan hebt, waardoor gij haar troost hebt verschaft. 55  Uw zusters, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren tot haar vorige staat; Samaria en haar dochters zullen terugkeren tot haar vorige staat; en gij en uw dochters zult eveneens terugkeren tot uw vorige staat. 56  Evenals de naam van uw zuster Sodom nooit over uw lippen kwam ten dage van uw trots, 57  voordat uw verdorvenheid openbaar werd, zo is het nu de tijd, waarop gij een voorwerp van smaad zijt voor de dochters van Aram en al zijn naburen, voor de dochters der Filistijnen, die leedvermaak over u hebben, overal om u heen. 58  Uw schanddaden en uw gruwelen, hebt gij gedragen, luidt het woord van de Eeuwige. 59  Want, zo zegt Adonai de Eeuwige: Ik zal u doen, zoals gij gedaan hebt, die de eed gering hebt geacht door het verbond te verbreken. 60  Maar ik zal mijn verbond met u uit de dagen van uw jeugd gedenken, en een eeuwig verbond met u oprichten. 61  Dan zult gij terugdenken aan uw gedrag en u schamen, wanneer gij zowel uw grote als uw kleine zusters zult ontvangen, en Ik u die tot dochters geven zal, hoewel niet op grond van het met u gesloten verbond. 62  Ik zal mijn verbond met u oprichten; en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben, 63  opdat gij de herinnering bewaart en u schaamt en gij wegens uw schande uw mond niet meer opendoet, wanneer Ik vergeven heb alles wat gij gedaan hebt, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.

17:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, geef een raadsel op, leg een gelijkenis voor aan het huis IsraŽls 3  en zeg: Zo zegt Adonai de Eeuwige: de grote arend met machtige vleugels, breed van vlucht, rijk aan slagpennen, en veelkleurig, kwam naar de Libanon en rukte de top van een ceder af. 4  Het bovenste van de jonge takjes brak hij af en bracht het naar een handelsland; hij legde het neer in een stad van kooplieden. 5  Toen nam hij een der spruiten van het land, plantte die in een zaaiveld, waar veel water was, zette die uit als een wilg, 6  zodat hij uitsproot en tot een breedvertakte wijnstok werd, laag groeiend, opdat naar hem zijn ranken gekeerd zouden zijn, en zijn wortels onder hem zouden blijven; zo werd hij tot een wijnstok, maakte takken en schoot twijgen. 7  Maar er was nog een andere grote arend met machtige vleugels en veel slagpennen. En zie, de wijnstok strekte zijn wortels naar hem uit en deed zijn ranken naar hem toegroeien, opdat deze hem zou drenken en niet het bed waarop hij geplant was. 8  Toch was hij geplant op een goed veld, waar rijkelijk water was, om ranken te schieten en vrucht te dragen en een prachtige wijnstok te worden. 9  Zeg: Zo zegt Adonai de Eeuwige: zal dat gelukken? Zal men niet zijn wortels uitrukken en zijn vrucht aftrekken, zodat al zijn uitgesproten bladeren verdorren? Hij zal verdorren en noch een sterke arm noch veel volk zal er nodig zijn om hem van zijn wortels af te rukken. 10  Want zie, hij is wel geplant, maar zal het gelukken? Zal hij niet geheel verdorren, als de oostenwind hem aanraakt, verdorren op het bed waarop hij uitgesproten is? 11  En het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 12  Zeg toch tot het weerspannige geslacht: weet gij niet, wat dit betekent? Zeg dan: zie, de koning van Babel kwam te Jeruzalem, nam er de koning en de vorsten weg en voerde ze naar Babel te zijnent. 13  Vervolgens nam hij een lid van het koninklijke geslacht, sloot een verbond met hem en deed hem een eed zweren; ook nam hij de machtigen des lands weg. 14  Zo zou het een onbeduidend koninkrijk zijn en het hoofd niet kunnen opsteken, maar het verbond moeten houden om te blijven bestaan. 15  Maar hij kwam in opstand tegen hem door boden naar Egypte te zenden, opdat dit hem paarden en veel krijgsvolk zou leveren. Zal dat hem gelukken? Zou wie zo iets doet, ontkomen? Zou hij het verbond verbreken en ontkomen? 16  Zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, in de woonplaats van de koning, die hem tot koning gemaakt heeft, jegens wie hij de eed veracht en het verbond verbroken heeft, bij hem, in Babel zal hij sterven. 17  Ook zal Farao niet met een grote legermacht en een talrijke schare hem bijstaan in de strijd, wanneer men een wal opwerpt en een schans bouwt om velen van het leven te beroven. 18  Ja, hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken; zie, hoewel hij er de hand op gegeven had, heeft hij dat alles toch gedaan; hij zal niet ontkomen. 19  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, zo waar Ik leef, de eed, bij Mij gezworen, die hij veracht, en het verbond, in mijn naam gesloten, dat hij verbroken heeft, zal Ik op zijn hoofd doen neerkomen. 20  Ik zal mijn net over hem uitspreiden, en hij zal in mijn strik gevangen worden, Ik zal hem naar Babel voeren en daar met hem in het gericht treden wegens de ontrouw die hij jegens Mij gepleegd heeft. 21  Alle vluchtelingen van al zijn krijgsbenden zullen door het zwaard vallen, en de overblijvenden zullen naar alle windstreken uiteengedreven worden. En gij zult weten, dat Ik, de Eeuwige, het gesproken heb. 22 Zo zegt Adonai de Eeuwige: Dan zal Ik zelf van de top van de hoge ceder een twijgje nemen en dat in de grond zetten; van de bovenste der jonge takjes zal Ik een twijgje plukken en Ik zelf zal dat planten op een hoge en verheven berg; 23  op de hoge berg IsraŽls zal Ik het planten, en het zal takken dragen, vrucht voortbrengen en tot een prachtige ceder worden. En allerhande vogels van allerlei gevederte zullen onder hem wonen; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen. 24  Alle bomen des velds zullen weten, dat Ik, de Eeuwige, de hoge boom vernederd en de nederige verhoogd heb, de sappige boom heb doen verdorren en de dorre heb doen uitspruiten. Ik, de Eeuwige, heb het gesproken en Ik zal het doen.

