Nr14 - Bo

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

Thora-gedeelte Bo (ga)

 

 

Bo(ga), Ex 10:1-13:16, Haftara: Jer.46:13-28

 

Ex 10:1-13:16  1 En de Eeuwige zeide tot MoshŤ: Ga tot Farao, want Ik heb zijn hart en dat van zijn dienaren onvermurwbaar gemaakt,  opdat Ik deze mijn tekenen onder hen tone,  2  en gij aan uw kind en kleinkind kunt vertellen, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan en welke tekenen Ik onder hen verricht heb, opdat gij weet, dat Ik de Eeuwige ben.  3  Toen kwamen MoshŤ en Aharon tot Farao en zeiden tot hem: Zo zegt de Eeuwige, de Gíd der HebreeŽn: hoe lang zult gij weigeren u voor mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat mijn volk gaan om Mij te dienen.  4  Want indien gij weigert mijn volk te laten gaan, dan zal Ik morgen sprinkhanen in uw gebied laten komen;  5  zij zullen de oppervlakte van het land bedekken, zodat men het land niet zal kunnen zien; zij zullen de rest, het overgeblevene, dat u nog uit de hagelbuien gespaard is, afvreten, ja, alle bomen die op uw veld groeien, afvreten. 6  En zij zullen uw huizen, de huizen van al uw dienaren, de huizen van alle Egyptenaren zo vullen, als uw vaderen en voorvaderen het nooit hebben gezien, van de dag af, dat zij op de wereld waren, tot deze dag toe. Toen wendde hij zich af en ging van Farao heen.  7  Daarop zeiden de dienaren van Farao tot hem: Hoe lang zal deze ons tot een valstrik zijn? Laat die mannen gaan om de Eeuwige, hun Gíd, te dienen. Beseft gij nog niet, dat Egypte te gronde gaat ?  8  Toen werden MoshŤ en Ašron tot Farao teruggebracht, en hij zeide tot hen: Gaat , dient de Eeuwige, uw Gíd. Wie zijn eigenlijk van plan te gaan?  9  En MoshŤ antwoordde: Wij gaan met onze jongens en grijsaards, wij gaan met onze zonen en dochters, met ons kleinvee en onze runderen, want wij hebben een feest van de Eeuwige.   10  Hij echter zeide tot hen: de Eeuwige moge met u zijn, als ik van zins ben u met uw kinderen te laten gaan! Neemt u in acht, want onheil bedreigt u!   11  Niet alzo, gij mannen moogt gaan om de Eeuwige te dienen, want dat was uw verzoek. En men joeg hen van Farao weg.  12 Daarna zeide de Eeuwige tot MoshŤ:  Strek uw hand uit over het land Egypte, om de sprinkhanen, en zij zullen over het land Egypte opkomen en al het kruid des lands afvreten, alles wat de hagel heeft overgelaten.  13  Toen strekte MoshŤ zijn staf over het land Egypte uit, en de Eeuwige bracht een oostenwind over het land, gedurende die gehele dag en de gehele nacht, en toen het morgen geworden was, voerde de oostenwind de sprinkhanen mee.  14  Zo kwamen de sprinkhanen op over het gehele land Egypte en streken in het gehele gebied van Egypte in massa neer; nooit tevoren was er zulk een sprinkhanenzwerm geweest en nooit nadien zal er meer zo een zijn.  15  Zij bedekten de gehele oppervlakte van het land, zodat het land erdoor verdonkerd werd en zij vraten al het veldgewas af en alle vruchten van de bomen, die de hagel had overgelaten, zodat er geen groen meer overbleef aan boom of veldgewas in het gehele land Egypte.  16  Toen haastte Farao zich MoshŤ en Ašron te ontbieden en hij zeide: Ik heb gezondigd tegen de Eeuwige, uw Gíd, en tegen u.  17  Nu dan, vergeef toch nog ditmaal mijn zonde en bid de Eeuwige, uw Gíd, dat Hij althans deze dood van mij doe wijken.  18  Toen ging hij van Farao heen en bad tot de Eeuwige. 19 En de Eeuwige liet een andere, een zeer sterke westenwind waaien, die de sprinkhanen meevoerde en ze in de Schelfzee dreef: niet een sprinkhaan bleef er over in het gehele gebied van Egypte.  20  Maar de Eeuwige verhardde het hart van Farao, zodat hij de IsraŽlieten niet liet gaan.  21 Daarna zeide de Eeuwige tot MoshŤ:  Strek uw hand uit naar de hemel, opdat er duisternis zij over het land Egypte, zodat men de duisternis kan tasten.  22  En MoshŤ strekte zijn hand uit naar de hemel, en er was gedurende drie dagen een dikke duisternis in het gehele land Egypte.  23 Gedurende drie dagen kon niemand een ander zien, noch van zijn plaats opstaan; maar alle IsraŽlieten hadden licht, waar zij woonden.  24  Toen ontbood Farao MoshŤ en zeide : Gaat, dient de Eeuwige, alleen uw kleinvee en uw runderen moeten achterblijven; ook uw kinderen mogen met u meegaan.  