Jeremia 13-14

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
Espaol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

13:1 De Eeuwige zeide tot mij aldus: Ga heen, koop u een linnen gordel en doe die om uw middel, maar laat hem niet in water komen. 2  En ik kocht de gordel naar het woord van de Eeuwige en deed hem om mijn middel. 3  Toen kwam het woord van de Eeuwige andermaal tot mij: 4  Neem de gordel die gij gekocht hebt, die gij om uw middel draagt, en maak u op, ga naar Perat en verberg hem daar in een rotsspleet. 5  Dus ging ik heen en verborg hem in Perat, gelijk de Eeuwige mij geboden had. 6  Nu gebeurde het vele dagen later, dat de Eeuwige tot mij zeide: Maak u op, ga naar Perat en haal vandaar de gordel die Ik u geboden had daar te verbergen. 7  Toen ging ik naar Perat en zag rond en haalde de gordel van de plaats waar ik hem verborgen had, en zie, de gordel was bedorven, hij deugde nergens toe. 8  Toen kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 9  Zo zegt de Eeuwige: evenzo zal Ik verderven de glorie van Juda en van Jeruzalem, die groot is. 10  Dit boze volk, dat weigert naar mijn woorden te horen, dat in verstoktheid van hart wandelt, zodat zij andere goden zijn nagelopen om die te dienen en zich daarvoor neder te buigen, dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt. 11  Want zoals de gordel kleeft aan het middel van een man, zo had Ik het gehele huis van Isral en het gehele huis van Juda aan Mij doen kleven, luidt het woord van de Eeuwige, om Mij te zijn tot een volk, tot een roem, een lof en een sieraad; maar zij hebben geen gehoor gegeven. 12 Spreek ook dit woord tot hen: Zo zegt de Eeuwige, de Gd van Isral: Alle kruiken zullen met wijn gevuld worden. Als zij tot u zeggen: Weten wij niet heel wel, dat alle kruiken met wijn gevuld zullen worden? 13  zeg dan tot hen: Zo zegt de Eeuwige: Zie, Ik vul alle inwoners van dit land, zowel de koningen, die op de troon van David zitten, als de priesters, de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, met dronkenschap, 14  en Ik zal hen tegen elkander aan stukken slaan, vaders en zonen tezamen, luidt het woord van de Eeuwige; Ik zal geen deernis hebben, noch sparen, noch Mij erbarmen, dat Ik hen niet zou verderven. 15  Hoort en leent het oor, verheft u niet, want de Eeuwige spreekt. 16  Bewijst de Eeuwige uw Gd, eer, voordat Hij het donker doet worden, voordat uw voeten zich stoten aan de bergen in de schemering, en gij op licht hoopt, maar Hij dat tot diepe duisternis maakt, in donkerheid verandert. 17  Maar indien gij er niet naar horen wilt, zal mijn ziel in het verborgene moeten wenen om de trots en mijn oog bitter schreien, ja van tranen vloeien, omdat de kudde van de Eeuwige is weggevoerd. 18  Zeg tot de koning en tot de gebiedster: Zet u op de laagste plaats, want uw sierlijke kroon is u van het hoofd gevallen. 19  De steden van het Zuiden zijn gesloten en niemand doet open; ontvolkt is Juda geheel en al, volkomen ontvolkt. 20  Sla uw ogen op en zie wie daar komen uit het Noorden; waar is de kudde, u gegeven, uw prachtig kleinvee? 21  Wat zult gij zeggen, als Hij over u tot een hoofd stelt hen, die gij aan u hadt gewend als minnaars? Zullen u dan geen ween aangrijpen gelijk een barende vrouw? 22 En als gij bij uzelf zegt: Waarom treft mij dit! Om de grootte uwer ongerechtigheid zijn uw slippen opgetild, uw hielen ontbloot. 23  Kan een Ethiopir zijn huid veranderen, of een panter zijn vlekken? Dan zoudt gij ook in staat zijn goed te doen, gij, die gewend zijt kwaad te doen. 24  Ja, Ik zal hen verstrooien als kaf, wegstuivend in de woestijnwind. 25  Dat is uw lot, het deel door Mij u toegemeten, luidt het woord van de Eeuwige, daar gij Mij hebt vergeten en op de leugen uw betrouwen gesteld. 26  Ja, Ik zelf zal uw slippen omhoog tillen tot aan uw aangezicht, zodat uw schande wordt gezien: 27  uw echtbreuk en uw gehinnik, uw schandelijke ontucht. Op de heuvels in het veld heb Ik uw gruwelen gezien; wee u, Jeruzalem, hoelang zal het nog duren eer gij rein wordt? 