EzechiŽl 14-15

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 Er uit gelicht

 

14:1 Toen mannen uit de oudsten van IsraŽl tot mij kwamen en zich voor mij neerzetten, 2 kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 3  Mensenkind, deze mannen dragen hun afgoden in het hart en hebben vlak voor zich gesteld wat hun een  struikelblok tot ongerechtigheid is; zou Ik Mij dan nog door hen laten raadplegen? 4  Daarom spreek en zeg tot hen: zo zegt Adonai de Eeuwige: ieder uit het huis IsraŽls, die zijn afgoden in het hart draagt, en vlak voor zich stelt wat hem een struikelblok tot ongerechtigheid is, en dan tot de profeet komt. Ik, de Eeuwige, zal hem bij zijn komst van antwoord dienen met zijn vele afgoden, 5  opdat Ik het huis IsraŽls in het hart grijp, dat zich met zijn afgoden in zijn geheel van Mij heeft afgewend. 6  Daarom zeg tot het huis IsraŽls: Zo zegt Adonai de Eeuwige: bekeert u, keert u af van uw afgoden en wendt u af van al uw gruwelen. 7  Want ieder uit het huis IsraŽls en uit de vreemdelingen die in IsraŽl vertoeven, die van Mij afvallig wordt, die zijn afgoden in het hart draagt en vlak voor zich stelt wat hem een struikelblok tot ongerechtigheid is, en dan tot de profeet komt, om Mij door hem te raadplegen. Ik, Adonai de Eeuwige, zelf zal hem van antwoord dienen. 8  Ik zal mijn aangezicht tegen die man richten, hem tot een teken en een spreekwoord maken en hem uitroeien uit het midden van mijn volk. En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 9  Wanneer een profeet zich laat verdwazen tot een uitspraak, dan verdwaas Ik, de Eeuwige, die profeet en Ik zal mijn hand tegen hem uitstrekken en hem uitroeien uit het midden van mijn volk IsraŽl. 10  Zij zullen hun ongerechtigheid dragen (de ongerechtigheid van de profeet is even groot als die van de raadpleger), 11 opdat het huis IsraŽls niet meer van Mij afwijke, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen. Dan zullen zij Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 12  Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 13  Mensenkind, wanneer een land tegen Mij gezondigd heeft door ontrouw te worden, en Ik mijn hand daartegen uitstrek, het de staf des broods verbreek en er hongersnood zend en daar mens en dier uitroei, 14  en er zouden daar deze drie mannen zijn: Noach, DaniŽl en Job, dan zouden dezen door hun gerechtigheid slechts zichzelf redden, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 15  Wanneer Ik wilde dieren in het land doe omzwerven, die het van kinderen beroven, en het tot een woestenij wordt, zodat niemand erdoorheen trekt vanwege het wild gedierte, 16  en die drie mannen zouden daar zijn; zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, zij zouden zonen noch dochters redden. Zijzelf alleen zouden gered worden, maar het land zou een woestenij worden. 17  Of ik breng het zwaard over het land en zeg: Zwaard, gij zult in het land rondtrekken; en Ik roei daar mens en dier uit, 18  en die drie mannen zouden daar zijn; zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, zij zouden zonen noch dochters redden. Zijzelf alleen zouden gered worden. 19  Of Ik zend de pest in het land en stort er mijn grimmigheid bloedig over uit om daar mens en dier uit te roeien, 20  en Noach, DaniŽl en Job waren daar; zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, zij zouden zoon noch dochter redden. Zij zouden door hun gerechtigheid alleen zichzelf redden. 21  Maar zo zegt Adonai de Eeuwige: En toch, al zend Ik ook mijn vier zware gerichten, het zwaard, de honger, het wild gedierte en de pest, naar Jeruzalem om daar mens en dier uit te roeien, 22  zie, dan zullen er daar overblijven, die ontkomen, die eruit geleid worden, zonen zowel als dochters; zie, zij zullen tot u uitgaan, gij zult hun handel en wandel zien en getroost worden over het onheil dat Ik over Jeruzalem heb doen komen, al wat Ik daarover heb doen komen. 23  Ja, zij zullen u troosten, wanneer gij hun handel en wandel zult zien. En gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb al wat Ik daar gedaan heb, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.

15:1 Het woord van Adonai de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, wat heeft het hout van de wijnstok voor op alle ander rankendragend hout tussen de bomen van het woud? 3  Neemt men daarvan hout om dat tot iets te verwerken of maakt men daarvan een pin om er van alles aan op te hangen? 4  Zie, het wordt tot voedsel aan het vuur gegeven; het vuur heeft de beide uiteinden verteerd, het middenstuk brandt: deugt het nog om verwerkt te worden? 5  Zelfs toen het nog gaaf was, werd het niet tot iets verwerkt; hoeveel te minder, als het vuur het verteerd heeft, en het verbrand is; zal het dan nog tot iets worden verwerkt? 6  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige: zoals Ik onder het geboomte van het woud het hout van de wijnstok tot voedsel aan het vuur gegeven heb, zo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven. 7  Ik zal mijn aangezicht tegen hen richten; al zijn zij aan het vuur ontkomen, toch zal het vuur hen verteren. En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik mijn aangezicht tegen hen keer 8  en het land tot een woestenij maak, omdat zij ontrouw geworden zijn, luidt het woord van de Adonai de Eeuwige.

