Jeremia 17-18

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

17:1 De zonde van Juda staat geschreven met ijzeren stift, gegrift met diamanten spits in de tafel van hun hart en in de hoornen van hun altaren, 2 als een gedenkteken tegen hen in hun gewijde palen onder elke groene boom en op de hoge heuvels, 3 de bergen in het veld. Uw vermogen, al uw schatten zal Ik ten buit geven zonder prijs, om de zonde in uw gehele gebied, 4 en gij zult gedwongen worden u los te maken van het erfdeel dat Ik u gegeven had, en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land dat gij niet kent, want gij hebt een vuur ontstoken in mijn toorn, dat aldoor zal branden. 5 Zo zegt de Eeuwige: Vervloekt is de man die op een mens vertrouwt en vlees tot zijn arm stelt, wiens hart van de Eeuwige wijkt; 6  hij toch zal zijn als een kale struik in de steppe, die het niet merkt, als er iets goeds komt, maar staat in dorre oorden in de woestijn, een ziltachtig, onbewoond land. 7 Gezegend is de man die op de Eeuwige vertrouwt, wiens betrouwen de Eeuwige is; 8 hij toch zal zijn als een boom, aan het water geplant, die zijn wortels tot aan een beek uitslaat, en het niet merkt, als er hitte komt, maar welks loof groen blijft, die in een jaar van droogte geen zorg heeft en niet nalaat vrucht te dragen. 9 Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen? 10  Ik, de Eeuwige, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat, om aan een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden. 11 Een veldhoen, dat eieren uitbroedt, die het niet gelegd heeft, zo is wie zich rijkdom verwerft, maar op onrechtmatige wijze; op de helft zijner dagen zal hij die moeten achterlaten, en bij zijn einde zal hij een dwaas zijn. 12 Troon der heerlijkheid, van ouds verheven is de plaats van ons heiligdom. 13  Hope IsraŽls, Eeuwige, allen die U verlaten, zullen beschaamd worden; wie afwijken, zullen in de aarde geschreven worden, omdat zij de bron van levend water, de Eeuwige, verlieten. 14  Genees mij, Eeuwige, dan zal ik genezen zijn; help mij, dan zal ik geholpen zijn, want Gij zijt mijn lof. 15  Zie, zij zeggen tot mij: Waar blijft het woord ? Laat het toch komen! 16  Ik echter heb bij U niet op rampspoed aangedrongen, de onheilsdag heb ik niet begeerd, Gij weet het, wat van mijn lippen uitging, was U bekend. 17  Word mij niet tot verschrikking, Gij zijt mijn toevlucht ten dage van rampspoed. 18  Laten mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat ik niet beschaamd worden; laten zij verschrikt worden, maar laat ik niet verschrikt worden. Breng over hen de dag van rampspoed, verbreek hen met een dubbele verbreking! 19 De Eeuwige zeide tot mij aldus: Ga staan in de poort van de kinderen des volks, waardoor de koningen van Juda ingaan en uitgaan, en in al de poorten van Jeruzalem, en zeg tot hen: 20  Hoort het woord , gij koningen van Juda en geheel Juda en al gij inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten binnenkomt; 21  zo zegt de Eeuwige: Hoedt u ervoor, om uws levens wil, dat gij op de sabbatdag geen last draagt en door de poorten van Jeruzalem binnenbrengt. 22  Ook zult gij op de sabbatdag geen last naar buiten brengen uit uw huizen of enigerlei werk doen; gij zult de sabbatdag heiligen, gelijk Ik aan uw vaderen geboden heb. 23  Doch zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar zij hebben hun nek verhard in plaats van gehoor te geven en zich te laten gezeggen. 24  Indien gij echter wel naar Mij hoort, luidt het woord, en op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad binnenbrengt, maar de sabbatdag heiligt, door daarop generlei werk te doen, 25  dan zullen door de poorten van deze stad koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, binnenkomen, rijdende op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, en zal deze stad blijven bestaan voor immer. 