Nr30 - Emor

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

Thora-gedeelte Emor

 

Emor (spreek), Lev. 21:1-24:23, Haftarah: Ezech. 44:15-31

 

Lev. 21:1-24:23   1 En de Eeuwige zeide tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aharon,  en zeg tot hen, dat geen hunner zich aan een dode zal verontreinigen onder zijn volksgenoten, 2  behalve aan zijn naaste bloedverwant:  zijn moeder, zijn vader, zijn zoon, zijn dochter, zijn broeder,  3  zijn zuster, die nog ongetrouwd en hem na verwant is, die nog geen man toebehoorde; aan die mag hij zich verontreinigen.  4  Als echtgenoot zal hij zich onder zijn volksgenoten niet verontreinigen en zich daardoor ontheiligen.  5  Zij zullen op hun hoofd geen kale plek maken , noch de rand van hun baard wegscheren noch insnijdingen in hun lichaam maken.  6  Heilig zullen zij hun God zijn en de naam van hun God zullen zij niet ontheiligen,  want zij brengen de vuuroffers van de Eeuwige , de spijze van hun God, daarom zullen zij heilig zijn.  7  Geen ontuchtige of onteerde vrouw zullen zij huwen, en een vrouw die door haar man verstoten is, zullen zij niet nemen , want hij is heilig voor zijn God.  8  En gij zult hem heilig houden, want de spijze van uw God offert hij: hij zij u heilig, want heilig ben Ik, de Eeuwige,  die u heilig.  9  En wanneer een priesterdochter zich ontheiligt door ontucht te plegen, dan ontheiligt zij daarmee haar vader; met vuur zal zij verbrand worden. 10 En de priester, die de hoogste is onder zijn broeders, op wiens hoofd de zalfolie is gegoten en die men gewijd heeft,  door hem de heilige klederen aan te trekken, zal zijn hoofdhaar niet los laten hangen en zijn klederen niet scheuren.  11  Bij geen enkele dode zal hij komen; aan zijn vader of moeder zal hij zich niet verontreinigen.  12  Het heiligdom zal hij niet verlaten , opdat hij het heiligdom van zijn God niet ontheilige, want de wijding van de zalfolie van zijn God is op hem: Ik ben de Eeuwige.  13  Een vrouw in haar maagdelijke staat zal hij nemen.  14  Een weduwe, een verstotene, een onteerde of ontuchtige vrouw, deze zal hij niet huwen, maar een maagd uit zijn volksgenoten zal hij tot vrouw nemen, 15 opdat hij zijn nakomelingen onder zijn volksgenoten niet ontheilige, want Ik ben de Eeuwige, die hem heilig.  16 En de Eeuwige sprak tot Mozes aldus:  17  Spreek tot Aharon: Wie van uw nakomelingen in latere geslachten een lichaamsgebrek heeft, zal niet naderen om de spijze van zijn God te offeren, 18  want niemand die een lichaamsgebrek heeft, zal naderen: een blinde of een verlamde of iemand met mismaakt gelaat of met te lange leden,  19  of iemand die een breuk aan been of arm heeft,  20  of een bultenaar of een uitgeteerde, of iemand, die een vlek op zijn oog heeft, of die uitslag of huidziekte heeft, of die geschonden is aan de geslachtsdelen.  21  Geen nakomeling van de priester Aharon, die een lichaamsgebrek, heeft, zal naderen om de vuuroffers van de Eeuwige te brengen ; hij heeft een lichaamsgebrek met de spijze van zijn God zal hij niet naderen om te offeren.  22  De spijze van zijn God, zowel van het allerheiligste als van het heilige, mag hij eten.  23  Alleen bij het voorhangsel zal hij niet komen en tot het altaar zal hij niet naderen , want hij heeft een lichaamsgebrek; opdat hij mijn heiligdommen niet ontheilige, want Ik ben de Eeuwige, die hen heilig. 24  Zo sprak Mozes tot Aharon en zijn zonen en tot alle IsraŽlieten. 

22:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Spreek tot Aharon en zijn zonen,  dat zij, om mijn heilige naam niet te ontheiligen, zich in acht nemen ten aanzien van de heilige gaven die de IsraŽlieten Mij heiligen: Ik ben de Eeuwige.  3  Zeg tot hen: Ieder in uw geslachten , die uit al uw nakomelingen nadert tot de heilige gaven die de IsraŽlieten de Eeuwige heiligen, terwijl zijn onreinheid nog aan hem is, die zal van voor mijn aangezicht uitgeroeid worden: Ik ben de Eeuwige.  4  Geen van Aharons nakomelingen, die melaats is of een vloeiing heeft, zal eten van de heilige gaven, totdat hij gereinigd is; evenmin hij die iets aanraakt , dat onrein geworden is door een dode, of iemand die een zaaduitstorting heeft, 5  of iemand die enig kruipend gedierte aanraakt, waardoor hij onrein wordt, of een mens, door wie hij onrein wordt,  doordat deze een of andere onreinheid aan zich heeft;  6  hij, die zoiets aanraakt, blijft onrein tot de avond en zal niet eten van de heilige gaven, tenzij hij zijn lichaam in water gebaad heeft.  7  En als de zon ondergegaan is, zal hij rein zijn en daarna zal hij van de heilige gaven eten, want het is zijn spijs.  8  Een gestorven of verscheurd dier zal hij niet eten en zich daardoor niet verontreinigen: Ik ben de Eeuwige.  9  En zij zullen mijn voorschrift in acht nemen,  opdat zij deswege geen zonde op zich laden en daardoor sterven, omdat zij dat ontheiligd hebben: Ik ben de Eeuwige, die hen heilig.  10 En geen onbevoegde zal iets heiligs eten, geen inwonende bij de priester of dagloner zal iets heiligs eten.  11  Maar wanneer de priester iemand als eigendom koopt met zijn geld, mag deze daarvan eten, ook zij, die in zijn huis geboren werden, mogen van zijn spijs eten. 12  En wanneer een priesterdochter met iemand , die geen priester is, getrouwd is, dan zal zij van de heffing der heilige gaven niet eten.  13  Wanneer echter een priesterdochter weduwe wordt of verstoten wordt en geen kinderen heeft en teruggekeerd is naar haars vaders huis, zoals in haar jeugd, dan mag zij van de spijs haars vaders eten; maar geen onbevoegde zal daarvan eten.  14  Wanneer nu iemand zonder opzet iets heiligs gegeten heeft, dan zal hij het heilige de priester vergoeden en een vijfde deel erbij voegen.  15  En zij zullen de heilige gaven die de IsraŽlieten voor de Eeuwige heffen, niet ontheiligen,  16  want zij zouden hen alzo zondeschuld doen dragen , wanneer zij hun heilige gaven zouden eten : want Ik ben de Eeuwige, die hen heilig.  17 En de Eeuwige sprak tot Mozes:  18  Spreek tot Aharon en zijn zonen en tot al de IsraŽlieten en zeg tot hen: Ieder van het huis IsraŽls en van de vreemdelingen in IsraŽl, die zijn offergave brengt, overeenkomstig al de geloften en vrijwillige offers, die zij de Eeuwige als brandoffer willen offeren:  19  het moet, zo gij welgevallig wilt zijn, gaaf wezen, van het mannelijke geslacht van het rundvee,  van de schapen en van de geiten.  20  Niets dat enig gebrek heeft, zult gij offeren; want het zou u geen welgevallen doen vinden.  21  Ook wanneer iemand de Eeuwige een vredeoffer brengt, om een gelofte te vervullen of als een vrijwillig offer van runderen of van kleinvee, dan zal het gaaf wezen, opdat het welgevallig zij: geen enkel gebrek zal het hebben.  22  Wat blind is of gebroken of een wond , buil, uitslag of huidziekte heeft,  dat zult gij de Eeuwige niet offeren en daarvan zult gij de Eeuwige geen vuuroffer op het altaar geven.  23  Maar een rund of schaap met te lange of te korte leden, dat moogt gij als vrijwillig offer toebereiden, maar als gelofte zal het niet welgevallig zijn.  24  Wat echter door kneuzen, stoten,  uitrukken of snijden verminkt is, zult gij de Eeuwige niet offeren; dat zult gij in uw land niet doen.  25  Ook uit de hand van een vreemdeling zult gij niets van dat alles uw God als spijze offeren, want zij zijn geschonden , er is een gebrek aan; het zal u niet welgevallig doen zijn.  26  En de Eeuwige sprak tot Mozes:  27  Wanneer een rund of schaap of geit geboren wordt, dan zal dat zeven dagen bij zijn moeder blijven, maar van de achtste dag af en daarna zal het als een gave de Eeuwige ten vuuroffer welgevallig zijn.  28  Een rund of een stuk kleinvee zult gij niet tegelijk met zijn jong op een dag slachten.  29  En wanneer gij de Eeuwige een lofoffer slacht, zult gij het zo slachten, dat gij welgevallen vindt.  30  Op dezelfde dag zal het gegeten worden;  niets moogt gij daarvan overlaten tot de morgen: Ik ben de Eeuwige.  31  Neemt dan mijn geboden nauwgezet in acht: Ik ben de Eeuwige.  32  En ontheiligt mijn heilige naam niet , zodat Ik geheiligd worde in het midden der IsraŽlieten: Ik ben de Eeuwige, die u heilig,  33  die u uit het land Egypte deed trekken , opdat Ik u tot een God zou zijn: Ik ben de Eeuwige. 

23:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: De feesttijden van de Eeuwige, die gij zult uitroepen als heilige samenkomsten , zijn mijn feesttijden.  3  Zes dagen mag arbeid verricht worden , maar op de zevende dag zal er een volkomen sabbat zijn: een heilige samenkomst;  generlei arbeid zult gij verrichten,  het is een sabbat voor de Eeuwige in al uw woonplaatsen.  4 Dit zijn de feesttijden van de Eeuwige, heilige samenkomsten, die gij uitroepen zult op de daarvoor bepaalde tijd.  5  In de eerste maand, op de veertiende der maand, in de avondschemering, is het pascha voor de Eeuwige.  6  En op de vijftiende dag van deze maand is het feest der ongezuurde broden voor de Eeuwige , zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten.  7  Op de eerste dag zult gij een heilige samenkomst hebben; dan zult gij generlei slaafse arbeid verrichten.  8  Gij zult de Eeuwige een vuuroffer brengen gedurende zeven dagen; op de zevende dag zal er een heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten.  9  En de Eeuwige sprak tot Mozes:  10  Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land dat Ik u geef, en de oogst daarvan binnenhaalt, dan zult gij de eerstelingsgarve van uw oogst naar de priester brengen ,  11  en hij zal de garve voor het aangezicht van de Eeuwige bewegen, opdat gij welgevallig zijt; daags na de sabbat zal de priester die bewegen.  12  Gij zult op de dag waarop gij de garve beweegt , een gaaf eenjarig schaap de Eeuwige ten brandoffer bereiden,  13  met als bijbehorend spijsoffer twee tienden fijn meel, met olie aangemaakt, ten vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige , en als bijbehorend plengoffer een vierde hin wijn.  14  Tot op die dag zult gij geen brood , geen geroosterd of vers koren eten,  totdat gij de offergave van uw God gebracht hebt : het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen.  15 Dan zult gij tellen van de dag na de sabbat, van de dag waarop gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken zullen het zijn;  16  tot de dag na de zevende sabbat zult gij tellen, vijftig dagen; dan zult gij een nieuw spijsoffer de Eeuwige brengen.  17  Uit uw woonplaatsen zult gij twee beweegbroden meebrengen; uit twee tienden efa fijn meel zullen zij bereid worden , gezuurd zullen zij gebakken worden,  eerstelingen voor de Eeuwige.  18  Bij het brood zult gij zeven gave eenjarige schapen offeren en een jonge stier en twee rammen; zij zullen een brandoffer voor de Eeuwige zijn, met de bijbehorende spijsoffers en plengoffers, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige.  19  Dan zult gij een geitebok ten zondoffer,  en twee eenjarige schapen ten vredeoffer bereiden.  20  En de priester zal ze bewegen, bij het brood der eerstelingen, als beweegoffer voor het aangezicht van de Eeuwige bij de twee schapen : zij zullen de Eeuwige heilig zijn, zij zijn voor de priester.  21  Op deze zelfde dag zult gij een oproep doen uitgaan, gij zult een heilige samenkomst hebben, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten; het is een altoosdurende inzetting, in al uw woonplaatsen, voor uw geslachten.  22  Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt , dan zult gij de rand van uw veld bij uw oogst niet geheel afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, zult gij niet oplezen ; dat zult gij voor de arme en de vreemdeling laten liggen: Ik ben de Eeuwige, uw God.  23 En de Eeuwige sprak tot Mozes :  24  Spreek tot de IsraŽlieten:  In de zevende maand, op de eerste der maand,  zult gij een rustdag hebben, aangekondigd door bazuingeschal, een heilige samenkomst.  25  Generlei slaafse arbeid zult gij verrichten en gij zult de Eeuwige een vuuroffer brengen.  26  En de Eeuwige sprak tot Mozes:  27  Maar op de tiende van die zevende maand is de Verzoendag; een heilige samenkomst zult gij hebben en gij zult u verootmoedigen en de Eeuwige een vuuroffer brengen.  28  Op die dag zult gij generlei arbeid verrichten, want het is de Verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God.  29  Want ieder die zich op die dag niet zal verootmoedigen, zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten.  30  Ieder die enige arbeid verricht op die dag, zal Ik verdelgen uit het midden van zijn volk.  31  Generlei arbeid zult gij verrichten : het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen.  32  Het zal u een volkomen sabbat zijn en gij zult u verootmoedigen. Op de negende van de maand, des avonds, van avond tot avond, zult gij uw sabbat vieren.  33 En de Eeuwige sprak tot Mozes:  34  Spreek tot de IsraŽlieten:  Op de vijftiende dag van deze zevende maand begint het Loofhuttenfeest voor de Eeuwige , zeven dagen lang.  35  Op de eerste dag zal er een heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten.  36  Zeven dagen zult gij de Eeuwige een vuuroffer brengen; op de achtste dag zult gij een heilige samenkomst hebben en de Eeuwige een vuuroffer brengen; het is een feest,  generlei slaafse arbeid zult gij verrichten.  37  Dit zijn de feesttijden van de Eeuwige, waarop gij heilige samenkomsten zult uitroepen, om de Eeuwige een vuuroffer te brengen: brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en plengoffers,  naar het voorschrift voor iedere dag,  38  behalve de sabbatten van de Eeuwige en behalve de gaven en al de gelofteoffers en al de vrijwillige offers, die gij de Eeuwige geven wilt.  39  Doch op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer gij de opbrengst van uw land inzamelt, zult gij zeven dagen het feest van de Eeuwige vieren; op de eerste dag zal er rust zijn en op de achtste dag zal er rust zijn.  40  Op de eerste dag zult gij vruchten van sierlijke bomen nemen, takken van palmen en twijgen van loofbomen en van beekwilgen, en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, zeven dagen lang.  41  Gij zult het als een feest van de Eeuwige vieren zeven dagen in het jaar, een altoosdurende inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren.  42  In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in IsraŽl geboren zijn,  zullen in loofhutten wonen,  43  opdat uw geslachten weten, dat Ik de IsraŽlieten in hutten heb doen wonen , toen Ik hen uit het land Egypte leidde : Ik ben de Eeuwige, uw God.  44  Zo maakte Mozes de feesttijden van de Eeuwige aan de IsraŽlieten bekend. 

24:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Gebied de IsraŽlieten, dat zij tot u brengen zuivere olie, uit gestoten olijven , voor de kandelaar, om voortdurend een lamp te laten branden.  3  Buiten het voorhangsel der getuigenis in de tent der samenkomst zal Aharon die voortdurend verzorgen, van de avond tot de morgen , voor het aangezicht van de Eeuwige. Het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten.  4  Op de kandelaar van louter goud zal hij voortdurend de lampen verzorgen voor het aangezicht van de Eeuwige.  5  En gij zult fijn meel nemen en daarvan twaalf koeken bakken, uit twee tienden efa zal elke koek bereid worden;  6  gij zult ze op twee stapels leggen, zes op een stapel, op de tafel van louter goud , voor het aangezicht van de Eeuwige.  7  Gij zult zuivere wierook op elke stapel leggen; dit zal dan dienen als gedenkoffer van het brood, een vuuroffer voor de Eeuwige.  8  Elke sabbatdag zal hij dat steeds opnieuw gereed maken voor het aangezicht van de Eeuwige; van de zijde der IsraŽlieten is het een verbond voor altoos.  9  En het zal voor Aharon en zijn zonen zijn,  en zij zullen het op een heilige plaats eten,  want het is allerheiligst voor hem; het behoort tot de vuuroffers van de Eeuwige; het is een altoosdurende inzetting.  10 Eens ging een zoon van een IsraŽlitische vrouw , die tevens de zoon was van een Egyptisch man onder de IsraŽlieten, naar buiten, en de zoon van deze IsraŽlitische en een IsraŽlitisch man kregen in de legerplaats twist.  11  En de zoon van de IsraŽlitische vrouw lasterde de Naam en vloekte; toen brachten zij hem tot Mozes. De naam nu van zijn moeder was Selomit, de dochter van Dibri , van de stam Dan.  12  En zij zetten hem in verzekerde bewaring in afwachting van een beslissing op grond van een uitspraak van de Eeuwige.  13  Toen sprak de Eeuwige tot Mozes:  14  Breng de vloeker buiten de legerplaats, en allen die het gehoord hebben , zullen hun handen op zijn hoofd leggen , daarna zal de gehele vergadering hem stenigen.  15  En tot de IsraŽlieten zult gij zeggen : Een ieder, die zijn God vloekt , zal zijn zonde dragen.  16 Wie de Naam van de Eeuwige lastert, zal zeker ter dood gebracht worden: de gehele vergadering zal hem stenigen: zowel een vreemdeling als een geboren IsraŽliet, zal, wanneer hij de Naam lastert, ter dood gebracht worden.  17  Ook wanneer iemand enig mens doodslaat, zal hij zeker ter dood gebracht worden.  18  Maar wie een stuk vee doodt, zal dat vergoeden: stuk voor stuk.  19  En wanneer iemand zijn volksgenoot lichamelijk letsel toebrengt, dan zal hem evenzo gedaan worden als hij gedaan heeft:  20  breuk voor breuk, oog voor oog , tand voor tand; hetzelfde letsel,  dat hij een mens heeft toegebracht, zal hem toegebracht worden.  21  En wie een beest doodslaat, zal het vergoeden , maar wie een mens doodslaat, zal ter dood gebracht worden.  22  Enerlei recht zult gij hebben; de vreemdeling zij gelijk de geboren IsraŽliet,  want Ik ben de Eeuwige, uw God.  23  Zo sprak Mozes tot de IsraŽlieten; toen brachten zij de vloeker buiten de legerplaats en stenigden hem,  en de IsraŽlieten deden gelijk de Eeuwige Mozes bevolen had. 

