EzechiŽl 33-34

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Er uit gelicht

33:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, spreek tot uw volksgenoten en zeg tot hen: wanneer Ik over een land het zwaard breng, en de inwoners van dat land hebben uit hun midden iemand gekozen en tot wachter aangesteld, 3  en deze ziet het zwaard over dat land komen, en blaast op de bazuin en waarschuwt het volk, 4  als dan iemand wel het geluid van de bazuin hoort, maar zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en rukt hem weg, dan komt diens bloed over zijn eigen hoofd. 5  Hij heeft het geluid van de bazuin gehoord, maar zich niet laten waarschuwen; zijn bloed komt over hemzelf; als hij zich had laten waarschuwen, zou hij zijn leven hebben gered. 6  Maar wanneer de wachter het zwaard ziet komen, doch niet op de bazuin blaast, zodat het volk niet gewaarschuwd wordt; En het zwaard komt en rukt iemand van hen weg, dan wordt hij wel weggerukt in zijn eigen ongerechtigheid, maar van zijn bloed zal Ik de wachter rekenschap vragen. 7  Gij nu, mensenkind, u heb Ik tot wachter over het huis IsraŽls aangesteld. Wanneer gij een woord uit mijn mond hoort, zult gij hen uit mijn naam waarschuwen. 8  Als Ik tot de goddeloze zeg: Goddeloze, gij zult zeker sterven! Maar gij spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, dan zal die goddeloze in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen. 9  Maar als gij een goddeloze waarschuwt om zich van zijn weg te bekeren, doch hij bekeert zich daarvan niet, dan zal hij in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uw leven gered. 10 Gij nu, mensenkind, zeg tot het huis IsraŽls: Aldus zegt gij: onze overtredingen en onze zonden rusten op ons en daardoor kwijnen wij weg. Hoe zouden wij dan leven? 11  Zeg tot hen: zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven, huis IsraŽls? 12  Gij nu, mensenkind, zeg tot uw volksgenoten: Zijn gerechtigheid zal de rechtvaardige niet redden, wanneer hij tot overtreding komt; en door zijn goddeloosheid zal de goddeloze niet ten val komen, wanneer hij zich van zijn goddeloosheid bekeert. En wanneer hij zondigt, zal de rechtvaardige door zijn gerechtigheid niet kunnen leven. 13  Wanneer Ik tot de rechtvaardige zeg, dat hij zeker leven zal, maar hij vertrouwt op zijn gerechtigheid en doet onrecht, dan zal met geen van zijn gerechte daden rekening gehouden worden, maar om het onrecht dat hij deed, zal hij sterven. 14  En wanneer Ik tot de goddeloze zeg: Gij zult zeker sterven, maar hij bekeert zich van zijn zonde en handelt naar recht en gerechtigheid. 15  De goddeloze geeft een pand terug, vergoedt het geroofde, wandelt naar de inzettingen die doen leven, zodat hij geen onrecht meer bedrijft. Hij zal zeker leven, hij zal niet sterven. 16  Geen van de zonden die hij bedreven heeft, zal hem meer worden toegerekend; hij heeft naar recht en gerechtigheid gehandeld, hij zal zeker leven. 17  Uw volksgenoten zeggen: de weg van Adonai is niet recht, terwijl hun eigen weg niet recht is. 18  Wanneer een rechtvaardige zich van zijn rechtvaardige wandel afkeert en onrecht doet, dan zal hij daardoor sterven. 19  Doch wanneer een goddeloze zich van zijn goddeloosheid bekeert en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij daarom leven. 20  Maar gij zegt: De weg van Adonai is niet recht. Ik zal u richten, ieder naar zijn eigen wegen, huis IsraŽls. 21 In het twaalfde jaar onzer ballingschap, in de tiende maand, op de vijfde der maand, kwam een vluchteling uit Jeruzalem tot mij met de tijding: De stad is gevallen! 22  De hand van de Eeuwige nu was op mij geweest op de avond voor de komst van de vluchteling; tegen de tijd dat deze des morgens tot mij kwam, opende Hij mijn mond. Toen was mijn mond geopend en was ik niet meer stom. 23  En het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 24  Mensenkind, de bewoners van die puinhopen in het land van IsraŽl zeggen: Avraham was maar alleen en hij bezat het land; wij zijn velen, aan ons is het land in bezit gegeven. 25  Daarom, zeg tot hen: Zo zegt Adonai de Eeuwige: gij eet vlees met het bloed, gij heft uw ogen op naar de afgoden en gij vergiet bloed. Zoudt gij dan het land bezitten? 26  Gij steunt op uw zwaard, gij bedrijft een gruwel, ieder van u onteert de vrouw van zijn naaste. Zoudt gij dan het land bezitten? 27  Zo zult gij tot hen zeggen: zo zegt Adonai de Eeuwige: zo waar Ik leef; wie in de puinhopen zijn, zullen door het zwaard vallen; wie op het open veld zijn zal Ik aan de dieren tot voedsel geven; en wie in de burchten en de holen zijn, zullen sterven aan de pest. 28  Ik zal het land maken tot een oord van woestheid en verwoesting, zijn trotse macht zal vernietigd worden, en de bergen van IsraŽl zullen een woestenij worden, zodat niemand erdoor trekt. 29  En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik het land tot een oord van woestheid en verwoesting maak, vanwege al de gruwelen die zij bedreven hebben. 