26  Dan zal men komen uit de steden van Juda en de omstreken van Jeruzalem, uit het land van Benjamin en uit de Laagte, van het Gebergte en uit het Zuiderland, en brengen brandoffer, slachtoffer, spijsoffer en wierook, en ook brengen lofoffer in het huis . 27  Maar indien gij niet naar Mij hoort om de sabbatdag te heiligen en op de sabbatdag geen last te dragen en binnen te komen door de poorten van Jeruzalem, dan zal Ik een vuur ontsteken in zijn poorten, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren zonder te worden geblust. 18:1 Het woord, dat van de Eeuwige tot Jeremia kwam: 2  Maak u op, daal af naar het huis van de pottenbakker, en daar zal Ik u mijn woorden doen horen. 3  Toen daalde ik af naar het huis van de pottenbakker, en zie, hij was juist bezig een werkstuk te maken op de schijf. 4  Mislukte de pot die hij bezig was te maken, zoals dat gaat met leem in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het de pottenbakker goed dacht te maken. 5  Toen kwam het woord  tot mij: 6  Zal Ik niet met u kunnen doen zoals deze pottenbakker, o huis IsraŽls? luidt het woord . Zie, als leem in de hand van de pottenbakker, zo zijt gij in mijn hand, huis IsraŽls! 7 Het ene ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal uitrukken, afbreken en verdelgen; 8 maar bekeert zich dit volk waarover Ik een uitspraak deed, van zijn boosheid, dan zal Ik berouw hebben over het kwaad dat Ik hun dacht aan te doen. 9  Het andere ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal bouwen en planten; 10  maar, doet het wat kwaad is in mijn ogen door niet naar mijn stem te horen, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmede Ik had gezegd hun te zullen weldoen. 11 Nu dan, zeg toch tot de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem: Zo zegt de Eeuwige: zie, Ik bereid rampspoed over u en beraam tegen u een plan; bekeert u toch een ieder van zijn boze weg en betert uw handel en wandel. 12  Doch zij zeggen: Het baat niet, want wij zullen onze eigen gedachten volgen en een ieder naar de verstoktheid van zijn boos hart handelen. 13  Daarom, zo zegt de Eeuwige: Vraagt toch onder de volken, wie zo iets heeft gehoord; iets zeer afschuwelijks heeft de jonkvrouw IsraŽls bedreven. 14  Wijkt ooit van de rotsen der berghellingen de Libanon-sneeuw, of drogen ooit de koude, neerstromende wateren van de plasregen? 15  Nochtans heeft mijn volk Mij vergeten; voor wat onwezenlijk is, ontsteken zij offers; zo zijn zij gestruikeld op hun wegen, de oude paden, door te gaan op de paden van een ongebaande weg, 16  zodat zij hun land tot een ontzetting maken, tot een voorwerp van aanfluiting voor altoos; ieder die daar doortrekt, zal zich ontzetten en zijn hoofd schudden. 17  Als een oostenwind zal Ik hen verstrooien voor de vijand; de nek zal Ik hun tonen, niet het aangezicht, ten dage van hun nood. 18 Toen zeiden zij: Komt, laat ons plannen tegen Jeremia beramen, want nooit ontbreekt een aanwijzing aan de priester, raad aan de wijze, een woord aan de profeet! Komt, laat ons hem treffen door middel van de tong en laten wij niet luisteren naar een van zijn woorden. 19  Luister, Eeuwige, naar mij en hoor wat mijn bestrijders zeggen. 20  Zal goed met kwaad vergolden worden? Want zij hebben mij een kuil gegraven. Gedenk, hoe ik voor U gestaan heb om te hunnen gunste te spreken, om uw gramschap van hen af te keren. 21  Geef daarom hun kinderen aan de honger prijs, lever hen over aan de macht van het zwaard, zodat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, hun mannen slachtoffers van de dood, hun jongelingen geslagen door het zwaard in de strijd. 22 Laat geschreeuw worden gehoord uit hun huizen, als Gij plotseling vijandelijke scharen hen doet overvallen. Want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen en strikken verborgen voor mijn voeten; 23  doch Gij, Eeuwige, kent heel hun moordplan tegen mij; doe geen verzoening over hun ongerechtigheid, delg hun zonde voor uw oog niet uit; ja, laat hen struikelen voor uw aangezicht, wil ten tijde van uw toorn tegen hen handelen.

