EzechiŽl 21-22

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Er uit gelicht

 

 

Ezech. 21:1(20:45) Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2(20:46)  Mensenkind, keer uw gelaat naar het zuiden, laat uw woorden stromen tegen de Zuiderstreek, profeteer tegen het woudgebied, het Zuiderland (Negev), 3(20:47)  en zeg tot het woud van het Zuiderland (Negev): Hoor het woord van de Eeuwige: zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik steek een vuur in u aan, dat elke groene boom en elke dorre boom in u zal verteren. De laaiende vlam zal niet uitdoven, maar van het zuiden tot het noorden zullen alle aangezichten erdoor verzengd worden. 4(20:48)  En al wat leeft zal zien, dat Ik, de Eeuwige, ze ontstoken heb; zij zal niet uitdoven. 5(20:49)  Toen zeide ik: Ach, Adonai Eeuwige, men zegt van mij: spreekt hij niet enkel in raadselspreuken? 1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, keer uw gelaat naar Jeruzalem, laat uw woorden stromen tegen de heiligdommen, profeteer tegen het land IsraŽls, 3  en zeg tot het land IsraŽls: Alzo zegt de Eeuwige: zie, Ik zal u! Ik zal mijn zwaard uit de schede trekken en onder u uitroeien zowel de rechtvaardige als de goddeloze. 4  Omdat Ik rechtvaardigen en de goddeloze onder u hebt afgesneden, daarom zal mijn zwaard de schede verlaten tegen al wat leeft, van zuid tot noord. 5  En al wat leeft zal weten, dat Ik, de Eeuwige, mijn zwaard uit de schede getrokken heb; het zal daarin niet weerkeren. 6  En gij, mensenkind, zucht als een gebroken man; ja, zucht in hun bijzijn van bittere smart. 7  Wanneer zij dan tot u zeggen: Waarover zucht gij? zult gij antwoorden: Over de tijding, bij welker komst elks hart zal wegsmelten, alle handen zullen verslappen, elks geest zal versagen en alle knieŽn van water zullen druipen Zie, het komt en het geschiedt, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 8 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 9  Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Eeuwige: zeg: een zwaard, een zwaard! 10  Het is gescherpt en ook gewet. Om een bloedbad te kunnen aanrichten is het gescherpt, om als een bliksem te kunnen flikkeren is het gewet. Zouden wij ons dan verblijden? (De staf van mijn zoon veracht alle hout). 11 Ja, men liet het wetten, om het ter hand te nemen; het is gescherpt en gewet, het zwaard, om in moordenaarshand te worden gegeven. 12  Schreeuw het uit en weeklaag, mensenkind, want dit is gericht tegen mijn volk; het is gericht tegen alle vorsten van IsraŽl; aan het zwaard zullen zij overgeleverd worden, zij en mijn volk. Daarom, sla u op de heup. 13  Want de proef is geleverd; en hoe zal het zijn, als ook de staf die veracht, er niet meer wezen zal? luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 14 En gij, mensenkind, profeteer en klap in de handen, opdat het zwaard verdubbeld en verdrievoudigd worde. Moordend is dat zwaard, een zwaard van grote moord, dat om hen heen suist, 15  opdat het hart siddere en velen neergeveld worden. Bij al hun poorten heb Ik voor het zwaard een slachtplaats gemaakt. Ach, het is gemaakt om te bliksemen; het is gewet ter slachting. 16  Snijd scherp; keer u naar rechts; val aan; keer u naar links; overal waarheen uw snede gericht is. 17  En Ik zelf zal in de handen klappen en mijn grimmigheid laten uitwoeden. Ik de Eeuwige, heb het gesproken. 