EzechiŽl 10-11

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

10:1 En ik zag en zie, op het uitspansel boven het hoofd der cherubs was iets als lazuursteen, gelijkend op de vorm van een troon, die zich daarboven vertoonde.2  En Hij zeide tot de man die in linnen gekleed was: Ga tussen de wielen onder de cherub en vul uw handen met vurige kolen van tussen de cherubs en strooi die uit over de stad. En voor mijn ogen ging hij daarheen. 3  De cherubs nu stonden aan de rechterzijde van de tempel, toen de man erheen ging; en een wolk vervulde de binnenste voorhof. 4 Toen verhief zich de heerlijkheid van de Eeuwige van boven de cherub en begaf zich naar de dorpel van de tempel, en de tempel werd vervuld met de wolk, en de voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van de Eeuwige. 5  Het geruis van de vleugels der cherubs werd gehoord tot aan de buitenste voorhof, als de stem van Gíd, de Almachtige, wanneer Hij spreekt. 6  Nadat Hij de man die in linnen gekleed was, bevolen had: Neem vuur van tussen de wielen, van tussen de cherubs, ging deze naast een van de raderen staan. 7 Daarop strekte een cherub zijn hand uit van tussen de cherubs naar het vuur tussen de cherubs, nam daarvan en legde het in de handen van hem die in linnen gekleed was; deze nam het en ging heen. 8 Want bij de cherubs was onder hun vleugels iets zichtbaar, dat de vorm had van een mensenhand. 9  En ik zag en zie, er bevonden zich vier raderen naast de cherubs, naast elke cherub een rad. De aanblik van de raderen was als schitterend turkoois. 10  En wat hun voorkomen betreft: zij hadden alle vier een zelfde vorm, alsof er een rad was midden in een rad. 11  Als zij gingen, konden zij naar alle vier zijden gaan; zij keerden zich niet om als zij gingen. Naar de plaats waarheen de voorste zich wendde, volgden zij hem, zonder zich om te keren als zij gingen. 12  Hun gehele lichaam (hun rug, hun handen, hun vleugels) en de raderen waren rondom vol ogen; alle vier hadden zij hun rad. 13  Wat de raderen betreft, zij werden te mijnen aanhoren Werveling genoemd. 14  Ieder had vier aangezichten. Het eerste gezicht was dat van een cherub, en het tweede dat van een mens, het derde was het aangezicht van een leeuw, het vierde dat van een arend. 15  Toen verhieven zich de cherubs. Dit was hetzelfde wezen, dat ik gezien had aan de rivier de Kebar. 16  Als de cherubs gingen, gingen de raderen aan hun zijde; als de cherubs hun vleugels ophieven om op te stijgen boven de aarde, weken de raderen niet van hun zijde. 17  Als genen stilstonden, stonden dezen stil; als genen zich verhieven, verhieven zich dezen met hen, want zij hadden de geest van de wezens in zich. 18  Toen ging de heerlijkheid van de Eeuwige weg van de dorpel van de tempel en ging staan boven de cherubs. 19  De cherubs hieven hun vleugels op, onder het heengaan verhieven zij zich voor mijn ogen van de grond, en de raderen met hen. Bij de ingang van de Oostpoort van het huis van de Eeuwige hielden zij stil, en de heerlijkheid van de Gíd van IsraŽl was boven over hen. 20  Dit was hetzelfde wezen, dat ik gezien had onder de Gíd van IsraŽls aan de rivier de Kebar, en ik begreep, dat het cherubs waren. 21  Ieder had vier aangezichten, ieder had vier vleugels en iets wat op mensenhanden geleek, was onder hun vleugels. 22  Wat het voorkomen van hun aangezichten betreft, het waren dezelfde aangezichten, die ik gezien had aan de rivier de Kebar; het was hun verschijning, zij waren het zelf. Zij gingen, ieder recht voor zich uit.

