EzechiŽl 31-32

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Er uit gelicht

31:1 In het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 2  Mensenkind, zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn mensenmenigte: aan wie zijt gij in uw grootheid gelijk? 3  Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van takken, met schaduwrijk loof, hoog van stam; zijn top reikte tot in de wolken. 4  Water maakte hem groot, de vloed uit de diepte deed hem hoog worden; die liet zijn stromen vloeien rondom de plaats waar hij geplant was, en deed zijn geulen uitgaan tot naar alle bomen des velds. 5  Daardoor werd zijn stam hoger dan alle andere bomen des velds; zijn twijgen werden talrijk en zijn takken lang door de overvloed van water, terwijl hij opschoot. 6  In zijn twijgen nestelde al het gevogelte des hemels, onder zijn takken wierp al het gedierte des velds zijn jongen, in zijn schaduw woonden alle grote volken. 7 Schoon was hij door zijn grootte, door de lengte van zijn takken, want zijn wortel reikte tot aan een overvloed van water. 8 Ceders in Gods hof evenaarden hem niet, cypressen waren niet te vergelijken met zijn twijgen, en platanen haalden niet bij zijn takken; geen boom in Gods hof was hem gelijk in schoonheid. 9  Schoon had Ik hem gemaakt met zijn overvloed van takken; alle bomen van Eden die in Gods hof stonden, benijdden hem. 10 Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, omdat hij hoog van stam geworden was en zijn top tot in de wolken had gestoken, en omdat zijn hart zich verhovaardigd had op zijn hoogte, 11  daarom gaf Ik hem over aan een machtige onder de volken, die hem ten volle deed naar zijn goddeloosheid; Ik verstiet hem. 12 Vreemden, de gewelddadigste der volken, velden hem en deden hem neerstorten op de bergen en in alle dalen vielen zijn takken, zijn twijgen braken in alle beekbeddingen der aarde, alle volken der aarde trokken weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen. 13  Al het gevogelte des hemels zette zich neer op zijn omgevallen stam, en tussen zijn takken legerde al het gedierte des velds; 14  opdat geen boom aan het water zich meer verhovaardige op zijn hoogte of zijn top tot in de wolken steke, en opdat de waterdrinkers in hun trots zich niet verbeelden in eigen kracht te kunnen staan. Want zij zijn allen aan de dood overgegeven, om naar de onderwereld te gaan, te midden der mensenkinderen, naar hen die in de groeve zijn neergedaald. 15  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Ten dage dat hij neerdaalde in het dodenrijk, hulde Ik om zijnentwil de vloed in rouw en hield zijn stromen tegen, zodat de overvloed van water ophield; om zijnentwil hulde Ik de Libanon in een rouwkleed; om zijnentwil versmachtten alle bomen des velds. 16  Door het gedreun van zijn val deed Ik de volken beven, toen Ik hem deed neerdalen in het dodenrijk, bij hen die in de groeve zijn neergedaald. Maar in de onderwereld troostten zich alle bomen van Eden, de keur en het schoonste van de Libanon, alle waterdrinkers. 17  Ook zij waren met hem in het dodenrijk neergedaald, naar hen die met het zwaard gedood zijn, zijn helpers die in zijn schaduw hadden gewoond te midden der volken. 18  Aan wie onder de bomen van Eden zijt gij dan in heerlijkheid en grootheid gelijk? Met de bomen van Eden zult gij neergeworpen worden in de onderwereld, liggen te midden van onbesnedenen, bij hen die met het zwaard gedood zijn. Zo gaat het Farao met zijn gehele mensenmenigte, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 32:1 In het twaalfde jaar, in de twaalfde maand, op de eerste der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 2  Mensenkind, hef een klaaglied aan over Farao, de koning van Egypte, en zeg tot hem: Jonge leeuw onder de volken, tot zwijgen zijt gij gebracht! Gij waart als een zeemonster: in uw stromen liet gij het borrelen, met uw poten bracht gij het water in beroering en deedt zijn stromen troebel worden. 3  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Mijn vangnet spreid Ik over u uit door een menigte van vele volken. Zij halen u op in mijn net! 4  Ter aarde werp Ik u neer, slinger u weg op het open veld. Al het gevogelte des hemels doe Ik op u neerstrijken, de dieren van heel de aarde zich aan u verzadigen. 5  Uw vlees leg Ik op de bergen, de dalen vul Ik met uw afval. 6  Ik drenk het land met uw lijkvocht, met uw bloed, tot aan de bergen toe; de beekbeddingen worden door u gevuld. 7  Wanneer Ik u uitblus, befloers Ik de hemel en verduister Ik de sterren, de zon overdek Ik met wolken, en de maan doet haar licht niet schijnen. 