Nr15 - Be-Shallah

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

 

Thora-gedeelte Be-Shallah

 

Be-Shallah(toen hij wegstuurde),  Ex 13:17-17:16, Haftara: Richt. 4:4-5:31

 

Ex 13:17-17:16    17 Toen Farao het volk had laten gaan, leidde Gíd hen niet op de weg naar het land der Filistijnen, hoewel deze de naaste was; want Gíd zeide: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren.  18  Daarom liet Gíd het volk zwenken,  de woestijnweg op naar de Schelfzee. Ten strijde toegerust trokken de IsraŽlieten op uit het land Egypte.  19  En Mozes nam het gebeente van Yoseph mee, omdat deze de zonen van IsraŽl plechtig had doen zweren: Gíd zal zeker naar u omzien, dan zult gij mijn gebeente vanhier met u meevoeren.  20  Zo braken zij van Sukkot op en legerden zich in Etam, aan de rand der woestijn.  21  De Eeuwige ging voor hen uit, des daags in een wolkkolom om hen te leiden op de weg, en des nachts in een vuurkolom om hun voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan.  22  Zonder ophouden bleef de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts aan de spits van het volk.  14:1 De Eeuwige sprak tot Moshť: 2 Zeg tot de IsraŽlieten, dat zij teruggaan en zich legeren voor Pi-hachirot, tussen Migdol en de zee; recht tegenover Baal-sefon zult gij u legeren, aan de zee. 3 Dan zal Farao van de IsraŽlieten denken: zij zijn in het land verdwaald, de woestijn heeft hun de weg versperd. 4 En Ik zal het hart van Farao verharden, zodat hij hen achtervolgt. Dan zal Ik Mij aan Farao en aan zijn gehele legermacht verheerlijken, en de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. En zij deden alzo. 5 Toen aan de koning van Egypte bericht werd, dat het volk gevlucht was, veranderde de gezindheid van Farao en van zijn dienaren ten aanzien van het volk, en zij zeiden: Wat hebben wij gedaan, dat wij IsraŽl uit onze dienst hebben ontslagen ? 6 Daarop spande hij zijn wagen aan en nam zijn volk met zich.  7 Hij nam zeshonderd uitgelezen wagens, ja, al de wagens van Egypte, alle volledig bemand. 8 Zo verhardde de Eeuwige het hart van Farao, de koning van Egypte, zodat hij de IsraŽlieten achtervolgde. Maar de IsraŽlieten zetten hun uittocht voort, met opgeheven hand.  9 De Egyptenaren nu, al de paarden en wagens van Farao, zijn ruiters en zijn legermacht,  achtervolgden hen en haalden hen in,  terwijl zij gelegerd waren aan de zee, bij Pi-hachirot, tegenover Baal-sefon.  10 Toen Farao naderbij gekomen was, sloegen de IsraŽlieten hun ogen op, en zie, de Egyptenaren rukten achter hen aan.  Toen werden de IsraŽlieten zeer bevreesd en schreeuwden tot de Eeuwige,  11  en zij zeiden tot Moshť: Waren er soms geen graven in Egypte, dat gij ons hebt meegenomen om te sterven in de woestijn? Wat hebt gij ons aangedaan door ons uit Egypte te leiden?  12  Hebben wij u dit al niet gezegd in Egypte: laat ons met rust,  en laten wij de Egyptenaren dienen. Want wij kunnen beter de Egyptenaren dienen dan in de woestijn sterven.  13  Maar Moshť zeide tot het volk: Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing van de Eeuwige zien, die Hij u heden bereiden zal; want de Egyptenaren , die gij heden gezien hebt, zult gij nimmermeer zien.  14  De Eeuwige zal voor u strijden, en gij zult stil zijn.  15 Toen zeide de Eeuwige tot Moshť: Wat roept gij zo luid tot Mij? Zeg tot de IsraŽlieten, dat zij opbreken.  16  En gij, hef uw staf op en strek uw hand uit over de zee en splijt haar; dan zullen de IsraŽlieten midden door de zee kunnen gaan op het droge.  17  Maar zie, Ik zal het hart der Egyptenaren verharden, zodat zij hen achterna zullen trekken, en Ik zal Mij verheerlijken aan Farao en aan zijn gehele legermacht, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.  18  En de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, doordat Ik Mij verheerlijken zal aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.  9  Toen verliet de Engel Gíds, die voor het leger van IsraŽl uitging, zijn plaats en ging achter hen aan; ook verliet de wolkkolom haar plaats aan hun spits en ging achter hen staan.  20  Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en dat van de IsraŽlieten in; en de wolk was duisternis, maar tegelijk verlichtte zij de nacht; zodat de een de ander niet kon naderen, de gehele nacht.  