Jeremia 15-16

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

15:1 Maar de Eeuwige zeide tot mij: Al stond Moshť met Samuel voor Mij, dan zou mijn ziel zich toch niet tot dit volk neigen: weg met hen, uit mijn ogen, laat hen heengaan! 2  En als zij tot u zeggen: Waar moeten wij heengaan?, zeg dan tot hen: Zo zegt de Eeuwige: wie bestemd is ten dode, ten dode; wie bestemd is ten zwaarde ten zwaarde; wie bestemd is ten honger, ten honger; en wie bestemd is ter gevangenschap, ter gevangenschap. 3  Ja, Ik zal over hen vierderlei bezoeking brengen, luidt het woord van de Eeuwige: het zwaard om te doden, de honden om weg te slepen, het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde om te verslinden en te verscheuren; 4  en Ik zal hen maken tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken der aarde, ter wille van Manasse, de zoon van Jechizkia, de koning van Juda, om hetgeen hij gedaan heeft in Jeruzalem. 5  Want wie zal medelijden met u hebben, Jeruzalem, wie zal u beklagen? Wie zal van de weg afslaan om naar uw welstand te vragen? 6  Gij hebt Mij verworpen, luidt het woord van de Eeuwige, gij zijt achterwaarts gegaan; dus strek Ik mijn hand tegen u uit en verdelg u: Ik ben het berouwen moe. 7  Ja, Ik wan hen met een wan in de poorten des lands; kinderloos, teniet maak Ik mijn volk. Van hun wegen zijn zij niet teruggekeerd. 8  Talrijker worden Mij zijn weduwen dan het zand der zeeen; Ik breng hun, over moeder en jongeling, een verwoester op de middag, Ik doe onverhoeds op hen vallen angst en verschrikkingen. 9  Zij, die er zeven baarde, bezwijmt, zij valt in onmacht; haar zon is ondergegaan, terwijl het nog dag was, zij is beschaamd en in haar verwachtingen bedrogen. Ja, wat van hen nog rest, zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het oog van hun vijanden, luidt het woord van de Eeuwige. 10  Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist en gekrakeel voor het gehele land! Ik heb niet te leen gegeven en men heeft mij niet te leen gegeven, toch vervloeken mij allen. 11  De Eeuwige zeide: Indien Ik u niet bevrijd ten goede! Indien Ik ten tijde van rampspoed en benauwdheid de vijand niet tot u doe smeken! 12  Zal ijzer breken? ijzer uit het noorden, en koper? 13  Uw vermogen en uw schatten zal Ik ten buit geven, zonder prijs, en dat om al uw zonden, ja, in uw gehele gebied, 14  en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land dat gij niet kent, want een vuur is ontstoken in mijn toorn, dat over u zal branden. 15 Gij weet het, Eeuwige, gedenk mijner, sla acht op mij en neem voor mij wraak op mijn vervolgers! Neem, door uw lankmoedigheid, mij niet weg; weet, dat ik om Uwentwil smaad draag. 16  Zo vaak uw woorden gevonden werden, at ik ze op, uw woord was mij tot vreugde en blijdschap mijns harten; want uw naam is over mij uitgeroepen, Eeuwige, God der heerscharen. 17  Ik heb niet gezeten in een kring van lachers, om uitgelaten te zijn; door uw hand was ik eenzaam neergezeten, want Gij hadt mij met gramschap vervuld. 18  Waarom is mijn pijn altoosdurend en mijn wond ongeneeslijk, en wil zij zich niet laten helen? Gij zijt mij waarlijk als een uitdrogende beek, water waarop geen staat valt te maken. 19  Daarom, zo zegt de Eeuwige: Indien gij terugkeert, zal Ik u doen terugkeren; dan zult gij voor Mij staan; en indien gij uitspreekt wat waarde heeft, zonder vermetele taal, zult gij als mijn mond zijn. Laten zij zich tot u keren, maar gij zult u tot hen niet keren. 20  Dan zal Ik u voor dit volk maken tot een koperen, onneembare muur, en zij zullen tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u om u te helpen en te bevrijden, luidt het woord van de Eeuwige. 21  Ja, Ik zal u bevrijden uit de hand der bozen, u verlossen uit de vuist der geweldenaars. 16:1 Ook kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 2  Gij zult u geen vrouw nemen en gij zult geen zonen of dochters hebben te dezer plaatse; 3  want zo zegt de Eeuwige van de zonen en de dochters, die te dezer plaatse geboren worden, en van hun moeders die hen baren, en van hun vaders die hen verwekken, in dit land: 4  Aan dodelijke ziekten zullen zij sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, tot mest op de akker zullen zij zijn; of door het zwaard en de honger zullen zij aan hun eind komen, en hun lijken zullen tot voedsel zijn voor het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde. 5  Want zo zegt de Eeuwige: Gij moogt geen klaaghuis binnentreden, gij moogt niet gaan om rouwbeklag te doen en hun geen deelneming betonen, want Ik neem van dit volk mijn vrede weg, luidt het woord van de Eeuwige, de genade en het erbarmen! 6  Groten en kleinen zullen in dit land sterven zonder begraven te worden, men zal hen niet beklagen en niemand zal zich om hen insnijdingen maken of zich kaal scheren; 7  men zal geen brood breken ten rouw om iemand te troosten over een dode, men zal hun ook geen troostbeker te drinken geven om iemands vader of moeder. 8  Gij moogt ook geen huis van feestgelag binnentreden om bij hen te zitten en te eten en te drinken; 9  want zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van Israel: Zie, Ik doe in deze plaats voor uw ogen en in uw dagen verstommen de stem der vreugde en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem der bruid! 10 Wanneer gij nu aan dit volk al deze woorden verkondigt, en zij tot u zeggen: Waarom heeft de Eeuwige al dit groot onheil over ons uitgesproken, wat is onze ongerechtigheid en wat is onze zonde, waarmede wij tegen de Eeuwige, onze God, gezondigd hebben? 11  Dan zult gij tot hen zeggen: Omdat uw vaderen Mij hebben verlaten, luidt het woord van de Eeuwige, en andere goden zijn achternagelopen en die hebben gediend en zich voor die hebben nedergebogen, en Mij hebben verlaten en mijn wet niet hebben gehouden, 12  en omdat gij nog erger hebt gedaan dan uw vaderen, doordat ieder van u wandelt naar de verstoktheid van zijn boos hart in plaats van naar Mij te horen, 13  daarom zal Ik u wegslingeren uit dit land naar een land dat gij niet hebt gekend, gij noch uw vaderen, en daar zult gij andere goden dienen dag en nacht, doordat Ik u geen genade zal bewijzen. 14 Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat niet meer zal gezegd worden: Zo waar de Eeuwige leeft, die de IsraŽlieten uit het land Egypte heeft gebracht, 15  maar veeleer: Zo waar de Eeuwige leeft, die de IsraŽlieten heeft doen optrekken uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had; ja, Ik zal hen terugbrengen in het land dat Ik aan hun vaderen gegeven had. 16  Zie, Ik ontbied vele vissers, luidt het woord van de Eeuwige, die hen zullen opvissen, en daarna zal Ik vele jagers ontbieden, die hen zullen opjagen van elke berg en elke heuvel, en uit de rotskloven; 17  want mijn ogen zijn op al hun wegen, deze zijn voor Mij niet verborgen, en hun ongerechtigheid is voor mijn ogen niet bedekt. 18  Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij mijn land hebben ontwijd met het aas van hun gruwelen en afschuwelijkheden, waarmede zij mijn erfdeel hebben vervuld. 19  Eeuwige, mijn sterkte en mijn burcht, mijn toevlucht ten dage der benauwdheid, tot U zullen volken komen van de einden der aarde en zeggen: Enkel leugen hebben onze vaderen bezeten, nietigheid, waaronder niet een, die baat kon brengen. 20  Zou een mens zich goden maken? Maar dat zijn geen goden! 21  Daarom zie, Ik laat hen ditmaal gewaarworden, Ik laat hen gewaarworden mijn hand en mijn kracht, en zij zullen weten, dat mijn naam is: Eeuwige.