25  Maar MoshŤ zeide: Gij moet ons niet alleen slachtoffers en brandoffers ter beschikking stellen, die wij voor de Eeuwige, onze Gíd,  kunnen toebereiden,  26  maar ook moet ons vee met ons meegaan, zonder dat er een hoef ontbreekt,  want daarvan zullen wij nemen om de Eeuwige , onze Gíd, te dienen; want wij weten niet, waarmee wij de Eeuwige zullen moeten dienen voordat wij daar aankomen.  27  Maar de Eeuwige verhardde het hart van Farao, zodat hij hen niet wilde laten gaan. 28  En Farao zeide tot hem: Ga weg van mij; zorg ervoor, dat gij mijn aangezicht niet meer ziet, want ten dage, dat gij mijn aangezicht ziet, zult gij sterven.  29  Hierop zeide MoshŤ: Gij hebt juist gesproken; ik zal uw aangezicht niet meer zien.  11:1 de Eeuwige nu had tot MoshŤ gezegd: Nog een plaag zal Ik over Farao en over Egypte brengen, daarna zal hij u in uw geheel vanhier laten gaan; wanneer hij u laat gaan, zal hij u met geweld vanhier wegdrijven.  2  Spreek toch ten aanhoren van het volk , dat ieder van zijn buurman en iedere vrouw van haar buurvrouw zilveren en gouden voorwerpen vrage.  3  En de Eeuwige bewerkte, dat de Egyptenaren het volk gunstig gezind waren; ook was MoshŤ een zeer gezien man in het land Egypte,  bij de dienaren van Farao en bij het volk.  4 En MoshŤ zeide: Zo zegt de Eeuwige: te middernacht ga Ik door het midden van Egypte.  5  Dan zal iedere eerstgeborene in het land Egypte sterven, van de eerstgeborene van Farao, die op zijn troon zou zitten , tot de eerstgeborene van de slavin achter de handmolen, ook alle eerstgeborenen van het vee.  6  En er zal een luid gejammer zijn in het gehele land Egypte, zoals er nooit is geweest en zoals er nooit meer zal zijn.  7  Maar tegen niemand van de IsraŽlieten zal een hond zijn tong durven roeren, tegen mens noch dier, opdat gij weet,  dat de Eeuwige scheiding maakt tussen de Egyptenaren en de IsraŽlieten.  8  En al uw dienaren hier zullen tot mij komen en zich voor mij nederbuigen en zeggen: Ga heen, gij en al het volk dat u volgt; daarna zal ik heengaan.  Toen ging hij in brandende toorn van Farao heen.  9  En de Eeuwige zeide tot MoshŤ: Farao zal naar u niet luisteren, opdat mijn wonderen in het land Egypte talrijk worden.  10  MoshŤ en Ašron nu hebben al deze wonderen gedaan voor het aangezicht van Farao.  Maar de Eeuwige verhardde het hart van Farao , zodat hij de IsraŽlieten niet uit zijn land liet gaan.  12:1  En de Eeuwige zeide tot MoshŤ en tot Ašron in het land Egypte:  2  Deze maand zal u het begin der maanden zijn; zij zal u de eerste der maanden van het jaar zijn.  3  Spreekt tot de gehele vergadering  van IsraŽl als volgt: op de tiende van deze maand zal ieder voor zich een stuk kleinvee nemen, familiesgewijs, een stuk kleinvee per gezin.  4  Maar indien een gezin te klein is voor een stuk kleinvee, dan zullen hij en de naaste buurman van zijn gezin er een nemen, naar het aantal personen; gij zult bij het stuk kleinvee rekenen met ieders behoefte.  5  Een gaaf, mannelijk, eenjarig stuk kleinvee moet gij nemen; gij kunt dit nemen van de schapen of van de geiten.  6  En gij zult het bewaren tot de veertiende dag van deze maand; dan zal de gehele vergadering der gemeente van IsraŽl het slachten in de avondschemering.  7  Vervolgens zal men van het bloed nemen en dit strijken aan de beide deurposten en de bovendorpel, aan die huizen, waarin men het eet.  8  Het vlees zullen zij dezelfde nacht eten ; zij zullen het eten op het vuur gebraden , met ongezuurde broden, benevens bittere kruiden.  9  Rauw of gaar gekookt in water zult gij het niet eten; slechts op het vuur gebraden met kop, schenkels en ingewanden.  10  Gij zult daarvan niets overlaten tot de morgen; wat ervan overblijft tot de morgen, dat zult gij met vuur verbranden.  11  En aldus zult gij het eten: uw lendenen omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand; overhaast zult gij het eten ; het is een Pťsach voor de Eeuwige. 12  Want Ik zal in deze nacht het land Egypte doortrekken en alle eerstgeborenen,  zowel van mens als dier, in het land Egypte slaan en aan alle goden van Egypte zal Ik gerichten oefenen, Ik, de Eeuwige.   