18 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 19  En gij, mensenkind, teken twee wegen, waarlangs het zwaard van de koning van Babel komen kan; van hetzelfde land zullen beide uitgaan. En zet een handwijzer; zet er een aan het begin van de weg die naar een stad leidt; 20  teken een weg, opdat het zwaard kan komen tegen Rabba der Ammonieten en ook tegen Juda, naar het versterkte Jeruzalem. 21  Want de koning van Babel zal aan de tweesprong staan, aan het begin van de twee wegen en waarzeggerij plegen; hij zal de pijlen schudden; hij zal de terafim raadplegen; hij zal de lever bezien. 22  In zijn rechterhand zal het lot zijn, dat Jeruzalem aanwijst, om er stormrammen op te stellen, om er de mond te openen tot moordgeschreeuw, er de stem te verheffen tot een krijgskreet, om er stormrammen op te stellen tegen de poorten, een wal op te werpen en een schans te bouwen. 23  Wel is dit in hun ogen een bedrieglijke waarzeggerij (dure eden zwoeren zij) maar hij zal hun ongerechtigheid in herinnering brengen, opdat zij gegrepen worden. 24  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, omdat gij uw ongerechtigheid in herinnering brengt, doordat uw overtredingen openbaar worden, zodat uw zonden zichtbaar zijn in al uw handelingen; omdat men zich uwer herinnert, zult gij met de hand gegrepen worden. 25  En gij onheilig lijk, goddeloze, vorst van IsraŽl, wiens dag komt ten tijde van de volmakende zonde, 26  zo zegt Adonai de Eeuwige: Neem weg die tulband! zet af die kroon! Zo zal het niet blijven. Verhoog wat laag is; verlaag wat hoog is. 27  Een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop zal Ik ze (Jeruzalem) maken. Maar ook zo zal het niet blijven. Totdat hij komt, die er recht op heeft en aan wie Ik het geven zal. 28 Gij mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt Adonai de Eeuwige van de Ammonieten en van hun gesmaad; zeg: zwaard, zwaard, ontbloot om te slachten, gewet om toe te slaan, om te bliksemen, 29  terwijl men voor u bedrieglijke dingen schouwt en u leugen waarzegt (om u te zetten op de halzen van goddelozen, onheiligen, wier dag komt ten tijde van de eindafrekening)! 30  Steek het zwaard weer in de schede. In de plaats waar gij geschapen zijt, in uw land van herkomst zal Ik u richten. 31  Ik zal mijn gramschap over u uitstorten; met het vuur van mijn verbolgenheid zal Ik tegen u blazen en u overgeven in de macht van redeloze mensen die verderf smeden. 32  Voedsel zult gij zijn voor het vuur; midden in het land zal uw bloed stromen, en aan u zal niet meer gedacht worden, want Ik, de Eeuwige, heb het gesproken. 22:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Gij mensenkind, wilt gij richten, wilt gij richten de bloedstad? Houd haar dan al haar gruwelen voor. 3  Zeg: Zo zegt Adonai de Eeuwige: o stad, die in haar midden bloed vergiet, zodat haar tijd komt, en die zich afgoden maakt om zich te verontreinigen; 4  door het bloed dat gij vergiet, zijt gij schuldig; door de afgoden die gij maakt, zijt gij onrein; gij hebt uw dagen nabij gebracht en de grens van uw jaren bereikt. Daarom zal Ik u maken tot een voorwerp van smaad voor de volken en van spot voor alle landen. 5  Zij, die dicht bij u en die ver van u gelegen zijn, zullen de spot met u drijven, gij, berucht om uw onreinheid en vol van wanorde! 6  Zie, de vorsten van IsraŽl zijn er op uit ieder zoveel mogelijk bloed te vergieten. 7 In u veracht men vader en moeder; in u doet men de vreemdeling geweld aan, bij u onderdrukt men de wees en de weduwe. 