 

 

 

Eruit gelicht:

 

-         doe Jeruzalem haar gruwelen kennen (16:1). Het hele volk is verantwoordelijk voor de situatie. De plegers van zonden en de Ďtoekijkersí die er niets tegen doen.

 

-         uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethitische (16:3b). De uitleggers geven er verschillende uitleg aan; De meesten gaan ervan uit dat het betekend: In jullie daden lijk je een product van Kanašnitische opvoeding als of je daar geboren bent. De volken die er woonden zijn verwijderd vanwege hun daden en nu handelt het volk IsraŽl hetzelfde.

 

-         Wat uw geboorte aangaatÖÖ. en Ik zeide tot u, in uw bloed: leef; ja, Ik zeide tot u, in uw bloed: leef.  (16:4-8). Beeld van IsraŽl in Egypte en van de uittocht uit Egypte.

 

-         Ik deed u opgroeien als het veldgewas, gij groeidet op en werdt groot (16:7a) Zie Ex. 1:7 De IsraŽlieten nu waren vruchtbaar en breidden zich snel uit; zij vermenigvuldigden zich en werden uitermate talrijk, zodat het land met hen vervuld werd. En Deut. 26:5 Daarna zult gij voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, betuigen: Een zwervende ArameeŽr was mijn vader; hij trok met weinige mannen naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling, maar werd er tot een groot, machtig en talrijk volk.

 

-         gij groeidet op en werdt groot en kwaamt tot volle schoonheid; uw borsten werden vast en uw haar groeide; maar gij waart naakt en bloot (16:7b). IsraŽl werd volwassen maar was nog zonder geboden, zonder Thora. God heeft hen als eerste de besnijdenis en Pesach gegeven, beide Ďbloedigeí instructies. Zie ook Zach. 9:11 Ook laat Ik ter wille van uw eigen verbondsbloed de gevangenen onder u vrij uit de put, waarin geen water is.