13  En het bloed zal u dienen als een teken aan de huizen, waar gij zijt, en wanneer Ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij. Aldus zal er geen verdervende plaag onder u zijn, wanneer Ik het land Egypte sla.  14  En deze dag zal u een gedenkdag zijn , gij zult hem vieren als een feest voor de Eeuwige; in uw geslachten zult gij hem als een altoosdurende inzetting vieren.  15  Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten ; dadelijk op de eerste dag zult gij het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen,  want ieder die iets gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, zo iemand zal uit IsraŽl worden uitgeroeid. 16  Zowel op de eerste als op de zevende dag zult gij een heilige samenkomst hebben;  generlei arbeid zal daarop verricht worden ; slechts wat door ieder gegeten wordt, alleen dat mag door u bereid worden. 17 Onderhoudt dan het feest der ongezuurde broden , want op deze zelfde dag leid Ik uw legerscharen uit het land Egypte.  Daarom moet gij deze dag onderhouden in uw geslachten als een altoosdurende inzetting.  18  In de eerste maand, op de veertiende dag der maand, des avonds, zult gij ongezuurde broden eten, tot aan de eenentwintigste dag der maand, des avonds.  19  Zeven dagen zal er geen zuurdeeg in uw huizen gevonden worden, want ieder, die iets gezuurds eet, zo iemand zal uit de vergadering van IsraŽl worden uitgeroeid, hetzij hij een vreemdeling, hetzij hij in het land geboren is.  20 Niets wat gezuurd is, zult gij eten; gij zult in al uw woonplaatsen ongezuurde broden eten.  21 Toen ontbood MoshŤ al de oudsten van IsraŽl en zeide tot hen: Trekt heen, haalt kleinvee voor uw geslachten en slacht het overschrijdingsoffer. 22  Daarna zult gij een bundel hysop nemen en in het bloed in een schaal dopen, en van het bloed in die schaal strijken aan de bovendorpel en aan de beide deurposten ; niemand van u zal de deur van zijn huis uitgaan tot de morgen. 23 En de Eeuwige zal Egypte doortrekken om het te slaan; wanneer Hij dan het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten ziet, dan zal de Eeuwige die deur voorbijgaan en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan.  24  Gij zult dit voorschrift houden als een altoosdurende inzetting voor u en uw zonen.   25  En wanneer gij komt in het land dat de Eeuwige u geven zal, gelijk Hij gezegd heeft, zult gij deze dienst onderhouden.  26  En wanneer uw zonen tot u zeggen: Wat betekent deze dienst van u, 27 dan zult gij zeggen: Het is een overschrijdingsoffer voor de Eeuwige, die in Egypte aan de huizen der IsraŽlieten overschreden heeft,  toen Hij de Egyptenaren sloeg, maar onze huizen spaarde. Toen knielde het volk en boog zich neer.  28  En de IsraŽlieten gingen heen en deden dit; zoals de Eeuwige MoshŤ en Aharon geboden had, zo deden zij.  29 En te middernacht sloeg de Eeuwige iedere eerstgeborene in het land Egypte , van de eerstgeborene van Farao, die op zijn troon zou zitten, tot de eerstgeborene van de gevangene, die in de kerker was,  benevens alle eerstgeborenen van het vee.  30  En Farao stond des nachts op, hij en al zijn dienaren en alle Egyptenaren; en er was een luid gejammer in Egypte;  want er was geen huis, waarin geen dode was.  31  Toen ontbood hij des nachts MoshŤ en Ašron en zeide: Maakt u gereed, gaat weg uit het midden van mijn volk, zowel gij als de IsraŽlieten; gaat,  dient de Eeuwige, zoals gij gezegd hebt.  32  Neemt ook uw kleinvee en uw runderen mee, zoals gij gezegd hebt; maar gaat! En wilt ook mij zegenen.  33  De Egyptenaren drongen eveneens sterk bij het volk aan, om het snel uit het land te laten gaan, want, zeiden zij, wij sterven allen.  34  Toen nam het volk zijn deeg op, voordat het gezuurd was, met hun baktroggen in hun klederen gebonden op hun schouders.  35  Voorts deden de IsraŽlieten naar het woord van MoshŤ en vroegen van de Egyptenaren zilveren en gouden voorwerpen en klederen.  36  En de Eeuwige bewerkte, dat de Egyptenaren het volk gunstig gezind waren, zodat zij hun verzoek inwilligden. Zo beroofden zij de Egyptenaren.  37 Daarna trokken de IsraŽlieten op van Raamses naar Sukkot, ongeveer zeshonderdduizend man te voet, ongerekend de kinderen.  38  Ook trok een menigte van allerlei slag met hen mee; en kleinvee en runderen een zeer talrijke veestapel.  