Nr13 - Va-Era

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

Links voor bestudering van het Thoragedeelte

 

Thora-gedeelte Va-Era (en ik verscheen)

 

Va-Era(en ik verscheen), Ex 6:2-9:35, Haftarah: Ezech. 28:25-29:21

 

Ex 6:2-9:35, 2 

Voorts sprak God tot MoshŤ en zeide tot hem: Ik ben de Eeuwige.  3  Ik ben aan Avraham, Itschak en Yaíakov verschenen als God de Almachtige, maar met mijn naam de Eeuwige ben Ik hun niet bekend geweest.  4  Niet alleen heb Ik mijn verbond met hen opgericht om hun het land Kanaan te geven , het land hunner vreemdelingschap, waar zij als vreemdelingen vertoefd hebben;  5  maar ook heb Ik de klacht der IsraŽlieten gehoord, die door de Egyptenaren tot slaven gemaakt zijn, en Ik heb gedacht aan mijn verbond.  6  Zeg derhalve tot de IsraŽlieten: Ik ben De Eeuwige, Ik zal u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleiden, u redden van hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en onder zware gerichten.  7  Ik zal Mij u tot een volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn, opdat gij weet,  dat Ik, de Eeuwige, uw God, het ben, die u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleid.  8  En Ik zal u brengen naar het land,  waarvan Ik gezworen heb het aan Avraham,  Itschak en Yaíakov te zullen geven, en Ik zal het u geven tot een bezitting, Ik de Eeuwige.  9  Toen sprak MoshŤ  aldus tot de IsraŽlieten, maar zij luisterden niet naar MoshŤ  uit ongeduld en wegens de harde slavernij.  10 Vervolgens zeide de Eeuwige tot MoshŤ :  11  Ga naar Farao, de koning van Egypte, en zeg, dat hij de IsraŽlieten uit zijn land moet laten gaan.  12  Maar MoshŤ  sprak voor het aangezicht van de Eeuwige: De IsraŽlieten luisterden niet eens naar mij, hoe zou dan Farao naar mij luisteren, terwijl ik zo slecht ter tale ben?  13  De Eeuwige echter sprak tot MoshŤ  en Aharon en vaardigde hen af naar de IsraŽlieten en naar Farao, de koning van Egypte, om de IsraŽlieten uit het land Egypte te leiden.  14 Dit zijn hun familiehoofden: De zonen van Ruben, de eerstgeborene van IsraŽl: Chanok , Pallu, Chesron en Karmi; dit zijn de geslachten van Ruben.  15  De zonen van Simeon: Jemuel, Jamin, Ohad , Jakin, Sochar en Saul, de zoon ener Kanaanitische; dit zijn de geslachten van Simeon.  16  En dit zijn de namen van de zonen van Levi naar de volgorde van hun geboorten: Gerson, Kehat en Merari. En de levensjaren van Levi waren honderd zevenendertig jaar.  17  De zonen van Gerson: Libni en Simi, naar hun geslachten.  18  De zonen van Kehat: Amram, Jishar,  Chebron en Uzziel. En de levensjaren van Kehat waren honderd drieendertig jaar.  19  De zonen van Merari: Machli en Musi. Dit zijn de geslachten van Levi naar de volgorde van hun geboorten.  20  En Amram nam zich Jokebed, zijn tante , tot vrouw, en zij baarde hem Aharon en MoshŤ . En de levensjaren van Amram waren honderd zevenendertig jaar.  21  De zonen van Jishar: Korach, Nefeg en Zikri.  22  De zonen van Uzziel: Misael, Elsafan en Sitri.  23  En Aharon nam zich Eliseba, de dochter van Amminadab, de zuster van Nachson, tot vrouw , en zij baarde hem Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar.  24  De zonen van Korach: Assir, Elkana en Abiasaf; dit zijn de geslachten van de Korachieten.  25  Eleazar, de zoon van Aharon, nam zich een der dochters van Putiel tot vrouw, en zij baarde hem Pinechas. Dit zijn de familiehoofden der Levieten naar hun geslachten.  26  Dit zijn Aharon en MoshŤ , tot wie de Eeuwige gezegd heeft: Leidt de IsraŽlieten uit het land Egypte volgens hun legerscharen.  27  Zij zijn het, die tot Farao, de koning van Egypte, gesproken hebben, dat hij de IsraŽlieten uit Egypte zou laten gaan.  Dit zijn MoshŤ  en Aharon.  28  Ten dage, dat de Eeuwige sprak tot MoshŤ  in het land Egypte,  29  sprak de Eeuwige tot MoshŤ  aldus: Ik ben de Eeuwige; zeg tot Farao, de koning van Egypte, alles wat Ik tot u zeg.  30  Maar MoshŤ  zeide voor het aangezicht van de Eeuwige: Ik ben immers slecht ter tale;  hoe zou Farao dan naar mij luisteren?  7:1 De Eeuwige echter zeide tot MoshŤ : Zie, Ik stel u als God voor Farao; en uw broeder Aharon zal uw profeet zijn.  2  Gij zult alles zeggen wat Ik u gebied , en uw broeder Aharon zal bij Farao het woord voeren, opdat deze de IsraŽlieten uit zijn land laat gaan.  3  Maar Ik zal het hart van Farao verstokken , en Ik zal mijn tekenen en wonderen talrijk maken in het land Egypte,  4  doch Farao zal naar u niet luisteren.  