21 Toen strekte Moshť zijn hand uit over de zee en de Eeuwige deed de zee de gehele nacht door een sterke oostenwind wegvloeien, maakte haar droog, en de wateren werden gespleten.  22  Zo gingen de IsraŽlieten in het midden der zee op het droge; terwijl rechts en links de wateren voor hen waren als een muur.   23  En de Egyptenaren vervolgden hen en kwamen achter hen aan, alle paarden van Farao, zijn wagens en zijn ruiters, midden in de zee.  24 Toen dan, in de morgenwake, schouwde de Eeuwige in vuurkolom en wolk naar het leger der Egyptenaren en bracht het leger der Egyptenaren in verwarring.  25  Hij deed de wielen van hun wagens wegglijden en met moeite voortrijden, zodat de Egyptenaren zeiden: Laten wij vluchten voor de IsraŽlieten, want de Eeuwige strijdt voor hen tegen Egypte.  26  Toen zeide de Eeuwige tot Moshť: Strek uw hand uit over de zee, opdat de wateren terugvloeien over de Egyptenaren , over hun wagens en ruiters.  27  En Moshť strekte zijn hand uit over de zee en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug in haar bedding, terwijl de Egyptenaren haar tegemoet vluchtten; zo dreef de Eeuwige de Egyptenaren midden in de zee.  28  De wateren vloeiden terug en bedekten de wagens en de ruiters van de gehele legermacht van Farao, die hen in de zee achterna getrokken waren; er bleef van hen niet een over.  29  Maar de IsraŽlieten gingen op het droge midden door de zee en de wateren waren hun rechts en links als een muur.  30  Zo verloste de Eeuwige op die dag de IsraŽlieten uit de macht der Egyptenaren. En IsraŽl zag de Egyptenaren dood op de oever der zee liggen.  31  Toen zag IsraŽl, welk een machtige daad de Eeuwige tegen Egypte gedaan had;  en het volk vreesde de Eeuwige en zij geloofden in de Eeuwige en in Moshť, zijn knecht.  15:1 Toen zong Moshť met de IsraŽlieten de Eeuwige dit lied en zij zeiden : Ik wil de Eeuwige zingen, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee.  2  De Eeuwige is mijn kracht en mijn psalm, Hij is mij tot heil geweest. Hij is mijn Gíd,  Hem verheerlijk ik, de Gíd mijns vaders, Hem prijs ik.  3  De Eeuwige is een krijgsheld; De Eeuwige is zijn naam.  4  De wagens van Farao en zijn legermacht wierp Hij in de zee; de keur van zijn wagenhelden werd in de Schelfzee gedompeld.  5  Watervloeden overdekten hen; in de diepte zonken zij als een steen.  6  Uw rechterhand, de Eeuwige, heerlijk door kracht, uw rechterhand, de Eeuwige, verpletterde de vijand.  7  In uw grote majesteit vernietigde Gij wie tegen U opstonden; Gij liet uw toorngloed los, hij verteerde hen als stoppels.  8  Door de adem van uw neus werden de wateren opgestuwd; als een dam stonden de stromen; de watervloeden stolden in het hart der zee.  9  De vijand zeide: Ik achtervolg,  haal in, deel de buit; ik koel mijn lust aan hen, trek mijn zwaard ; mijn hand roeit hen uit.  10  Gij bliest met uw adem, de zee overdekte hen; als lood zonken zij in geweldige wateren.  11  Wie is als Gij, onder de goden, de Eeuwige,  wie is als Gij, heerlijk in heiligheid vreselijk in roemrijke daden, wonderbaar in uw doen?  12  Gij strektet uw rechterhand uit; de aarde verzwolg hen.  13  Gij leiddet in uw goedertierenheid het volk dat Gij verlost hebt; Gij leiddet het door uw kracht naar uw heilige woonstede.   14  Volkeren hoorden het, zij sidderden ; beving greep de bewoners van Filistea aan.  15  Toen verschrikten Edoms stamhoofden,  huivering greep Moabs machtigen aan ; alle bewoners van Kanašn sidderden.  16 Ontzetting en schrik overviel hen, door uw geweldige arm verstarden zij als een steen, terwijl uw volk, de Eeuwige, doortrok , uw volk, dat Gij U hebt verworven,  doortrok.  17  Gij brengt hen en plant hen op de berg die uw erfdeel is; de plaats die Gij, de Eeuwige, tot uw woning gemaakt hebt; het heiligdom, Adonai, door uw hand gesticht.  18  De Eeuwige regeert voor altoos en eeuwig.  19  Toen Faraoís paarden met zijn wagenen en ruiters in de zee gekomen waren, deed de Eeuwige de wateren der zee over hen terugvloeien, maar de IsraŽlieten gingen op het droge midden door de zee.  20  Toen nam Mirjam, de profetes, de zuster van Ašron, de tamboerijn in haar hand, en alle vrouwen gingen achter haar aan met tamboerijnen en in reidansen.  21  En Mirjam zong hun ten antwoord: Zingt de Eeuwige, want Hij is hoog verheven; het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee.  22 Toen liet Moshť de IsraŽlieten opbreken van de Schelfzee en zij gingen naar de woestijn Sur; drie dagreizen trokken zij door de woestijn zonder water te vinden.  