39  En zij bakten van het deeg dat zij uit Egypte hadden meegenomen, ongezuurde koeken, want het was niet gezuurd,  omdat zij uit Egypte waren verdreven en niet hadden kunnen wachten en ook geen teerkost voor zich hadden bereid.  40  De tijd, dat de IsraŽlieten in Egypte gewoond hadden, was vierhonderd en dertig jaar.  41  En na vierhonderd en dertig jaar, juist op de dag af , gingen al de legerscharen van de Eeuwige uit het land Egypte.  42  Een nacht van waken was dit voor de Eeuwige , om hen uit het land Egypte te leiden. Dit is de nacht van waken ter ere van de Eeuwige voor alle IsraŽlieten in hun geslachten.  43 De Eeuwige zeide tot MoshŤ en Aharon: Dit is de inzetting van het overschrijdingsoffer: geen enkele vreemdeling mag ervan eten.  44  Iedere slaaf, die door iemand voor geld is gekocht, mag er eerst van eten, wanneer gij hem besneden hebt.  45  Een bijwoner en een dagloner mogen er niet van eten.  46  In een huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niets uit het huis naar buiten brengen; geen been zult gij ervan breken.  47  De gehele vergadering van IsraŽl zal dit vieren.  48  Maar wanneer een vreemdeling bij u vertoeft en de Eeuwige het Pťsach bereiden wil,  dan zal ieder van het mannelijk geslacht, die bij hem behoort, besneden worden; eerst dan mag hij naderen om het te vieren; hij zal gelden als in het land geboren. Maar geen enkele onbesnedene mag ervan eten.  49  Eenzelfde wet zal gelden voor de geboren IsraŽliet en voor de vreemdeling, die in uw midden vertoeft.  50  Alle IsraŽlieten deden aldus;  zoals de Eeuwige MoshŤ en Aharon geboden had , zo deden zij.  51  En op deze zelfde dag leidde de Eeuwige de IsraŽlieten uit het land Egypte, volgens hun legerscharen.  13:1 De Eeuwige sprak tot MoshŤ:  2  Heilig Mij alle eerstgeborenen, die onder de IsraŽlieten het eerst uit een moederschoot voortkomen, zowel van mens als van dier; zij zijn mijn eigendom.  3 Toen zeide MoshŤ tot het volk:  Gedenkt deze dag, waarop gij uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want met een sterke hand heeft de Eeuwige u daaruit geleid. Daarom mag niets gezuurds gegeten worden.  4  Heden trekt gij uit, in de maand Aviv.  5  Wanneer de Eeuwige u gebracht heeft naar het land der Kanašnieten, Hethieten , Amorieten, Chiwwieten en Jebusieten, waarvan Hij uw vaderen gezworen heeft, dat Hij het u zal geven, een land, vloeiende van melk en honig, dan zult gij deze dienst in deze maand onderhouden.  6  Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten en op de zevende dag zal er een feest voor de Eeuwige zijn.  7  Ongezuurde broden zullen gedurende de zeven dagen gegeten worden; er mag zelfs niets gezuurds bij u gezien worden, ja, in uw gehele gebied mag er geen zuurdeeg worden gezien.  8  En op die dag zult gij uw zoon uitleggen: Dit is ter wille van wat de Eeuwige mij heeft gedaan bij mijn uittocht uit Egypte. 9 Het zal u zijn als een teken op uw hand en als een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet van de Eeuwige in uw mond zij;  want met een sterke hand heeft de Eeuwige u uit Egypte geleid.  10  Gij zult deze inzetting onderhouden op haar vaste tijd, van jaar tot jaar.  11 Wanneer dan de Eeuwige u gebracht heeft naar het land der Kanašnieten, zoals Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en het u gegeven heeft,  12  dan zult gij al wat het eerst uit de moederschoot voortkomt, de Eeuwige wijden; ook van elke eerste worp van het vee dat gij hebt,  zullen de mannelijke dieren voor de Eeuwige zijn.   13  Maar elk eerste ezelsveulen zult gij lossen met een stuk kleinvee; of, indien gij het niet lost, zult gij het de nek breken.  Iedere menselijke eerstgeborene onder uw zonen echter zult gij lossen.  14  En wanneer uw zoon u later zal vragen : Wat betekent dat? dan zult gij tot hem zeggen: Met een sterke hand heeft de Eeuwige ons uit Egypte, uit het diensthuis, geleid.  15  Want toen Farao bezwaar maakte ons te laten gaan, doodde de Eeuwige alle eerstgeborenen in het land Egypte,  zowel de eerstgeborenen der mensen als die van het vee. Daarom ben ik gewoon alle mannelijke dieren, die het eerst uit de moederschoot voortkomen, de Eeuwige te offeren, terwijl ik alle eerstgeborenen mijner zonen los.   16  Het zal tot een teken op uw hand en tot een kenteken tussen uw ogen zijn, want met een sterke hand heeft de Eeuwige ons uit Egypte geleid. 