 

 

Eruit gelicht:

 

-         stond Moshť met Samuel voor Mij (15:1). Beide stonden voor Gíd om voor het volk genade af te bidden.

 

-         ter wille van Manasse (15:4b) Zie 2 Kon. 21:16, 17 Ook vergoot Manasse zoveel onschuldig bloed, dat hij Jeruzalem daarmee vulde van het ene einde tot het andere; nog boven de zonde die hij Juda had doen bedrijven, waardoor het deed wat kwaad is in de ogen van de Eeuwige. Het overige van de geschiedenis van Manasse en alles wat hij gedaan heeft en de zonde die hij heeft bedreven, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Juda?

 

-         Gij hebt Mij verworpen, luidt het woord van de Eeuwige (15:6). Ze leefden niet meer in overeenstemming met Gíds wetten en inzettingen (de Tora)

 

-         Ik doe onverhoeds op hen vallen angst en verschrikkingen (15:8b). Ze ontvangen de straf die in Deut. 27 voorzegd was.

 

-         Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist en gekrakeel voor het gehele land! Ik heb niet te leen gegeven en men heeft mij niet te leen gegeven, toch vervloeken mij allen (15:10). De inwoners van Anatoth hadden vanwege zijn profetieŽn een hekel aan Jeremia.

 

-         Ja, Ik zal u bevrijden uit de hand der bozen, u verlossen uit de vuist der geweldenaars. (15:21). Ondanks de oordelen geeft Gíd de belofte van herstel. 