8  Al de stralende lichten aan de hemel verduister Ik om uwentwil: duisternis breng Ik over uw land; luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 9  Verontrusten zal Ik het hart van vele volken, wanneer Ik uw ondergang bekend maak onder de volken, in landen die gij niet hebt gekend. 10  Ja, vele volken zal Ik over u in ontzetting brengen, hun koningen zullen om u met huivering bevangen zijn, als Ik voor hun ogen mijn zwaard zwaai; onafgebroken zullen zij beven, ieder voor zijn eigen leven, op de dag van uw val. 11  Want zo zegt Adonai de Eeuwige: over u komt het zwaard van de koning van Babel; 12  uw menigte vel Ik neer door het zwaard van helden, allen tezamen de gewelddadigste der volken; zij verwoesten de pracht van Egypte, heel zijn menigte wordt verdelgd. 13  Al zijn vee doe Ik verdwijnen van bij de grote wateren: geen mensenvoet brengt ze meer in beroering, geen dierehoef maakt ze meer troebel; 14  dan maak Ik het water ervan weer helder en doe de stromen vloeien als olie, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 15  Als Ik van Egypte een woestenij maak, als het land beroofd wordt van al wat zich daarop bevindt, als Ik neervel allen die het bewonen, dan zullen zij weten dat Ik de Eeuwige ben. 16  Een klaaglied is dit: men moet het zingen; de dochters der volken moeten het zingen; over Egypte en over heel zijn menigte moeten zij het zingen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 17 In het twaalfde jaar, op de vijftiende der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 18  Mensenkind, hef een weeklacht aan over de menigte van Egypte; doe die neerdalen (gij en de dochters van geweldige volken) in de onderwereld, bij hen die in de groeve zijn neergedaald! 19  Wie gaat gij in liefelijkheid te boven? Daal neer om te worden gelegd bij onbesnedenen! 20  Zij zullen vallen tussen hen die door het zwaard zijn geveld. Een zwaard is gegeven: sleept Egypte weg met heel zijn menigte! 21  Vanuit het dodenrijk zullen de machtige helden hem en zijn helpers toeroepen: Zij zijn neergedaald, daar liggen zij, de onbesnedenen, geveld door het zwaard. 22  Daar is Assur met heel zijn schare, zijn grafsteden rondom hem; zij allen liggen verslagen, gevallen door het zwaard. 23  Zijn graven liggen achter in de groeve, zijn schare rondom zijn graf; zij allen liggen verslagen door het zwaard, zij, die schrik verspreid hebben in het land der levenden. 24  Daar is Elam met heel zijn menigte, rondom zijn graf; zij allen liggen verslagen, gevallen door het zwaard, zij, die onbesneden zijn neergedaald in de onderwereld, zij, die schrik voor zich hebben verspreid in het land der levenden; zij dragen nu hun smaad bij hen die in de groeve zijn neergedaald. 25  Te midden der verslagenen is hem een rustplaats bereid, met heel zijn menigte rondom zijn graf, zij allen, onbesneden, geveld door het zwaard. Voorwaar, de schrik voor hen was verspreid in het land der levenden; zij dragen nu hun smaad bij hen die in de groeve zijn neergedaald; te midden der verslagenen zijn zij gelegd. 26  Daar is Mesek-tubal met heel zijn menigte, zijn grafsteden rondom hem; zij allen, onbesneden, geveld door het zwaard. Voorwaar, zij hebben schrik voor zich verspreid in het land der levenden. 27  De gevallenen onder de onbesnedenen liggen niet bij de helden, die in hun wapenrusting in het dodenrijk zijn neergedaald, wier zwaard men onder hun hoofd heeft gelegd en wier ongerechtigheden op hun gebeente liggen. Voorwaar, de schrik voor deze helden heerste in het land der levenden. 28  Maar gij, te midden van onbesnedenen zult gij verbrijzeld neerliggen bij hen die zijn geveld door het zwaard. 29  Daar is Edom, zijn koningen en al zijn vorsten, die, in weerwil van hun macht, zijn gelegd bij hen die zijn geveld door het zwaard. Ook zij liggen bij onbesnedenen, bij hen die in de groeve zijn neergedaald. 30  Daar zijn de vorsten van het Noorden, zij allen, en alle Sidoniers; bij de verslagenen zijn zij neergedaald, beschaamd, ondanks de schrik voor hun macht. Zij liggen, de onbesnedenen, bij hen die zijn geveld door het zwaard, en dragen hun smaad bij hen die in de groeve zijn neergedaald. 31  Dezen zal Farao zien: getroost zal hij zijn over heel zijn menigte. Geveld door het zwaard zijn Farao en zijn gehele legermacht, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 32  Want mijn schrik verspreid Ik in het land der levenden; daarom wordt hij gelegd bij onbesnedenen, bij hen die zijn geveld door het zwaard: hij, Farao, met heel zijn menigte, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.

