Nr29 - Kedushim

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

Thora-gedeelte Kedushim (de heiligen)

Kedoshim(de heiligen), Lev 19:1-20:27, Haftarah: Amos 9:7-15.

 

Lev 19:1-20:27 1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Spreek tot de ganse vergadering der IsraŽlieten en zeg tot hen: Heilig zult gij zijn, want Ik, de Eeuwige, uw God , ben heilig.  3  Ieder zal voor zijn moeder en zijn vader ontzag hebben en mijn sabbatten houden: Ik ben de Eeuwige, uw God.  4  Gij zult u niet tot de afgoden wenden en u geen gegoten beelden maken: Ik ben de Eeuwige, uw God.  5  En wanneer gij de Eeuwige een vredeoffer offert, zult gij het zo offeren, dat gij Hem welgevallig zijt.  6  Het zal gegeten worden op de dag dat gij het offert, en op de volgende dag, maar wat tot de derde dag overblijft, zal met vuur verbrand worden.  7  Indien het dan toch op de derde dag gegeten wordt, zal het iets verfoeilijks wezen, het zal niet welgevallig zijn.  8  Wie het eet, zal zijn ongerechtigheid dragen , omdat hij het heilige van de Eeuwige ontwijd heeft; zo iemand zal uit zijn volksgenoten worden uitgeroeid.  9  Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt , zult gij de rand van uw veld niet geheel afmaaien, en wat nog is blijven liggen van uw oogst, zult gij niet oplezen.  10  Ook zult gij uw wijngaard niet afzoeken en het afgevallene van uw wijngaard niet oplezen ; dit zult gij voor de armen en de vreemdelingen laten liggen: Ik ben de Eeuwige, uw God.  11 Gij zult niet stelen, gij zult niet liegen en gij zult elkander niet bedriegen.  12  Gij zult bij mijn naam niet vals zweren en zo de naam van uw God ontheiligen: Ik ben de Eeuwige.  13  Gij zult uw naaste niet afpersen en gij zult niet roven; het loon van een dagloner zal niet de nacht bij u overblijven tot de morgen.  14  Een dove zult gij niet vloeken en voor een blinde zult gij geen struikelblok leggen , maar gij zult voor uw God vrezen:  Ik ben de Eeuwige.  15  Gij zult bij het rechtspreken geen onrecht doen; gij zult de arme niet begunstigen en de aanzienlijke niet voortrekken : op rechtvaardige wijze zult gij uw naaste berechten.  16  Gij zult onder uw volksgenoten niet als een lasteraar rondgaan; gij zult uw naaste niet naar het leven staan: Ik ben de Eeuwige.  17  Gij zult uw broeder in uw hart niet haten ; openlijk zult gij uw volksgenoot terechtwijzen en niet ter wille van hem zonde op u laden.  18  Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de Eeuwige.  19 Mijn inzettingen zult gij bewaren, gij zult van uw vee niet twee verschillende soorten laten paren, uw akker zult gij niet met tweeerlei zaad bezaaien, en een kleed, uit tweeerlei stof vervaardigd, zult gij niet dragen.   20  Wanneer iemand geslachtsgemeenschap heeft met een vrouw, terwijl zij, als slavin , aan een man ondergeschikt is, maar niet losgekocht, noch haar een vrijbrief is gegeven, dan zal een straf toegepast worden; zij zullen niet ter dood gebracht worden, omdat zij niet vrijgelaten was.  21  Hij zal zijn schuldoffer voor de Eeuwige bij de ingang van de tent der samenkomst brengen , een ram ten schuldoffer.  22  En de priester zal door de ram van het schuldoffer verzoening over hem doen voor het aangezicht van de Eeuwige, voor de zonde die hij begaan heeft, en hem zal vergiffenis geschonken worden voor de zonde die hij begaan heeft.  23  Wanneer gij komt in het land en allerlei vruchtbomen plant, dan zult gij de vrucht daarvan als verboden beschouwen; drie jaar lang zal zij u verboden zijn, zij zal niet gegeten worden.  24  In het vierde jaar echter zullen alle vruchten daarvan tot een lofprijzing de Eeuwige geheiligd zijn.  25  In het vijfde jaar zult gij dan de vrucht daarvan eten, opdat zij u een grotere opbrengst geven: Ik ben de Eeuwige, uw God.  26  Gij zult niets met het bloed eten;  gij zult niet aan waarzeggerij of toverij doen.  27  Gij zult de rand van uw hoofdhaar niet rond afscheren, en gij zult de rand van uw baard niet afsnijden.  28  Gij zult geen insnijding voor een dode in uw lichaam maken en geen tekens in uw huid laten prikken: Ik ben de Eeuwige.  29  Gij zult uw dochter niet ontwijden door haar aan ontucht over te geven, opdat het land geen ontucht bedrijve en het land niet van schanddaden vol worde.  30 Mijn sabbatten zult gij houden en voor mijn heiligdom eerbied hebben: Ik ben de Eeuwige.  31  Gij zult u niet wenden tot de geesten van doden of tot waarzeggende geesten, gij zult hen niet zoeken, om u met hen te verontreinigen : Ik ben de Eeuwige, uw God.  32  Voor het grijze haar zult gij opstaan en aan de oude zult gij eer bewijzen en voor uw God zult gij vrezen: Ik ben de Eeuwige.  33  En wanneer een vreemdeling bij u in uw land vertoeft, zult gij hem niet onderdrukken.  34  Als een onder u geboren IsraŽliet zal u de vreemdeling gelden, die bij u vertoeft ; gij zult hem liefhebben als uzelf, want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egypte: Ik ben de Eeuwige, uw God.  35  Gij zult geen onrecht doen bij het rechtspreken, bij lengtemaat, gewicht of inhoudsmaat.  36  Een zuivere weegschaal, zuivere gewichten , een zuivere efa en een zuivere hin zult gij gebruiken: Ik ben de Eeuwige, uw God,  die u uit het land Egypte geleid heb.  37  Zo zult gij al mijn inzettingen en al mijn verordeningen nauwgezet in acht nemen: Ik ben de Eeuwige. 

20:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Tot de IsraŽlieten zult gij zeggen:  Iedere IsraŽliet en iedere vreemdeling die in IsraŽl vertoeft, die van zijn kinderen aan de Moloch geeft, zal zeker ter dood gebracht worden: het volk des lands zal hem stenigen.  3  Ook zal Ik mijn aangezicht tegen die man keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien, omdat hij van zijn kinderen aan de Moloch gegeven heeft, om mijn heiligdom te verontreinigen en mijn heilige naam te ontwijden.  4  Indien echter het volk des lands oogluikend toelaat, dat die man van zijn kinderen aan de Moloch geeft en hem niet ter dood brengt,  5  dan zal Ik mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn geslacht keren en Ik zal hem en allen die hem in zijn overspelige verering van de Moloch volgen, uit het midden van hun volk uitroeien.  6  En iemand, die zich tot de geesten van doden of tot waarzeggende geesten wendt, om die overspelig na te lopen; tegen zo iemand zal Ik mijn aangezicht keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien.  7  Heiligt u dan, en weest heilig,  want Ik ben de Eeuwige, uw God.  8  Zo zult gij mijn inzettingen nauwgezet in acht nemen ; Ik ben de Eeuwige, die u heilig.   9  Wanneer er iemand is, die zijn vader of zijn moeder vervloekt, die zal zeker ter dood gebracht worden; zijn vader of zijn moeder heeft hij vervloekt, zijn bloedschuld is op hem.  10 En een man, die echtbreuk pleegt met iemands vrouw, echtbreuk pleegt met de vrouw van zijn naaste, zal zeker ter dood gebracht worden; zowel de overspeler als de overspeelster.  11  Een man die gemeenschap heeft met de vrouw van zijn vader, de schaamte zijns vaders heeft hij ontbloot; beiden zullen zeker ter dood gebracht worden, hun bloedschuld is op hen.  12  Een man die gemeenschap heeft met zijn schoondochter; beiden zullen zeker ter dood gebracht worden, schandelijke ontucht hebben zij bedreven, hun bloedschuld is op hen.  13  Een man die gemeenschap heeft met iemand van het mannelijk geslacht, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw, beiden hebben een gruwel gedaan, zij zullen zeker ter dood gebracht worden, hun bloedschuld is op hen. 14  Een man die een vrouw en ook haar moeder neemt (bloedschande is het) met vuur zal men hem en haar verbranden, opdat er geen bloedschande in uw midden zij.  15  Een man die met een dier gemeenschap heeft , zal zeker ter dood gebracht worden ; het dier zal men afmaken.  16  Een vrouw die tot enig dier nadert , opdat het met haar gemeenschap hebbe, de vrouw en het dier zult gij doden, zij zullen zeker ter dood gebracht worden, hun bloedschuld is op hen.  17 Een man die zijn zuster, de dochter van zijn vader of de dochter van zijn moeder, neemt en haar schaamte ziet en zij ziet zijn schaamte, een schande is het en zij zullen voor de ogen van hun volksgenoten worden uitgeroeid; de schaamte van zijn zuster heeft hij ontbloot, zijn ongerechtigheid zal hij dragen.  18 Een man die bij een vloeiende vrouw ligt en haar schaamte ontbloot; haar bron heeft hij ontbloot en zij heeft de bron van haar bloed ontbloot; beiden zullen zij uitgeroeid worden uit het midden van hun volk.  19  De schaamte van de zuster uwer moeder en van de zuster uws vaders zult gij niet ontbloten, want dan ontbloot men zijn bloedverwant; hun ongerechtigheid zullen zij dragen.  20  Een man die gemeenschap heeft met zijn tante , de schaamte van zijn oom ontbloot hij;  hun zonde zullen zij dragen, kinderloos zullen zij sterven.  21  Een man die de vrouw van zijn broeder neemt , bloedschande is het; de schaamte van zijn broeder heeft hij ontbloot, kinderloos zullen zij zijn.  22 Neemt dan al mijn inzettingen en al mijn verordeningen nauwgezet in acht, opdat het land , waarheen Ik u breng om daarin te wonen, u niet uitspuwe.  23  Wandelt niet naar de inzettingen van het volk, dat Ik voor u uit verdrijf : want al deze dingen hebben zij gedaan , zodat Ik een afschuw van hen gekregen heb.  24  Maar tot u zeide Ik: gij zult hun land in bezit nemen en Ik zal het u geven om het te bezitten, een land vloeiende van melk en honig; Ik ben de Eeuwige, uw God, die u van de andere volken heb afgezonderd. 25  Maakt dan scheiding tussen rein en onrein vee en tussen onreine en reine vogels , opdat gij uzelf niet verfoeilijk maakt door vee en vogels en alles wat op de aarde kruipt, dat Ik u ontzegd heb door het onrein te verklaren.  26  Weest Mij heilig, want heilig ben Ik, de Eeuwige, en Ik heb u afgezonderd van de volken, opdat gij Mij zoudt toebehoren.  27  Wanneer een man of een vrouw door zich de geest van een dode laat spreken of een waarzeggende geest bezit, zullen zij zeker ter dood gebracht worden; stenigen zal men hen,  hun bloedschuld is op hen. 