 

 

Jer 46:13-28 13  Het woord dat de Eeuwige tot de profeet Jeremia sprak over de komst van Nebukadressar, de koning van Babel, om het land Egypte te slaan. 14 Boodschapt het in Egypte en doet het horen te Migdol, ja, doet het horen te Nof en Tachpanches, zegt: Schaar u in slagorde en tref uw toebereidselen, want het zwaard verslindt om u heen.  15  Waarom is uw sterke geslagen, hield hij geen stand? Omdat de Eeuwige hem nederstiet!  16  In menigte struikelt hij, ook valt de een over de ander en zij zeggen : Op! terug naar ons volk en ons geboorteland voor het gewelddadige zwaard!  17  Noemt de naam van Farao, de koning van Egypte: Rumoermaker, die zijn tijd liet voorbijgaan!  18  Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Koning, wiens naam is de Eeuwige der heerscharen,  als de Tabor onder de bergen en als de Karmel aan de zee komt hij aan!  19  Maak u toebereidselen voor de ballingschap , gij inwoonster, dochter van Egypte,  want Nof zal tot een woestenij worden,  vernietigd, zonder inwoner.  20  Een prachtig koekalf is Egypte; een horzel uit het Noorden komt er op af.   21  Ook haar huurtroepen in haar midden zijn aan mestkalveren gelijk, maar ook die keren om, vluchten tezamen, houden geen stand, want hun ongeluksdag overvalt hen, de tijd hunner bezoeking.  22  Haar geluid is als van een schuifelende slang, want met macht rukken zij op en met bijlen komen zij op haar af als houthakkers; 23 zij vellen haar woud, luidt het woord van de Eeuwige, want zij zijn niet te overzien, want zij zijn talrijker dan sprinkhanen, ja, niet te tellen.  24  De dochter van Egypte is te schande gemaakt , overgegeven in de macht van het volk uit het Noorden.  25  De Eeuwige der heerscharen, de Gíd van IsraŽl, zegt: Zie, Ik doe bezoeking aan Amon van No en aan Farao en aan Egypte, aan zijn goden en aan zijn koningen ja, aan Farao en wie op hem vertrouwen,  26  en Ik geef hen in de macht van wie hen naar het leven staan, namelijk in de macht van Nebukadressar, de koning van Babel, en in de macht van zijn dienaren. Maar daarna zal het rustig liggen als in vroegere dagen, luidt het woord van de Eeuwige.  27 Vrees gij dan niet, mijn knecht Jakob, en wees niet verschrikt, o IsraŽl, want zie, Ik verlos u uit verre streken, uw nakomelingen uit het land hunner gevangenschap; Jakob zal terugkeren en rustig en veilig zijn, door niemand opgeschrikt.  28  Vrees gij niet, mijn knecht Jakob, luidt het woord van de Eeuwige, want Ik ben met u; want Ik zal met alle volken,  waaronder Ik u verstrooid heb, voorgoed afrekenen, maar met u zal Ik niet voorgoed afrekenen, doch Ik zal naar recht u tuchtigen, al zal Ik u zeker niet vrij laten uitgaan. 