14:1  Hetgeen als woord van de Eeuwige tot Jeremia kwam met betrekking tot de grote droogte. 2  Juda treurt en zijn poorten zijn ineengezonken, zij liggen in rouw ter aarde; het gejammer van Jeruzalem stijgt omhoog. 3  Hun aanzienlijken zenden hun geringen om water: zij komen bij de bakken, zij vinden geen water, zij keren terug met ledige kruiken; zij worden beschaamd en te schande en bedekken hun hoofd. 4  Ter wille van de akker zijn zij terneergeslagen, omdat er geen regen op de aarde is geweest; beschaamd zijn de akkerlieden, zij bedekken hun hoofd. 5  Want zelfs de hinde in het veld verlaat het jong dat zij wierp, omdat er geen groen is; 6  en de wilde ezels staan op de kale heuvels te happen naar lucht gelijk de jakhalzen, hun ogen smachten, omdat er geen kruid groeit. 7  Al getuigen onze ongerechtigheden tegen ons, Eeuwige, doe het om uws naams wil. Want vele zijn onze afdwalingen, tegen U hebben wij gezondigd. 8  Hope Israels, zijn Helper in tijd van nood, waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, als een reiziger die slechts zijn intrek neemt om te overnachten? 9  Waarom zoudt Gij zijn als een verbijsterd man, als een strijder die niet kan helpen? Gij zijt toch in ons midden, Eeuwige, uw naam is over ons uitgeroepen, laat ons niet aan ons lot over! 10 Zo zegt de Eeuwige van dit volk: Zij hebben zo gaarne willen omzwerven, zij hebben hun voeten niet gespaard. Daarom heeft de Eeuwige geen behagen in hen, nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken en hun zonden bezoeken. 11  En de Eeuwige zeide tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede; 12 al vasten zij, Ik hoor niet naar hun geroep, en al brengen zij brandoffer en spijsoffer, Ik heb in hen geen behagen, maar door het zwaard, de honger en de pest maak Ik een einde aan hen. 13  Toen zeide ik: Ach, Adonai de Eeuwige: zie, de profeten zeggen tot hen: Gij zult geen zwaard zien en geen honger zal u treffen, maar een ongestoorde vrede zal Ik u geven te dezer plaatse. 14  Maar de Eeuwige zeide tot mij: Leugenachtig profeteren de profeten in mijn naam, Ik heb hen niet gezonden, hun geen opdracht gegeven, en niet tot hen gesproken; een leugengezicht, ijdele waarzeggerij en bedriegerij van hun eigen hart profeteren zij u. 15  Daarom, zo zegt de Eeuwige van de profeten die in mijn naam profeteren, zonder dat Ik hen gezonden heb, en die zeggen: Zwaard noch honger zal in dit land zijn, door het zwaard en de honger zullen die profeten aan hun eind komen. 16  En het volk, waarvoor zij profeteren, zal op de straten van Jeruzalem ten gevolge van de honger en het zwaard terneergeworpen liggen, zonder dat hen iemand begraaft, zij, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters. Zo zal Ik hun boosheid over hen uitgieten. 17 Spreek dus dit woord tot hen: Mijn ogen moeten van tranen vloeien nacht en dag zonder tot rust te komen, want met een grote breuk is de jonkvrouw, de dochter mijns volks, gebroken, met een zeer zware slag. 18  Als ik uitga in het veld, ziedaar, de gevelden door het zwaard; als ik kom in de stad, ziedaar, van honger verkwijnenden! Ja, zelfs profeet en priester zwerven rond in het land en weten geen raad. 19  Hebt Gij Juda dan geheel en al verworpen? Heeft uw ziel een afkeer van Sion? Waarom hebt Gij ons geslagen, zodat er voor ons geen genezing is? Hoop op vrede, maar er is niets goeds; op een tijd van genezing, maar zie, verschrikking ! 20  Wij kennen, Eeuwige, onze goddeloosheid, de ongerechtigheid onzer vaderen, dat wij tegen U gezondigd hebben. 21  Verwerp niet om uws naams wil, onteer niet uw heerlijke troon! Gedenk; verbreek niet uw verbond met ons! 22  Zijn er onder de nietigheden der volken, die het laten regenen? Of kan de hemel regenstromen geven? Zijt Gij dat niet, Eeuwige, onze Gd? Zo zullen wij op U hopen, want Gij doet dit alles.