11:1 Toen hief de Geest mij op en bracht mij naar de Oostpoort van het huis van de Eeuwige, die op het oosten uitziet. En zie, bij de ingang van de poort waren vijfentwintig mannen; onder hen zag ik Jaazanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, de vorsten van het volk. 2  Hij zeide tot mij: Mensenkind, dit zijn de mannen die ongerechtigheid uitdenken en slechte raad geven in deze stad; 3  die zeggen: het komt nooit aan de orde huizen te herbouwen, dit is de pot en wij zijn het vlees. 4  Daarom, profeteer tegen hen, profeteer, mensenkind! 5  Toen viel de Geest van de Eeuwige op mij, en Hij zeide tot mij: Spreek: zo zegt de Eeuwige: aldus hebt gij gesproken, huis IsraŽls, en wat in uw geest opkomt, is Mij bekend. 6  Gij hebt in deze stad velen gedood en haar straten met doden gevuld. 7  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, degenen die gij in haar gedood hebt, die zijn het vlees, en zij is de pot, maar u zal Ik uit haar midden weghalen. 8  Gij vreest het zwaard; het zwaard zal Ik over u brengen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 9  Ik zal u uit haar midden weghalen, u overgeven in de macht van vreemden en gerichten aan u voltrekken. 10  Door het zwaard zult gij vallen; op de grensgebied van IsraŽl zal Ik over u gericht houden; en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 11  Zij zal u niet tot een pot zijn, zodat gij in haar het vlees zoudt zijn; in het gebied van IsraŽl zal Ik over u gericht houden. 12  En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben, naar wiens inzettingen gij niet gewandeld hebt, en aan wiens verordeningen gij niet voldaan hebt: naar de zeden der volken rondom u hebt gij gehandeld. 13  Terwijl ik profeteerde, stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Toen wierp ik mij op mijn aangezicht, schreeuwde luidkeels en zeide: Ach Adonai de Eeuwige, wilt Gij een einde maken aan het overblijfsel van IsraŽl? 14 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 15  Mensenkind, Uw broeders zijn het, uw broeders, uw verwanten en het ganse huis IsraŽls in zijn geheel, over wie de inwoners van Jeruzalem zeiden: blijft verre van de Eeuwige, aan ons is dit land in bezit gegeven. 16  Daarom spreek: zo zegt Adonai de Eeuwige: hoewel Ik hen weggedreven heb onder de volken en in de landen heb verstrooid, toch ben ik voor hun geweest een klein heiligdom in de landen waar zij gekomen zijn, 17  daarom spreek: zo zegt Adonai de Eeuwige: Ik zal u vergaderen uit de volken en u bijeenbrengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, en Ik zal u het land IsraŽl geven; 18  zij zullen daar komen en daaruit verwijderen al zijn afschuwelijkheden en al zijn gruwelen; 19  Ik zal hun een hart geven en een nieuwe geest in  hun binnenste, en Ik zal het hart van steen uit hun lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven, 20  opdat zij naar mijn inzettingen zullen wandelen en naarstig mijn verordeningen onderhouden; zij zullen Mij tot een volk en Ik zal hun tot een Gíd zijn. 21  Maar de wandel van hen die hun hart verpand hebben aan hun afschuwelijkheden en gruwelen, zal Ik op hun hoofd doen neerkomen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 22 Toen verhieven de cherubs hun vleugels met de raderen naast zich, terwijl de heerlijkheid van de Gíd van IsraŽls boven over hen was; 23  de heerlijkheid van de Eeuwige steeg op uit het midden der stad en plaatste zich op de berg die ten oosten van de stad ligt. 24  En de Geest hief mij op en bracht mij naar het land der ChaldeeŽn, naar de ballingen, in een gezicht door de Geest Gods; en toen het gezicht dat ik gezien had, van mij opgetrokken was, 25  bracht ik aan de ballingen alles over wat de eeuwige mij had doen zien.

 

 

 

 

-         Hoofdstuk 10 Het verdere verdwijnen van de Shechina uit de tempel. Het vernietigingsvuur komt al op de stad aan.

-         Uitspansel (10:1) heeft dezelfde wortel al uitbreiden in Ps 136:6 (die de aarde op de wateren uitbreidde, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;)

-         Cherubs kan ook geÔnterpreteerd worden als dragers van Gods glorie (Rab. Hirsch). Zie. Gen. 3:24 (En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken.) en Ps 18:11 (Hij reed op een cherub en vloog en zweefde op de vleugels van de wind.)

-         vul uw handen met vurige kolen van tussen de cherubs en strooi die uit over de stad (10:2) Jeruzalem zal vernietigt worden door vuur zo wordt voorzegt. Dat heeft in 70 na de gewone jaartelling ook plaatsgevonden. Dat het van tussen de cherubs komt wil zeggen dat God het zelf heeft bewerkt. Verder is het ook te zien dat de thora kwam met vuur en zo dan ook weer vertrekt met vuur.

-         Het voertuig (merkawa) gaat nu het heiligdom binnen. (10:3)

-         De Shechina van Gíd verdwijnt uit het Heilige der Heiligen (10:4)

-         als de stem van Gíd, de Almachtige, wanneer Hij spreekt (10:5). Het is het zelfde geluid wat ook waarneembaar was bij de wetgeving op de SinaÔ bij Moshe.  Bij de SinaÔ gebeurde er iets unieks. Gíd kwam met Zijn aanwezigheid bij en tussen de mensen. Dat de Shechina nu weer vertrekt tekent het unieke positie van het volk IsraŽl. Die aanwezigheid kwam toen het volk uitsprak bereid te zijn om de dingen te doen die Gíd zou zeggen.