8  Mijn heilige dingen veracht gij, mijn sabbatten ontheiligt gij. 9  In uw midden zijn lasteraars er op uit om bloed te vergieten en bij u houdt men offermaaltijden op de bergen; ontucht/kwade dingen pleegt men in u. 10  In u ontbloot men de schaamte van zijn vader; in u verkracht men een vrouw, die onrein is door haar maandelijkse afzondering. 11 De een bedrijft een gruwelijke zonde met de vrouw van zijn naaste; een ander onteert zijn schoondochter door ontucht; weer een ander verkracht in u zijn zuster, de dochter van zijn vader. 12  In u neemt men geschenken aan om bloed te vergieten; rente en woekerwinst neemt gij en met geweld zet gij uw naaste af, maar Mij vergeet gij, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 13 Zie nu, Ik sla Mij in de hand om de onrechtmatige winst die gij gemaakt hebt, en om het bloed dat in u vergoten is. 14 Zal uw hart standvastig en zullen uw handen sterk blijven ten tijde dat Ik met u afreken? Ik, de Eeuwige, heb het gesproken en Ik zal het doen. 15  Ik zal u verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen, en Ik zal uw onreinheid geheel van u wegdoen. 16  Zo zult gij door uw eigen toedoen voor het oog der volken ontwijd worden, en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 17 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 18  Mensenkind, het huis IsraŽls is Mij tot schuim geworden; allen zijn zij koper, tin, ijzer en lood in de smeltoven; stukken zilverschuim zijn zij geworden. 19  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige: Omdat gij allen tot schuim geworden zijt, daarom, zie, zal Ik u bijeenbrengen in Jeruzalem. 20  Zoals zilver, koper, ijzer, lood en tin in de smeltoven bijeengebracht wordt en daaronder het vuur wordt aangeblazen, om het te smelten, zo zal Ik u bijeenbrengen in mijn toorn en in mijn grimmigheid, en Ik zal u erin werpen en smelten. 21  Ja, Ik zal u verzamelen en onder u het vuur van mijn verbolgenheid aanblazen, en gij zult daarin gesmolten worden. 22  Zoals zilver in de smeltoven gesmolten wordt, zo zult gij daarin gesmolten worden; en gij zult weten, dat Ik, de Eeuwige, mijn grimmigheid over u heb uitgestort. 23 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 24  Mensenkind, zeg tot het land: Gij zijt een land, dat niet bevochtigd noch door regen gedrenkt is ten dage van de gramschap; 25 waar de vorsten zijn als een brullende leeuw, die zijn prooi verscheurt: mensen verslinden zij, schatten en kostbaarheden roven zij weg, het aantal weduwen vermeerderen zij er. 26  Zijn priesters doen mijn wet geweld aan en ontwijden mijn heilige dingen; tussen heilig en onheilig maken zij geen onderscheid, het verschil tussen onrein en rein onderwijzen zij niet, en voor mijn sabbatten sluiten zij hun ogen; zo word Ik te midden van hen ontheiligd. 27  De oversten zijn er als roofgierige wolven, die bloed vergieten en mensen in het verderf storten om zichzelf te bevoordelen. 28  En zijn profeten bepleisteren voor hen met kalk: zij schouwen bedrieglijke dingen en voorspellen leugen; zij zeggen: Zo zegt Adonai de Eeuwige, terwijl de Eeuwige niet gesproken heeft. 29  Het volk des lands maakt zich schuldig aan afpersing en pleegt roof; het onderdrukt de arme en behoeftige, en de vreemdeling doet het tegen alle recht geweld aan. 30  Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden. 31  Daarom heb Ik mijn gramschap over hen uitgestort; met het vuur van mijn verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun wandel heb Ik op hun hoofd doen neerkomen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.

