EzechiŽl 27-28

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Er uit gelicht

 

 

27:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Gij, mensenkind, hef een klaaglied aan over Tyrus, 3  en zeg tot Tyrus, dat gelegen is aan de toegangen tot de zee, dat als de koopstad der volken op vele kustlanden handel drijft: zo zegt Adonai de Eeuwige: Tyrus, gij dacht: volmaakt schoon ben ik. 4  Midden in zee lag uw gebied, uw bouwmeesters maakten u van een volkomen schoonheid. 5  Cypressen van de Senir wendden zij aan voor de bouw van uw gehele romp; een ceder haalden zij van de Libanon om er uw mast van te vervaardigen. 6  Eiken van Basan gebruikten zij om uw roeiriemen te maken. Uw dek maakten zij van ivoor, gevat in dennehout uit de kustlanden van de Kittiers. 7  Kleurig geborduurd fijn linnen uit Egypte was uw zeildoek: tot zeil diende het u. Blauwpurper en roodpurper uit de kustlanden van Elisa was uw dektent. 8  Inwoners van Sidon en Arwad waren uw roeiers; uw bekwaamste mannen, o Tyrus, waren aan boord: uw matrozen waren zij. 9  De oudsten en wijzen van Gebal voeren op u als scheepstimmerlieden. Alle zeeschepen met hun bemanning lagen in u om uw koopwaar te ruilen. 10  Perzen, Lydiers en Puteeers dienden in uw leger als uw krijgslieden; schild en helm hingen zij binnen u op; zij zetten u luister bij. 11  Mannen uit Arwad en Chelek stonden overal op uw muren, en Gammadieten op uw torens; hun schilden hingen zij allerwege aan uw muren; zij maakten uw schoonheid volkomen. 12  Tarsis dreef handel met u, vanwege de overvloed aan allerlei goederen; zilver, ijzer, tin en lood leverde het voor uw waren. 13  Jawan, Tubal en Mesek handelden met u; slaven en koperwerk leverden zij voor uw koopwaar. 14 Uit Bet-togarma leverde men paarden, rijdieren en muildieren voor uw waren. 15  De Dedanieten dreven handel met u; talrijke kustlanden waren uw afzetgebied ivoor en ebbehout brachten zij u als schatting. 16  Aram dreef handel met u ter wille van uw vele voortbrengselen; hematiet, roodpurper, kleurig geborduurde gewaden, linnen, parelmoer en robijnen leverden zij u voor uw waren. 17 Juda en het land IsraŽl dreven handel met u; tarwe van Minnit, mirre, honig, olie en balsem leverden zij voor uw koopwaar. 18  Damascus dreef handel met u om uw vele voortbrengselen, vanwege de overvloed aan vele goederen, om wijn van Chelbon en wol van Sachar. 19  Wedan en Jawan uit Uzzal leverden gesmeed ijzer voor uw waren; kassie en kalmoes behoorden tot uw koopwaar. 20  Dedan dreef handel met u in dekkleden voor ruiters; 21  ArabiŽ en al de vorsten van Kedar stonden met u in handelsverkeer; zij dreven handel met u in lammeren, rammen en bokken. 22  De kooplieden van Seba en Rama dreven handel met u: het fijnste van alle specerijen, allerhande edelgesteente en goud leverden zij voor uw waren. 23  Haran, Kanne en Eden de kooplieden van Seba, Assur, Kilmad dreven handel met u. 24  Zij handelden met u op uw markt in staatsiegewaden, blauwpurperen en kleurig geborduurde mantels, in bont geweven tapijten, in gevlochten kabeltouwen. 25  Schepen van Tarsis brachten u de koopwaar aan. Volgeladen en zwaar bevracht laagt gij midden in de zee. 26 Op wijde wateren brachten u uw roeiers; de oostenwind verbreekt u midden in zee. 27  Uw rijkdom en uw waren, uw koopwaar, uw schepelingen en matrozen, uw scheepstimmerlieden en handelaars, en al uw krijgslieden die zich op u bevinden, ja heel de bemanning die aan boord is, weg zinken zij in het hart van de zee, op de dag van uw ondergang. 28  Van het angstgeschreeuw uwer matrozen beven de opgezweepte golven. 29  Nu verlaten hun schepen allen die de riemen hanteren, de schepelingen, al de zeevaarders: zij gaan aan land. 30  Luid weeklagen zij over u en jammeren bitter, zij werpen stof op hun hoofd en wentelen zich in as. 31 Om uwentwil scheren zij zich kaal en omgorden zij zich met rouwgewaad; in bitter zieleleed wenen zij over u. Een bittere rouwklacht! 32  Jammerend heffen zij een klaaglied over u aan, een klaagzang zingen zij over u: wie is als Tyrus, de verwoeste, midden in de zee? 33  Toen uw waren kwamen van de zee, hebt gij vele volken verzadigd; met uw vele goederen en uw koopwaren hebt gij de koningen der aarde rijk gemaakt. 34  Nu zijt gij in stukken gebroken, weggevaagd van de zee, verzwolgen in waterdiepten; uw koopwaar en al uw opvarenden. Weggezonken zijn zij met u. 35  Alle bewoners der kustlanden ontzetten zich over u; hun koningen zijn door huivering bevangen, verwrongen is hun gelaat. 