EzechiŽl 29-30

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Er uit gelicht

29:1 In het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 2  Mensenkind, keer uw gelaat naar Farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen geheel Egypte. 3  Spreek en zeg: zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik zal u, Farao, koning van Egypte! gij machtig monster, dat ligt te midden van uw Nijlarmen, dat zegt: van mij zijn mijn Nijlarmen, zelf heb ik ze voor mij gemaakt. 4  Haken ga Ik slaan in uw kaken, de vissen van uw Nijlarmen zal Ik aan uw schubben doen vastkleven; dan zal Ik u ophalen uit uw Nijlarmen met al de vissen van uw Nijlarmen, die aan uw schubben vastkleven; 5  en Ik zal u neerwerpen in de woestijn, u met al de vissen van uw Nijlarmen. Op het open veld zult gij neervallen; gij zult niet opgeraapt noch weggehaald worden; aan het gedierte der aarde en aan het gevogelte des hemels geef Ik u tot spijs. 6  En alle inwoners van Egypte zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, want zij zijn voor het huis IsraŽls een rietstaf: 7  grijpt dit u met de hand vast, dan knakt gij en rijt hun allen de schouder open; leunen zij op u, dan breekt gij en brengt hun aller heup aan het wankelen. 8 Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, zie, Ik breng een zwaard over u, Ik ga mens en dier uit u uitroeien, 9  zodat het land Egypte wordt tot een woestenij en een puinhoop, en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. Omdat gij gezegd hebt: Van mij is de Nijl, zelf heb ik hem gemaakt, 10  zie, daarom keer Ik Mij tegen u en tegen uw Nijlarmen en zal Ik het land Egypte tot een volkomen puinhoop maken, een wildernis van Migdol af tot Syene toe, tot aan de grens van Ethiopie. 11 Geen mensenvoet zal er doorheen trekken, zelfs geen dierepoot zal er doorheen trekken; het zal onbewoond blijven, veertig jaar. 12  Ik zal het land Egypte maken tot een woestenij te midden van verwoeste landen; zijn steden zullen een woestenij zijn te midden van verdelgde steden, veertig jaar; Ik zal de Egyptenaren onder de volken verstrooien en hen verspreiden over de landen. 13  Want zo zegt Adonai de Eeuwige: na verloop van veertig jaar zal Ik de Egyptenaren bijeenverzamelen uit de volken, in wier land zij verstrooid zijn. 14  En Ik zal een keer brengen in het lot der Egyptenaren en hen doen terugkeren naar het land Patros, naar hun land van herkomst, en daar zullen zij een onbeduidend koninkrijk zijn. 15  Het zal het onbeduidendste onder de koninkrijken zijn, zodat het zich niet meer boven de volken verheffen kan. Ik zal hen klein maken, zodat zij niet heersen over de volken. 16  Dan zal het niet meer het vertrouwen kunnen uitmaken van het huis IsraŽls, een vertrouwen, dat aan schuld herinnert, wanneer zij zich achter hen scharen. En zij zullen weten, dat Ik Adonai de Eeuwige ben. 17 In het zevenentwintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 18  Mensenkind, Nebukadressar, de koning van Babel, heeft zijn leger een grote dienst verricht tegen Tyrus: alle hoofden zijn kaal geworden en alle schouders ontveld, maar noch hem noch zijn leger is uit Tyrus enig loon ten deel gevallen voor de strijd die hij daartegen gevoerd heeft. 19  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, zie, ik ga aan Nebukadressar, de koning van Babel, het land Egypte geven, om daaruit de rijkdom weg te voeren, buit te behalen en roof te plegen: dat zal het loon zijn voor zijn leger. 20  Als vergoeding voor zijn dienst zal Ik hem het land Egypte geven, want zij hebben voor Mij gewerkt, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 21 Te dien dage zal Ik voor het huis Israels een hoorn doen uitspruiten, en aan u zal Ik vrijmoedigheid geven om te midden van hen te spreken. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. 30:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, profeteer en zeg: zo zegt Adonai de Eeuwige: weeklaagt: ach, die dag! 3  Want nabij is de dag, ja, nabij is een dag van de Eeuwige, een dag van wolken, het uur der volken zal het zijn.4  Een zwaard zal in Egypte komen; siddering zal er zijn in EthiopiŽ, wanneer er doden vallen in Egypte, en wanneer men zijn rijkdom wegneemt en zijn fundamenten worden vernield. 5  EthiopiŽ, Put, Lud, heel de gemengde bevolking, Kub en de zonen van het met hen verbonden land zullen met hen door het zwaard vallen. 6  Zo zegt de Eeuwige: Zij die Egypte steunen, zullen vallen; zijn trotse kracht zal neerzinken. Van Migdol tot Syene toe zullen zij daar door het zwaard vallen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 7  Verwoest zal het liggen te midden van verwoeste landen, zijn steden te midden van verdelgde steden. 8  En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik vuur breng in Egypte en al zijn helpers vernietigd worden. 9  Te dien dage zullen boden van Mij uitgaan op schepen, om het onbezorgde Ethiopie schrik aan te jagen, en er zal siddering onder hen zijn op de dag van Egypte. Want zie; Het komt! 10  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Ja, Ik zal een einde maken aan de drommen van Egypte door de hand van Nebukadressar, de koning van Babel. 11 Hij en zijn volk, de gewelddadigste der volken, worden aangevoerd om het land te verwoesten; zij zullen hun zwaarden tegen Egypte trekken en het land met doden vullen. 12 Ik zal de Nijlarmen droogleggen en het land aan booswichten overgeven; Ik zal het land, met al wat erop is, verwoesten door de hand van vreemden. Ik, de Eeuwige, heb het gesproken. 13 Zo zegt Adonai de Eeuwige: Ja, Ik zal de afgoden vernietigen en de schijngoden uit Nof doen verdwijnen; er zal geen Egyptische vorst meer zijn. En Ik zal vrees brengen over het land Egypte, 14  Patros verwoesten, vuur leggen in Soan en gerichten voltrekken aan No. 15  Ik zal mijn grimmigheid uitstorten over Sin, de vesting van Egypte, en Ik zal de menigte van No uitroeien. 16  Vuur zal Ik leggen in Egypte. Sin zal hevig beven; in No zullen bressen geslagen worden; en wat Nof betreft: vijanden bij dag! 17  De jongelingen van Awen en Pi-beset zullen door het zwaard vallen en zij zelf zullen in gevangenschap gaan. 18  In Tachpanches zal de dag verduisterd worden, wanneer Ik daar de Egyptische macht verbreek. Vernietigd wordt daarin zijn trotse sterkte; een wolk zal het bedekken en zijn dochters zullen in gevangenschap gaan. 19  Zo zal Ik gerichten voltrekken aan Egypte; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. 20 In het elfde jaar, in de eerste maand, op de zevende der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 21  Mensenkind, de arm van Farao, de koning van Egypte, heb Ik gebroken; zie, hij zal niet ter genezing verbonden worden door hem met een zwachtel te omwikkelen, zodat hij weer sterk genoeg wordt om het zwaard te grijpen. 22  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, zie Ik keer Mij tegen Farao, de koning van Egypte, en breek zijn armen, zowel de gezonde als de gebroken, en Ik doe hem het zwaard uit de hand vallen. 23  Ik zal de Egyptenaren verstrooien onder de volken en hen verspreiden over de landen. 24  De armen van de koning van Babel zal Ik sterk maken en mijn zwaard in zijn hand geven, maar de armen van Farao zal Ik breken, zodat hij voor hem kermen zal met het gekerm van een dodelijk gewonde. 25  Ja, de armen van de koning van Babel maak Ik sterk, maar de armen van Farao zullen neerzinken; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik mijn zwaard in de hand van de koning van Babel geef en hij het over het land Egypte zwaait. 26  Ik zal de Egyptenaren verstrooien onder de volken en hen verspreiden over de landen. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben.