Daarom zal Ik mijn hand op Egypte leggen en mijn legerscharen, mijn volk, de IsraŽlieten, uit het land Egypte leiden onder zware gerichten.  5  En de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik mijn hand tegen Egypte uitstrek en de IsraŽlieten uit hun midden wegleid.  6  Aldus deden MoshŤ  en Aharon; zoals de Eeuwige hun geboden had, zo deden zij.  7  MoshŤ  nu was tachtig jaar oud en Aharon drieŽntachtig jaar, toen zij tot Farao spraken. 8 En de Eeuwige zeide tot MoshŤ  en Aharon:  9  Wanneer Farao tot u zegt:  vertoon een wonderteken, dan zult gij tot Aharon zeggen: neem uw staf en werp die neer voor het aangezicht van Farao; dan zal hij een slang worden.  10  MoshŤ  en Aharon kwamen tot Farao en zij deden, zoals de Eeuwige geboden had ; Aharon wierp zijn staf neer voor het aangezicht van Farao en zijn dienaren, en hij werd een slang.  11  Daarop riep Farao van zijn kant de wijzen en de tovenaars en ook zij, de Egyptische geleerden, deden door hun toverkunsten hetzelfde.  12  Ieder wierp zijn staf neer en deze werden tot slangen; de staf van Aharon echter verslond hun staven.  13  Maar het hart van Farao verhardde en hij luisterde niet naar hen, zoals de Eeuwige gezegd had.  14 En de Eeuwige zeide tot MoshŤ : Het hart van Farao is onvermurwbaar, hij weigert het volk te laten gaan.  15  Ga in de morgen tot Farao; zie,  hij is gewoon naar het water te gaan, gij zult hem opwachten aan de oever van de Nijl en de staf, die in een slang veranderd is geweest, in uw hand nemen.  16  En gij zult tot hem zeggen: De Eeuwige, de God der HebreeŽn, heeft mij tot u gezonden met de boodschap: laat mijn volk gaan, om Mij te dienen in de woestijn; maar zie, tot nu toe hebt gij niet willen horen .  17  Zo zegt de Eeuwige: hieraan zult gij weten, dat Ik de Eeuwige ben: zie, ik zal met de staf die in mijn hand is, op het water in de Nijl slaan; het zal in bloed veranderd worden,  18  en de vis in de Nijl zal sterven, zodat de Nijl zal stinken; dan zullen de Egyptenaren het water uit de Nijl niet kunnen drinken.  19 Toen zeide de Eeuwige tot MoshŤ : Zeg tot Aharon: neem uw staf en strek uw hand uit over de wateren der Egyptenaren, over hun stromen, hun kanalen , hun poelen en al hun verzamelplaatsen van water, opdat zij bloed worden, en er zal bloed zijn in het gehele land Egypte, zelfs in het houten en stenen vaatwerk.  20  En MoshŤ  en Aharon deden, zoals de Eeuwige geboden had; hij hief de staf op en sloeg het water in de Nijl voor de ogen van Farao en zijn dienaren, en al het water in de Nijl werd in bloed veranderd;  21  de vis in de Nijl stierf, zodat de Nijl stonk en de Egyptenaren het water uit de Nijl niet konden drinken;  en er was bloed in het gehele land Egypte.  22  Maar de Egyptische geleerden deden door hun toverkunsten hetzelfde, zodat het hart van Farao verhardde en hij naar hen niet luisterde, zoals de Eeuwige gezegd had .  23  Farao wendde zich af, ging naar huis en nam ook dit niet ter harte.  24  Alle Egyptenaren echter groeven in de omgeving van de Nijl naar water om te drinken , want Nijlwater konden zij niet drinken.  25  Zo verliepen zeven volle dagen, nadat de Eeuwige de Nijl geslagen had. 8:1 Daarna zeide de Eeuwige tot MoshŤ : Ga tot Farao en zeg tot hem: zo zegt de Eeuwige: laat mijn volk gaan,  om Mij te dienen;  2  indien gij weigert het te laten gaan,  zal Ik uw gehele gebied met kikvorsen teisteren.  3  De Nijl zal wemelen van kikvorsen, zij zullen komen opzetten en in uw huis en slaapkamer binnendringen, ja, op uw bed, en in de huizen van uw dienaren en onder uw volk, ja,  in uw bakovens en baktroggen.  4  Tegen u, uw volk en al uw dienaren zullen de kikvorsen opkomen.  5  Voorts zeide de Eeuwige tot MoshŤ : Zeg tot Aharon: strek uw hand met uw staf uit over de stromen, de kanalen en de poelen, en doe kikvorsen opkomen over het land Egypte.  6  Toen strekte Aharon zijn hand uit over de wateren van Egypte, en de kikvorsen kwamen opzetten en bedekten het land Egypte.  7  Maar de geleerden deden hetzelfde door hun toverkunsten, zodat zij kikvorsen over het land Egypte deden opkomen.  8  Toen riep Farao MoshŤ  en Aharon en zeide: Bidt tot de Eeuwige, dat Hij de kikvorsen van mij en mijn volk wegdoe; dan zal ik het volk laten gaan, om de Eeuwige offers te brengen.  