36  De kooplieden onder de volken fluiten u uit, een verschrikking zijt gij geworden, verdwenen zijt gij. Voor altijd! 28:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, zeg tot de vorst van Tyrus: zo zegt Adonai de Eeuwige: omdat uw hart hoogmoedig geworden is en gij zegt: ik ben een god, een godenwoning bewoon ik midden in zee, (terwijl gij een mens zijt en geen god) en gij in uw hart uzelf gelijkstelt met een god; 3  voorzeker, gij zijt wijzer dan Daniel, geen geheim is voor u verborgen; 4  door uw wijsheid en uw inzicht hebt gij u een vermogen verworven en goud en zilver verzameld in uw schatkamers; 5  door uw wijs beleid bij de handel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart is trots geworden op uw vermogen. 6  Daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, omdat gij in uw hart uzelf gelijkgesteld hebt met een god, 7  daarom, zie, Ik breng vreemdelingen over u, de gewelddadigste der volken; die zullen hun zwaarden trekken tegen de luister van uw wijsheid en uw glans ontwijden. 8  In de groeve zullen zij u doen neerdalen, gij zult de bittere dood der gesneuvelden sterven, midden in zee. 9  Zult gij dan nog zeggen: ik ben een god (terwijl gij een mens zijt en geen god) als gij staat tegenover hem die u doodt en in de macht zijt van wie u neerslaan? 10  De dood der onbesnedenen zult gij sterven door de hand van vreemdelingen, want Ik heb het gesproken, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 11 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 12  Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus en zeg tot hem: zo zegt Adonai de Eeuwige: Volmaakt zijt gij van gestalte, vol van wijsheid, volkomen schoon. 13 In Eden waart gij, Gods hof; allerhande edelgesteente overdekte u: rode jaspis, chrysoliet en prasem, turkoois, chrysopraas en nefriet, lazuursteen, hematiet en malachiet en goud. De vervaardiger van uw trommels en wind instrumenten waren in u. Van de dag dat gij geschapen werdt, waren zij gereed. 14  Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels; Ik had u een plaats gegeven: gij waart op de heilige berg der goden, wandelend te midden van vlammende stenen. 15  Onberispelijk waart gij in uw wandel, vanaf de dag dat gij geschapen werdt totdat er onrecht in u werd gevonden: 16  door uw uitgebreide handel zijt gij vervuld geraakt met geweldenarij en kwaamt gij tot zonde. Van de berg der goden verbande Ik u en deed u weg, gij beschuttende cherub, van tussen de vlammende stenen. 17  Trots was uw hart op uw schoonheid. Met uw luister hebt gij ook uw wijsheid teniet doen gaan. Ter aarde wierp Ik u neer, en maakte u tot een schouwspel voor koningen om met leedvermaak naar u te zien. 18  Door uw vele ongerechtigheden, door het onrecht bij uw koophandel, hebt gij uw heiligdommen ontwijd. Vuur deed Ik oplaaien uit uw midden; dat verteerde u! Ik maakte u tot as op de grond voor de ogen van allen die u zagen. 19  Allen die onder de volken u kennen, ontzetten zich over u; een verschrikking zijt gij geworden, verdwenen zijt gij. Voor altijd! 20 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 21  Mensenkind, keer uw gelaat naar Sidon, profeteer daartegen en zeg: 22  zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik zal u, Sidon! In uw midden zal Ik Mij verheerlijken; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik gerichten aan die stad voltrek en Mij aan haar de Heilige betoon. 23  Ik zal daarin de pest zenden, bloed op haar straten; doden zullen daar vallen door het zwaard dat aan alle kanten tegen haar gericht is. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. 24  Maar het huis IsraŽls zal geen wondende doorn noch pijndoende distel meer hebben onder alle omwonenden die hen verachten. En zij zullen weten, dat Ik Adonai de Eeuwige ben. 25  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Als Ik het huis IsraŽls bijeenverzamel uit de natiŽn, in wier land zij verstrooid zijn, dan zal Ik Mij ten aanschouwen van de volken aan hen de Heilige betonen, en zij zullen wonen in hun land, dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb. 26  Zij zullen daar veilig wonen en huizen bouwen en wijngaarden planten; ja veilig zullen zij wonen, terwijl Ik gerichten voltrek aan allen uit hun omgeving, die hen veracht hebben. En zij zullen weten, dat Ik, de Eeuwige, hun God ben.