 

-         Toen kwam Ik voorbij u en zag u, en zie, de tijd der liefde was voor u gekomen; (16:8a). Toen God zich aan MoshŤ openbaarde bij de brandende doornstruik.

 

-         Ik spreidde de slip van mijn kleed over u (16:8b). Zie Ex. 6:7a íIk zal Mij u tot een volk aannemení en Ruth 3:9  ĎEn hij vroeg: Wie zijt gij? Zij antwoordde: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd: spreid uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want gij zijt de losser.í

 

-         Ik ging onder ede een verbond met u aan, luidt het woord van Adonai de Eeuwige; (16:8c) Het onder ede; zie Gen. 22:16  Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord van de Eeuwige: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, 17  zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. En verder met betrekking tot het verbond aangaan zie Ex. 24:8 Toen nam Mozes het bloed en sprengde het op het volk en hij zeide: Zie, het bloed van het verbond dat de Eeuwige met u sluit, op grond van al deze woorden.

 

-         zo werd gij de mijne (16:8d) Ziet op Deut. 27: 9  Ook spraken MoshŤ en de levitische priesters tot geheel IsraŽl: Zwijg, IsraŽl, en luister. Heden zijt gij geworden tot het volk van de Eeuwige, uw God.

 

-         Toen (16:9a) Hier is een omslagpunt. Nu (16:9-12) worden er er dertien Ďversieringení beschreven waar God IsraŽl mee bedekte. ĎWies Ik u met waterí (16:9b). Om de vuilheid van de afgodendienst af te wassen. ĎSpoelde het bloed van u afí (16:9c.) Dat is het bloed van Pesach en van de besnijdenis. Ďen zalfde u met olieí (16:9d). Dat is de olie waarmee de priesters en de Tabernakel met al zijn onderdelen werd gezalfd. Zie Ex. 30:26-31 Ď26  Gij zult daarmede zalven de tent der samenkomst en de ark der getuigenis, 27  de tafel met al haar gerei, de kandelaar met al zijn gerei, en het reukofferaltaar; 28  het brandofferaltaar met al zijn gerei, het wasvat met zijn voetstuk. 29  Gij zult ze heiligen, zodat zij allerheiligst zijn; ieder die ze aanraakt, zal heilig zijn. 30  Ook Aharon en zijn zonen zult gij zalven en heiligen om voor Mij het priesterambt te bekleden. 31 En tot de IsraŽlieten zult gij spreken: Dit is voor Mij een heilige zalfolie van geslacht tot geslacht.í Het totale vers ziet op de uittocht uit Egypte.

 

-         ĎIk bekleedde u met een kleurig geborduurd gewaadí (16:10a) Ziet op het ontvangen van de Thora en op de kleurige kleden van de Tabernakel. ĎSchoeide u met het kostbaarste lederí (16:10b). Ziet op het Tachas leer wat de tabernakel bedekte. ĎWond u een fijn linnen hoofddoek omí (16:10c) Ziet op de linnen kleding van de Kohaniem, de priesters. Ďen hulde u in zijdeí (16:10d). God maakte hen betekenisvol in de wereld (betekenisvol (smm) en zijde (ysm) hebben dezelfde letters in het hebreeuws). Verder ziet het op de wolkkolom waar ze door geleid werden. Exodus 40:36  Wanneer de wolk zich bewoog van boven de tabernakel, braken de IsraŽlieten op, op al hun tochten. Ook hier hebben bewegen (symy) en zijde (ysm) dezelfde letters. Het totale vers heeft de betekenis dat God uit het volk priesters en een hogepriester voor Hemzelf aanstelde die Hem uit alle volken zouden dienen.