 

Ezech. 44:15-31  15  Maar de levitische priesters, de zonen van Sadok, die de dienst in mijn heiligdom in acht genomen hebben, toen de IsraŽlieten van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen om Mij te dienen, en zij zullen in mijn dienst staan om Mij vet en bloed te brengen, luidt het woord van de Eeuwige de Here.  16  Die zullen mijn heiligdom binnengaan , en die zullen tot mijn tafel naderen om Mij te dienen, en zij zullen mijn dienst waarnemen.  17 Wanneer zij dan de poorten van de binnenste voorhof ingaan, zullen zij linnen klederen aantrekken; zij mogen geen wol dragen, als zij dienst doen in de poorten van de binnenste voorhof of in het huis.  18  Linnen hoofddoeken zullen op hun hoofd zijn en linnen broeken aan hun heupen , zij zullen zich niet omgorden met iets dat doet zweten.  19  En wanneer zij uitgaan naar de buitenste voorhof tot het volk, dan zullen zij hun klederen waarin zij dienst gedaan hebben,  uittrekken en die neerleggen in de vertrekken van het heiligdom, en andere klederen aantrekken, opdat zij door hun klederen het volk niet heiligen.  20  Ook zullen zij hun hoofdhaar niet scheren noch het hoofdhaar vrij laten groeien, maar zij zullen hun hoofdhaar knippen.  21  Geen der priesters zal wijn drinken , wanneer zij de binnenste voorhof zullen ingaan.  22  Zij zullen zich geen weduwe of een verstotene tot vrouw nemen; maar meisjes uit de nakomelingschap van het huis IsraŽls , of een weduwe die de weduwe van een priester is, mogen zij nemen.  23  En zij zullen mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en niet heilig en het onderscheid doen kennen tussen onrein en rein. 24  Ook bij een geschil zullen zij optreden om recht te spreken; naar mijn verordeningen zullen zij dat beslechten; mijn wet en mijn inzettingen zullen zij op al mijn feesttijden onderhouden en mijn sabbatten zullen zij heiligen.  25  Niemand van hen mag bij een dode komen, waardoor hij zich zou verontreinigen;  slechts aan vader of moeder, zoon of dochter,  broeder of zuster die aan geen man heeft toebehoord, mogen zij zich verontreinigen.   26  Men zal na zijn reiniging voor hem zeven dagen aftellen,  27  en op de dag dat hij weer het heiligdom, de binnenste voorhof, binnengaat om in mijn heiligdom dienst te doen, zal hij zijn zondoffer brengen, luidt het woord van de Eeuwige de Here.  28  Dit zal hun tot erfdeel zijn: Ik ben hun erfdeel; een bezitting in IsraŽl moogt gij hun niet geven: Ik ben hun bezitting.  29  Het spijsoffer, het zondoffer en het schuldoffer mogen zij eten, en al wat in IsraŽl met de ban getroffen wordt, dat zal voor hen zijn ;  30  het beste van alle eerstelingen van wat ook , en elke heffing van welke van al uw heffingen ook, zal voor de priesters wezen;  ook het beste van uw gerstemeel zult gij de priester geven om zegen te doen rusten op uw huis.  31  Niets wat gestorven of verscheurd is, van gevogelte of van vee, zullen de priesters eten.