 

 

 

 

Eruit gelicht:

-         De hoofdstukken 25-32 behandelen profetieŽn betreffende sommige van de buurlanden van IsraŽl; o.a. Egypte, Ammon, Moab, Edom en Philistia. Dit waren de landen die zich over IsraŽl verblijdde nadat het ten onder was gegaan.

 

-         In het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij (29:1). Dat is op de 12e Tevet van het 10e jaar van Zedekiaís regering (en na Jehojachins verbanning)

 

-         en profeteer tegen hem en tegen geheel Egypte. Spreek en zeg: zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik zal u, Farao, koning van Egypte! gij machtig monster, dat ligt te midden van uw Nijlarmen, dat zegt: van mij zijn mijn Nijlarmen, zelf heb ik ze voor mij gemaakt (29:2b,3). Profetie tegen Egypte. Egypte is geheel afhankelijk van de rivier de Nijl. In Gen. 47:10 zegent Jakob de Farao van Egypte (Toen zegende Jakob Farao en ging van Farao heen.). De overlevering verteld dat hij hem zegende met de zegen ďdat de wateren van de Nijl tot volheid komen ten dienste van PharaoĒ (Rashi gebaseerd op Tanchuma Nasso 26)

 

-         En alle inwoners van Egypte zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, want zij zijn voor het huis IsraŽls een rietstaf: grijpt dit u met de hand vast, dan knakt gij en rijt hun allen de schouder open; leunen zij op u, dan breekt gij en brengt hun aller heup aan het wankelen. (29:6, 7). Egypte stelde IsraŽl keer op keer teleur toen ze haar vertrouwen op Egypte stelde; in de dagen van Sanherib (2 Kon. 18: 21 en Jes. 36:6  Nu dan, zie, gij vertrouwt op die geknakte rietstaf, op Egypte, die, als iemand daarop steunt, hem in de hand dringt en ze doorboort: zo is Farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.) en Nebukadnessar  (Jer. 37:5 Ook was het leger van Farao uit Egypte opgerukt, en toen de ChaldeeŽn die Jeruzalem belegerden, de tijding daarvan vernomen hadden, waren zij van Jeruzalem weggetrokken.)

 

-         dat aan schuld herinnert. Zie Ex. 14:13b ďwant de Egyptenaren, die gij heden gezien hebt, zult gij nimmermeer zien.Ē

 

-         een grote dienst verricht tegen Tyrus (29:18b). Een dienst verricht omdat ze hiermee een opdracht van Gíd uitvoerden. Ze waren instrument in Gíds hand. Zie ook Jer. 43:10a ďen zeg tot hen: Zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van IsraŽl: Zie, Ik ontbied mijn knecht Nebukadressar, de koning van BabelĒ en Ezech. 30:24, 25a ďDe armen van de koning van Babel zal Ik sterk maken en mijn zwaard in zijn hand geven, maar de armen van Farao zal Ik breken, zodat hij voor hem kermen zal met het gekerm van een dodelijk gewonde. Ja, de armen van de koning van Babel maak Ik sterkĒ en Hab. 1:12 ďZijt Gij niet vanouds, Eeuwige, mijn God, mijn Heilige? Wij sterven niet. Eeuwige tot een oordeel hebt Gij hem gesteld, en, o Rots! om te tuchtigen hebt Gij hem bestemd.Ē

 

-         Te dien dage zal Ik voor het huis IsraŽls een hoorn doen uitspruiten, en aan u zal Ik vrijmoedigheid geven om te midden van hen te spreken. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. (29:21). Egypte zou ook in ballingschap gaan, veertig jaar. Aan het eind ervan zouden ze bereid zijn om te luisteren naar de profeet en realiseren dat de Eeuwige Gíd is.

 

-         Een zwaard zal in Egypte komen; siddering zal er zijn in EthiopiŽ (30:4). Het hebreeuwse woord voor Egypte is Misraim en voor EthiopiŽ is Kus. Misraim en Kus waren beide zonen van Cham, de zoon van Noach. Gen 10:6 ďEn de zonen van Cham waren Kus, Misraim, Put en Kanašn.Ē

 

-         gerichten voltrekken aan No (30:14b). No is Alexandria.

 

-         Mensenkind, de arm van Farao, de koning van Egypte, heb Ik gebroken; zie, hij zal niet ter genezing verbonden worden door hem met een zwachtel te omwikkelen, zodat hij weer sterk genoeg wordt om het zwaard te grijpen. Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, zie Ik keer Mij tegen Farao, de koning van EgypteÖ (30:21, 22). Farao Nego had al een grote nederlaag geleden door Nebukadnessar. (Jer. 46:2 ď2  Over Egypte. Tegen het leger van Farao Neko, de koning van Egypte, dat aan de rivier de Eufraat bij Karkemis stond, en dat Nebukadressar, de koning van Babel, verslagen heeft in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda.Ē. Daardoor was Egypteís macht gebroken en was het niet meer mogelijk voor hem om ten strijde te trekken (2 Kon. 24:7 ďDe koning van Egypte trok niet weer op buiten zijn land; want de koning van Babel had alles veroverd wat aan de koning van Egypte had toebehoord, van de Beek van Egypte af tot de rivier de Eufraat toe.Ē). Binnen Egypte had de Farao nog wel steeds macht. Hier wordt geprofeteerd dat zijn macht verder gebroken zal worden door Nebukadnessar zodat er een onbeduidend land over zal blijven. Zie 29:15 ďHet zal het onbeduidendste onder de koninkrijken zijn, zodat het zich niet meer boven de volken verheffen kan. Ik zal hen klein maken, zodat zij niet heersen over de volkenĒ

 

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl 31-32 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021