23  En zij kwamen in Mara, maar zij konden het water van Mara niet drinken , omdat het bitter was. Daarom noemde men die plaats Mara.  24 Toen morde het volk tegen Moshť en zeide: Wat moeten wij drinken? 25  En hij riep luide tot de Eeuwige, en de Eeuwige leerde hem een houtsoort kennen; hij wierp het in het water; toen werd het water zoet. Daar gaf Hij hun inzettingen en verordeningen en daar stelde Hij hen op de proef, 26 terwijl hij zeide: Indien gij aandachtig luistert naar de stem van de Eeuwige,  uw Gíd, en doet wat recht is in zijn ogen , en uw oor neigt tot zijn geboden en al zijn inzettingen onderhoudt, zal Ik u geen enkele van de kwalen opleggen, die Ik de Egyptenaren opgelegd heb; want Ik, de Eeuwige, ben uw Heelmeester.  27  Daarna kwamen zij in Elim; daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich daar aan het water.  16:1 Toen zij van Elim opgebroken waren, kwam de gehele vergadering der IsraŽlieten in de woestijn Sin, die tussen Elim en de Sinai ligt, op de vijftiende dag van de tweede maand sedert hun uittocht uit het land Egypte.  2  En in die woestijn morde de gehele vergadering der IsraŽlieten tegen Moshť en Ašron;  3  en de IsraŽlieten zeiden tot hen:  Och, dat wij door de hand van de Eeuwige in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen.  4 Toen zeide de Eeuwige tot Moshť: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen; dan zal het volk uitgaan en verzamelen zoveel als voor elke dag nodig is, opdat Ik het op de proef stelle, of het al dan niet wandelt naar mijn wet.  5  En als zij op de zesde dag bereiden wat zij hebben binnengebracht, dan zal dit dubbel zoveel zijn als wat zij op de andere dagen verzamelen.  6  Daarop zeiden Moshť en Ašron tot alle IsraŽlieten: Vanavond zult gij weten , dat de Eeuwige u uit het land Egypte heeft geleid.  7  En morgenochtend zult gij de heerlijkheid van de Eeuwige zien, omdat Hij uw gemor tegen de Eeuwige gehoord heeft. Want wat zijn wij,  dat gij tegen ons mort?  8  En Moshť zeide: Als de Eeuwige u in de avond vlees te eten geeft en in de morgen volop brood, omdat de Eeuwige het gemor waarmede gij tegen Hem gemord hebt,  gehoord heeft, wat zijn wij? Niet tegen ons was uw gemor, maar tegen de Eeuwige.  9  En Moshť zeide tot Ašron: Zeg tot de gehele vergadering der IsraŽlieten: nadert voor het aangezicht van de Eeuwige:  want Hij heeft uw gemor gehoord.  10  Terwijl nu Ašron sprak tot de gehele vergadering der IsraŽlieten, richtten zij hun blik naar de woestijn, en zie,  de heerlijkheid van de Eeuwige verscheen in een wolk.  11  Toen sprak de Eeuwige tot Moshť en zeide:  12  Ik heb het gemor der IsraŽlieten gehoord; zeg tot hen: in de avondschemering zult gij vlees eten en in de morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik, de Eeuwige, uw Gíd ben. 13 En des avonds kwamen kwakkels opzetten en overdekten de legerplaats; en des morgens was er een dauwlaag rondom de legerplaats.  14  Toen de dauwlaag opgetrokken was, zie,  daar lag over de woestijn iets fijns , iets schilferachtigs, fijn als rijm op de aarde.  15  Toen de IsraŽlieten het zagen, zeiden zij tot elkander: Wat is dit? Want zij wisten niet, wat het was. Maar Moshť zeide tot hen: Dit is het brood dat de Eeuwige u tot spijze gegeven heeft.  16 Dit is wat de Eeuwige geboden heeft:  verzamelt ervan naar ieders behoefte ; ieder van u kan voor zijn tentgenoten een Ďomer per hoofd nemen, naar gelang van het zielental.  17  De IsraŽlieten nu deden zo en verzamelden het, de een meer en de ander minder.  18  Toen zij het in een gomer maten, had hij die meer verzameld had, niet te veel en hij die minder verzameld had, kwam niet te kort. Ieder had naar zijn behoefte verzameld.  19  En Moshť zeide tot hen: Niemand late ervan over tot de morgen.  20  Maar sommigen luisterden niet naar Moshť en lieten ervan over tot de morgen, maar toen was het bedorven van de wormen en stonk. En Moshť werd toornig op hen.  21  Zij nu verzamelden het elke morgen ieder naar zijn behoefte; maar als de zon heet werd, smolt het.  22 En op de zesde dag verzamelden zij tweemaal zoveel brood, twee gomer voor ieder; en al de vorsten der vergadering kwamen het Moshť berichten.  