9  En MoshŤ  zeide tot Farao: Verwaardig u mij te zeggen, tegen wanneer ik voor u, uw dienaren en uw volk zal bidden om uitroeiing der kikvorsen bij u en uit uw huizen ; alleen in de Nijl zullen zij overblijven.  10  En hij zeide: Tegen morgen. Toen zeide hij: Zoals gij beveelt, opdat gij weet , dat er niemand is gelijk de Eeuwige, onze God:  11  de kikvorsen zullen u, uw huizen,  uw dienaren en uw volk verlaten; alleen in de Nijl zullen zij overblijven.  12  Toen gingen MoshŤ  en Aharon van Farao heen, en MoshŤ  riep tot de Eeuwige vanwege de kikvorsen, waarmee Hij Farao bezocht had.  13  En de Eeuwige deed naar het woord van MoshŤ  , zodat de kikvorsen uit de huizen, uit de hoven en van de velden wegstierven.  14  Men verzamelde ze bij hopen, zodat het land ervan stonk.  15  Maar toen Farao zag, dat er verlichting was ingetreden, liet hij zijn hart niet vermurwen en luisterde niet naar hen, zoals de Eeuwige gezegd had.  16 En de Eeuwige zeide tot MoshŤ : Zeg tot Aharon: strek uw staf uit en sla het stof der aarde; het zal tot muggen worden in het gehele land Egypte.  17  Toen deden zij aldus; Aharon strekte zijn hand uit met zijn staf en sloeg het stof der aarde, en de muggen kwamen op mens en dier. Alle stof der aarde werd muggen in het gehele land Egypte.  18  Ook de geleerden deden hetzelfde om door hun toverkunsten de muggen te voorschijn te brengen ; maar zij konden het niet. En de muggen kwamen op mens en dier.  19  Toen zeiden de geleerden tot Farao:  Dit is Gods vinger. Maar het hart van Farao verhardde, en hij luisterde niet naar hen, zoals de Eeuwige gezegd had.  20 En de Eeuwige zeide tot MoshŤ : Sta vroeg in de morgen op en stel u voor Farao ; zie, hij is gewoon naar het water te gaan , en gij zult tot hem zeggen: zo zegt de Eeuwige: laat mijn volk gaan, om Mij te dienen;  21  want indien gij mijn volk niet laat gaan, dan zal Ik tegen u, uw dienaren, uw volk en uw huizen steekvliegen loslaten,  zodat de huizen der Egyptenaren, ja zelfs de bodem, waarop zij zich bevinden, vol steekvliegen zijn.  22  Maar op die dag zal Ik het land Gosen,  waar mijn volk verblijf houdt,  uitzonderen, dat daar geen steekvliegen voorkomen; opdat gij weet, dat Ik, de Eeuwige, in het land ben.  23  Want Ik zal mijn volk van uw volk bevrijden. Morgen zal dit teken geschieden.  24  De Eeuwige deed alzo; en er kwamen steekvliegen in zwermen in het huis van Farao en van zijn dienaren en in het gehele land Egypte; het land werd geteisterd door de steekvliegen.  25 Toen ontbood Farao MoshŤ  en Aharon en zeide: Gaat, offert aan uw God in dit land.  26  Maar MoshŤ  zeide: Het is onmogelijk zo te doen, wij zouden aan de Eeuwige, onze God, offeren, wat de gruwel der Egyptenaren is. Wanneer wij datgene, wat de gruwel der Egyptenaren is, voor hun ogen zouden offeren, zouden zij ons dan niet stenigen?   27  Wij willen drie dagreizen ver de woestijn intrekken en de Eeuwige, onze God, offers brengen, zoals Hij ons gezegd heeft.  28  Toen zeide Farao: Ik zal u laten gaan om aan de Eeuwige, uw God, in de woestijn te offeren; slechts moogt gij niet al te ver weggaan. Bidt voor mij.   29  Toen zeide MoshŤ : Zie, ik ga van u heen en zal tot de Eeuwige bidden, en de steekvliegen zullen Farao , zijn dienaren en zijn volk, morgen verlaten; alleen, dat Farao niet langer bedrieglijk handele, door het volk niet te laten gaan om de Eeuwige een offer te brengen.  30  Daarop ging MoshŤ  van Farao heen en bad de Eeuwige.  31  En de Eeuwige deed naar het woord van MoshŤ  : de steekvliegen verlieten Farao,  zijn dienaren en zijn volk; niet een bleef er over.  32  Toch liet Farao zijn hart ook ditmaal niet vermurwen; hij liet het volk niet gaan.  9:1 En de Eeuwige, zeide tot MoshŤ : Ga tot Farao en spreek tot hem: zo zegt de Eeuwige de God der HebreeŽn:  laat mijn volk gaan om Mij te dienen.  2  Want indien gij weigert hen te laten gaan en hen nog weerhoudt,  3  dan zal de hand van de Eeuwige zijn tegen uw vee, dat in het veld is, tegen de paarden,  de ezels, de kamelen, de runderen en het kleinvee , een zeer zware pest.  4  En de Eeuwige zal het vee van IsraŽl afzonderen van het vee der Egyptenaren, zodat er geen stuk van het vee dat de IsraŽlieten bezitten, zal sterven.  5  De Eeuwige stelde voorts een bepaalde tijd vast en zeide: Morgen zal de Eeuwige dit doen in het land.  6  En de Eeuwige deed dit op de volgende dag; al het vee van de Egyptenaren stierf, maar niet een stuk van het vee der IsraŽlieten stierf.  