 

 

 

Eruit gelicht:

-         De hoofdstukken 25-32 behandelen profetieŽn betreffende sommige van de buurlanden van IsraŽl; o.a. Ammon, Moab, Edom en Philistia. Dit waren de landen die zich over IsraŽl verblijdde nadat het ten onder was gegaan.

 

-         Heel hoofdstuk 27 is gewijdt aan het oordeel wat over Tyrus wordt uitgesproken. Het verleden van welvaart wordt beschreven en niets van de welvaart zal overblijven. In 27:34 staat Nu zijt gij in stukken gebroken, weggevaagd van de zee, verzwolgen in waterdiepten; uw koopwaar en al uw opvarenden. Weggezonken zijn zij met u.

 

-          Cypressen van de Senir (27:5). Senir is een andere naam voor de berg Hermon in het Noord-Oosten van IsraŽl ten noorden van de huidige Golan hoogvlakte dat in Bashan lag.

 

-         Eiken van Basan gebruikten zij  (27:6).Deut. 3:10-14 ď10  al de steden van de hoogvlakte, zowel als geheel Gilead en geheel Basan tot Salka en Edrei, steden van het koninkrijk Og in Basan. 11  Alleen Og, de koning van Basan, was overgebleven als laatste der Refaieten; zie, zijn rustbank was een rustbank van ijzer; zij staat immers in Rabba der Ammonieten. Negen el is zij lang en vier el breed naar de gewone el. 12 Dit land nu namen wij te dien tijde in bezit; van Aroer af, dat aan de beek Arnon ligt, met de helft van het gebergte van Gilead en zijn steden gaf ik het aan de Rubenieten en aan de Gadieten; 13  en de rest van Gilead met geheel Basan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam Manasse, de gehele landstreek van Argob. (Dit gehele Basan wordt land der Refaieten genoemd). 14  Jair, de zoon van Manasse, nam de gehele landstreek van Argob tot het gebied der Gesurieten en der Maakatieten, en noemde deze, namelijk Basan, naar zijn naam: de dorpen van Jair, tot op deze dag.Ē Zach. 11:2 ď2  Jammer, gij cypres, omdat de ceder gevallen is, en de geweldige bomen verwoest zijn; jammert, gij eiken van Basan, omdat het ondoordringbare woud is neergestort.Ē

 

-         de kustlanden van Elisa (27:7). Gewoonlijk worden daar Griekse eilanden mee bedooeld. Zie ook Gen. 10:4 En de zonen van Jawan waren Elisa, Tarsis, de Kittiers en de Dodanieten.

 

-         De oudsten en wijzen van Gebal (27:9). Ook in 1 Kon. 5:18 wordt er bij de tempelbouw melding van hen gemaakt. ďDe bouwlieden van Salomo en van Chiram en de Giblieten behieuwen de boomstammen en de stenen, en maakten ze pasklaar voor de bouw van het huis.Ē 

 

-         Perzen, Lydiers en Puteeers dienden in uw leger als uw krijgslieden;  (27:10) Put is een broer van Mizraim (Egypte). Gen. 10:6 ďEn de zonen van Cham waren Kus, Misraim, Put en Kanaan.Ē Lydiers zijn Ludieten Gen. 10: 13  ďEn Misraim verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de NaftuchietenĒ.

 

-         Gammadieten op uw torens (27:11). Dit is een andere naam voor CappadociŽrs. Zij waren klein van stuk en konden zich makkelijk verbergen.

 

-         Tarsis dreef handel met u (27:12). In het hebreeuws wordt hier een vrouwelijke vorm gebruikt. Dit om de zwakte van Tarsis uit te drukken. De vrouwelijke vorm wordt door dit hele hoofdstuk zo gebruikt.

 

-         Jawan, Tubal en Mesek (27:13). Dit zijn nakomelingen van Japheth. Gen 10: 2  De zonen van Jafet waren Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesek en Tiras.