30 Gij nu, mensenkind, uw volksgenoten spreken onderling over u bij de muren en aan de deuren der huizen; de een zegt tot de ander, ieder tot zijn naaste: Kom toch mee en hoor, welk woord er van de Eeuwige is uitgegaan. 31  En zij komen bij u als in een volksoploop, zetten zich voor u neer, als mijn volk, en horen uw woorden, maar doen er niet naar; woorden van liefde zijn in hun mond, maar hun hart gaat uit naar hun woekerwinst. 32  Zie, gij zijt voor hen als een liefdeslied, schoon van klank, passend bij snarenspel. Zij horen uw woorden, maar doen er geenszins naar. 33  Doch als het komt (en het komt!) dan zullen zij weten, dat er in hun midden een profeet is geweest. 34:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, profeteer tegen de herders van IsraŽl, profeteer en zeg tot hen, tot die herders: zo zegt Adonai de Eeuwige: wee de herders van IsraŽl, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden? 3  Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet; 4  zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij. 5  Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte des velds; zo raken zij verstrooid. 6  Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel; over de gehele aarde zijn mijn schapen verstrooid zonder dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt. 7 Daarom, gij herders, hoort het woord van de Eeuwige. 8  Zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, omdat mijn schapen tot een prooi geworden zijn, omdat mijn schapen tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte des velds doordat er geen herder is (want mijn herders vragen niet naar mijn schapen; de herders weiden zichzelf, maar mijn schapen weiden zij niet) 9  daarom, gij herders, hoort het woord van de Eeuwige. 10  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Zie, Ik zal die herders! Ik eis mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen. 11  Want zo zegt Adonai de Eeuwige: Zie, Ik zal zelf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien; 12  zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis. 13  Ik zal ze midden uit de volken doen uittrekken, uit de landen bijeenvergaderen en ze naar hun eigen land brengen; Ik zal ze weiden op de bergen van IsraŽl, bij de beekbeddingen en in alle bewoonde streken van het land. 14  In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van IsraŽl zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij zich legeren op een goede weideplaats en zullen zij in een vette weide grazen, op de bergen van IsraŽl. 15  Ik zelf zal mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige; 16 de verlorene zal Ik zoeken en de afgedwaalde terughalen; de gewonde zal Ik verbinden en de zieke versterken, maar de vette en krachtige zal Ik verdelgen. Ik zal ze weiden zoals het behoort. 17  En gij, mijn schapen, zo zegt Adonai de Eeuwige, zie, Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen de rammen en de bokken. 18  Is het u niet genoeg, dat gij de beste weide afweidt en de rest van de weiden met uw hoeven vertreedt; dat gij het helderste water drinkt en wat overblijft met uw hoeven vertroebelt? 19  Moeten mijn schapen dan afweiden wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld? 20  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige tegen hen: Zie, Ik ga zelf rechtspreken tussen de vette en de magere schapen; 21  omdat gij al wat zwak is, met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat gij ze naar buiten gedreven hebt, 22  zal Ik mijn schapen verlossen, opdat zij niet langer tot een prooi zijn; Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere. 23  Dan zal Ik een herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. 24  Ik, de Eeuwige, zal hun God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de Eeuwige, heb het gesproken. 25  Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten en het wild gedierte uit het land wegdoen, zodat zij veilig kunnen wonen in de steppe en slapen in de bossen. 26  Ik zal die, ja al wat rondom mijn heuvel ligt, tot een zegen stellen; Ik zal de regen doen neerdalen op zijn tijd, zegenbrengende regens zullen het zijn; 27  het geboomte des velds zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst. Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechten. 28  Dan zullen zij de volken niet langer tot een prooi zijn; het wild gedierte der aarde zal ze niet meer verslinden, maar zij zullen veilig wonen, zonder dat iemand hen opschrikt. 29  Ik zal voor hen een plantengroei doen opschieten, waarvan men overal spreekt, zodat niemand in het land meer door honger zal worden weggerukt en zij de smaad der volken niet langer te dragen hebben. 30  En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis IsraŽls, mijn volk zijn, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 31  Gij toch zijt mijn schapen, de schapen die Ik weid; gij zijt mensen en Ik ben uw God, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.