 

 

 

 

 

Eruit gelicht:

 

-         Toen mannen uit de oudsten van IsraŽl tot mij kwamen en zich voor mij neerzetten (14:1). Dit gebeurde wellicht nadat EzechiŽl de voorgaande profetieŽn heeft uitgesproken waarop ze in reactie naar EzechiŽl toe kwamen. 

 

-         kwam het woord van de Eeuwige tot mij (14:2). Gíd maakt hun geheime gedachten en handelingen bekend aan de profeet EzechiŽl.

 

-         deze mannen dragen hun afgoden in het hart (14:3a). Dat is dat ze die afgoden dienen. Wellicht dat ze het uiterlijk niet praktiseerden (volgens de mening van uitlegger Radak). Rashi gaat er echter van uit dat ze het wel uiterlijk praktiseerden. In ieder geval dienden ze die goden nog in hun hart.

 

-         zou Ik Mij dan nog door hen laten raadplegen (14:3c). Gíd wil antwoord geven op hun vragen, alleen als ze met een zuiver, onverdeeld hart naar Hem vragen en Hem met hart en ziel dienen.

 

-         Daarom spreek en zeg tot hen (14:4a). Gíd gaat nu alleen in op de feitelijke situatie van hun leven met het oog erop dat ze zich bekeren.

 

-         ÖÖÖdat zich met zijn afgoden in zijn geheel van Mij heeft afgewend (14:1-5). Vanuit dit gedeelte wordt volgens de uitleggers dat alleen al de intentie om afgoden te dienen Ďstrafbaarí is. Bij alle andere zonden is de mens verantwoordelijk voor zijn daden. Ofwel wat hij daadwerkelijk heeft gedaan.

 

-         Want ieder uit het huis IsraŽls en uit de vreemdelingen (geer ) die in IsraŽl vertoeven (14:7a). Blijkbaar waren er toen proselieten die zich bij IsraŽl gevoegd hadden. Wellicht omdat ze zagen, dat de Gíd van IsraŽl zichzelf als waarachtige Gíd bewijst, door de oordelen over het ongehoorzame IsraŽl uit te voeren die voorzegt waren. De vreemdelingen die zich bij IsraŽl voegen hebben dezelfde verplichtingen naar Gíd toe als de IsraŽlieten zelf. Ze worden op een lijn gezet.

 

-         om Mij door hem te raadplegen. Ik, Adonai de Eeuwige, zelf zal hem van antwoord dienen (14:7b). De oudsten komen om een antwoord. Die krijgen ze niet maar Gíd onthuld de geheimen van hun hart.

 

-         en hem uitroeien uit het midden van mijn volk (14:8b) Zie Lev. 18:29 (Want ieder die iets van al deze gruwelen doet, (degenen, die ze doen, zullen uit het midden van hun volk uitgeroeid worden).). In Deut. 9:20 wordt een soortgelijke uitspraak gedaan : 19  Want ik vreesde de toorn en de grimmigheid, waarmede de Eeuwige tegen u toornig geworden was, zodat Hij u wilde verdelgen. Daar betekend het dat het uitroeien wordt voltrokken door geen nageslacht meer te geven zodat de familie uiteindelijk uit het volk uitgeroeid zal zijn. (Daarom is het krijgen van kinderen zoín zegen, de naam van de familie blijft bestaan).

 

-         Wanneer een profeet zich laat verdwazen tot een uitspraak, dan verdwaas Ik, de Eeuwige, die profeet (14:9a). Die profeten waren uiterlijk godvrezende mensen. Ze laten zich door afgodendienaars verleiden tot profetische uitspraken. Daarin laten ze zich niet door Gíd leiden. Gíd maakt dit openbaar door ze profetieŽn uit te laten spreken die niet uitkomen. Dan wordt duidelijk dat ze niet godvrezend zijn en dat ze niet in goede relatie met Gíd leven.

 

-         ÖÖ.wanneer een land tegen Mij gezondigd heeft door ontrouw te worden, en Ik mijn hand daartegen uitstrek, het de staf des broods verbreek en er hongersnood zend en daar mens en dier uitroei, en er zouden daar deze drie mannen zijn: Noach, DaniŽl en Job, dan zouden dezen door hun gerechtigheid slechts zichzelf reddenÖÖ(14:12-20). Deze teksten moeten gezien worden in het licht van Ezech. 22:30 (Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden.) Niemand was er namelijk die in de bres kon staan. Er was geen rechtvaardige die het oordeel over het volk kon afwenden. (ziet op de eerste en tweede tempelverwoesting). Dat zou iemand zijn die het volk stimuleert om tesjoeva te doen. Op die manier heeft een rechtvaardige de macht om zijn woonplaats te redden. Verder staat er in Ps.106:23 staat: ďToen zeide Hij, dat Hij hen zou verdelgen; indien Mozes, zijn uitverkorene niet voor Hem in de bres had gestaan om zijn grimmigheid af te wenden, zodat Hij hen niet verdierf.Ēie ook Ex. 32: 30 De volgende dag zeide Mozes tot het volk: Gij hebt een grote zonde begaan, maar nu zal ik opklimmen tot de Eeuwige, misschien zal ik voor uw zonde verzoening bewerken. Het volk werd toen niet vernietigd. De tekst Ex.20:6  (en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden) ziet in dit kader op de lange tijd die Gíd geeft waarin het volk zich kan bekeren.