 

-         ĎIk tooide u met sieradení (16:11a). Ze kregen allerlei sierraden. Ex. 12: 35,36a  Voorts deden de Israelieten naar het woord van Mozes en vroegen van de Egyptenaren zilveren en gouden voorwerpen en klederen. En de Eeuwige bewerkte, dat de Egyptenaren het volk gunstig gezind waren, zodat zij hun verzoek inwilligden. Psalmen 105:37  ĎHij voerde hen uit met zilver en goud, en er was in hun stammen niemand die struikeldeí. Ďdeed armbanden aan uw armen (16:11b). Ziet op de twee stenen tafels waar de tien geboden op stondení. Ďen een keten om uw halsí (16:11c). Ziet op de Thora(rol) die ze hebben gekregen. Het totale vers heeft er de betekenis van dat IsraŽl stevig stond door de woorden van de Thora, die op 2 stenen tabletten stonden, en doordat Hij ze geheiligd had met de heiligheid van Zijn Naam.

 

-         ĎIk gaf u een ring voor uw neusí (16:12a) Zie Hooglied 7:5b Ďuw neus is als de toren van de Libanoní.  Ďoorringen voor uw orení (16:12b). Dat zijn de tien geboden die als het ware in IsraŽlís oren geplant zijn. Ďeen sierlijke kroon op het hoofdí (16:12c). Dat ziet op de Shechina, de glorie van God die op het volk geplaatst werd.  Micha 2:13 13  De doorbreker trekt voor hen op; zij breken door en trekken door de poort en gaan daardoor uit; en hun koning trekt voor hen uit, en de Eeuwige aan/op hun hoofd. Het totale vers ziet op het plaatsen van de Ark tussen het volk met de Shechina van God.

 

-         Gij tooidet u met goud en zilver, uw kleding was fijn linnen en zijde en kleurig geborduurd gewaad. Gij at fijn meel, honig en olie, en gij werdt uitermate schoon, ja, het koningschap waardig (16:13). God plaatste zijn sierlijke tabernakel tussen het volk. Het volk werd rijk en sterk, zo sterk dat het alle koninkrijken te boven ging. Het wrange is dat IsraŽl met de tempelschatten verbondsbetalingen deed. Ze betaalden anderen om het tot bondgenoot te maken. Ze stelden dus met de tempelschatten (die voor Gíd bestemd waren) hun vertrouwen anderen.

 

-         Ö.en gij werdt uitermate schoonÖ (16:13b) Gíd spreekt over IsraŽl als een man over zijn eigen vrouw. Zo diep en liefdevol was die relatie

 

-         Zo ging er een roep van u (16:14). Overal waren zij beroemd vanwege Gods heerlijkheid die op het volk rustte. Dit kwam tot uiting met name tijdens de regeringsperiodes van koning David en koning Salomo.

 

-         Maar gij hebt op uw schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd (16:15). Komt overeen met Deut. 32:15 Toen werd Jesurun vet, en sloeg achteruit, vet werd gij, dik en vet gemest, en hij verwierp God, die hem gemaakt had, hij minachtte de Rots van zijn heil.

 

-         De spijze die Ik u gegeven had (fijn meel, olie en honig gaf Ik u te eten) hebt gij hun tot een liefelijke reuk voorgezet (16:19). Zoals het manna dat voor het Gouden Kalf werd gezet (volgens de overlevering). Zie ook Neh. 9:18-20 18  Zelfs toen zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden en zeiden: dit is uw god, die u uit Egypte heeft gevoerd, en, toen zij grote wandaden bedreven, 19 hebt Gij toch in uw grote barmhartigheid hen niet in de woestijn verlaten. De wolkkolom week niet van boven hen des daags, om hen op de weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts, om hun op de weg die zij gingen, licht te geven. 20  En Gij hebt hun uw goede Geest gegeven, om hen te onderrichten, en uw manna hebt Gij aan hun mond niet onthouden, en Gij hebt hun water gegeven voor hun dorst.