 

Een paar gedachten

>opdat gij weet, dat Ik de Eeuwige ben (10:2b). Het hele bevrijdingsproces resulteert erin dat de macht van Gíd zal worden gezien en wordt gezien dat Hij de enige Gíd is. Daar was de verdrukking in Egypte dus eigenlijk voor nodig. Door de grote druk was er een grote tegenstelling met de vrijheid die ze kregen. Voor het volk IsraŽl werd duidelijk dat het absoluut Gíds werk was.

 

>Toen kwamen MoshŤ en Aharon tot Farao en zeiden tot hem (10:3). Het is opmerkelijk dat de Farao hun iedere keer ongehinderd naar zijn hof liet komen en ook weer weg gaan. Het waren immers zijn grootste vijanden. Voor MoshŤ en Aharon was het gaan naar de Farao iedere keer een stap in geloof om in Gíds uithoriteit te gaan en te spreken.

 

>Want indien gij weigert mijn volk te laten gaan, dan zal Ik morgen sprinkhanen in uw gebied laten komen (10:4). Het dienen van afgoden en het niet luisteren naar Gíd levert uiteindelijk (ook al is het op langere termijn jaren armoede en ondergang op; De sprinkhanen zorgen voor honger en leveren dood en verderf op op langere termijn op.

 

>Geen echt berouw en toch is Gíd genadig. Oordelen hebben bekering als doel, bekering van afgoderij (10:16)

 

>En MoshŤ strekte zijn hand uit naar de hemel, en er was gedurende drie dagen een dikke duisternis in het gehele land Egypte. (10:22). De afgod Ra, de zon, de grootste afgod van Egypte wordt hiermee te kijken gezet. Het volk IsraŽl treft het niet.