 

Amos 9:7-15 7  Zijt gij voor Mij niet gelijk aan de kinderen der EthiopiŽrs, o kinderen IsraŽls? luidt het woord van de Eeuwige. Heb Ik IsraŽl niet uit het land Egypte gevoerd en de Filistijnen uit Kaftor en de ArameeŽrs uit Kir?  8  Zie, de ogen van de Eeuwige de Here zijn tegen het zondige koninkrijk, en Ik zal het verdelgen van de aardbodem. Evenwel zal Ik het huis Jakobs niet geheel en al verdelgen , luidt het woord van de Eeuwige.  9  Want zie, Ik geef bevel, en Ik schud het huis van IsraŽl onder al de volken , gelijk men met een zeef schudt, en geen steentje zal ter aarde vallen.  10  Door het zwaard zullen zij sterven, al de zondaren van mijn volk, die zeggen: Gij moogt het kwaad niet nader brengen en het ons niet tegemoet voeren.  11 Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat daarvan is ingestort, overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen van ouds,  12  opdat zij beŽrven de rest van Edom en van al de volken over wie mijn naam is uitgeroepen, luidt het woord van de Eeuwige , die dit doet.  13  Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat de ploeger zich aansluit bij de maaier en de druiventreder bij hem die het zaad strooit; dan zullen de bergen druipen van jonge wijn en al de heuvelen daarvan overvloeien.  14  Ik zal een keer brengen in het lot van mijn volk IsraŽl: verwoeste steden zullen zij herbouwen en bewonen; wijngaarden zullen zij planten en de wijn ervan drinken ; boomgaarden zullen zij aanleggen en de vrucht daarvan eten.  15  Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond die Ik hun gegeven heb,  zegt de Eeuwige, uw God. 