 

 

 

 

Eruit gelicht:

 

-         De zonde van Juda staat geschreven met ijzeren stift, gegrift met diamanten spits in de tafel van hun hart en in de hoornen van hun altaren (17:1). Ook als de tijd komt dat de volken de afgoden weggedaan hebben, heeft Juda de afgoderij nog in hun hart.

 

-         en gij zult gedwongen worden u los te maken van het erfdeel (17:4). Letterlijk zou je ook kunnen vertalen: En u zal vrij moeten laten het erfdeel. Dat is voor de tijd dat het land zijn Shabbatten (ieder 7e jaar) niet kreeg. Zie Lev. 25:2 Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de Eeuwige. 3 Zes jaar zult gij uw akker bezaaien en zes jaar zult gij uw wijngaard snoeien, en de opbrengst daarvan inzamelen, 4 maar in het zevende jaar zal het land een volkomen sabbat hebben, een sabbat voor de Eeuwige: uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet snoeien.

 

-         Zo zegt de Eeuwige: Vervloekt is de man die op een mens vertrouwt en vlees tot zijn arm stelt, wiens hart van de Eeuwige wijkt. (17:5). Wat hier ook bedoelt wordt is vetrouwen op menselijk kunnen zoals ploegen en zaaien.

 

-         Gezegend is de man die op de Eeuwige vertrouwt, wiens betrouwen de Eeuwige is; hij toch zal zijn als een boom, aan het water geplant, die zijn wortels tot aan een beek uitslaat, en het niet merkt, als er hitte komt, maar welks loof groen blijft, die in een jaar van droogte geen zorg heeft en niet nalaat vrucht te dragen. (17:7,8)

 

-         Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen? (17:9). Een persoon kan uiterlijk in orde zijn maar in zijn hart afgoden dienen en zondig zijn.

 

-         omdat zij de bron van levend water, de Eeuwige, verlieten. (17:13). De Thora is het water. Door gehoorzaamheid aan Gíd, door te doen wat Gíd vraagt, is er leven. De thora is als water, zo zeggen de Joodse verklaarders, en stroomt naar de laagste plaatsen. Het stroomt in het hart wat nederig is. Een hart wat niet vertrouwt op eigen inzicht en uitleg maar zich in totale overgave aan Gíd toevertrouwt.

 

-         Ik echter heb bij U niet op rampspoed aangedrongen, de onheilsdag heb ik niet begeerd, Gij weet het, wat van mijn lippen uitging, was U bekend. Word mij niet tot verschrikking, Gij zijt mijn toevlucht ten dage van rampspoed. Laten mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat ik niet beschaamd worden; laten zij verschrikt worden, maar laat ik niet verschrikt worden (17:16-18). Doordat Jeremia de oordelen van Gíd aankondigt wordt hij gehaat. Jeremia zegt dan dat hij niet om de oordelen heeft gevraagd maar dat Gíd het gezegd heeft.

 

-         zo zegt de Eeuwige: Hoedt u ervoor, om uws levens wil, dat gij op de sabbatdag geen last draagt en door de poorten van Jeruzalem binnenbrengtÖ... maar de sabbatdag heiligt, door daarop generlei werk te doen (17:21-24). Het gaat hier om het overtreden van het shabbatsgebod. Het veronderstelt dat het dragen van iets binnenshuis wel toegestaan is op shabbat. Jeremia neemt als leidraad de halacha, de interpretatie van de Thora.

 

-         dan zullen door de poorten van deze stad koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, binnenkomen, rijdende op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, en zal deze stad blijven bestaan voor immer.  (17:25). Er staat hier dat als het hele volk IsraŽl zich aan de shabbat houdt door die (volgens de interpretatie) te heiligen, de stad altijd zal blijven bestaan en een nakomeling van David  op de troon hebben. Gebaseerd hierop zeggen de joden dat als het hele land en volk IsraŽl twee shabbatten achter elkaar de dag zouden vieren en heiligen zoals geÔnstrueerd, de tijd daar is dat de Messias komt.

 

-         Dan zal men komen uit de steden van Juda en de omstreken van Jeruzalem, uit het land van Benjamin en uit de Laagte, van het Gebergte en uit het Zuiderland, en brengen brandoffer, slachtoffer, spijsoffer en wierook, en ook brengen lofoffer in het huis (17:26). In die tijd zal de tempel er ook weer staan en zullen er offers geofferd worden zoals in de Thora beschreven/opgedragen staat.

 

-         maar bekeert zich dit volk waarover Ik een uitspraak deed, van zijn boosheid, dan zal Ik berouw hebben over het kwaad dat Ik hun dacht aan te doen. (18:8). Als het volk zich bekeert zullen de oordelen die Gíd dacht te gaan voltrekken, nniet uitvoeren.

 

-         Het andere ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal bouwen en planten; maar, doet het wat kwaad is in mijn ogen door niet naar mijn stem te horen, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmede Ik had gezegd hun te zullen weldoen. (18:9,10)  zegeningen die Gíd voorzegt worden niet gezien zolang het volk zich niet bekeerd.

 

-         Zo zegt de Eeuwige: zie, Ik bereid rampspoed over u en beraam tegen u een plan; bekeert u toch een ieder van zijn boze weg en betert uw handel en wandel. (18:11b). De rampspoed die Gíd brengt is er puur voor bedoeld het volk tot bekering te manen opdat ze weer in de wegen van Gíd, de Thora, zullen wandelen.

 

-         zo zijn zij gestruikeld op hun wegen, de oude paden, door te gaan op de paden van een ongebaande weg (18:15b). De oude paden zijn de instructies van Gíd in de Thora. Die heeft het volk verlaten.

 

 

Start ] Omhoog ] Jeremia 19-20 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021