Nr28 - Aharei Mot

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

Thora-gedeelte Aharei Mot

 

Aharei Mot(na de dood), Lev 16:1-18:30

 

Lev. 16:1-18:30 1 Na de dood van de beide zonen van Aharon,  die gestorven waren, toen zij voor het aangezicht van de Eeuwige waren genaderd, sprak de Eeuwige tot Mozes.  2  de Eeuwige nu zeide tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aharon, dat hij niet te allen tijde kome in het heiligdom binnen het voorhangsel voor het verzoendeksel dat op de ark ligt, opdat hij niet sterve ; want in de wolk verschijn Ik boven het verzoendeksel.  3  Slechts op deze wijze zal Aharon het heiligdom binnengaan: met een jonge stier ten zondoffer en een ram ten brandoffer.  4  Het heilige linnen onderkleed zal hij aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees zijn en met een linnen gordel zal hij zich omgorden en een linnen tulband zal hij zich ombinden; dit zijn heilige klederen, die hij zal aantrekken, nadat hij zijn lichaam in water gebaad heeft.  5 En van de vergadering der IsraŽlieten zal hij twee geitenbokken ten zondoffer en een ram ten brandoffer nemen.  6  Dan zal Aharon de stier van zijn eigen zondoffer brengen en verzoening doen voor zich en zijn huis.  7  Hij zal de twee bokken nemen en ze voor het aangezicht van de Eeuwige stellen bij de ingang van de tent der samenkomst,  8  en Aharon zal over de beide bokken het lot werpen; een lot voor de Eeuwige, en een lot voor Azazel.  9  Dan zal Aharon de bok waarop het lot voor de Eeuwige gevallen is, brengen en hem ten zondoffer bereiden.  10  Maar de bok waarop het lot voor Azazel gevallen is, zal men levend voor het aangezicht van de Eeuwige stellen, om daarmee verzoening te doen, door hem voor Azazel de woestijn in te zenden. 11 Dan zal Aharon de stier van zijn eigen zondoffer brengen en verzoening doen voor zich en zijn huis; hij zal de stier van zijn eigen zondoffer slachten.  12  En hij zal een pan vol gloeiende kolen van het altaar voor het aangezicht van de Eeuwige nemen en zijn handen vullen met fijngestoten welriekend reukwerk en dat alles brengen binnen het voorhangsel.  13  Dan zal hij het reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht van de Eeuwige, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel dat op de getuigenis ligt, bedekt, opdat hij niet sterve.  14  Dan zal hij een deel van het bloed van de stier nemen en dat met zijn vinger sprenkelen op het verzoendeksel, aan de voorzijde ; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal dat bloed met zijn vinger sprenkelen.  15 Dan zal hij de bok van het zondoffer, voor het volk bestemd, slachten en zijn bloed naar binnen, achter het voorhangsel brengen , en met dat bloed doen, zoals hij met het bloed van de stier gedaan heeft: hij zal het op het verzoendeksel en voor het verzoendeksel sprenkelen.  16  Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom om de onreinheden der IsraŽlieten en om hun overtredingen in al hun zonden; aldus zal hij doen met de tent der samenkomst, die bij hen verblijf houdt te midden van hun onreinheden.  17  Geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, wanneer hij daar binnengaat om in het heiligdom verzoening te doen, totdat hij naar buiten komt en verzoening gedaan heeft voor zichzelf, voor zijn huis en voor de gehele gemeente IsraŽls.  18  Dan zal hij naar buiten gaan naar het altaar, dat voor het aangezicht van de Eeuwige staat, en daarover verzoening doen; hij zal van het bloed van de stier en van het bloed van de bok nemen en dat rondom aan de horens van het altaar strijken.  19  Dan zal hij daarop met zijn vinger zevenmaal van het bloed sprenkelen en het reinigen en heiligen van de onreinheden der IsraŽlieten.  20 Wanneer hij de verzoening van het heiligdom en van de tent der samenkomst en van het altaar voleindigd heeft, dan zal hij de levende bok brengen,  21  en Aharon zal zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en over hem al de ongerechtigheden der IsraŽlieten en al hun overtredingen in al hun zonden, belijden ; hij zal die op de kop van de bok leggen en die door iemand, die daarvoor gereed staat, naar de woestijn laten brengen.  22  Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een onvruchtbaar land , en hij zal die bok in de woestijn vrijlaten.  23  Daarna zal Aharon naar de tent der samenkomst komen en de linnen klederen uittrekken , die hij aangetrokken had, toen hij het heiligdom binnenging, en zal ze daar laten liggen.  24  Hij zal zijn lichaam in water baden op een heilige plaats en zijn gewone klederen aantrekken; dan naar buiten gaan en zijn brandoffer en het brandoffer van het volk bereiden en verzoening doen voor zich en voor het volk.  25  En het vet van het zondoffer zal hij op het altaar in rook doen opgaan.  26  Hij nu, die de bok voor Azazel weggebracht heeft , zal zijn klederen wassen, zijn lichaam in water baden en daarna in de legerplaats komen.  27  En de stier van het zondoffer en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed gebracht werd om verzoening te doen in het heiligdom,  zal men buiten de legerplaats brengen en hun huid, hun vlees en hun mest met vuur verbranden.  28  Wie dat verbrandt, zal zijn klederen wassen , zijn lichaam in water baden en daarna in de legerplaats komen.  29 Dit zal u tot een altoosdurende inzetting zijn: in de zevende maand op de tiende der maand zult gij u verootmoedigen en generlei werk doen, zomin de geboren IsraŽliet als de vreemdeling, die in uw midden vertoeft.  30  Want op deze dag zal over u verzoening gedaan worden, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij gereinigd worden voor het aangezicht van de Eeuwige.  31  Het zal u een volkomen sabbat zijn en gij zult u verootmoedigen, het is een altoosdurende inzetting.  32  En de verzoening zal de priester doen, die men gezalfd heeft en die men gewijd heeft, om in zijns vaders plaats het priesterambt te bekleden; hij zal de linnen klederen, de heilige klederen, aantrekken;  33  het heilige der heiligen zal hij verzoenen , ook de tent der samenkomst en het altaar zal hij verzoenen, en over de priesters en het ganse volk der gemeente verzoening doen.  34  En dit zal u een altoosdurende inzetting zijn , ten einde verzoening te doen over de IsraŽlieten om al hun zonden, eenmaal in het jaar. En hij deed, zoals de Eeuwige Mozes bevolen had. 

17:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Spreek tot Aaron en zijn zonen en tot al de IsraŽlieten en zeg tot hen: Dit is hetgeen de Eeuwige geboden heeft:  3  Ieder van het huis IsraŽls, die een rund, een schaap of een geit in de legerplaats of buiten de legerplaats slacht,  4  maar die niet brengt naar de ingang van de tent der samenkomst, om een offergave aan de Eeuwige te brengen voor de tabernakel van de Eeuwige, als bloedschuld zal dat die man worden aangerekend; hij heeft bloed vergoten en die man zal uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden,  5  opdat de IsraŽlieten hun slachtoffers brengen, die zij op het open veld plegen te offeren; zij moeten ze brengen voor de Eeuwige, naar de ingang van de tent der samenkomst, tot de priester, om ze als vredeoffers de Eeuwige te offeren.  6  Dan zal de priester het bloed op het altaar van de Eeuwige, bij de ingang van de tent der samenkomst, sprengen en het vet in rook doen opgaan tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige.  7  En zij zullen hun offers niet meer brengen aan de veldgeesten, die zij overspelig nalopen. Een altoosdurende inzetting zal dit voor hen zijn in hun geslachten.  8  En gij zult tot hen zeggen: Ieder van het huis IsraŽls of van de vreemdelingen , die in uw midden vertoeven, die een brandoffer of slachtoffer offert,  9  maar dat niet naar de ingang van de tent der samenkomst brengt om het de Eeuwige te bereiden, die zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.  10 Ieder van het huis IsraŽls en van de vreemdelingen, die in hun midden vertoeven , die enig bloed eet; tegen zo iemand, die dat bloed gegeten heeft, zal Ik mijn aangezicht keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien.  11  Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen , want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel.  12  Daarom heb Ik tot de IsraŽlieten gezegd : Niemand van u zal bloed eten . Ook de vreemdeling, die in uw midden vertoeft, zal geen bloed eten.  13  En ieder van de IsraŽlieten en van de vreemdelingen, die in uw midden vertoeven , die een stuk wild of gevogelte jaagt, dat gegeten mag worden, zal het bloed daarvan uitgieten en dat bedekken met aarde.  14  Want, wat de ziel van alle vlees betreft, het bloed ervan is zijn ziel; daarom heb Ik tot de IsraŽlieten gezegd: Gij zult van generlei vlees bloed eten, want de ziel van alle vlees is het bloed:  ieder die het eet, zal uitgeroeid worde .  15  En ieder, hetzij geboren IsraŽliet of vreemdeling, die een gestorven of verscheurd dier eet, zal zijn klederen wassen, zich in water baden en onrein zijn tot de avond; dan zal hij rein zijn.  16  Maar indien hij ze niet wast en zijn lichaam niet baadt, dan zal hij zijn ongerechtigheid dragen.  18:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Ik ben de Eeuwige, uw God.  3  Gij zult niet doen, zoals men doet in het land Egypte, waar gij gewoond hebt;  gij zult niet doen, zoals men doet in het land Kanaan, waarheen Ik u breng;  naar hun inzettingen zult gij niet wandelen.  4  Mijn verordeningen zult gij volbrengen en mijn inzettingen in acht nemen en daarnaar wandelen: Ik ben de Eeuwige uw God.  5  Ja, gij zult mijn inzettingen en mijn verordeningen in acht nemen; de mens die ze doet , zal daardoor leven: Ik ben de Eeuwige .  6 Niemand zal naderen tot zijn naaste bloedverwant, om de schaamte te ontbloten: Ik ben de Eeuwige.  