 

-         Juda en het land IsraŽl dreven handel met u; tarwe van Minnit (27:17). Minnit wordt genoemd in Richt. 11: 33  Hij versloeg ze van Aroer af tot in de nabijheid van Minnit (twintig steden) en tot Abel Keramim: een geweldige nederlaag, waardoor de Ammonieten voor de IsraŽlieten moesten bukken.

 

-         ArabiŽ en al de vorsten van Kedar stonden met u in handelsverkeer (27:21). Kedar is een zoon van IsmaŽl. Gen 25: 13  Dit zijn dan de namen der zonen van IsmaŽl, genoemd naar hun afstamming: de eerstgeborene van IsmaŽl Nebajot, voorts Kedar, Adbeel, Mibsam. Zie verder ook Jes. 60:7 ďAl de schapen van Kedar zullen zich voor u verzamelen, de rammen van Nebajot zullen zich u ten dienste stellen; zij zullen als een welgevallig offer op mijn altaar komen en aan mijn luisterrijk huis zal Ik luister verlenen.Ē

 

-         de bemanning die aan boord is, weg zinken zij in het hart van de zee, op de dag van uw ondergang (27:27). Door hun ondergang (Tyrus) kwamen ook de handelsschepen die op hen voeren zonder werk te zitten en gingen ten onder.

 

-         omdat uw hart hoogmoedig geworden is (28:1). Koning Chiram van Tyrus was hoogmoedig geworden vanwege het feit dat hij ceders geleverd had voor de tempelbouw. Gíd zei als het ware. Ik zal de tempel vernietigen zodat Chiram niet meer trots kan zijn.

 

-         voorzeker, gij zijt wijzer dan DaniŽl, geen geheim is voor u verborgen; (28:3). Wordt spottend bedoeld DaniŽl wilde zich immers niet als Gíd laten vereren. Dan.2:45  juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning bekendgemaakt wat na dezen zal geschieden; de droom is waarachtig en zijn uitlegging betrouwbaar. 46 Toen wierp koning Nebukadnessar zich op zijn aangezicht, en aanbad DaniŽl; ook beval hij een offer en reukwerk aan hem op te dragen. 47  De koning gaf DaniŽl ten antwoord: In waarheid, uw God is de God der goden en de Heer der koningen, en Hij openbaart verborgenheden: daarom hebt gij deze verborgenheid kunnen openbaren.

 

-         De dood der onbesnedenen zult gij sterven door de hand van vreemdelingen, want Ik heb het gesproken, luidt het woord van Adonai de Eeuwige (28:10). Hiermee wordt bedoeld: Onbesnedenen van hart. Ze bekeerden zich niet tot Gíd. Zie Ezech. 44:7 ďdoordat gij vreemdelingen, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van lichaam, hebt binnengebracht om in mijn heiligdom te zijn, om mijn huis te ontheiligen, terwijl gij de voor Mij bestemde spijze, vet en bloed, bracht, zodat zij mijn verbond schonden, boven al uw gruwelen.Ē

 

-         In Eden waart gij, Gods hof (28:13) Een Midrasische omschrijving van hoe Tyrus voor koning Chiram was.

 

-         De vervaardiger van uw trommels en wind instrumenten waren in u.(28:13b). Alleen de heel rijken van die tijd hadden geld om trommels en muziekinstrumenten te laten maken.

 

-         Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels; Ik had u een plaats gegeven: gij waart op de heilige berg der goden, wandelend te midden van vlammende stenen. (18:14) Koning Chiram van Tyrus speelde een belangrijke rol bij de bouw van de tempel van Salomo op de berg Sion. 1 Kon 5: 1-10 ďChiram nu, de koning van Tyrus, zond zijn dienaren naar Salomo, omdat hij gehoord had, dat men hem tot koning gezalfd had in de plaats van zijn vader, want Chiram was altijd met David zeer bevriend geweest. 2  En Salomo liet aan Chiram zeggen: 3  Gij weet, dat mijn vader David niet in staat was voor de naam van de Eeuwige, zijn God, een huis te bouwen wegens de oorlog, die zij van alle kanten tegen hem voerden, totdat de Eeuwige hen onder zijn voetzolen gelegd had. 4  En nu heeft de Eeuwige, mijn God, mij rust gegeven allerwegen: er is geen tegenstander en generlei onheil. 5  En zie, ik denk voor de naam van de Eeuwige, mijn God, een huis te bouwen, zoals de Eeuwige mijn vader David toegezegd heeft: uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zal zetten, die zal dat huis voor mijn naam bouwen. 6  Gebied dan, dat men voor mij cederen van de Libanon velle, en laat mijn knechten uw knechten helpen, en het loon uwer knechten zal ik u geven geheel zoals gij het bepalen zult, want gij weet, dat onder ons niemand is, die zoveel verstand heeft van bomen vellen als de Sidoniers. 7 Zodra Chiram de woorden van Salomo hoorde, verheugde hij zich zeer en zeide: Geprezen zij heden de Eeuwige, die aan David een wijze zoon gegeven heeft over dit talrijke volk. 8  En Chiram liet aan Salomo zeggen: Ik heb gehoord wat gij mij hebt laten zeggen; ik zal alles doen wat gij wenst, betreffende het cederhout en het cypressehout. 9  Mijn knechten zullen het van de Libanon naar de zee brengen, en ik zal het in de zee aan vlotten leggen en ze vervoeren tot aan de plaats die gij mij zult opgeven, en ze daar uit elkander slaan, zodat gij het kunt halen; gij echter moet mijn wens vervullen door spijze te leveren voor mijn hof. 10 Zo gaf Chiram aan Salomo voortdurend cederhout en cypressehout, zoveel als hij wenste,Ē Zie ook 1 Kron. 14: 1 ďChiram, de koning van Tyrus, zond gezanten naar David met cederhout, metselaars en timmerlieden, om een paleis voor hem te bouwen.Ē