7  Toen zond Farao heen en zie, van het vee der IsraŽlieten was zelfs niet een stuk gestorven. Toch bleef het hart van Farao onvermurwbaar en liet hij het volk niet gaan.  8 En de Eeuwige zeide tot MoshŤ  en Aharon: Neemt uw handen vol roet uit een smeltoven, en laat MoshŤ  dit in de lucht strooien ten aanschouwen van Farao.  9  Dan zal het tot stof over het gehele land Egypte worden, het zal bij mens en dier in het gehele land Egypte tot zweren worden, die als puisten uitbreken.  10  Toen namen zij roet uit een smeltoven,  gingen voor Farao staan en MoshŤ  strooide het in de lucht en er kwamen bij mens en dier zweren, die als puisten uitbraken,  11  zodat de geleerden niet konden blijven staan voor MoshŤ , vanwege de zweren; want de geleerden kregen evenzeer zweren als alle Egyptenaren.  12  Maar de Eeuwige verhardde het hart van Farao, zodat hij naar hen niet luisterde, zoals de Eeuwige tot MoshŤ  gezegd had.  13 En de Eeuwige zeide tot MoshŤ : Sta vroeg in de morgen op, en stel u voor Farao en zeg tot hem: zo zegt de Eeuwige, de God der HebreeŽn: laat mijn volk gaan om Mij te dienen.  14  Want ditmaal zal Ik al mijn plagen laten losbreken tegen u persoonlijk,  tegen uw dienaren en uw volk, opdat gij weet , dat er niemand is op de gehele aarde, zoals Ik.  15  Reeds nu had Ik mijn hand kunnen uitstrekken om u en uw volk met de pest te slaan en zoudt gij van de aarde weggevaagd zijn;  16  doch hierom laat Ik u bestaan, om u mijn kracht te tonen, opdat men mijn naam verkondige op de gehele aarde.  17  Nog steeds verzet gij u tegen mijn volk,  zodat gij het niet laat gaan.  18  Zie, Ik zal het morgen om deze tijd zeer zwaar laten hagelen, zoals in Egypte nog niet gebeurd is van de dag af, dat het gegrondvest werd, tot nu toe.  19  Nu dan, laat uw kudde en alles wat gij op het veld hebt, in veiligheid brengen;  op alle mensen en al het vee, die zich op het veld bevinden en niet thuis gehaald zijn, zal de hagel neervallen,  zodat zij sterven.  20  Wie onder de dienaren van Farao het woord van de Eeuwige vreesde, liet zijn knechten en zijn vee in de huizen een toevlucht zoeken,  21  maar wie geen acht sloeg op het woord van de Eeuwige, liet zijn knechten en zijn kudde op het veld blijven.  22 En de Eeuwige zeide tot MoshŤ : Strek uw hand uit naar de hemel, opdat er hagel over het gehele land Egypte kome, over mens en dier en over al het veldgewas in het land Egypte. 23  Toen strekte MoshŤ  zijn staf uit naar de hemel, en de Eeuwige liet het donderen en hagelen, vuur schoot naar de aarde, en de Eeuwige deed het hagelen over het land Egypte.  24  En, terwijl er vuur door de hagelbuien heen flikkerde, hagelde het zo buitengewoon zwaar als nooit tevoren in het gehele land der Egyptenaren, sinds zij tot een volk geworden waren.  25  De hagel sloeg in het gehele land Egypte alles neer, wat op het veld was, van mens tot dier; ook al het veldgewas sloeg de hagel neer en alle bomen op het veld deed hij afknappen.  26  Alleen in het land Gosen, waar de IsraŽlieten woonden, hagelde het niet.  27  Toen liet Farao MoshŤ  en Aharon ontbieden en zeide tot hen: Ik heb ditmaal gezondigd, de Eeuwige is rechtvaardig , maar ik en mijn volk zijn schuldig.  28  Bidt tot de Eeuwige; de donderslagen Gods en de hagel zijn te erg. Dan zal ik u laten gaan, gij behoeft niet langer te blijven.  29  En MoshŤ  zeide tot hem: Zodra ik buiten de stad gekomen ben, zal ik mijn handen uitbreiden tot de Eeuwige; de donderslagen zullen ophouden en het zal niet meer hagelen , opdat gij weet, dat de aarde aan de Eeuwige toebehoort.  30  Maar wat u en uw dienaren aangaat, ik weet , dat gij nog niet vreest voor het aangezicht van de Eeuwige God.  31  Het vlas en de gerst nu waren neergeslagen , want de gerst stond in de aar en het vlas was in bloei.  32  Maar de tarwe en de spelt waren niet neergeslagen, want die komen later.  33  En MoshŤ  ging van Farao heen,  de stad uit, en hij breidde zijn handen uit tot de Eeuwige; toen hielden de donderslagen en de hagel op en de regen stroomde niet meer op de aarde neer.  34  Maar toen Farao zag, dat de regen,  de hagel en de donderslagen hadden opgehouden , ging hij voort met zondigen; hij liet zijn hart niet vermurwen, hij noch zijn dienaren.  35  Het hart van Farao verhardde, zodat hij de IsraŽlieten niet liet gaan, zoals de Eeuwige door MoshŤ  gezegd had. 