23  Toen zeide hij tot hen: Dit is wat de Eeuwige gezegd heeft: een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de Eeuwige; bakt wat gij bakken wilt en kookt wat gij koken wilt; laat al wat overblijft liggen om het tot de volgende morgen te bewaren.  24  Zij lieten het dan tot de volgende morgen liggen, zoals Moshť bevolen had ; toen stonk het niet, en er waren geen maden in.  25  Voorts zeide Moshť: Eet dit vandaag , want heden is het sabbat voor de Eeuwige,  vandaag zult gij het niet vinden op het veld.  26  Zes dagen zult gij het verzamelen, maar op de zevende dag is het sabbat; dan is het er niet.  27  Toen er dan ook van het volk op de zevende dag heengingen om wat te verzamelen, vonden zij het niet.  28  Daarom zeide de Eeuwige tot Moshť:  Hoelang weigert gij mijn geboden en wetten te onderhouden?  29  Bedenkt, dat de Eeuwige u de sabbat gegeven heeft; daarom geeft Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Ieder moet op zijn plaats blijven; niemand mag zijn plaats op de zevende dag verlaten.  30  Toen rustte het volk op de zevende dag.  31  Het huis IsraŽls noemde het: manna ; en het was wit als korianderzaad en de smaak ervan was als die van een honigkoek.  32 Moshť zeide: Dit is wat de Eeuwige geboden heeft: vul er een gomer mee, om het voor de toekomende geslachten te bewaren, opdat zij het brood zien, dat Ik u in de woestijn te eten heb gegeven, toen Ik u uit het land Egypte leidde.  33  Daarom zeide Moshť tot Ašron: Neem een kruik, doe daarin een volle gomer manna en leg dit voor het aangezicht van de Eeuwige, om het voor de toekomende geslachten te bewaren.  34  Zoals de Eeuwige Moshť geboden had, legde Ašron het voor de Getuigenis ter bewaring.  35  De IsraŽlieten nu hebben veertig jaar het manna gegeten, totdat zij kwamen in bewoond land; het manna hebben zij gegeten, totdat zij kwamen aan de grens van het land Kanašn.  36  Een gomer nu is het tiende van een efa.  17:1 De gehele vergadering der IsraŽlieten brak daarna op uit de woestijn Sin , trekkende van pleisterplaats tot pleisterplaats naar het bevel van de Eeuwige, en legerde zich te Refidim, maar daar was geen water voor het volk om te drinken.  2  Het volk begon met Moshť te twisten en zeide: Geeft ons water, zodat wij kunnen drinken. Maar Moshť zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Wat stelt gij de Eeuwige op de proef?  3  En het volk dorstte daar naar water , het morde tegen Moshť en zeide: Waarom toch hebt gij ons uit Egypte gevoerd, om mij, mijn kinderen en mijn kudde van dorst te doen omkomen?  4 Toen riep Moshť luide tot de Eeuwige en zeide: Wat moet ik met dit volk doen ? Nog een ogenblik en zij gaan mij stenigen!  5  Daarop zeide de Eeuwige tot Moshť: Ga voor het volk uit en neem enige van de oudsten van IsraŽl met u; neem ook de staf waarmee gij de Nijl geslagen hebt, in uw hand en ga heen.  6  Zie, Ik zal daar voor u op de rots bij Horeb staan; dan zult gij op de rots slaan en daaruit zal water te voorschijn komen , zodat het volk kan drinken. En Moshť deed alzo voor de ogen van de oudsten van IsraŽl.  7  Hij noemde die plaats Massa en Meriba, wegens de twist der IsraŽlieten en omdat zij de Eeuwige op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de Eeuwige in ons midden of niet?  8 Toen kwam Amalek en streed tegen IsraŽl te Refidim.  9  En Moshť zeide tot Jozua: Kies ons mannen uit, trek uit, strijd tegen Amalek, morgen zal ik op de heuveltop staan met de staf Gíds in mijn hand.  10  Jozua nu deed, zoals Moshť tot hem gezegd had en streed tegen Amalek; maar Moshť, Ašron en Chur hadden de heuveltop bestegen.  11  En wanneer Moshť zijn hand ophief , had IsraŽl de overhand, maar wanneer hij zijn hand liet zakken, had Amalek de overhand.  12  Toen de handen van Moshť zwaar werden, namen zij een steen, legden die onder hem neer, zodat hij daarop kon gaan zitten; en Ašron en Chur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene en de ander aan de andere zijde, zodat zijn handen onbeweeglijk bleven tot zonsondergang.  13  Zo overwon Jozua Amalek en diens volk door de scherpte des zwaards.  14  En de Eeuwige zeide tot Moshť: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en prent het Jozua in, dat Ik de herinnering aan Amalek onder de hemel volledig zal uitwissen.  15  Toen bouwde Moshť een altaar en noemde het: de Eeuwige is mijn banier.  16  En hij zeide: De hand op de troon van de Eeuwige! de Eeuwige heeft een strijd tegen Amalek , van geslacht tot geslacht. 