-         (10:7) In totaal duurde her nog 7 jaar voordat het vuur over Jeruzalem kwam. Dat tijd ook nog door Gíd bedoeld om het volk de gelegenheid te geven zich te bekeren.

-         (10:14) Een van de vier gezichten, die van een rund (1:10) is veranderd in een cherub. De uitleggers zeggen dat dat komt omdat EzechiŽl dat gevraagd heeft. Een rund roept nl. iedere keer de herinnering op van het gouden kalf waar het volk bij de SinaÔ mee gezondigt had.

-         Nu wordt het terugtrekken van de glorie van Gíd beschreven. (10:18,19)

-         Wat het voorkomen van hun aangezichten betreft, het waren dezelfde aangezichten, die ik gezien had aan de rivier de Kebar (10:20). Gíd heeft Zijn aanwezigheid niet geheel van Zijn volk weggetrokken. Gíds aanwezigheid was met hen meegegaan naar Babel. Let wel er waren ook rechtvaardigen als EzechiŽl weggevoerd.

-         Hoofdstuk 11 Het lot van de inwoners van de stad is bezegeld. Verstrooiing. De Shechina is compleet vertrokken uit de tempel.

-         die zeggen: het komt nooit aan de orde huizen te herbouwen (11:3a). Overmoedig denkenze dat de stad nooit verwoest zal worden / kunnen worden en dat herbouw dus ook nooit nodig zal zijn. Zie Jer. 26-29

-         dit is de pot en wij zijn het vlees (11:3b). Dit beeld van een pot kom je ook in Jer. 1:13b tegen ĎIk zie een kokende potí. Ze zeggen zolang wij in de stad zijn kan de stad niet verwoest worden.

-         die gij in haar gedood hebt, die zijn het vlees, en zij is de pot, maar u zal Ik uit haar midden weghalen (11:7). Juist degene die zij al gedood hebben (de godvrezende mensen) waren het vlees in de pot, niet zij. Die gedoden zouden er voor zorgen dat de stad niet verwoest zou worden.

-         Gij vreest het zwaard; het zwaard zal Ik over u brengen (11:8). Uit angst voor Nebukadnezar waren ze een verbond aan gegaan met Egypte. Dit zou juist averechts werken. (17:15  Maar hij kwam in opstand tegen hem door boden naar Egypte te zenden, opdat dit hem paarden en veel krijgsvolk zou leveren. Zal dat hem gelukken? Zou wie zo iets doet, ontkomen? Zou hij het verbond verbreken en ontkomen?)

-         Door het zwaard zult gij vallen; in het gebied van Israel zal Ik over u gericht houden; en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben (11:10) Door de straf die volgt en de voorzegde oordelen die uitkomen zal het volk weten dat de Eeuwige de enige waarachtige Gíd is. Zijn woorden komen namelijk uit.

-         op de grensgebied van Israel zal Ik over u gericht houden (11:10). Ziet op de gebeurtenis in 2 Kon. 25:5-7  Maar het leger der Chaldeeen zette de koning na en achterhaalde hem in de vlakte van Jericho; zijn gehele leger werd van hem gescheiden en verstrooid. Zij grepen de koning, brachten hem naar de koning van Babel te Rivla (plaats op de oostgrens van IsraŽl), en men velde vonnis over hem: de zonen van Sedekia bracht men voor diens ogen ter dood; en hij liet de ogen van Sedekia verblinden en hem met twee koperen ketenen binden; en men bracht hem naar Babel.

-         En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben, naar wiens inzettingen gij niet gewandeld hebt, en aan wiens verordeningen gij niet voldaan hebt: naar de zeden der volken rondom u hebt gij gehandeld (11:12). Opnieuw geeft Gíd de reden van de oordelen aan. Het volk heeft de Thora losgelaten en dient de Eeuwige niet meer door niet meer Ďin Zijn wegen te wandelení.

-         Terwijl ik profeteerde, stierf (11:13) Terwijl hij de woorden uitspreekt begint het oordeel al. Bang voor een totale vernietiging van het volk roept hij uit naar Gíd. Dit tekent zijn bewogenheid voor het volk IsraŽl.