 

Ezech. 28:25-29:21, 25  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Als Ik het huis IsraŽls bijeenverzamel uit de natiŽn, in wier land zij verstrooid zijn, dan zal Ik Mij ten aanschouwen van de volken aan hen de Heilige betonen, en zij zullen wonen in hun land, dat Ik aan mijn knecht Yaíakov gegeven heb.  26  Zij zullen daar veilig wonen en huizen bouwen en wijngaarden planten; ja veilig zullen zij wonen, terwijl Ik gerichten voltrek aan allen uit hun omgeving, die hen veracht hebben. En zij zullen weten,  dat Ik, de Eeuwige, hun God ben.  29:1 In het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij:  2  Mensenkind, keer uw gelaat naar Farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen geheel Egypte.  3  Spreek en zeg: zo zegt de Eeuwige de Here: zie, Ik zal u, Farao, koning van Egypte! gij machtig monster, dat ligt te midden van uw Nijlarmen, dat zegt : van mij zijn mijn Nijlarmen, zelf heb ik ze voor mij gemaakt.  4  Haken ga Ik slaan in uw kaken,  de vissen van uw Nijlarmen zal Ik aan uw schubben doen vastkleven; dan zal Ik u ophalen uit uw Nijlarmen met al de vissen van uw Nijlarmen, die aan uw schubben vastkleven; 5  en Ik zal u neerwerpen in de woestijn, u met al de vissen van uw Nijlarmen. Op het open veld zult gij neervallen; gij zult niet opgeraapt noch weggehaald worden;  aan het gedierte der aarde en aan het gevogelte des hemels geef Ik u tot spijs.  6  En alle inwoners van Egypte zullen weten , dat Ik de Eeuwige ben, want zij zijn voor het huis Israels een rietstaf:  7  grijpt dit u met de hand vast, dan knakt gij en rijt hun allen de schouder open; leunen zij op u, dan breekt gij en brengt hun aller heup aan het wankelen.  8 Daarom, zo zegt de Eeuwige de Here,  zie, Ik breng een zwaard over u, Ik ga mens en dier uit u uitroeien,  9  zodat het land Egypte wordt tot een woestenij en een puinhoop, en zij zullen weten , dat Ik de Eeuwige ben. Omdat gij gezegd hebt: Van mij is de Nijl, zelf heb ik hem gemaakt,  10  zie, daarom keer Ik Mij tegen u en tegen uw Nijlarmen en zal Ik het land Egypte tot een volkomen puinhoop maken, een wildernis van Migdol af tot Syene toe, tot aan de grens van Ethiopie.  11  Geen mensenvoet zal er doorheen trekken , zelfs geen dierepoot zal er doorheen trekken; het zal onbewoond blijven,  veertig jaar.  12  Ik zal het land Egypte maken tot een woestenij te midden van verwoeste landen ; zijn steden zullen een woestenij zijn te midden van verdelgde steden, veertig jaar; Ik zal de Egyptenaren onder de volken verstrooien en hen verspreiden over de landen.  13  Want zo zegt de Eeuwige de Here: na verloop van veertig jaar zal Ik de Egyptenaren bijeenverzamelen uit de volken , in wier land zij verstrooid zijn.  14  En Ik zal een keer brengen in het lot der Egyptenaren en hen doen terugkeren naar het land Patros, naar hun land van herkomst,  en daar zullen zij een onbeduidend koninkrijk zijn.  15  Het zal het onbeduidendste onder de koninkrijken zijn, zodat het zich niet meer boven de volken verheffen kan. Ik zal hen klein maken , zodat zij niet heersen over de volken.  16  Dan zal het niet meer het vertrouwen kunnen uitmaken van het huis IsraŽls, een vertrouwen, dat aan schuld herinnert, wanneer zij zich achter hen scharen. En zij zullen weten , dat Ik de Eeuwige de Here ben.  17  In het zevenentwintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 18  Mensenkind, Nebukadressar, de koning van Babel, heeft zijn leger een zware strijd laten voeren tegen Tyrus: alle hoofden zijn kaal geworden en alle schouders ontveld, maar noch hem noch zijn leger is uit Tyrus enig loon ten deel gevallen voor de strijd die hij daartegen gevoerd heeft.  