 

 

 

 

Eruit gelicht:

 

-         naar het zuiden (21:2) (20:46)  . Kan Jeruzalem en Judea betekenen. Liggen in zuidelijk IsraŽl. Zeker vanuit Babylon gezien.

 

-         laat uw woorden stromen tegen de heiligdommen, (21:2). EzechiŽl voorzegt de verwoesting van de eerste en tweede tempel

 

-         Omdat Ik rechtvaardigen en de goddeloze onder u hebt afgesneden, daarom zal mijn zwaard de schede verlaten tegen al wat leeft, van zuid tot noord. (21:4). Gíd heeft rechtvaardigen en goddelozen afgesneden onder IsraŽl. Zo zal hij ook de volken (van Noord tot Zuid) onder Gíds oordeel komen.

 

-         Over de tijding, bij welker komst elks hart zal wegsmelten (21:7b). De tijding dat Jeruzalem is gevallen.

 

-         een zwaard, een zwaard (21:9) Het zwaard van Nebukadnessar tegen Jeruzalem en het zwaard van Ammon tegen Gedalia. Jer. 40:13-41:3 ď13  Toen kwamen Jochanan, de zoon van Kareach, en al de legeroversten, die te velde waren geweest, tot Gedalja te Mispa, 14  en zeiden tot hem: Weet gij wel, dat Balis, de koning van de Ammonieten, Jismael, de zoon van Netanja, heeft afgezonden ten einde u om het leven te brengen? Maar Gedalja, de zoon van Achikam, geloofde hen niet. 15  Daarop zeide Jochanan, de zoon van Kareach, in het geheim tot Gedalja te Mispa: Laat mij toch heengaan en Jismael, de zoon van Netanja, ombrengen, zonder dat iemand het weet; waarom zou hij u om het leven brengen, zodat geheel Juda, dat zich tot u verzameld heeft, verstrooid wordt en het overblijfsel van Juda te gronde gaat? 16  Maar Gedalja, de zoon van Achikam, zeide tot Jochanan, de zoon van Kareach: Doe dat niet, want wat gij van Jismael zegt, is een leugen. 41:1 Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Jismael, de zoon van Netanja, de zoon van Elisama, een man van koninklijken bloede, een van de koninklijke bevelhebbers, met tien mannen bij zich, kwam tot Gedalja, de zoon van Achikam, te Mispa. 2  Terwijl zij daar te Mispa tezamen brood aten, stond Jismael, de zoon van Netanja, met de tien mannen die bij hem waren, op, en zij sloegen Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, met het zwaard. Zo doodde hij hem die de koning van Babel over het land had aangesteld. 3  Ook vermoordde Jismael al de Judeeers die bij hem, bij Gedalja, te Mispa waren, en de Chaldeeen die zich daar bevonden, de krijgslieden.Ē

 

-         Schreeuw het uit en weeklaagÖ.. en mijn grimmigheid laten uitwoeden. Ik de Eeuwige, heb het gesproken. (21:12-17).  Gíd beschrijft hier de oordelen die uitgevoerd gaan worden vanwege het afwijken van het volk van het Woord van Gíd.

 

-         Wel is dit in hun ogen een bedrieglijke waarzeggerij (dure eden zwoeren zij) maar hij zal hun ongerechtigheid in herinnering brengen, opdat zij gegrepen worden. (21:23)    Ze vertrouwden op de eed waarmee Nebukadnessar had gezworen hun niet aan te vallen. Ondertussen had Sedekia zijn eed met Nebukadnessar gebroken en de hulp van Egypte erbij geroepen. Daardoor zijn de anderen eden ook waardeloos geworden.

 

-         En gij onheilig lijk, goddeloze, vorst van IsraŽl (21:25) Dit wordt gezegd van Sedekia die door zijn zondige leven (zonder bekering) zal sterven.

 

-         wiens dag komt ten tijde van de volmakende zonde (21:25b). De tijd komt dat de maat van zondigen vol is. De zonde die ďde emmer zal doen overlopenĒ komt er aan. Dat is het moment dat de oordelen uitgevoerd worden.

 

-         Een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop zal Ik ze (Jeruzalem) maken. Maar ook zo zal het niet blijven. Totdat hij komt, die er recht op heeft en aan wie Ik het geven zal (21:27). Ziet in de eerste plaats op Zerubabel maar uiteindelijk in zijn volle betekenis op de Messias die daadwerkelijk herstel zal brengen. Het kan ook vertaald worden met Vertlaten, verlaten zal ik haar maken. Zoiets is er nooit geweest, tot de tijd van de komst van de uitvoerder van recht, als ik haar in zijn hand gegeven zal hebben. Jeruzalem zal uitermate verlaten zijn tot de tijdsperiode van de uitvoerder van recht.