 

 

Richt. 4:4-5:31, 4 De profetes Debora, de vrouw van Lappidot,  richtte destijds IsraŽl;   5  zij was gewoon zitting te houden onder de Deborapalm tussen Rama en Bet-el op het gebergte van EfraÔm, en de IsraŽlieten kwamen bij haar voor een rechterlijke uitspraak.  6  Zij nu ontbood Barak, de zoon van Abinoam uit Kedes in Naftali, en zeide tot hem: Heeft de Eeuwige, de Gíd van IsraŽl, niet geboden: ga heen, trek naar de berg Tabor en neem met u tienduizend man Naftalieten en Zebulonieten,  7  en Ik zal aan de beek Kison Sisera, de krijgsoverste van Jabin, naar u toe voeren met zijn strijdwagens en zijn troepen, en Ik zal hem in uw macht geven?  8  Barak echter zeide tot haar: Indien gij met mij gaat, zal ik gaan, maar indien gij niet met mij gaat, ga ik niet.  9  Zij zeide: Ik ga met u mee,  maar gij zult geen eer behalen op de tocht die gij onderneemt, want in de macht van een vrouw zal de Eeuwige Sisera overgeven. Toen stond Debora op en ging met Barak naar Kedes.  10 Barak riep Zebulon en Naftali te Kedes samen, en tienduizend man trokken op in zijn gevolg; ook Debora ging met hem mee.  11  De Keniet Cheber nu had zich afgescheiden van de Kenieten, van de zonen van Chobab, de zwager van Moshť, en had zijn tenten opgeslagen tot aan de terebint van Saannaim, dat bij Kedes ligt.  12  Toen men Sisera had meegedeeld, dat Barak, de zoon van Abinoam, de berg Tabor bezet had,  13  riep hij al zijn wagens, negenhonderd ijzeren strijdwagens, en al het volk dat bij hem was, uit Charoset-haggojim samen aan de beek Kison.  14  Toen zeide Debora tot Barak: Breek op , want dit is de dag, dat de Eeuwige Sisera in uw macht gegeven heeft: is niet de Eeuwige voor u uitgetogen? En Barak daalde af van de berg Tabor en tienduizend man achter hem;  15  en de Eeuwige bracht Sisera met al zijn wagens en zijn gehele leger door de scherpte des zwaards in verwarring voor Barak,  zodat Sisera van zijn wagen klom en te voet vluchtte.  16  Toen achtervolgde Barak de wagens en het leger tot aan Charoset-haggojim, en het gehele leger van Sisera viel door de scherpte des zwaards; niet een bleef er over.  17 Sisera dan vluchtte te voet naar de tent van Jael, de vrouw van de Keniet Cheber , want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hasor, en het huis van de Keniet Cheber.  18  Jael nu kwam naar buiten, Sisera tegemoet, en zeide tot hem: Kom binnen , mijn heer, kom bij mij binnen. Wees niet bevreesd. Toen ging hij bij haar in de tent, en zij dekte hem toe met een deken.  19  Daarop zeide hij tot haar: Geef mij toch wat water te drinken, want ik heb dorst. En zij maakte een melkzak open , gaf hem te drinken en dekte hem weer toe.  20  En hij zeide tot haar: Ga bij de ingang van de tent staan en wanneer er iemand aankomt en u vraagt: Is hier iemand? zeg dan: Neen.  21  Maar Jael, de vrouw van Cheber, nam een tentpin, greep de hamer, trad zacht op hem toe en dreef de pin in zijn slaap tot zij in de grond drong (want hij was van uitputting in een diepe slaap gevallen) en hij stierf.  22  En zie, daar kwam Barak, die Sisera achtervolgde. Jael ging naar buiten,  hem tegemoet, en zeide tot hem: Kom , en ik zal u de man tonen, die gij zoekt. Toen trad hij bij haar binnen en zie, Sisera lag daar dood, met de pin in zijn slaap.  23  Zo vernederde Gíd op die dag Jabin , de koning van Kanašn, voor de IsraŽlieten .  24  En de hand der IsraŽlieten drukte steeds zwaarder op Jabin, de koning van Kanašn, totdat zij Jabin, de koning van Kanašn, verdelgd hadden.  5:1 Op die dag zongen Debora en Barak , de zoon van Abinoam, dit lied:  2  Omdat men zijn lokken los liet hangen in Israel, omdat het volk vrijwillig zich aanbood , prijst de Eeuwige!  3  Hoort, gij koningen! Leent het oor,  gij machthebbers! Ik wil, ja, ik wil voor de Eeuwige zingen, psalmzingen voor de Eeuwige , de Gíd van IsraŽl.  