19  Daarom, zo zegt de Eeuwige de Here,  zie, ik ga aan Nebukadressar, de koning van Babel , het land Egypte geven, om daaruit de rijkdom weg te voeren, buit te behalen en roof te plegen: dat zal het loon zijn voor zijn leger.  20  Als vergoeding voor zijn dienst zal Ik hem het land Egypte geven, want zij hebben voor Mij gewerkt, luidt het woord van de Eeuwige de Here.  21  Te dien dage zal Ik voor het huis Israels een hoorn doen uitspruiten, en aan u zal Ik vrijmoedigheid geven om te midden van hen te spreken. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben.  30:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij:  2  Mensenkind, profeteer en zeg: zo zegt de Eeuwige de Here: weeklaagt:  ach, die dag!  3  Want nabij is de dag, ja, nabij is een dag van de Eeuwige, een dag van wolken, het uur der volken zal het zijn.  4  Een zwaard zal in Egypte komen; siddering zal er zijn in Ethiopie, wanneer er doden vallen in Egypte, en wanneer men zijn rijkdom wegneemt en zijn fundamenten worden vernield. 5  Ethiopie, Put, Lud, heel de gemengde bevolking, Kub en de zonen van het met hen verbonden land zullen met hen door het zwaard vallen.  6  Zo zegt de Eeuwige: Zij die Egypte steunen, zullen vallen; zijn trotse kracht zal neerzinken. Van Migdol tot Syene toe zullen zij daar door het zwaard vallen , luidt het woord van de Eeuwige de Here.  7  Verwoest zal het liggen te midden van verwoeste landen, zijn steden te midden van verdelgde steden.  8  En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik vuur breng in Egypte en al zijn helpers vernietigd worden.  9  Te dien dage zullen boden van Mij uitgaan op schepen, om het onbezorgde Ethiopie schrik aan te jagen, en er zal siddering onder hen zijn op de dag van Egypte.  Want zie; Het komt!  10  Zo zegt de Eeuwige de Here: Ja, Ik zal een einde maken aan de drommen van Egypte door de hand van Nebukadressar, de koning van Babel.  11  Hij en zijn volk, de gewelddadigste der volken, worden aangevoerd om het land te verwoesten; zij zullen hun zwaarden tegen Egypte trekken en het land met doden vullen.  12  Ik zal de Nijlarmen droogleggen en het land aan booswichten overgeven; Ik zal het land, met al wat erop is, verwoesten door de hand van vreemden. Ik, de Eeuwige, heb het gesproken.  13  Zo zegt de Eeuwige de Here: Ja, Ik zal de afgoden vernietigen en de schijngoden uit Nof doen verdwijnen; er zal geen Egyptische vorst meer zijn. En Ik zal vrees brengen over het land Egypte,  14  Patros verwoesten, vuur leggen in Soan en gerichten voltrekken aan No.  15  Ik zal mijn grimmigheid uitstorten over Sin, de vesting van Egypte, en Ik zal de menigte van No uitroeien.  16  Vuur zal Ik leggen in Egypte. Sin zal hevig beven; in No zullen bressen geslagen worden; en wat Nof betreft:  vijanden bij dag!  17  De jongelingen van Awen en Pi-beset zullen door het zwaard vallen en zij zelf zullen in gevangenschap gaan.  18  In Tachpanches zal de dag verduisterd worden , wanneer Ik daar de Egyptische macht verbreek. Vernietigd wordt daarin zijn trotse sterkte; een wolk zal het bedekken en zijn dochters zullen in gevangenschap gaan.  19  Zo zal Ik gerichten voltrekken aan Egypte ; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben.  20 In het elfde jaar, in de eerste maand,  op de zevende der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij:  21  Mensenkind, de arm van Farao, de koning van Egypte, heb Ik gebroken; zie, hij zal niet ter genezing verbonden worden door hem met een zwachtel te omwikkelen, zodat hij weer sterk genoeg wordt om het zwaard te grijpen.