 

-         door de afgoden die gij maakt, zijt gij onrein; gij hebt uw dagen nabij gebracht en de grens van uw jaren bereikt. (22:4). Nogmaals de oordelen komen over het volk omdat ze afgoden dienden en niet meer leefden volgens de instructies van Gíd (de Thora)

 

-         Zie, de vorsten van IsraŽl zijn er op uit ieder zoveel mogelijk bloed te vergieten. (22:6). Dit is het beeld zoals Gíd de vorsten van IsraŽl niet bedoeld heeft. De Messias zal de vorst zijn naar het beeld zoals Gíd het wel bedoelt heeft (Ezech. 34:23, 24 en Ezech. 37:25)

 

-         In u veracht men vader en moeder; in u doet men de vreemdeling geweld aan, bij u onderdrukt men de wees en de weduwe. Mijn heilige dingen veracht gij, mijn sabbatten ontheiligt gij. In uw midden zijn lasteraars er op uit om bloed te vergieten en bij u houdt men offermaaltijden op de bergen; ontucht pleegt men in u. In u ontbloot men de schaamte van zijn vader; in u verkracht men een vrouw, die onrein is door haar maandelijkse afzondering. De een bedrijft een gruwelijke zonde met de vrouw van zijn naaste; een ander onteert zijn schoondochter door ontucht; weer een ander verkracht in u zijn zuster, de dochter van zijn vader. In u neemt men geschenken aan om bloed te vergieten; rente en woekerwinst neemt gij en met geweld zet gij uw naaste af, maar Mij vergeet gij, (22:7-12) De zonden worden bij name genoemd. Duidelijk gaat het erom dat hun zondige gedrag inhield dat ze niet leefden volgens de instructies in de Thora.

 

-         In u veracht men vader en moeder (22:7a) De mens is partner van God in het scheppen van de mens. Vandaar dat het verachten van de ouders een grove zonde is. Daardoor kan Gíd met zijn Shechina niet onder het volk blijven.

 

-         doet men de vreemdeling geweld aan (22:7b) Overtreding van het voorschrift in Lev. 19:33, 34 ďEn wanneer een vreemdeling bij u in uw land vertoeft, zult gij hem niet onderdrukken. Als een onder u geboren IsraŽliet zal u de vreemdeling gelden, die bij u vertoeft; gij zult hem liefhebben als uzelf, want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egypte: Ik ben de Eeuwige, uw God.Ē  Zie ook Lev. 25:23 En het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij.

 

-         onderdrukt men de wees en de weduwe. (22:7c). Gíd zegt juist voor hen te zorgen Ps 68:5,6a ďHij is de vader der wezen en de rechter der weduwen, Gíd in zijn heilige woning; Gíd, die eenzamen in een huisgezin doet woneĒ. Daar waar de maatschappij niet aan Zijn beeld voldoet kan Hij er niet zijn.

 

-         Mijn heilige dingen veracht gij, (22:8a). Men bracht offers van zieke en gewonde dieren in de tempel. Mal. 1: 7,8 Gij brengt minderwaardige offerspijze op mijn altaar. En dan zegt gij: Waarmee hebben wij U minderwaardig behandeld? Doordat gij zegt: De tafel van de Eeuwige, zij is verachtelijk.  Want, wanneer gij een blind dier ten offer brengt, is dat niet erg? Wanneer gij een kreupel of ziek dier brengt, is dat niet erg? Bied dat eens uw landvoogd aan; zal hij welgevallen aan u hebben of u goedgunstig gezind zijn? zegt de Eeuwige der heerscharen.  Zie ook Lev. 19:5 En wanneer gij de Eeuwige een vredeoffer offert, zult gij het zo offeren, dat gij Hem welgevallig zijt.

 

-         mijn sabbatten ontheiligt gij. (22:8b). De shabbat is juist een verbondsteken tussen Gíd en IsraŽl. Zie Ex. 31:13-17  Gij dan, spreek tot de IsraŽlieten: maar mijn sabbatten moet gij onderhouden, want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat gij weet, dat Ik de Eeuwige ben, die u heilig. Gij zult de sabbat onderhouden, want deze is iets heiligs voor u; wie hem ontheiligt, zal zeker ter dood gebracht worden, want ieder die daarop werk verricht, zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn volksgenoten.   Zes dagen mag men arbeiden, maar op de zevende dag zal er een volledige sabbat zijn, de Eeuwige geheiligd: ieder die op de sabbatdag werk verricht, zal zeker ter dood gebracht worden. De IsraŽlieten zullen de sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een altoosdurend verbond. Tussen Mij en de IsraŽlieten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de Eeuwige de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept.