-         aan ons is dit land in bezit gegeven (11:15). Vanwege de tempel dachten de inwoners van Jeruzalem dat het oordeel hun voorbij zou gaan. Zie ook Jer. 7:4-8  Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: De tempel van de Eeuwige, de tempel van de Eeuwige, de tempel van de Eeuwige is dit! Neen, als gij werkelijk uw handel en wandel betert, als gij werkelijk onder elkander recht doet, vreemdeling, wees en weduwe niet verdrukt, geen onschuldig bloed vergiet op deze plaats en andere goden niet achternaloopt, u tot onheil, dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen van eeuw tot eeuw. Zie, gij stelt uw vertrouwen op bedrieglijke woorden, zonder bate. Ze maakten mispruik van het woord in Ps 132:15 Dit is mijn rustplaats voor immer, hier zal Ik wonen, want haar heb Ik begeerd. En geloofden ook Jeremia niet. Jer. 7:12 Want, gaat naar mijn plaats die in Silo was, waar Ik in het eerst mijn naam deed wonen, en ziet wat Ik daarmede gedaan heb om de boosheid van mijn volk IsraŽl. Juist de nog overgebleven inwoners van Jeruzalem waren zondeplegers.

-         Mensenkind, Uw broeders zijn het, uw broeders, uw verwanten en het ganse huis IsraŽls in zijn geheel, over wie de inwoners van Jeruzalem zeiden: blijft verre van de Eeuwige, aan ons is dit land in bezit gegeven.(11:15). Hier begint Gíd het herstel aan te kondigen. De inwoners van Jeruzalem zeggen wel. Blijf maar ver weg van Gíd(s tempel). Gíd heeft het land aan ons, die hier nog zijn, gegeven.

-         hoewel Ik hen weggedreven heb onder de volken en in de landen heb verstrooid, toch ben ik voor hun geweest een klein heiligdom in de landen waar zij gekomen zijn (11:16b). Gíd is hun niet vergeten. Dat is te zien aan de kleine heiligdommen, de synagogen, die Gíd onder Zijn volk overal ter wereld heeft laten zijn. Daar in die synagogen kwam Gíd ook met zijn aanwezigheid (sjechina).

-         Ik zal u vergaderen uit de volken en u bijeenbrengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt,Ö.. (11:17-20) Het is een herhaling van de belofte van Gíd in de Thora. Deut 30:3-6 dan zal de Eeuwige, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken, naar wier gebied de Eeuwige, uw God, u verstrooid heeft. Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, de Eeuwige, uw God, zal u vandaar bijeenbrengen en vandaar halen; de Eeuwige, uw God, zal u brengen naar het land, dat uw vaderen bezeten hebben, gij zult het bezitten en Hij zal u weldoen en u talrijker maken dan uw vaderen. En de Eeuwige, uw God, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de Eeuwige, uw God, liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft.

-         Ik zal u het land IsraŽl geven (11:17b). Terugkeer naar het land is een wezenlijk onderdeel van het geestelijke herstel van IsraŽl.

-         Ik zal hun een hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste, en Ik zal het hart van steen uit hun lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven, opdat zij naar mijn inzettingen zullen wandelen en naarstig mijn verordeningen onderhouden; zij zullen Mij tot een volk en Ik zal hun tot een Gíd zijn. (11:19,20) Samenvatting van het plan van Gíd met IsraŽl waar hij ook nu mee bezig is. Centrale gegevens in dat plan zijn: Terug in het land IsraŽl en met hart en ziel leven volgens de Thora als volk van Gíd. Geen andere merktekens worden genoemd (zoals het geloven een Messias als voorwaarde van verlossing). Gíd brengt hen terug en geeft ze een hart van vlees.

-         Maar de wandel van hen die hun hart verpand hebben aan hun afschuwelijkheden en gruwelen, zal Ik op hun hoofd doen neerkomen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. (11:21). De zondeplegers zelf zullen worden gestraft. Zij zijn persoonlijk verantwoordelijk voor hun zonden (en blijven dat).

-         Toen verhieven de cherubs hun vleugels met de raderen naast zich, terwijl de heerlijkheid van de Gíd van IsraŽls boven over hen was; (11;22) Gíd geeft eerst de belofte van herstel voor Hij de shechina geheel terugtrekt uit de tempel.

EzechiŽl hoofdpagina

EzechiŽl hoofdstuk   1 - 3

EzechiŽl hoofdstuk   4 - 6

EzechiŽl hoofdstuk   7 - 9

EzechiŽl hoofdstuk 12 - 13

EzechiŽl hoofdstuk 14 - 15

EzechiŽl hoofdstuk 16 - 17

EzechiŽl hoofdstuk 18 - 20

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl 12-13 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021