 

-         dat gij de zonen en dochters die gij Mij gebaard hadt, genomen en ten offer gebracht hebt, hun tot spijze (16:20). Het was zo dat in die tijd juist de kinderen (veelal de eerstgeborenen) die thora studeerden of zouden moeten studeren in een gezin aan de Moloch werden geofferd.

 

-         Ook hebt gij ontucht gepleegd met de Egyptenaren (16:26). Door een verbond aan te gaan met Egypte kwamen ze onder hun afgodische ideeŽn en invloed. Dat begon al ten tijde van Salomo 1 Kon. 3:1 En Salomo verzwagerde zich met Farao, de koning van Egypte; hij nam namelijk Faraoís dochter en bracht haar in de stad Davids, totdat hij de bouw van zijn huis en van het huis van de Eeuwige en van de muur rondom Jeruzalem voltooid zou hebben.

 

-         de dochters der Filistijnen, die zich schamen over uw schandelijke levenswijze. (16:27b). Israel was producent van vele afgodsbeelden die over de hele wereld gingen. Zie ook Deut. 32: 16  Zij verwekten Hem tot naijver door vreemde goden, met gruwelen krenkten zij Hem; 17  zij offerden aan de boze geesten, die geen goden zijn, aan goden, die zij niet hebben gekend, nieuwe goden, die kort tevoren opgekomen waren, voor welke uw vaderen niet gehuiverd hadden.

 

-         ja, gij hebt ontucht met hen gepleegd en toch zijt gij niet bevredigd geworden. (16:28). De Targum (de vertaling van de Tenach in de spreektaal Aramees) vertaalt het zo: Je dwaalde af naar de AssyriŽrs omdat je de Thora niet kende en je dwaalde met hen mee en kende geen berouw.

 

-         ontucht gepleegd met het handelsland Chaldea (16:29). Chaldea was in die tijd een belangrijk handelscentrum.

 

-         dat gij uw verhoging gebouwd hebt op elk kruispunt en uw verhevenheid gemaakt op elk plein (16:31) Zie ook 2 Kon.17:9  De IsraŽlieten hadden bedacht wat tegenover de Eeuwige, hun God, niet recht was: zij hadden zich offerhoogten gebouwd in al hun steden, van de wachttoren af tot de versterkte stad toe; 10  en zij hadden zich gewijde stenen opgericht en gewijde palen op elke hoge heuvel en onder elke groene boom. 11  Daar, op alle hoogten, hadden zij offers gebracht, evenals de volken die de Eeuwige voor hun aangezicht had weggevoerd; zij hadden slechte dingen gedaan en daardoor de Eeuwige gekrenkt; 12  zij hadden afgodendienst bedreven, waarvan de Eeuwige tot hen gezegd had: Zo iets zult gij niet doen.

 

-         maar gij gaaft zelf geschenken aan al uw minnaars en loktet hen daarmee (16:33). Normaal blijft een volk trouw aan zijn eigen goden. IsraŽl ging zelf op zoek naar afgoden van buiten IsraŽl. Ook betaalden ze geld aan andere landen om in een goed blaadje bij hen te komen.

 

-         Ik zal u richtenÖ..Omdat gij niet gedacht hebt aan de dagen van uw jeugd (16:38-43) God had het volk uit Egypte bevrijd om Hem te dienen. Daar hadden ze constant aan moeten denken. Ex. 13:9 Het zal u zijn als een teken op uw hand en als een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet van de Eeuwige in uw mond zij;  want met een sterke hand heeft de Eeuwige u uit Egypte geleid.  Doordat ze dat juist niet gedaan hebben  en zich niet hebben bekeerd komen de oordelen van God over hen.

 

-         en ook uw huizen met vuur zal verbranden en gerichten aan u voltrekken (16:43) Voorzegging van wat door Nebukadnessar is voltrokken. 2 Kon. 25: 9  en verbrandde het huis van de Eeuwige en het koninklijk paleis; alle huizen in Jeruzalem, althans alle huizen der aanzienlijken, verbrandde hij met vuur.