 

 

 

Eruit gelicht:

 

-         De Eeuwige zeide tot mij aldus: Ga heen, koop u een linnen gordel en doe die om uw middel, maar laat hem niet in water komen (13:1). Een symbolische handeling om de verbondenheid van het volk Isral en Gd voor te stellen.

 

-         Zie, Ik vul alle inwoners van dit land, zowel de koningen, die op de troon van David zitten, als de priesters, de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, met dronkenschap.(13:13) De tegenslagen en oordelen zullen zo erg zijn dat ze als dronken verward zullen worden.

 

-         Bewijst de Eeuwige uw Gd, eer, voordat Hij het donker doet worden, voordat uw voeten zich stoten aan de bergen in de schemering, en gij op licht hoopt, maar Hij dat tot diepe duisternis maakt, in donkerheid verandert (13:16). Nogmaals een oproep tot bekering opdat de oordelen niet uitgevoerd zouden hoeven te worden

 

-         Zeg tot de koning en tot de gebiedster (13:18) Dat zijn koning Jehoiachin en zijn moeder. 2 Kon. 24: 12 Toen ging Jojakin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en zijn hovelingen. En de koning van Babel nam hem gevangen, in het achtste jaar van zijn regering.

 

-         Hetgeen als woord van de Eeuwige tot Jeremia kwam met betrekking tot de grote droogte (14:1). Ziet op de grote honger die er ten tijde van de belegering was. Zie 2 Kon. 25: 1 In het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, rukte Nebukadnessar, de koning van Babel, zelf met zijn gehele leger tegen Jeruzalem op en sloeg het beleg erom, en zij bouwden er een belegeringswal omheen. 2  Zo werd de stad belegerd tot het elfde jaar van koning Sedekia. 3  Op de negende van de vierde maand, toen de hongersnood in de stad zwaar geworden was en er geen brood meer was voor het volk des lands, 4  werd een bres in de stadsmuur geslagen; en al de krijgslieden vluchtten des nachts door de poort tussen de beide muren bij de koninklijke tuin (de Chaldeeen nu lagen rondom tegen de stad), en sloegen de weg in naar de Vlakte.

 

-         Waarom zoudt Gij zijn als een verbijsterd man, als een strijder die niet kan helpen? Gij zijt toch in ons midden, Eeuwige, uw naam is over ons uitgeroepen, laat ons niet aan ons lot over! (14:9). Jeremia doet een beroep op Gds woorden dat Hij Zijn Naam over het volk heeft uitgesproken om herstel en genade te bewerkstelligen.

 

-         Daarom, zo zegt de Eeuwige van de profeten die in mijn naam profeteren, zonder dat Ik hen gezonden heb, en die zeggen: Zwaard noch honger zal in dit land zijn, door het zwaard en de honger zullen die profeten aan hun eind komen (14:15). Het volk is er zelf verantwoordelijk voor dat zij naar valse profeten hebben geluisterd. 

 

-         Verwerp niet om uws naams wil, onteer niet uw heerlijke troon! Gedenk; verbreek niet uw verbond met ons! (14:21). Jeremia doet een beroep op het eeuwige verbond wat Gd met Isral heeft. Als Isral geheel vernietigt zou worden zou Gods Naam niet geheiligd worden.

 

 

Start ] Omhoog ] Jeremia 15-16 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021