7  Gij zult de schaamte van uw vader, dat is de schaamte van uw moeder, niet ontbloten; het is uw moeder, gij zult haar schaamte niet ontbloten.  8  De schaamte van de vrouw van uw vader zult gij niet ontbloten; het is de schaamte van uw vader.  9  De schaamte van uw zuster, de dochter van uw vader of de dochter van uw moeder, geboren in huis of geboren daarbuiten, haar schaamte zult gij niet ontbloten.  10  De schaamte van de dochter van uw zoon of van de dochter van uw dochter, haar schaamte zult gij niet ontbloten, want uw schaamte zijn zij.  11  De schaamte van de dochter van uws vaders vrouw , die aan uw vader geboren is, zij is uw zuster ; haar schaamte zult gij niet ontbloten.  12  De schaamte van uws vaders zuster zult gij niet ontbloten; zij is uws vaders bloedverwant.  13  De schaamte van uw moeders zuster zult gij niet ontbloten, want zij is uw moeders bloedverwant.  14  De schaamte van uws vaders broeder zult gij niet ontbloten; tot zijn vrouw zult gij niet naderen, het is uw tante.  15  De schaamte van uw schoondochter zult gij niet ontbloten; het is uws zoons vrouw,  gij zult haar schaamte niet ontbloten.  16  De schaamte van uws broeders vrouw zult gij niet ontbloten; het is de schaamte van uw broeder.  17  De schaamte van een vrouw en die van haar dochter zult gij niet ontbloten; gij zult niet de dochter van haar zoon en de dochter van haar dochter nemen om haar schaamte te ontbloten ; zij zijn bloedverwanten: bloedschande is het.  18  Gij zult geen vrouw nemen als bijvrouw naast haar zuster om haar schaamte te ontbloten nevens haar, tijdens haar leven.   19 En tot een vrouw in haar maandelijkse onreinheid zult gij niet naderen, om haar schaamte te ontbloten.  20  En met de vrouw van uw naaste zult gij geen vleselijke gemeenschap hebben, zodat gij u met haar verontreinigt.  21  En gij zult geen van uw kinderen overgeven , om het aan de Moloch te wijden, opdat gij de naam van uw God niet ontwijdt. Ik ben de Eeuwige.  22  En gij zult geen gemeenschap hebben met een,  die van het mannelijk geslacht is, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw: een gruwel is het.  23  En met geen enkel dier zult gij vleselijke gemeenschap hebben, om u daarmee te verontreinigen; en een vrouw mag niet staan voor een dier, om daarmee gemeenschap te hebben: schandelijke ontucht is het.  24  Verontreinigt u niet door dit alles,  want door dit alles hebben zich verontreinigd de volken die Ik voor u uit wegdrijf.  25  Het land toch werd verontreinigd en Ik vergold daaraan zijn ongerechtigheid, zodat het land zijn inwoners uitspuwde.  26  Gij echter zult mijn inzettingen en mijn verordeningen in acht nemen en geen van deze gruwelen doen, noch de geboren IsraŽliet, noch de vreemdeling die in uw midden vertoeft;  27  want al deze gruwelen deden de lieden van het land, die voor u waren, zodat het land onrein werd.  28  Opdat het land u niet uitspuwe, wanneer gij het verontreinigt, zoals het uitgespuwd heeft het volk, dat voor u was.  29  Want ieder die iets van al deze gruwelen doet, (degenen, die ze doen , zullen uit het midden van hun volk uitgeroeid worden).  30  Zo zult gij het voorschrift dat Ik u geef, in acht nemen, zodat gij de gruwelijke inzettingen niet doet, die voor u gedaan werden , opdat gij u daardoor niet verontreinigt . Ik ben de Eeuwige, uw God. 