 

 

 

Een paar gedachten

 

-         maar met mijn naam de Eeuwige ben Ik hun niet bekend geweest (6:3). God openbaart zich verdergaand. Dat brengt ook een grotere verantwoordelijkheid met zich mee.

 

-         Zeg derhalve tot de IsraŽlieten: Ik ben de Eeuwige, Ik zal u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleiden (I), u redden van hun slavernij (II) en u verlossen door een uitgestrekte arm en onder zware gerichten (III).  7  Ik zal Mij u tot een volk aannemen (IV) en Ik zal u tot een God zijn (V), opdat gij weet,  dat Ik, de Eeuwige, uw God, het ben, die u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleid.  8  En Ik zal u brengen naar het land (VI),  (6:6-8).

      De verlossing van IsraŽl door God bestaat uit diverse facetten: 1. Uitleiden, dat is heiligen of apart zetten. 2. Redden (van elke soort Ďdwangíarbeid (hoe licht ook), dat is niets wordt er gemist, niets is er gebroken. De Egyptenaren zullen geen enkele authoriteit over je hebben (ook niet buiten Egypte) 3. Verlossen, dat is in de vrijheid zetten (zonder tegenprestatie als borgtocht). 4. Tot volk aannemen (door het geven van de Thora, het doel waar ze voor bevrijd zijn), dat is verantwoordelijk voor hen zijn. 5. Tot een God zijn, dat is in relatie leven met hen. 6. In het land brengen, dat is je zal een woonplaats krijgen, het land IsraŽl als eeuwige erfenis.

 

-         opdat gij weet,  dat Ik, de Eeuwige, uw God, het ben, die u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleid /uitbrengt (6;7). De tijdsvorm die gebruikt wordt geeft aan dat het voortdurend geldt. Ook nu. (Zie de zegening Gezegend bent U, Eeuwige die het brood uit de aarde voortbrengt). Geldt voor het volk IsraŽl en allen die er bij aangesloten zijn.

 

-         Amram nam zich Jokebed, zijn tante (6:20). In de geslachtslijn van diverse grote Godsmannen in de Bijbel komen familierelaties voor die ĎThoratechnischí niet goed zijn. Het verhindert God niet om door nakomelingen ervan, die een verlangen hebben om God te dienen, grote dingen te doen.

 

-         De Eeuwige echter zeide tot MoshŤ: Zie, Ik stel u als God voor Farao; en uw broeder Ašron zal uw profeet zijn (7:1). MoshŤ krijgt goddelijke autoriteit om te spreken. Als hij tegen Farao spreekt was het alsof God zelf zou spreken.

 

-         Maar Ik zal het hart van Farao verstokken (7:3) Hierin komt Gods almacht over alle mensen tot uiting. Het verstokken van het hart van Farao staat los van het feit dat hij een vrije wil heeft. De aanvankelijke keuzen van de Farao leidde er toe dat hij niet meer anders kon. Er is een strijd tussen de heerser die als God wil zijn en God die bevrijd. Na het verstokken van farao gaat God door te waarschuwen om het Egyptische volk zelf de gelegenheid te geven tesjoeva te doen.

 

-         Zo zegt de Eeuwige: hieraan zult gij weten, dat Ik de Eeuwige ben: zie, ik zal met de staf die in mijn hand is, op het water in de Nijl slaan; het zal in bloed veranderd worden,  18  en de vis in de Nijl zal sterven, zodat de Nijl zal stinken; dan zullen de Egyptenaren het water uit de Nijl niet kunnen drinken (7:17,18) De Nijl was een afgod van de Egyptenaren en werd met deze plaag voor schut gezet. De Eeuwige laat op een onovertroffen wijze zijn macht over deze afgod zien. Volgens de overlevering vond deze gebeurtenis plaats in het seizoen dat de Egyptenaren van de vis leefde. de Egyptenaren vereerden de Nijl als god (de god die leven schenkt bloed dood). Al de plagen hebben als doel om de almacht van God te laten zien. De farao die zichzelf als God zag zei dat hij de schepper van de Nijl was. God laat zien dat hij totaal geen macht heeft. (Mozes werd uit de Nijl gehaald). De overlevering vertelt dat ook het water uit de putten in bloed veranderde. Alleen dat in Gosen niet.

 

-         De eerste plaag raakte de farao en de mensen niet persoonlijk.

 

-         Maar de Egyptische geleerden deden door hun toverkunsten hetzelfde (7:22). God laat toe dat de tovenaars bepaalde macht hebben. Wonderen zijn niet het bewijs van de Ďware Godí. God is te kennen en laat zich kennen door relatie. Tekenen laten je alleen op de omstandigheden zien. God wil geloofsrelatie.

 

-         indien gij weigert het te laten gaan, zal Ik uw gehele gebied met kikvorsen teisteren (8:2). Kikkers waren voor de Egyptenaren het symbool van oorspronkelijk leven. Ze hadden ook ze een god die werd afgebeeld met kikkerkop (ze zouden uit niets ontstaan). Daarom gebruikt de Eeuwige deze plaag (een afgod die zich tegen henzelf keert). God zet ook deze afgod voor schut. Wil je kikkers aanbidden. Nu hier heb je ze.) God zet zo alle afgoden van Egypte in beheerst tempo een voor een te kijken. Bij de kikvorsen nam de plaag ook geleidelijkerhand toe om ze ook nu weer de gelegenheid te geven zich te bekeren voordat het hen zou raken.

 

-         Maar de geleerden deden hetzelfde door hun toverkunsten, zodat zij kikvorsen over het land Egypte deden opkomen (8:7) De toverkunsten van de afgodendienaars helpt ze alleen maar om verder in de problemen te komen.

 

-         Maar toen Farao zag, dat er verlichting was ingetreden, liet hij zijn hart niet vermurwen en luisterde niet naar hen (8:15). De Farao, als leider van het volk is verantwoordelijk voor alle plagen die over het volk komen.