 

 

 

Eruit gelicht:

-         Mensenkind, spreek tot uw volksgenoten en zeg tot hen: wanneer Ik over een land het zwaard breng, en de inwoners van dat land hebben uit hun midden iemand gekozen en tot wachter aangesteld, en deze ziet het zwaard over dat land komen, en blaast op de bazuin en waarschuwt het volk, als dan iemand wel het geluid van de bazuin hoort, maar zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en rukt hem weg, dan komt diens bloed over zijn eigen hoofd (33:2-4). Voor de oordelen worden uitgevoerd waarschuwt Gíd. Daarom zijn de mensen verantwoordelijk. Bewust zijn ze dan tegen Gíds wil ingegaan en willen niet in Gíds wegen gaan.

 

-         Maar wanneer de wachter het zwaard ziet komen, doch niet op de bazuin blaast, zodat het volk niet gewaarschuwd wordt; En het zwaard komt en rukt iemand van hen weg, dan wordt hij wel weggerukt in zijn eigen ongerechtigheid, maar van zijn bloed zal Ik de wachter rekenschap vragen (33:6).  De profeten zijn verantwoordelijk om de waarschuwingen die Gíd geeft voor het volk om ze daadwerkelijk uit te spreken. Die waarschuwingen zijn er voor bedoeld om het volk terug te laten keren in de wegen van Gíd, de Thora.

 

-         Gij nu, mensenkind, zeg tot uw volksgenoten: Zijn gerechtigheid zal de rechtvaardige niet redden, wanneer hij tot overtreding komt; en door zijn goddeloosheid zal de goddeloze niet ten val komen, wanneer hij zich van zijn goddeloosheid bekeert. En wanneer hij zondigt, zal de rechtvaardige door zijn gerechtigheid niet kunnen leven. Wanneer Ik tot de rechtvaardige zeg, dat hij zeker leven zal, maar hij vertrouwt op zijn gerechtigheid en doet onrecht, dan zal met geen van zijn gerechte daden rekening gehouden worden, maar om het onrecht dat hij deed, zal hij sterven. (33:12, 13). Herhaling van wat ook in Ezech. 18 staat. Dat wil zeggen dat het bij Gíd vast staat en blijvend is (ook in deze tijd). Ieder is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn daden. Iemand die zich niet bekeert (waar of in wat hij ook geloofd) zal sterven.

 

-         En wanneer Ik tot de goddeloze zeg: Gij zult zeker sterven, maar hij bekeert zich van zijn zonde en handelt naar recht en gerechtigheid. De goddeloze geeft een pand terug, vergoedt het geroofde, wandelt naar de inzettingen die doen leven, zodat hij geen onrecht meer bedrijft. Hij zal zeker leven, hij zal niet sterven.   Geen van de zonden die hij bedreven heeft, zal hem meer worden toegerekend; hij heeft naar recht en gerechtigheid gehandeld, hij zal zeker leven (33:14-16). Hier wordt ook weer hetzelfde gezegd als in hoofdstuk 18. Dit om de vastheid van deze woorden te benadrukken (ook voor de toekomst). Gíd benadrukt (door de mond van EzechiŽl) dat de weg van terugkeer naar Gíd een weg van bekering is. Als iemand zich bekeerd zullen zijn /haar zonden die hij/zij heeft gedaan hem/haar niet worden toegerekend !!!. Dat geldt ook nog steeds voor nu want deze profetische woorden van EzechiŽl hebben betrekking op het herstel (wat ook duidelijk beschreven wordt in EzechiŽl 36) van IsraŽl wat nog steeds niet compleet is.