4  De Eeuwige, toen gij uittoogt uit Seir,  toen Gij voortschreedt uit de velden van Edom, beefde de aarde, ook dropen de hemelen, ook dropen de wolken van water;  5  de bergen wankelden voor de Eeuwige , zelfs de Sinai voor de Eeuwige, de Gíd van IsraŽl.  6 In de dagen van Samgar, de zoon van Anat,  in de dagen van Jael waren de wegen verlaten , en wie op weg moesten zijn, gingen kronkelende zijpaden;  7  leiders ontbraken in IsraŽl, ja, zij ontbraken, totdat ik opstond, Debora opstond als een moeder in IsraŽl.  8  Verkoos men nieuwe goden, dan was er strijd bij de poorten. Waarlijk, schild noch speer werd gezien onder veertigduizend in Israel.  9  Mijn hart gaat uit naar de aanvoerders van Israel, naar hen die vrijwillig zich aanboden onder het volk, prijst de Eeuwige!  10  Gij, die rijdt op blanke ezelinnen, gij,  die gezeten zijt op tapijten, gij,  wandelaars op de weg, gewaagt ervan!  11  Op het geluid van hen die de maat aangeven bij de drinkplaatsen, daar bezinge men de rechtvaardige daden van de Eeuwige, de rechtvaardige daden van zijn leiders in Israel. Toen daalde het volk van de Eeuwige af naar de poorten.   12 Waak op, waak op, Debora! waak op , waak op, zing een lied! Sta op, Barak! en voer uw krijgsgevangenen weg gij zoon van Abinoam!  13  Toen stelde Hij die ontkomen waren, als heersers over edelen, het volk van de Eeuwige deed Hij voor mij heersen als helden:  14  uit EfraÔm kwamen zij, wier woonplaats in Amalek ligt, in uw gevolg, Benjamin, met uw scharen; uit Makir daalden aanvoerders af, en uit Zebulon dragers van de werversstaf;  15  ook vorsten van Issakar, met Debora. En als Issakar, zo ook Barak! Achter hem aan stormde men het dal in. Onder de geslachten van Ruben waren de overleggingen vele.  16  Waarom bleeft gij zitten tussen de veestallen, al luisterend naar het fluitspel bij de kudden? Onder de geslachten van Ruben waren de overleggingen vele.  17  Gilead bleef rustig aan de overzijde van de Jordaan; en Dan, waarom toefde het bij de schepen? Aser zat aan het strand der wijde zee, bleef rustig wonen aan zijn zeeboezems.  18  Maar Zebulon is een volk, dat zijn leven op het spel zette, ook Naftali, in het hooggelegen land.  19  Koningen kwamen en streden, toen streden de koningen van Kanašn bij Taanak , aan de wateren van Megiddo; geen stuk zilver maakten zij buit!  20  Van de hemel streden de sterren,  vanuit haar banen streden zij tegen Sisera.  21  De beek Kison sleurde ze mee de aloude beek, de beek Kison (ga voort, mijn ziel, met kracht!):  22  toen dreunden de hoeven der paarden van het wilde jagen dier dappíren.  23  Vervloekt Meroz! spreekt de Engel van de Eeuwige, vervloekt, vervloekt zijn inwoners, omdat zij niet gekomen zijn de Eeuwige tot hulp, de Eeuwige tot hulp,  als helden.  24 Gezegend boven de vrouwen zij Jael,  de vrouw van Cheber, de Keniet, gezegend boven de vrouwen in de tent.  25  Water vroeg hij, melk gaf zij;  in een kostbare schaal reikte zij room.  26  Haar hand strekt zij uit naar de pin,  haar rechterhand naar de hamer der werklieden, en zij hamert op Sisera, doornagelt zijn hoofd, verbrijzelt en doorboort zijn slaap.  27  Tussen haar voeten kromp hij ineen, viel en lag daar, tussen haar voeten kromp hij ineen en viel, waar hij ineenkromp, daar viel hij, overweldigd.  28  Uit het venster zag de moeder van Sisera en riep luide door het traliewerk : Waarom talmt zijn strijdwagen te komen? Waarom blijft het geratel zijner wagenen uit?  29  De schrandersten harer edelvrouwen antwoorden haar, ook geeft zij zelf op haar eigen woorden bescheid:  30  Zouden zij geen buit vinden en verdelen , een deerne, twee deernen voor iedere man, buit van gekleurde gewaden voor Sisera,  buit van gekleurde gewaden, bont borduursel,  een stel bonte borduursels voor mijn hals als buit ?  31  Zo zullen omkomen al uw vijanden,  o de Eeuwige! Maar die Hem liefhebben zijn als de opgaande zon in haar kracht. Toen had het land veertig jaar rust. 