 

 

 

Een paar gedachten

> de Eeuwige is een heilig Gíd. Hij wil op Zijn manier aanbeden en gediend worden. (16:3,17 etc.).

 

> Onvoorbereid kan de hogepriester niet in Gíds aanwezigheid komen. Volgens de instructies moet hij zich voorbereiden.(16:2-4). Dat zijn eeuwige instructies die ook nu nog gelden.

 

> Bloed van stier en bloed van bok ter verzoening op Yom Kippur (16:27) heeft een diepere betekenis. Stier is symbool voor kracht en wel opbouwende cultiverende kracht.  Bok is ook symbool van kracht maar dan destructieve. Een bok eet de planten met wortels en al op wat in bergachtige gebieden tot erosie leidt. Beide krachten kunnen goed en slecht gebruikt worden. Yom Kippoer is vergeving vragen over het misbruik van de door Gíd gegeven kracht, ofwel dat we de krachten niet gebruiken zoals Gíd dat vraagt.

 

> Niet aanpassen aan de gewoonten (die niet uit het geloof in Gíd voortkomen) van andere volken. (18:3)

 

Ezech. 22:1-19 1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Gij mensenkind, wilt gij richten, wilt gij richten de bloedstad? Houd haar dan al haar gruwelen voor. 3  Zeg: Zo zegt Adonai de Eeuwige: o stad, die in haar midden bloed vergiet, zodat haar tijd komt, en die zich afgoden maakt om zich te verontreinigen; 4  door het bloed dat gij vergiet, zijt gij schuldig; door de afgoden die gij maakt, zijt gij onrein; gij hebt uw dagen nabij gebracht en de grens van uw jaren bereikt. Daarom zal Ik u maken tot een voorwerp van smaad voor de volken en van spot voor alle landen. 5  Zij, die dicht bij u en die ver van u gelegen zijn, zullen de spot met u drijven, gij, berucht om uw onreinheid en vol van wanorde! 6  Zie, de vorsten van IsraŽl zijn er op uit ieder zoveel mogelijk bloed te vergieten. 7  In u veracht men vader en moeder; in u doet men de vreemdeling geweld aan, bij u onderdrukt men de wees en de weduwe. 8  Mijn heilige dingen veracht gij, mijn sabbatten ontheiligt gij. 9  In uw midden zijn lasteraars er op uit om bloed te vergieten en bij u houdt men offermaaltijden op de bergen; ontucht pleegt men in u. 10  In u ontbloot men de schaamte van zijn vader; in u verkracht men een vrouw, die onrein is door haar maandelijkse afzondering. 11  De een bedrijft een gruwelijke zonde met de vrouw van zijn naaste; een ander onteert zijn schoondochter door ontucht; weer een ander verkracht in u zijn zuster, de dochter van zijn vader. 12  In u neemt men geschenken aan om bloed te vergieten; rente en woekerwinst neemt gij en met geweld zet gij uw naaste af, maar Mij vergeet gij, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 13  Zie nu, Ik sla Mij in de hand om de onrechtmatige winst die gij gemaakt hebt, en om het bloed dat in u vergoten is. 14  Zal uw hart standvastig en zullen uw handen sterk blijven ten tijde dat Ik met u afreken? Ik, de Eeuwige, heb het gesproken en Ik zal het doen. 15  Ik zal u verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen, en Ik zal uw onreinheid geheel van u wegdoen. 16  Zo zult gij door uw eigen toedoen voor het oog der volken ontwijd worden, en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 17 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 18  Mensenkind, het huis IsraŽls is Mij tot schuim geworden; allen zijn zij koper, tin, ijzer en lood in de smeltoven; stukken zilverschuim zijn zij geworden. 19  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige: Omdat gij allen tot schuim geworden zijt, daarom, zie, zal Ik u bijeenbrengen in Jeruzalem.