 

 

Een paar gedachten

 

> Gíd vraagt van degene die Hem het meest nabij staan heiligheid zoals Hij heilig is. Heiligheid persoonlijk en in omgeving. (19:1-20:27)

 

> Bepaalde geboden wegen voor God zwaarder benadrukt als andere. Bepaalde geboden worden diverse keren herhaalt. Zo ook in Lev.19 waar diverse voorschriften worden genoemd die ook op andere plaatsen worden vermeldt zoals het onderhouden van de Shabbat, het hebben van ontzag voor ouders, het onthouden van afgodendienst en het brengen van offers voor Gíd. Er is een bepaalde rangorde. Bepaalde geboden gaan voor de anderen.

 

> Als je iets offert, moet je het verlangen aan wie je offert voor ogen hebben. Ofwel als je God iets offert moet het iets en zo zijn dat het aangenaam is voor Gíd. (19:5).

 

> Zorg voor de armen en de vreemdelingen die in je land wonen. (19:10)

 

> Leef in constante relatie met de Eeuwige (19:14).

 

> Als iemand tegen je zondigt en je zwijgt maar haat hem daardoor, moet je daar van terug komen door de persoon aan te spreken. Anders wordt jezelf door zonde bevuilt. (19:17)

 

> Als er bomen worden geplant in het land IsraŽl mogen de eerste 3 jaar de vruchten niet gegeten worden (het is al een soort offer voor God). In 4e jaar zullen de vruchten als lofoffer worden gebracht. In het 5e jaar mag er van gegeten worden. (19:23). Dan zal God een grotere opbrengst geven.

 

> Geen bloed eten (19:26)

 

> Geen waarzeggerij of heidense gebruiken of heidense tekens op je lichaam (19:26,27)

 

> Geen tatoeages (19:28)

 

> Geef je dochters niet over aan seksuele onreinheid (19:29)

 

> Heb ontzag voor oud(er)e mensen, (sta er voor op) (19:32)

 

> Vreemdeling die bij IsraŽl komt wonen en de Gíd van IsraŽl dient geldt als geboren IsraŽliet  (19:34). Voorwaarde is dat hij zich voegt onder de God van IsraŽl in het onderhouden van de Thora. De Thora is uiting geven aan het dienen van Gíd.

 

> Kinderoffers zijn verschrikkelijk (ook abortus) (20:2)

 

> Heilig leven is al de inzettingen van God in acht nemen (20:7,8). Gíd is heilig (heilig zijn is herkenbaar aan het ontbreken van het ene en aanwezig zijn van het andere). Als een mens zich heiligt betekend dat hij verandert naar het beeld van die de heiligheid bepaalt.

 

> Seksuele relatie van mannen met mannen is voor Gíd gruwelijk (20:13)

 

> Gemeenschap met dieren is gruwelijk voor Gíd (20:15,16)

 

> Incest en andere onreinheid binnen de familie is ook gruwelijk voor God (20:14-21)

 

> Heb je naaste lief als jezelf (19:18). Ga met de ander om zoals dat ook goed voor jezelf zou zijn.

 

> Heilig leven en het land IsraŽl bewonen horen bij elkaar. Door onheilig leven wordt je verdreven uit het land der belofte. (20:22-24). De bedoeling van de Thora is dat de onderhouder in Eretz Israel woont.

 

> Heilig leven gaat verder dan alleen aan de voorschriften houden. Het gaat om een houding van binnenuit. (Ramban). Ook iemand die zich aan alle voorschriften houdt kan van binnen een schurk zijn. God vraagt een heilige houding en passie voor hem.

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr30 - Emor ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021