 

 

 

 

Een paar gedachten

> En de Eeuwige zeide tot Moshť: Spreek tot de priesters, de zonen van Aharon,  en zeg tot hen, dat geen hunner zich aan een dode zal verontreinigen onder zijn volksgenoten (21:1). Rav. Kook legt uit: Een cohen moet vrij zijn van dingen die hem teneer drukken door wat hij ziet. De dood is niet het einde. Bij het zien van een dode kan je je moeilijk daar op richten. Je ziet alleen de dood. Van een cohen wordt een grotere heiligheid verwacht. Dat hij zich daar boven verheft.

> Zij zullen op hun hoofd geen kale plek maken, noch de rand van hun baard wegscheren noch insnijdingen in hun lichaam maken (21:5). Niet zoals de heidenen rouwen die geen toekomst hebben. Voor hen is de dood het einde en houdt het op.

> Priesters moeten hun werk serieus nemen en geheiligd uitvoeren anders wordt Gíd ontheiligt (22:2)

> Offerande / gave aan Gíd dient zonder gebrek te zijn (22:19-21)

> In de woestijn, waar Gíd hun duidelijk laat zien dat Hij hen uit Egypte heeft gehaald, laat Hij zien dat ze bevrijd zijn om Hem totaal te dienen (22:31,32)

> Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: De feesttijden van de Eeuwige, die gij zult uitroepen als heilige samenkomsten, zijn mijn feesttijden (23:1-4). De bijbelse feesten zijn feesten van de Eeuwige (niet in de eerste plaats van een volk)

> Zijn feesttijden zijn: Shabbat (3), Pesach (5), Feest van Ongezuurde broden (6), Feest van de eersteling (10), Shavuot/eerstelingen (17), Dag van Bazuingeschal (24), Grote Verzoendag (27), Loofhuttenfeest (34), Achtste dag (36).

> Wonen in hutten leert het volk afhankelijkheid. Door het vieren van het feest worden we daar iedere keer weer aan herinnert.

> God heeft de gebeurtenis en de tijd ervan bepaalt (23:4)

> Feesttijden zijn een eeuwige instelling (23:14,21,31,41) In de toekomst zullen ze over de hele wereld gevierd worden.

> Vieren van feesten en uitdelen aan de armen (zodat ze ook feest kunnen vieren) horen bij elkaar zodat ieder blij voor Gíd zal zijn. (23:22)

> De Naam van God mag zeker niet gevloekt worden. Dat geldt voor IsraŽliet als heiden (24:15,16). Het is een dodelijke zonde. (net zoals het doden van een ander mens (24:17). Het wordt hier bij elkaar genoemd om te voorkomen dat iemand maar eigen rechter speelt. Alleen de bevoegde instellingen mogen zoiets uitvoeren. Het nieveau van heiligheid onder het volk lag hoog. Dit ene geval was een bijzonderheid. Zelf Moshť moest er mee naar Gíd toe gaan.

> Oog om oog etc. Hiermee wordt bedoelt dat bij het aanbrengen van schade zal er een schadevergoeding betaalt moeten worden overeenkomstig de geleden schade (en niet dezelfde schade toebrengen (tussen haakjes: dat is bijna onmogelijk). Alleen excuses zijn niet genoeg er moet ook economische genoegdoening plaatsvinden (24:19-22)

> De tempel zal weer gebouwd worden en dezelfde principes als vanouds geÔnstrueerd zullen er gelden (Ezech. 44:15). De Thora is een eeuwige instelling.

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr31 - Be-Har ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021