 

-         In uw midden zijn lasteraars er op uit om bloed te vergieten (22:9a)  Lev. 19:16  Gij zult onder uw volksgenoten niet als een lasteraar rondgaan;

 

-         en bij u houdt men offermaaltijden op de bergen (22:9b). Lev. 19:4  Gij zult u niet tot de afgoden wenden en u geen gegoten beelden maken: Ik ben de Eeuwige, uw God.

 

-         ontucht/kwade dingen (hmz zimmah) pleegt men in u.(22:9c). Kan zowel ontucht als kwade dingen betekenen. Zie voor hetzelfde woordgebruik Jes. 32:7 En de listen van de bedrieger zijn slecht; hij beraamt snode plannen (hmz zimmah) om de ellendigen door leugentaal in het verderf te storten, zelfs wanneer de arme zijn recht bepleit.

 

-         In u ontbloot men de schaamte van zijn vader; in u verkracht men een vrouw, die onrein is door haar maandelijkse afzondering. 11  De een bedrijft een gruwelijke zonde met de vrouw van zijn naaste; een ander onteert zijn schoondochter door ontucht; weer een ander verkracht in u zijn zuster, de dochter van zijn vader. (22:10,11) Dit waren specifieke zonden van de Egyptenaren en de Kanašnieten. Lev. 18:3-29 ( Gij zult niet doen, zoals men doet in het land Egypte, waar gij gewoond hebt; gij zult niet doen, zoals men doet in het land Kanašn, waarheen Ik u breng; naar hun inzettingen zult gij niet wandelenÖÖ.30  Zo zult gij het voorschrift dat Ik u geef, in acht nemen, zodat gij de gruwelijke inzettingen niet doet, die voor u gedaan werden, opdat gij u daardoor niet verontreinigt. Ik ben de Eeuwige, uw God.Ē en verder Lev. 20:10-23

 

-         In u neemt men geschenken aan om bloed te vergieten; (22:12) Deut. 27:25 Vervloekt is hij, die een geschenk aanneemt om iemand te doden en onschuldig bloed te vergieten.  

 

-         rente en woekerwinst neemt gij (22:12b). Lev. 23: 36  Gij zult geen rente of winst van hem nemen, maar gij zult voor uw Gíd vrezen, opdat uw broeder bij u in het leven blijve.

 

-         en met geweld zet gij uw naaste af, maar Mij vergeet gij, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. (22:12c). Dit geld gebruikten ze om bondgenootschappen mee te Ďkopení. Dit in plaats van hun vertrouwen op Gíd te stellen.

 

-         Ik zal u verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen, en Ik zal uw onreinheid geheel van u wegdoen. (22:15). Het verspreiden onder te volken zal Gíd gebruiken om hun onreinheden weg te doen.

 

-         Zoals zilver in de smeltoven gesmolten wordt, zo zult gij daarin gesmolten worden; en gij zult weten, dat Ik, de Eeuwige, mijn grimmigheid over u heb uitgestort. (22:22). De oordelen zullen een reinigende werking hebben op het volk. Zie ook vers 15b Ik zal uw onreinheid geheel van u wegdoen.  

 

-         Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden. (22:30)  Een rechtvaardige, die het volk zou kunnen bewegen tot bekering en die net als Mozes voorspraak zou doen en bidden voor hun verlossing. Zie ook. Ezech. 14:14 14  en er zouden daar deze drie mannen zijn: Noach, Daniel en Job, dan zouden dezen door hun gerechtigheid slechts zichzelf redden, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.

 

-         Daarom heb Ik mijn gramschap over hen uitgestort; met het vuur van mijn verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun wandel heb Ik op hun hoofd doen neerkomen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. (22:31). De oordelen zijn de voorzegde straf op hun ongehoorzaamheid.

 

 

EzechiŽl hoofdpagina

EzechiŽl hoofdstuk   1 - 3

EzechiŽl hoofdstuk   4 - 6

EzechiŽl hoofdstuk   7 - 9

EzechiŽl hoofdstuk 10 - 11

EzechiŽl hoofdstuk 12 - 13

EzechiŽl hoofdstuk 14 - 15

EzechiŽl hoofdstuk 16 - 17

 

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl  23-24 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021