 

>En MoshŤ strekte zijn hand uit naar de hemel, en er was gedurende drie dagen een dikke duisternis in het gehele land Egypte.  23 Gedurende drie dagen kon niemand een ander zien, noch van zijn plaats opstaan; maar alle IsraŽlieten hadden licht, waar zij woonden (10:22,23). Het volk IsraŽl maakt geen gebruik van de gelegenheid van de duisternis om weg te gaan. Ze wachten op Gíds instructie. Ze maken ook van de gelegenheid niet gebruik om de Egyptenaren tegen hun wil te beroven. Later vragen zij (zoals Gíd hun instrueerde) om goud en zilver wat ze dan ook krijgen (11:2).

 

>Wat onrechtvaardig wordt ontnomen zal op de een of andere manier weer terugkomen !!!. Ze waren nooit voon slavenwerk betaald. Onrecht kunnen we geven in Gíds hand. Hij vergeet het niet en komt er op terug (11:2)

 

>Als Gíd iets vraagt, zal Hij hoe gek het ook is er voor zorgen dat het gebeurt, let wel ze moesten wel vragen (11:3)

 

>Maar tegen niemand van de IsraŽlieten zal een hond zijn tong scherpen/durven roeren, tegen mens noch dier, opdat gij weet,  dat de Eeuwige scheiding maakt tussen de Egyptenaren en de IsraŽlieten. (11:7). Het betekend dat het volk IsraŽl bij de uittocht niet het minste letsel zal krijgen. Dit in tegenstelling tot de Egyptenaren.

 

>Gíd maakt scheiding tussen wat van wat van Hem is en niet (11:7)

 

>En de Eeuwige zeide tot MoshŤ: Farao zal naar u niet luisteren, opdat mijn wonderen in het land Egypte talrijk worden (11:9). De ongehoorzaamheid van Farao resulteert erin dat er meer van Gíds wonderen worden gezien want het plan van Gíd gaat door.

 

>En gij zult het bewaren tot de veertiende dag van deze maand; dan zal de gehele vergadering der gemeente van IsraŽl het slachten in de avondschemering (12:6) Dit was is een lijnrechte belediging van de Egyptische afgoden, schapen en geiten werden namelijk als heilig gezien. Daarnaast leefden ze toen volgens de astrologen het astrologische tijdperk (zodiak) van het lam. 

 

>Bij de instelling van Pťsach (12:7) was het een geloofsfeest. Ze moesten het vieren op het moment dat ze nog niet uitgetrokken waren. In geloof moesten ze de instructies van de Eeuwige opvolgen. Dan werden ze bevrijd om naar Eretz IsraŽl te gaan.

 

>Zowel op de eerste als op de zevende dag zult gij een heilige samenkomst hebben (12:16). Letterlijk staat er zoiets als: Zal er een bijeenroeping tot heiliging zijn.

 

>Onderhoudt dan het feest der ongezuurde broden , want op deze zelfde dag leid Ik uw legerscharen uit het land Egypte.  Daarom moet gij deze dag onderhouden in uw geslachten als een altoosdurende inzetting (12:17). Het feest is een Eeuwige instelling. Straks als de tempel er weer is zullen er weer lammetjes (of geitenbokjes) geslacht worden op de 14e Nissan.

 

>Zeven dagen zal er geen zuurdeeg in uw huizen gevonden worden, want ieder, die iets gezuurds eet, zo iemand zal uit de vergadering van IsraŽl worden uitgeroeid, hetzij hij een vreemdeling, hetzij hij in het land geboren is (12:19). Zuurdesem zorgt voor een spontane verandering. God maakt duidelijk dat de bevrijding van IsraŽl geen spontane verandering maar iets waarbij hij voor alle details zorgt en laat zien dat Hij alles in handen heeft.