 

-         Gij zult u geen vrouw nemen en gij zult geen zonen of dochters hebben te dezer plaatse; (16:2). Om duidelijk te laten zien dat Gíd Zijn oordelen uitgevoerd zullen worden (waaraan hij zijn kinderen niet wil blootstellen)

 

-         want zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van IsraŽl: Zie, Ik doe in deze plaats voor uw ogen en in uw dagen verstommen de stem der vreugde en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem der bruid! (16:9) Herhaling van hetzelfde wat in Jeremia 7:34 staat en ook verder in Jeremia 25:10. Het is vast besloten als het volk zich niet bekeert. In Jeremia 33:11 geeft Gíd echter weer de belofte dat het weer zal veranderen. ďJeremia 33:11  en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem der bruid, de stem van hen die zeggen: Looft de Eeuwige der heerscharen, want de HERE is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid! terwijl zij lofoffers in het huis des HEREN brengen; want Ik zal in het lot van het land een keer brengen, zodat het wordt als tevoren, zegt de Eeuwige.Ē 

 

-         Dan zult gij tot hen zeggen: Omdat uw vaderen Mij hebben verlaten, luidt het woord van de Eeuwige, en andere goden zijn achternagelopen en die hebben gediend en zich voor die hebben nedergebogen, en Mij hebben verlaten en mijn wet niet hebben gehouden,   en omdat gij nog erger hebt gedaan dan uw vaderen, doordat ieder van u wandelt naar de verstoktheid van zijn boos hart in plaats van naar Mij te horen, (16:11 en 12). Voor dat de genoemde oordelen uitgevoerd worden geeft Gíd duidelijk de oorzaak te kennen. Namelijk omdat zij en hun ouders niet meer in overeenstemming met de Thora leefden. Weer wordt het gezegt om het volk tot bekering te manen zodat de oordelen niet uitgevoerd behoeven te worden.

 

-         daarom zal Ik u wegslingeren uit dit land naar een land dat gij niet hebt gekend, gij noch uw vaderen, en daar zult gij andere goden dienen dag en nacht, doordat Ik u geen genade zal bewijzen. (16:13). Het loslaten van de Thora heeft als gevolg dat het land IsraŽl je uitspuugt. Zie Lev. 18: 26  ďGij echter zult mijn inzettingen en mijn verordeningen in acht nemen en geen van deze gruwelen doen, noch de geboren IsraŽliet, noch de vreemdeling die in uw midden vertoeft; 27  want al deze gruwelen deden de lieden van het land, die voor u waren, zodat het land onrein werd. 28  Opdat het land u niet uitspuwe, wanneer gij het verontreinigt, zoals het uitgespuwd heeft het volk, dat voor u was.Ē  Ook wordt daarin weer gezien dat de afgoden die ze dienen geen enkele macht bezitten om hen te helpen.

 

-         Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat niet meer zal gezegd worden: Zo waar de Eeuwige leeft, die de IsraŽlieten uit het land Egypte heeft gebracht,  maar veeleer: Zo waar de Eeuwige leeft, die de IsraŽlieten heeft doen optrekken uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had; ja, Ik zal hen terugbrengen in het land dat Ik aan hun vaderen gegeven had. (16:14, 15). Het volk wat verdreven is zal terugkomen om niet meer weggehaald te worden. Daarin zal Gíds Naam geheiligd worden.

 

-         Zie, Ik ontbied vele vissers, luidt het woord van de Eeuwige, die hen zullen opvissen, en daarna zal Ik vele jagers ontbieden, die hen zullen opjagen van elke berg en elke heuvel, en uit de rotskloven; (16:16). Het oordeel zal zo erg zijn dat niemand er aan zal ontkomen. De vissers en de jagers zullen als het ware de verstopten tevoorschijn halen en de gevluchte achterhalen.

 

-         want mijn ogen zijn op al hun wegen, deze zijn voor Mij niet verborgen, en hun ongerechtigheid is voor mijn ogen niet bedekt (16:17) De oordelen overkomen hun vanwege hun eigen gedrag.

 

-         Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij mijn land hebben ontwijd met het aas van hun gruwelen en afschuwelijkheden, waarmede zij mijn erfdeel hebben vervuld.  (16:18). Ze zullen zelf de straf voor hun zonden dragen totdat ze de staf gedragen hebben. Zie Jesaja 40: 1,2 Troost, troost mijn volk, zegt uw God. Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept het toe, dat zijn lijdenstijd volbracht is, dat zijn ongerechtigheid geboet is, dat het uit de hand van de Eeuwige dubbel ontvangen heeft voor al zijn zonden. 

 

-         Eeuwige, mijn sterkte en mijn burcht, mijn toevlucht ten dage der benauwdheid, tot U zullen volken komen van de einden der aarde en zeggen: Enkel leugen hebben onze vaderen bezeten, nietigheid, waaronder niet een, die baat kon brengen. (16:19). Zelfs de volken zullen (in de messiaanse tijd) zeggen dat hun vaders zich zondig hebben gedragen daarom zou het eigen volk IsraŽl zich nu al moeten bekeren.

 

-         Zou een mens zich goden maken? Maar dat zijn geen goden! Daarom zie, Ik laat hen ditmaal gewaarworden, Ik laat hen gewaarworden mijn hand en mijn kracht, en zij zullen weten, dat mijn naam is: Eeuwige. (16:20,21) Uiteindelijk zullen alle mensen het weten dat de Eeuwige de enige Gíd is als alle afgoden machteloos blijken te zijn. 

 

Start ] Omhoog ] Jeremia 17-18 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021