 

 

> door de afgoden die gij maakt, zijt gij onrein; gij hebt uw dagen nabij gebracht en de grens van uw jaren bereikt. (Ezech 22:4). De oordelen komen over het volk omdat ze afgoden dienden en niet meer leefden volgens de instructies van Gíd (de Thora)

 

> Zie, de vorsten van IsraŽl zijn er op uit ieder zoveel mogelijk bloed te vergieten. (22:6). Dit is het beeld zoals Gíd de vorsten van IsraŽl niet bedoeld heeft. De Messias zal de vorst zijn naar het beeld zoals Gíd het wel bedoelt heeft (Ezech. 34:23, 24 en Ezech. 37:25)

 

> In u veracht men vader en moeder; in u doet men de vreemdeling geweld aan, bij u onderdrukt men de wees en de weduwe. Mijn heilige dingen veracht gij, mijn sabbatten ontheiligt gij. In uw midden zijn lasteraars er op uit om bloed te vergieten en bij u houdt men offermaaltijden op de bergen; ontucht pleegt men in u. In u ontbloot men de schaamte van zijn vader; in u verkracht men een vrouw, die onrein is door haar maandelijkse afzondering. De een bedrijft een gruwelijke zonde met de vrouw van zijn naaste; een ander onteert zijn schoondochter door ontucht; weer een ander verkracht in u zijn zuster, de dochter van zijn vader. In u neemt men geschenken aan om bloed te vergieten; rente en woekerwinst neemt gij en met geweld zet gij uw naaste af, maar Mij vergeet gij, (22:7-12) De zonden worden bij name genoemd. Duidelijk gaat het erom dat hun zondige gedrag inhield dat ze niet leefden volgens de instructies in de Thora.

 

> In u veracht men vader en moeder (22:7a) De mens is partner van God in het scheppen van de mens. Vandaar dat het verachten van de ouders een grove zonde is. Daardoor kan Gíd met zijn Shechina niet onder het volk blijven.

 

> doet men de vreemdeling geweld aan (22:7b) Overtreding van het voorschrift in Lev. 19:33, 34 ďEn wanneer een vreemdeling bij u in uw land vertoeft, zult gij hem niet onderdrukken. Als een onder u geboren IsraŽliet zal u de vreemdeling gelden, die bij u vertoeft; gij zult hem liefhebben als uzelf, want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egypte: Ik ben de Eeuwige, uw God.Ē  Zie ook Lev. 25:23 En het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij.

 

> onderdrukt men de wees en de weduwe. (22:7c). Gíd zegt juist voor hen te zorgen Ps 68:5,6a ďHij is de vader der wezen en de rechter der weduwen, Gíd in zijn heilige woning; Gíd, die eenzamen in een huisgezin doet woneĒ. Daar waar de maatschappij niet aan Zijn beeld voldoet kan Hij er niet zijn.