 

-         Zoudt gij dan het land bezitten? Gij steunt op uw zwaard, gij bedrijft een gruwel, ieder van u onteert de vrouw van zijn naaste. Zoudt gij dan het land bezitten? (33:25b, 26). Gíd verwijst hier naar de woorden in Lev. 18: ď24  Verontreinigt u niet door dit alles, want door dit alles hebben zich verontreinigd de volken die Ik voor u uit wegdrijf. 25  Het land toch werd verontreinigd en Ik vergold daaraan zijn ongerechtigheid, zodat het land zijn inwoners uitspuwde. 26  Gij echter zult mijn inzettingen en mijn verordeningen in acht nemen en geen van deze gruwelen doen, noch de geboren IsraŽliet, noch de vreemdeling die in uw midden vertoeft; 27  want al deze gruwelen deden de lieden van het land, die voor u waren, zodat het land onrein werd. 28  Opdat het land u niet uitspuwe, wanneer gij het verontreinigt, zoals het uitgespuwd heeft het volk, dat voor u was. 29  Want ieder die iets van al deze gruwelen doet, (degenen, die ze doen, zullen uit het midden van hun volk uitgeroeid worden).Ē

 

-         Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: Mensenkind, profeteer tegen de herders van IsraŽl, profeteer en zeg tot hen, tot die herders: zo zegt Adonai de Eeuwige: wee de herders van IsraŽl, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden. (34:1,2) De leiders hadden geen oog voor het volk en gingen het volk niet voor in het leven naar de Thora. Daardoor overkwam het volk allerlei dingen.

 

-         Ik zal ze midden uit de volken doen uittrekken, uit de landen bijeenvergaderen en ze naar hun eigen land brengen; Ik zal ze weiden op de bergen van IsraŽl, bij de beekbeddingen en in alle bewoonde streken van het land. In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van IsraŽl zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij zich legeren op een goede weideplaats en zullen zij in een vette weide grazen, op de bergen van IsraŽl. (33:13, 14). Gíd beloofd het volk IsraŽl vanuit alle landen en volken weer terug te brengen in het land IsraŽl om ze daar in de wegen van de Thora te laten gaan.

 

-         Dan zal Ik een herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. Ik, de Eeuwige, zal hun tot een God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de Eeuwige, heb het gesproken. Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten en het wild gedierte uit het land wegdoen, zodat zij veilig kunnen wonen in de steppe en slapen in de bossen (33:23-25). Omdat de leiders hun taak niet goed hadden gedaan (het volk te leiden in de wegen van Gíd) zal Gíd een leider geven die z\ijn taak wel goed zal doen. Namelijk het volk voorgaan en sturen in het leven naar Gíds wil (leven volgens de Thora). Dat zal de Messias zijn. Hier wordt duidelijk wat het werkelijke doel van de Messias is; het volk leiden in de wegen van de Thora. Er wordt hier beschreven dat hij de vorst zal zijn. In hoofdstuk 45 en verder wordt er een verdere taakomschrijving van de Messias, de vorst, beschreven.

 

-         Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechten. Dan zullen zij de volken niet langer tot een prooi zijn; het wild gedierte der aarde zal ze niet meer verslinden, maar zij zullen veilig wonen, zonder dat iemand hen opschrikt. (33:27b, 28). In de Messiaanse tijd zal het volk IsraŽl (geheel) voorgoed weer in het land wonen en zullen ze niet meer verdrukt worden door de volken. Dat geeft aan dat de Messias nog niet is gekomen. Wel zien we dat de tijd niet ver weg meer is. Het volk IsraŽl komt weer terug in hun land wat hen beloofd is.

 

 

Start ] Omhoog ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021