 

-         Door uw vele ongerechtigheden, door het onrecht bij uw koophandel, hebt gij uw heiligdommen ontwijd. (28:18). Al het goede wat Chiram heeft gedaan is besmeurd door zijn zondige wandel. Hij heeft zichzelf ontheiligt. 

 

-         Maar het huis IsraŽls zal geen wondende doorn noch pijndoende distel meer hebben onder alle omwonenden die hen verachten. En zij zullen weten, dat Ik Adonai de Eeuwige ben. (28:24) Het volk IsraŽl krijgt in tegenstelling tot Tyrus de belofte van herstel. In het herstel zullen ze weten dat de eeuwige de enige waarachtige Gíd is. Het herstel van IsraŽl is dan ook een van de grootste zekerheden van de toekomst. Gíd heeft er namelijk Zijn eigen naam aan verbonden.

 

-         Zo zegt Adonai de Eeuwige: Als Ik het huis IsraŽls bijeenverzamel uit de natiŽn, in wier land zij verstrooid zijn, dan zal Ik Mij ten aanschouwen van de volken aan hen de Heilige betonen, en zij zullen wonen in hun land, dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb. (28:25). Alle stammen (niet alleen Juda maar ook IsraŽl zullen tezamen weer in het land komen. Na de verwoesting van de eerste tempel is slechts een deel van het twee-stammenrijk (10%) teruggekomen. Deze belofte is dus nog niet in vervulling gegaan. Ook hebben er in die tijd zich geen gojim bij het volk IsraŽl gevoegd (zie Jes. 14:1Ē Want de Eeuwige zal Zich over Jakob ontfermen en nog zal Hij IsraŽl verkiezen en ze op hun eigen bodem doen wonen; dan zal de vreemdeling zich bij hen aansluiten en men zal zich voegen bij het huis van Jakob.Ē). Ook die belofte moest na de verwoesting van de 2e tempel nog in vervulling gaan. Gíds Ďverbintenisí met IsraŽl is eeuwig. Ondanks het feit dat IsraŽl Gíd de rug toekeerde blijft Gíd getrouw. Hij neemt geen ander volk in de plaats van IsraŽl. Zijn Naam heeft Hij aan het volk IsraŽl verbonden.

 

-         Zij zullen daar veilig wonen en huizen bouwen en wijngaarden planten; ja veilig zullen zij wonen, terwijl Ik gerichten voltrek aan allen uit hun omgeving, die hen veracht hebben. En zij zullen weten, dat Ik, de Eeuwige, hun God ben. (28:26). Kenmerkend voor die tijd is dat het land weer opgebouwd wordt door de Joden en dat ze in veiligheid zullen wonen. De oordelen daarentegen zullen komen over de vijanden van IsraŽl (die soms door Gíd zijn gebruikt om Zijn oordelen over IsraŽl uit te voeren). Ook hier wordt weer besloten dat Gíd herstel van IsraŽl zal geven vanwege Zijn Naam. 

 

EzechiŽl hoofdpagina

EzechiŽl hoofdstuk   1 - 3

EzechiŽl hoofdstuk   4 - 6

EzechiŽl hoofdstuk   7 - 9

EzechiŽl hoofdstuk 10 - 11

EzechiŽl hoofdstuk 12 - 13

EzechiŽl hoofdstuk 14 - 15

EzechiŽl hoofdstuk 16 - 17

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl 29-30 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021