 

> Mijn heilige dingen veracht gij, (22:8a). Men bracht offers van zieke en gewonde dieren in de tempel. Mal. 1: 7,8 Gij brengt minderwaardige offerspijze op mijn altaar. En dan zegt gij: Waarmee hebben wij U minderwaardig behandeld? Doordat gij zegt: De tafel van de Eeuwige, zij is verachtelijk.  Want, wanneer gij een blind dier ten offer brengt, is dat niet erg? Wanneer gij een kreupel of ziek dier brengt, is dat niet erg? Bied dat eens uw landvoogd aan; zal hij welgevallen aan u hebben of u goedgunstig gezind zijn? zegt de Eeuwige der heerscharen.  Zie ook Lev. 19:5 En wanneer gij de Eeuwige een vredeoffer offert, zult gij het zo offeren, dat gij Hem welgevallig zijt.

 

> mijn sabbatten ontheiligt gij. (22:8b). De shabbat is juist een verbondsteken tussen Gíd en IsraŽl. Zie Ex. 31:13-17  Gij dan, spreek tot de IsraŽlieten: maar mijn sabbatten moet gij onderhouden, want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat gij weet, dat Ik de Eeuwige ben, die u heilig. Gij zult de sabbat onderhouden, want deze is iets heiligs voor u; wie hem ontheiligt, zal zeker ter dood gebracht worden, want ieder die daarop werk verricht, zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn volksgenoten.   Zes dagen mag men arbeiden, maar op de zevende dag zal er een volledige sabbat zijn, de Eeuwige geheiligd: ieder die op de sabbatdag werk verricht, zal zeker ter dood gebracht worden. De IsraŽlieten zullen de sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een altoosdurend verbond. Tussen Mij en de IsraŽlieten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de Eeuwige de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept.

 

> In uw midden zijn lasteraars er op uit om bloed te vergieten (22:9a)  Lev. 19:16  Gij zult onder uw volksgenoten niet als een lasteraar rondgaan;

 

> en bij u houdt men offermaaltijden op de bergen (22:9b). Lev. 19:4  Gij zult u niet tot de afgoden wenden en u geen gegoten beelden maken: Ik ben de Eeuwige, uw God.

 

> ontucht/kwade dingen (hmz zimmah) pleegt men in u.(22:9c). Kan zowel ontucht als kwade dingen betekenen. Zie voor hetzelfde woordgebruik Jes. 32:7 En de listen van de bedrieger zijn slecht; hij beraamt snode plannen (hmz zimmah) om de ellendigen door leugentaal in het verderf te storten, zelfs wanneer de arme zijn recht bepleit.

 

> In u ontbloot men de schaamte van zijn vader; in u verkracht men een vrouw, die onrein is door haar maandelijkse afzondering. 11  De een bedrijft een gruwelijke zonde met de vrouw van zijn naaste; een ander onteert zijn schoondochter door ontucht; weer een ander verkracht in u zijn zuster, de dochter van zijn vader. (22:10,11) Dit waren specifieke zonden van de Egyptenaren en de Kanašnieten. Lev. 18:3-29 ( Gij zult niet doen, zoals men doet in het land Egypte, waar gij gewoond hebt; gij zult niet doen, zoals men doet in het land Kanašn, waarheen Ik u breng; naar hun inzettingen zult gij niet wandelenÖÖ.30  Zo zult gij het voorschrift dat Ik u geef, in acht nemen, zodat gij de gruwelijke inzettingen niet doet, die voor u gedaan werden, opdat gij u daardoor niet verontreinigt. Ik ben de Eeuwige, uw God.Ē en verder Lev. 20:10-23

 

> In u neemt men geschenken aan om bloed te vergieten; (22:12) Deut. 27:25 Vervloekt is hij, die een geschenk aanneemt om iemand te doden en onschuldig bloed te vergieten. 

 

> rente en woekerwinst neemt gij (22:12b). Lev. 23: 36  Gij zult geen rente of winst van hem nemen, maar gij zult voor uw Gíd vrezen, opdat uw broeder bij u in het leven blijve.

 

> en met geweld zet gij uw naaste af, maar Mij vergeet gij, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. (22:12c). Dit geld gebruikten ze om bondgenootschappen mee te Ďkopení. Dit in plaats van hun vertrouwen op Gíd te stellen.

 

> Ik zal u verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen, en Ik zal uw onreinheid geheel van u wegdoen. (22:15). Het verspreiden onder te volken zal Gíd gebruiken om hun onreinheden weg te doen.