 

-         Gij zijt de dochter van uw moeder, die een afkeer had van haar man (16:45) Letterlijk staat er: Je bent je moeders dochter die haar man en kinderen uitspuwt, je bent de zus van je zus die haar man en kinderen uitspuwt alsof je moeder een Hethitische wasÖÖ Ze zijn hetzelfde als de vorige inwoners van het land de Kanašnieten. Zij werden verwijdert vanwege hun zonden. Het land tolereert geen zonde en spuugt zijn inwoners uit. Ook nu weer. Zie Lev. 18:25 Het land toch werd verontreinigd en Ik vergold daaraan zijn ongerechtigheid, zodat het land zijn inwoners uitspuwde.

 

-         Uw grote zuster was Samaria, die met haar dochters ten noorden van u woonde; en uw kleine zuster die ten zuiden van u woonde, was Sodom met haar dochtersÖ... (16:46-52) Jehoeda, het 2-stammenrijk wordt nu vergeleken met Samaria, het 10-stammenrijk en met Sodom. Jehoeda staat er slechter voor als Samaria. Jehoeda had namelijk het voorbeeld van hun val waaruit ze zouden kunnen leren. Samaria had dat voorbeeld niet. Zie wat dat betreft ook Jeremia 3:11 (En de Eeuwige zeide tot mij: Afkerig IsraŽl, heeft zich gerechtvaardigd boven trouweloos Jehoeda.). Ook slechter als Sodom. Sodom was niet aanwezig bij het ontvangen van de Thora. Sodom heeft Gíds tempel niet in haar midden gehad en zij kenden David en Salomo niet.

 

-         En Ik zal een keer brengen in haar lot, het lot van Sodom en haar dochters en het lot van Samaria en haar dochters; en tevens zal Ik een keer brengen in uw lot (16:53). Gíd zal een keer brengen in het lot van Jehoeda, Samaria en Sodom. Dit is nog niet gebeurd en zal gebeuren. Dat is de tijd van de Messias. Jer. 23: 5,6  Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. In zijn dagen zal Juda behouden worden en IsraŽl veilig wonen; en dit is zijn naam, waarmede men hem zal noemen: de Eeuwige is onze gerechtigheid.

 

-         Uw schanddaden en uw gruwelen, hebt gij gedragen, luidt het woord van de Eeuwige. Want, zo zegt Adonai de Eeuwige: Ik zal u doen, zoals gij gedaan hebt, die de eed gering hebt geacht door het verbond te verbreken (16:58,59) De straf die het volk kreeg vanwege hun zonden (en van hun voorvaders) (Zie Deut. 27 en 28) zullen ze hebben gedragen (en aan hebben voldaan). De oordelen die volgde waren een gevolg van het verbreken van het verbond. Zie ook Jer. 46: 27 Vrees gij dan niet, mijn knecht Jakob, en wees niet verschrikt, o IsraŽl, want zie, Ik verlos u uit verre streken, uw nakomelingen uit het land hunner gevangenschap; Jakob zal terugkeren en rustig en veilig zijn, door niemand opgeschrikt.  28  Vrees gij niet, mijn knecht Jakob, luidt het woord van de Eeuwige, want Ik ben met u; want Ik zal met alle volken,  waaronder Ik u verstrooid heb, voorgoed afrekenen, maar met u zal Ik niet voorgoed afrekenen, doch Ik zal naar recht u tuchtigen, al zal Ik u zeker niet vrij laten uitgaan.  Jes. 40: 2  Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept het toe, dat zijn lijdenstijd volbracht is, dat zijn ongerechtigheid geboet is, dat het uit de hand des HEREN dubbel ontvangen heeft voor al zijn zonden.