 

-         Noach, DaniŽl en Job (14:20). Het waren mannen die rechtvaardig bleven in een zondige omgeving. Dit i.t.t. bijv. Avraham waarvan geschreven staat dat hij de anderen overtuigde van het dienen van de Ene waarachtige Gíd.

 

-         zie, dan zullen er daar overblijven, die ontkomen, die eruit geleid worden, zonen zowel als dochters; zie, zij zullen tot u uitgaan, gij zult hun handel en wandel zien en getroost worden over het onheil dat Ik over Jeruzalem heb doen komen, al wat Ik daarover heb doen komen (14:22). En ook nu besluit Gíd weer met een bemoediging voor degene die Gíd zoeken en dienen. Zijn zullen Gíd als waarachtig in de oordelen herkennen en het volk zal niet totaal worden vernietigd.

 

-         het hout van de wijnstok (15:2) De wijnstok is IsraŽl. Ps.80: 7-11;  O God der heerscharen, herstel ons, doe uw aanschijn lichten, opdat wij verlost worden. Gij hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven, Gij hebt volken verdreven en hem geplant. Gij hebt de grond voor hem toebereid, zodat hij wortelen schoot en het land vulde. Bergen waren met zijn schaduw bedekt, en ceders Gíds met zijn twijgen; hij breidde zijn takken uit tot aan de zee, zijn scheuten tot aan de Rivier.

 

-         Mensenkind, wat heeft het hout van de wijnstok voor op alle ander rankendragend hout tussen de bomen van het woud? Neemt men daarvan hout om dat tot iets te verwerken of maakt men daarvan een pin om er van alles aan op te hangen? Zie, het wordt tot voedsel aan het vuur gegeven; het vuur heeft de beide uiteinden verteerd, het middenstuk brandt: deugt het nog om verwerkt te worden? Zelfs toen het nog gaaf was, werd het niet tot iets verwerkt; hoeveel te minder, als het vuur het verteerd heeft, en het verbrand is; zal het dan nog tot iets worden verwerkt? (15:2-5). Voor IsraŽl is er geen seculier bestaan mogelijk. Of het brengt de juiste vrucht voort of het wordt vernietigt.

 

-         Neemt men daarvan hout om dat tot iets te verwerken of maakt men daarvan een pin om er van alles aan op te hangen? (15:3). Hout van de wijnrank is niet geschikt als timmerhout.

 

-         Zie, het wordt tot voedsel aan het vuur gegeven; het vuur heeft de beide uiteinden verteerd, het middenstuk brandt: deugt het nog om verwerkt te worden?....... zoals Ik onder het geboomte van het woud het hout van de wijnstok tot voedsel aan het vuur gegeven heb, zo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven. (15:4,6b). Jeruzalem is al aan Ďbeide zijdení verbrand door de twee wegvoeringen; de 1e is die van Yehoyakim met een deel van de koninklijke familie. Dan 1:2 en de Here gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn macht, benevens een deel van het gerei van het huis Gods, en hij bracht ze naar het land Sinear in de tempel van zijn god; het gerei bracht hij in de schatkamer van zijn god. De 2e is die van Yehoyachin 2 Kon. 24:14-16: Hij voerde geheel Jeruzalem, al de vorsten en al de weerbare mannen (tienduizend) in ballingschap, ook al de handwerkslieden en de smeden; niemand werd overgelaten behalve de armen van het volk des lands. Hij voerde Jojakin in ballingschap naar Babel; ook de koningin-moeder, de vrouwen des konings, zijn hovelingen en de machtigen des lands deed hij in ballingschap gaan van Jeruzalem naar Babel; en de koning van Babel bracht heel de weerbare manschap (zevenduizend), de handwerkslieden en de smeden (duizend), altemaal dappere krijgslieden, als ballingen naar Babel.

 

-         En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik mijn aangezicht tegen hen keer en het land tot een woestenij maak, omdat zij ontrouw geworden zijn, luidt het woord van de Adonai de Eeuwige. (15:7b,8). En weer benadrukt Gíd dat juist in het uitvoeren van het oordeel anderen de macht en grootheid van Gíd zullen zien.

EzechiŽl hoofdpagina

EzechiŽl hoofdstuk   1 - 3

EzechiŽl hoofdstuk   4 - 6

EzechiŽl hoofdstuk   7 - 9

EzechiŽl hoofdstuk 10 - 11

EzechiŽl hoofdstuk 12 - 13

EzechiŽl hoofdstuk 16 - 17

EzechiŽl hoofdstuk 18 - 20

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl 16-17 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021