 

-         En de Eeuwige zeide tot Mozes: Zeg tot Ašron: strek uw staf uit en sla het stof der aarde. (8:16). Nu wordt farao niet gewaarschuwd. Doordat het stof in muggen/luizen veranderde was er ook geen materiaal meer om huizen te bouwen.

 

-         Ook de geleerden deden hetzelfde om door hun toverkunsten de muggen te voorschijn te brengen; maar zij konden het niet (8:18). Uiteindelijk blijken de tovenaars krachteloos te zijn.

 

-         Toen zeiden de geleerden tot Farao:  Dit is Gods vinger. Maar het hart van Farao verhardde, en hij luisterde niet naar hen, zoals de Eeuwige gezegd had.  20 En de Eeuwige zeide tot MoshŤ: Sta vroeg in de morgen op en stel u voor Farao ; zie, hij is gewoon naar het water te gaan, en gij zult tot hem zeggen: zo zegt de Eeuwige: laat mijn volk gaan, om Mij te dienen; (8:19,20) De plagen komen voort uit de genade van God. Iedere keer had Farao gelegenheid om zich te bekeren. Dan komen er ongedierte (schorpioenen, slangen en wilde dieren etc.)

 

-         laat mijn volk gaan, om Mij te dienen;  (8:20). Bevrijding van de onderdrukker heeft als doel dat het volk God geheel en al gaat dienen.

 

-         Toen ontbood Farao MoshŤ en Aharon en zeide: Gaat, offert aan uw God in dit land.  Maar MoshŤ zeide: Het is onmogelijk zo te doen, wij zouden aan de Eeuwige (geen compromissen), onze God, offeren, wat de gruwel der Egyptenaren is. Wanneer wij datgene, wat de gruwel der Egyptenaren is, voor hun ogen zouden offeren, zouden zij ons dan niet stenigen? Wij willen drie dagreizen ver de woestijn intrekken en de Eeuwige, onze God, offers brengen, zoals Hij ons gezegd heeft (8:25-27). MoshŤ doet geen compromissen in het dienen van God. Alleen zoals God het geÔnstrueerd heeft aanvaard hij.

 

-         En de Eeuwige, zeide tot MoshŤ: Ga tot Farao (9:1). Het is opmerkelijk dat hij iedere keer tot bij de Farao kwam. Deze kon hem op zijn beurt niets doen om God MoshŤ beschermde.

 

-         Want indien gij weigert hen te laten gaan en hen nog weerhoudt,  3  dan zal de hand van de Eeuwige zijn tegen uw vee (9:2). God waarschuwt ook nu vooraf en laat nu ook weer zien dat de afgoden hem niet kunnen helpen. De Egyptenaren aanbaden drie dieren als god: een met de afbeelding van een koe en twee met de afbeeldingen van een stier. Andere uitleggers geven aan dat ze geteisterd werden met wilde dieren. God geeft het ook nu van te voren aan zodat ze weten dat het geen Ďnatuurlijkeí ziekte is.

 

-         En de Eeuwige zal het vee van IsraŽl afzonderen van het vee der Egyptenaren, zodat er geen stuk van het vee dat de IsraŽlieten bezitten, zal sterven. (9:4). Het volk IsraŽl en hun vee wordt gespaard bij de komende plaag. Ook daarin laat God zijn bewogenheid met Zijn volk zien en laat hij zien dat deze plagen een boodschap hebben voor juist de Egyptenaren. Zie ook 9:26.

 

-         Toen zond Farao heen en zie, van het vee der IsraŽlieten was zelfs niet een stuk gestorven. Toch bleef het hart van Farao onvermurwbaar en liet hij het volk niet gaan (9:7). God geeft keer op keer een bewijs van Zijn grootheid.

 

-         Dan zal het tot stof over het gehele land Egypte worden, het zal bij mens en dier in het gehele land Egypte tot zweren worden, die als puisten uitbreken (9:9). Ook de god Astarte blijkt machteloos. De oordelen zijn trouwens oplopend in zwaarte. Eerst het het land dan de dieren en dan de bevolking zelf. Ook nu weer laat God zien hoe genadig hij is. Bij bekering is er herstel.

 

-         Zie, Ik zal het morgen om deze tijd zeer zwaar laten hagelen (9:18) Dit laat zien dat de Egyptische luchtgoden ook eigenlijk niets zijn.

 

-         Wie onder de dienaren van Farao het woord van de Eeuwige vreesde liet zijn knechten en zijn vee in de huizen een toevlucht zoeken,   (9:20). Ook niet-IsraŽlieten zijn veilig als ze zich bij het volk IsraŽl aansluiten en later ook mee uittrekken naar Eretz IsraŽl. 

 

-         God brengt Zijn volk terug naar Zijn land om er veilig te wonen (Ezech. 28:25,26). Er zal vrede komen in IsraŽl. de Eeuwige regeert !!! De volken die tegen God ingaan zullen geoordeeld worden

 

-         Zo zegt de Eeuwige de Here: Ja, Ik zal de afgoden vernietigen en de schijngoden uit Nof doen verdwijnen (30:13). Alle schijngoden worden net als in Egypte vernietigt.

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr14 - Bo ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021