 

-         Maar ik zal mijn verbond met u uit de dagen van uw jeugd gedenken, en een eeuwig verbond met u oprichten (16:60). Gíd zal van Zijn kant het verbond niet vergeten en het vernieuwen. Het blijft tot in eeuwigheid vast. Zie ook Jer. 2:2  Ga, predik ten aanhoren van Jeruzalem: Zo zegt de Eeuwige: Ik gedenk de genegenheid van uw jeugd, de liefde van uw bruidstijd, toen gij Mij gevolgd waart in de woestijn, in onbezaaid land; 

 

-         Zo zegt Adonai de Eeuwige: de grote arend met machtige vleugels, breed van vlucht, rijk aan slagpennen, en veelkleurig, kwam naar de Libanon (17:3). Een beeld van Nebukadnessar, de wereldveroveraar. Libanon is hier een beeld van Juda en specifiek de berg Zion (zie 17:12).

 

-         Het bovenste van de jonge takjes brak hij af en bracht het naar een handelsland (17:4a). Ziet op Jehoyachin die op 18 jarige leeftijd in ballingschap ging. 2 Kon. 24: 8 -13  8  Jojakin was achttien jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. Zijn moeder heette Nechusta; zij was een dochter van Elnatan uit Jeruzalem. 9  Hij deed wat kwaad is in de ogen van de Eeuwige, geheel zoals zijn vader gedaan had. 10  Te dien tijde trokken de knechten van Nebukadnessar, de koning van Babel, tegen Jeruzalem op; en de stad werd belegerd. 11  Nebukadnessar, de koning van Babel, kwam zelf voor de stad, terwijl zijn knechten haar belegerden. 12  Toen ging Jojakin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en zijn hovelingen. En de koning van Babel nam hem gevangen, in het achtste jaar van zijn regering. 13  Hij voerde vandaar weg al de schatten van het huis van de Eeuwige en die van het koninklijk paleis; en van alles wat Salomo, de koning van IsraŽl, gemaakt had in de tempel van de Eeuwige, haalde hij het goud af, zoals de Eeuwige gesproken had.

 

-         Toen nam hij een der spruiten van het land, plantte die in een zaaiveld (17:5). Dat is Sedekia een oom van Jehoyachin.

 

-         zodat hij uitsproot (17:6). Zijn regering was succesvol. maakte takken en schoot twijgen (17:6b) ziet daar ook op.

 

-         laag groeiend (17:6b) omdat ze dienstbaar moest zijn aan koning Nebukadnessar.

 

-         Maar er was nog een andere grote arend met machtige vleugels en veel slagpennen. En zie, de wijnstok strekte zijn wortels naar hem uit en deed zijn ranken naar hem toegroeien, opdat deze hem zou drenken en niet het bed waarop hij geplant was (17:7). Om onafhankelijk proberen te verkrijgen keerde Sedekia zicht tot de farao van Egypte voor hulp. Egypte kwam te hulp maar keerde weer terug (Jer. 37:5-7 5 Ook was het leger van Farao uit Egypte opgerukt, en toen de ChaldeeŽn die Jeruzalem belegerden, de tijding daarvan vernomen hadden, waren zij van Jeruzalem weggetrokken. 6 Toen kwam het woord van de Eeuwige tot de profeet Jeremia: 7 Zo zegt de Eeuwige, de God van IsraŽl: Zo zult gij zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft om Mij te vragen: zie, het leger van Farao, dat uitgetrokken is om u te helpen, keert naar zijn land, Egypte, terug;)

 

-         Toch was hij geplant op een goed veld, waar rijkelijk water was, om ranken te schieten en vrucht te dragen en een prachtige wijnstok te worden. (17:8). Het was niet nodig geweest om op Egypte te vertrouwen. Onder Babels heerschappij hadden ze alles wat ze nodig hadden.

 

-         Want zie, hij is wel geplant, maar zal het gelukken? (17:10). Het zal niet lukken om onder Babels heerschappij uit te komen.

 

-         als de oostenwind hem aanraakt, verdorren op het bed waarop hij uitgesproten is (17:11) Babel lag in het noord-oosten. Zie ook Hos.13:15 Ook wanneer hij tussen broeders zou opbloeien, zou toch de oostenwind, de wind van de Eeuwige, opstekend uit de woestijn, komen, zodat zijn bron zou opdrogen en zijn wel droog zou worden; die zal de voorraad van alle kostbaarheden plunderen.