 

Mal. 3:4-24  4  Dan zal het offer van Juda en van Jeruzalem de Eeuwige aangenaam zijn als in de dagen van ouds en als in vroegere jaren. 5  Ik zal tot u ten gerichte naderen; Ik zal een snelle aanklager zijn tegen de tovenaars, tegen de echtbrekers, tegen de meinedigen, tegen hen die het loon van de dagloner drukken, weduwe en wees verdrukken, en de vreemdeling terzijde dringen, maar Mij niet vrezen, zegt de Eeuwige der heerscharen. 6  Voorwaar, Ik, de Eeuwige, ben niet veranderd, en gij kinderen van Jakob, zijt niet verteerd. 7 Van de dagen uwer vaderen af zijt gij afgeweken van mijn inzettingen en hebt ze niet onderhouden. Keert terug tot Mij, dan zal Ik tot u terugkeren, zegt de Eeuwige der heerscharen. En dan zegt gij: In welk opzicht moeten wij terugkeren? 8  Mag een mens God beroven? Toch berooft gij Mij. En dan zegt gij: Waarin beroven wij U? In de tienden en de heffing. 9  Met de vloek zijt gij vervloekt, en Mij berooft gij, gij volk in zijn geheel. 10  Breng de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de Eeuwige der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten. 11  Dan zal Ik, u ten goede, de afvreter dreigen, opdat hij de vrucht van uw land niet verderve en opdat de wijnstok op het veld voor u niet zonder vrucht zij, zegt de Eeuwige der heerscharen. 12  En alle volken zullen u gelukkig prijzen, omdat gij een land van welbehagen zijt, zegt de Eeuwige der heerscharen. 13  Vermetel zijn uw woorden over Mij, zegt de Eeuwige. En dan zegt gij: Wat hebben wij dan onder elkander over U gesproken? 14  Gij zegt: Nutteloos is het God te dienen; wat gewin geeft het, dat wij zijn geboden onderhouden en dat wij in rouw gaan voor het aangezicht van de Eeuwige der heerscharen? 15  En nu, wij prijzen de overmoedigen gelukkig; niet alleen worden zij gebouwd, terwijl zij goddeloosheid bedrijven, maar ook verzoeken zij God, en ontkomen. 16  Dan spreken zij die de Eeuwige vrezen, onder elkander, ieder tot zijn naaste: De Eeuwige bemerkte het toch en hoorde het en er werd een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven, ten goede van hen die de Eeuwige vrezen en zijn naam in ere houden. 17  Zij zullen Mij ten eigendom zijn, zegt de Eeuwige der heerscharen, op de dag die Ik bereiden zal. En Ik zal hen sparen, zoals iemand zijn zoon spaart, die hem dient. 18  Dan zult gij tot inkeer komen en het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient, en wie Hem niet dient. 4:1 (3:19)  Want zie, de dag komt, brandend als een oven! Dan zullen alle overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels, en de dag die komt, zal hen in brand steken (zegt de Eeuwige der heerscharen) welke hun wortel noch tak zal overlaten. 2 (3:20)  Maar voor u, die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen; gij zult uitgaan en springen als kalveren uit de stal. 3 (3:21)  Gij zult de goddelozen vertreden, want tot stof zullen zij zijn onder uw voetzolen op de dag die Ik bereiden zal, zegt de Eeuwige der heerscharen. 4 (3:22)Gedenkt de wet van Moshť, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israel, inzettingen en verordeningen. 5 (3:23) Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag van de Eeuwige komt. 6 (3:24) Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban.

 

 

 

> Dan zal het offer van Juda en van Jeruzalem de Eeuwige aangenaam zijn als in de dagen van ouds en als in vroegere jaren (Mal. 3:4) De offerdienst zal weer terugkomen als vanouds.

 

> Voorwaar, Ik, de Eeuwige, ben niet veranderd, en gij kinderen van Jakob, zijt niet verteerd (3:6) Gíd is niet veranderd. Zijn instructies (de Thora) gelden voor Eeuwig. Zie ook Mal. 3:22-24 Gedenkt de wet van Moshť, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans IsraŽl, inzettingen en verordeningen. Ö. 6 (3:24) Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban.

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr29 - Kedushim ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021