 

 

 

Eruit gelicht:

-         De hoofdstukken 25-32 behandelen profetieŽn betreffende sommige van de buurlanden van IsraŽl; o.a. Egypte, Ammon, Moab, Edom en Philistia. Dit waren de landen die zich over IsraŽl verblijdde nadat het ten onder was gegaan. Hfst. 32 en 32 handelen evenals de hoofdstukken 29 en 30 over Egypte. De boodschap is dat Egypte onder zal gaan i.t.t. IsraŽl voor wie de belofte van compleet hestel geldt.

 

-         die liet zijn stromen vloeien rondom de plaats waar hij geplant was, en deed zijn geulen uitgaan tot naar alle bomen des velds. (31:4)Ze stelde zelf heersers aan over alle landen.

 

-         Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, omdat hij hoog van stam geworden was en zijn top tot in de wolken had gestoken, en omdat zijn hart zich verhovaardigd had op zijn hoogte (31:10) Sanherib erkende niet dat de macht die hij had van Gíd kwam.

 

-         daarom gaf Ik hem over aan een machtige onder de volken, die hem ten volle deed naar zijn goddeloosheid; Ik verstiet hem (31:11) Gíd gaf AssyriŽ over aan het Babylonische rijk van Nebukadnessar. Deze veroverde de hoofdstad Ninevť.

 

-         opdat geen boom aan het water zich meer verhovaardige op zijn hoogte of zijn top tot in de wolken steke, en opdat de waterdrinkers in hun trots zich niet verbeelden in eigen kracht te kunnen staan (31:14). AssyriŽís val zou tot voorbeeld moeten zijn voor alle andere volken om niet trots en hoogmoedig te worden.

 

-         Zo gaat het Farao met zijn gehele mensenmenigte, luidt het woord van Adonai de Eeuwige (31:18b) De val van AssyriŽ was ook tot voorbeeld voor Egypte bedoeld om tot inkeer te komen.

 

-         Zo zegt Adonai de Eeuwige: Mijn vangnet spreid Ik over u uit door een menigte van vele volken. Zij halen u op in mijn net (32:3) Ziet op de invasie door het leger van Nebukadnessar.

 

-         Voorwaar, de schrik voor hen was verspreid in het land der levenden; zij dragen nu hun smaad bij hen die in de groeve zijn neergedaald (32:25). Omdat deze landen IsraŽl hebben verdrukt komen oordelen over hen.

 

-         Daar zijn de vorsten van het Noorden (32:30). De koningen van Babylon.

 

-         Want mijn schrik verspreid Ik in het land der levenden; daarom wordt hij gelegd bij onbesnedenen, bij hen die zijn geveld door het zwaard: hij, Farao, met heel zijn menigte, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.  (32:32). De terreur  waar de Farao IsraŽl mee bestookte komt op henzelf terug.

 

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl 33-34 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021