 

 

 

Een paar gedachten

>Toen Farao het volk had laten gaan (13:17a) Geboorte van IsraŽl als natie.

 

>Toen Farao het volk had laten gaan, leidde Gíd hen niet op de weg naar het land der Filistijnen, hoewel deze de naaste was; want Gíd zeide: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren. (13:17). Gíd weet wat het volk aankan. Dat het volk uiteindelijk op zijn bestemming zal komen is voor Gíd belangrijker dan de tijd die er overheen gaat.

 

>De Eeuwige ging voor hen uit, des daags in een wolkkolom om hen te leiden op de weg, en des nachts in een vuurkolom om hun voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan (13:21). Gíd zelf houdt het roer in handen. Gíd laat het duidelijk zien om hen er van overtuigt te laten zijn dat Hij de waarachtige Gíd is die echt is te vertrouwen. Daar waar je in het plan van Gíd bent gaat Hij voor je uit en beschermt Hij je. Ps 78: 12  Ten aanschouwen van hun vaderen deed Hij wonderen in het land Egypte, het veld van Soan; 13  Hij kliefde de zee, Hij voerde hen erdoorheen, en bracht het water tot staan als een dam; 14  Hij geleidde hen met een wolk des daags en met vurig licht de ganse nacht;

 

>recht tegenover Baal-sefon zult gij u legeren, aan de zee (14:2b). Dat is waarschijnlijk de tempel van de Egyptische afgod Typhon. Zo konden de Egyptenaren zien dat ze de andere kant opgingen.

 

>En Ik zal het hart van Farao verharden, zodat hij hen achtervolgt. Dan zal Ik Mij aan Farao en aan zijn gehele legermacht verheerlijken, en de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben (14:4). In de ondergang van Farao (waarsch. Ramses II) wordt de Eeuwige verheerlijkt.

 

>IsraŽlieten zetten hun uittocht voort, met opgeheven hand (14:8). In geloof trokken ze uit Egypte weg.

 

>Toen werden de IsraŽlieten zeer bevreesd en schreeuwden tot de Eeuwige (14:11). Op dat moment keek het volk op de omstandigheden. Daardoor werden ze bang en beginnen ze te morren. Gíd laat hun door deze situatie gaan zodat zij zullen leren dat Gíd altijd de situatie in handen heeft.

 

>Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing van de Eeuwige zien, die Hij u heden bereiden zal (14:13). Door Gíd te blijven vertrouwen en Hem te blijven geloven wordt de verlossing zichtbaar. De Eeuwige zal voor u strijden, en gij zult stil zijn. (14:14). Na de uittocht is het de eerste les die ze leren dat ze door geloof stand zullen houden.

 

>Toen zeide de Eeuwige tot Moshť: Wat roept gij zo luid tot Mij? (14:15). De boodschap: Wees niet bezig met de omstandigheden maar met wat Gíd van je vraagt te doen.

 

>Toen verliet de Engel Gíds, die voor het leger van IsraŽl uitging, zijn plaats en ging achter hen aan; ook verliet de wolkkolom haar plaats aan hun spits en ging achter hen staan.  (14:19) Psalmen 34:7  De Engel van de Eeuwige legert Zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen. En Psalmen 125:2  Rondom Jeruzalem zijn bergen; zo is de Eeuwige rondom zijn volk van nu aan tot in eeuwigheid.