 

-         sloot een verbond met hem en deed hem een eed zweren (17:13). Sedekiaís eigenlijke naam was Matanyah. Nebukadnessar veranderede zijn naam in Sedekia wat de rechtvaardigheid van God betekend om er op te wijzen dat Gíd rechtvaardig zou handelen als hij de eed zou verbreken.  Nebukadnessar was trouwens een instrument in Gíds hand. Jer. 25:9 zie, Ik laat alle geslachten van het Noorden komen, luidt het woord van de Eeuwige, en Nebukadressar, de koning van Babel, mijn dienaar, en breng hen tegen dit land en zijn inwoners, ja, tegen al deze volken rondom, en Ik sla hen met de ban, en maak hen tot een voorwerp van ontzetting, tot een aanfluiting en tot een eeuwige smaad,

 

-         Zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, in de woonplaats van de koning, die hem tot koning gemaakt heeft, jegens wie hij de eed veracht en het verbond verbroken heeft, bij hem, in Babel zal hij sterven. (17:16). Zie Jer. 34: 3-5  gij zult niet ontkomen aan zijn macht, maar voorzeker gegrepen en in zijn macht gegeven worden; van aangezicht tot aangezicht zult gij de koning van Babel zien, van mond tot mond zal hij met u spreken en gij zult in Babel komen. 4  Maar hoor het woord van de Eeuwige, o Sedekia, koning van Juda! Zo zegt de Eeuwige aangaande u: Gij zult niet door het zwaard sterven; in vrede zult gij sterven, en zoals men ter ere van uw vaderen, de vroegere koningen, die voor u geweest zijn, een vuur ontstoken heeft, zo zal men dat ook voor u doen en over u klagen: Ach heer! Want Ik heb het woord gesproken luidt het woord van de Eeuwige.

 

-         Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, zo waar Ik leef, de eed, bij Mij gezworen, die hij veracht, en het verbond, in mijn naam gesloten, dat hij verbroken heeft, zal Ik op zijn hoofd doen neerkomen. (17:19). Bij het verbond met Nebukadnessar zweerde Sedekia bij de eeuwige.

 

-         Dan zal Ik zelf van de top van de hoge ceder een twijgje nemen en dat in de grond zetten; van de bovenste der jonge takjes zal Ik een twijgje plukken en Ik zelf zal dat planten op een hoge en verheven berg; op de hoge berg IsraŽls zal Ik het planten, en het zal takken dragen, vrucht voortbrengen en tot een prachtige ceder worden. En allerhande vogels van allerlei gevederte zullen onder hem wonen; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen. Alle bomen des velds zullen weten, dat Ik, de Eeuwige, de hoge boom vernederd en de nederige verhoogd heb, de sappige boom heb doen verdorren en de dorre heb doen uitspruiten. Ik, de Eeuwige, heb het gesproken en Ik zal het doen.(17:22-24). Ziet in de eerste plaats op Zerubabel, de kleinzoon van Yehoyachin de leider van de eerste groep terugkeerenden. Verder ziet het uiteindelijk op de komende Messias. Zie Jes. 2:2 -5 2  En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis van de Eeuwige vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen en vele natiŽn zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg van de Eeuwige, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en het woord van de Eeuwige uit Jeruzalem. En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiŽn. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. 5  Huis van Jakob, komt, laten wij wandelen in het licht van de Eeuwige.

 

 

EzechiŽl hoofdpagina

EzechiŽl hoofdstuk   1 - 3

EzechiŽl hoofdstuk   4 - 6

EzechiŽl hoofdstuk   7 - 9

EzechiŽl hoofdstuk 10 - 11

EzechiŽl hoofdstuk 12 - 13

EzechiŽl hoofdstuk 14 - 15

EzechiŽl hoofdstuk 18 - 20

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl 18-20 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021