 

>want ieder, die iets gezuurds eet, zo iemand zal uit de vergadering van IsraŽl worden uitgeroeid, hetzij hij een vreemdeling, hetzij hij in het land geboren is (12:19). Dat betekend dat Hij/zij geen onderdeel meer is van IsraŽl. Dat geldt voor de IsraŽl zelf als de vreemdeling ( - geer) die zich bij IsraŽl heeft aangesloten. Uitroeien zoals dat wordt vermeld kan ook gebeuren door het ontbreken van kinderen. Voor een IsraŽliet is het doorgaan van de familielijn van groot belang. (Vandaar dat er ook in Jes. 56 Gíd een speciale belofte geeft aan degene die uit de heidenen Gíd gaan dienen maar geen kinderen kunnen verwekken.)          

 

>Slacht het Pťsach (12:21). Letterlijk staat er. Slacht het overschrijdingsoffer.

 

>Gíd geeft exacte instructies met de bedoeling dat ze na bevrijding exact opgevolgd worden (12:25)

 

>En wilt ook mij zegenen. (12:32b). Farao realiseert dat het de Gíd van IsraŽl het is die Zijn macht laat zien en wil een zegen.

 

>De tijd, dat de IsraŽlieten in Egypte gewoond hadden, was vierhonderd en dertig jaar.  En na vierhonderd en dertig jaar, juist op de dag af (12:40,41a). Ook hierin laat Gíd zien dat Hij alles, tot in het detail in handen heeft.

 

>Dit is de wet van het overschrijdingsoffer: geen enkele vreemdeling mag ervan eten.  Iedere slaaf, die door iemand voor geld is gekocht, mag er eerst van eten, wanneer gij hem besneden hebt.  Een bijwoner en een dagloner mogen er niet van etenÖ..  De gehele vergadering van IsraŽl zal dit vieren.  48  Maar wanneer een vreemdeling bij u vertoeft en de Eeuwige het Pťsach bereiden wil,  dan zal ieder van het mannelijk geslacht, die bij hem behoort, besneden worden; eerst dan mag hij naderen om het te vieren; hij zal gelden als in het land geboren. Maar geen enkele onbesnedene mag ervan eten.  49  Eenzelfde wet zal gelden voor de geboren IsraŽliet en voor de vreemdeling, die in uw midden vertoeft.  (12:43-49) Het Pťsach is bestemd en mag alleen gevierd worden door IsraŽlieten die besneden zijn en door vreemdelingen die zich ook bij IsraŽl hebben gevoegd, dus als ze ook besneden zijn.

 

>Een bijwoner (12:45). Is een vreemdeling die zich aan de ĎNoachitische wetteníhoudt (Onthouding van afgoderij, moord, ontucht, godslastering, roof en het eten van levend vlees + gebod strafrechtspleging) maar dus niet besneden is. Hij woont wel bij het volk IsraŽl maar heeft zich er niet (door besnijdenis) bij aangesloten.

 

>Wanneer de Eeuwige u gebracht heeft naar het land der Kanašnieten, Hethieten , Amorieten, Chiwwieten en Jebusieten, waarvan Hij uw vaderen gezworen heeft, dat Hij het u zal geven, een land, vloeiende van melk en honig, dan zult gij deze dienst in deze maand onderhouden.  (13:5). Bevrijd uit Egypte zal de uiteindelijke bestemming het land IsraŽl zijn.

 

>Het zal u zijn als een teken op uw hand en als een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet van de Eeuwige in uw mond zij;  want met een sterke hand heeft de Eeuwige u uit Egypte geleid.  Ö..Het zal tot een teken op uw hand en tot een kenteken tussen uw ogen zijn, want met een sterke hand heeft de Eeuwige ons uit Egypte geleid (13:9,16) Dit is de eerste keer dat de opdracht tot tefllin leggen wordt gegeven. Een van de dingen die het tot uitdrukking brengt is:  Houdt in gedachte bij alles wat je met je handen doet dat je bevrijd ben om de Eeuwige geheel te dienen. Zie ook Deut. 6:4-9  Hoor, IsraŽl: de Eeuwige is onze Gíd; de Eeuwige is ťťn! Gij zult de Eeuwige, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. 6  Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, 7  gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat. 8  Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn, 9  en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten.

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

Start ] Omhoog ] Nr15 - Be-Shallah ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021