 

>Toen zong Moshť met de IsraŽlieten de Eeuwige dit lied. (15:1) Hier onstaat de lofprijzing aan Gíd.

 

>In uw grote majesteit vernietigde Gij wie tegen U opstonden (15:7). De strijd tegen IsraŽl was (en is) een strijd tegen Gíd. Gíd vernietigt de tegenstanders.

 

>Gij brengt hen en plant hen op de berg die uw erfdeel is; de plaats die Gij, de Eeuwige, tot uw woning gemaakt hebt; het heiligdom, Adonai, door uw hand gesticht (15:17) Het uiteindelijke doel van het volk IsraŽl is om de Eeuwige te dienen op de berg Sion in Jeruzalem.

 

>Toen morde het volk tegen Moshť en zeide: Wat moeten wij drinken? (15:24) Volgens Rashi was angst de oorzaak van het mopperen. Volgens Nachmanides was het mopperen gebaseerd op de veronderstelling dat ze naar een veilige stad o.i.d. gebracht zouden worden.

 

>Daar gaf Hij hun inzettingen en verordeningen en daar stelde Hij hen op de proef,  terwijl hij zeide: Indien gij aandachtig luistert naar de stem van de Eeuwige,  uw Gíd, en doet wat recht is in zijn ogen , en uw oor neigt tot zijn geboden en al zijn inzettingen onderhoudt, zal Ik u geen enkele van de kwalen opleggen, die Ik de Egyptenaren opgelegd heb; want Ik, de Eeuwige, ben uw Heelmeester (15:25b,26). De bescherming die Gíd zijn volk geeft zijn de geboden van Gíd.

 

>En in die woestijn morde de gehele vergadering der IsraŽlieten tegen Moshť en Ašron (16:2). Ongeloof resulteert in morren en klagen. Moshť blijft vast in geloof. Gíd reageert met liefde ondanks hun gemor. Staat op hoger niveau en weet wat de realiteit is

 

>Toen zeide de Eeuwige tot Moshť: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen; dan zal het volk uitgaan en verzamelen zoveel als voor elke dag nodig is, opdat Ik het op de proef stelle, of het al dan niet wandelt naar mijn wet. (16:4). In de woestijn leert Gíd dat hij hen bovennatuurlijk voorziet in de dingen die ze nodig hebben.

 

>verzamelt ervan naar ieders behoefte ; ieder van u kan voor zijn tentgenoten een Ďomer per hoofd nemen, naar gelang van het zielental (16:16). Een Ďomer is 1/10 Efa wat gelijk is aan 43 1/5 middelmatig kippenei.

 

>Toen zeide hij tot hen: Dit is wat de Eeuwige gezegd heeft: een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de Eeuwige; bakt wat gij bakken wilt en kookt wat gij koken wilt; laat al wat overblijft liggen om het tot de volgende morgen te bewaren.  (16:23). Eerste shabbatsinstructie is dat ze handelen vanuit Gídsvertrouwen.

 

>Ieder moet op zijn plaats blijven; niemand mag zijn plaats op de zevende dag verlaten.(16:29). De shabbat bestemt om rust te houden. De toegestane afstand van 12 mijl is hierop gebaseerd

 

>Neem een kruik, doe daarin een volle gomer manna en leg dit voor het aangezicht van de Eeuwige, om het voor de toekomende geslachten te bewaren (16:33). Ze mogen de wonderen van Gíd niet vergeten.

 

>Toen riep Moshť luide tot de Eeuwige en zeide: Wat moet ik met dit volk doen ? Nog een ogenblik en zij gaan mij stenigen! (17:4). Ook Moshť moest leren in zijn situatie op Gíd te vertrouwen.     

 

>Toen kwam Amalek en streed tegen IsraŽl te Refidim (17:8) Amalek vreesde Gíd niet. Zonder reden wordt IsraŽl aangevallen. Vrouwen en kinderen werden niet ontzien. De aanval was nergens op gebaseerd (IsraŽl was niet op hun grondgebied). Volgens Rav Hirsch, handelde de Amelekieten uit hoogmoed om de overwinnaars van Egypte aan te vallen. Herinner je dat je je nooit door hoogmoed laat leiden. Amalek heeft trouwens zelfde getalswaarde als twijfel (safek).

 

>Er is een strijd van Gíd tegen Amalek tot vandaag de dag (17:16). Huidig anti-semitisme is moderne vorm van haat tegen Gíd en het volk IsraŽl in/vanuit de geest van Amalek. Gíd neemt de strijd ertegen ter hand.

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr16 - Yitro ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021