EzechiŽl 25-26

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Er uit gelicht

 

 

25:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, keer uw gelaat naar de Ammonieten, profeteer tegen hen, 3  zeg tot de Ammonieten: hoort het woord van Adonai de Eeuwige: zo zegt Adonai de Eeuwige: omdat gij ha! geroepen hebt over mijn heiligdom, toen het ontwijd werd, en over het land van IsraŽl, toen het verwoest werd, en over het huis van Juda, toen het in ballingschap ging, 4  daarom, zie, Ik geef u aan de stammen van het Oosten ten eigendom; die zullen hun tentenkampen in u opslaan en in u hun verblijfplaatsen kiezen; die zullen uw vruchten opeten, die zullen uw melk opdrinken. 5  Ik zal Rabba tot een weide voor kamelen maken en de steden der Ammonieten tot een rustplaats voor kleinvee; en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 6  Want zo zegt Adonai de Eeuwige: Omdat gij in de handen geklapt en met uw voeten gestampt hebt en u vol bitter leedvermaak vrolijk gemaakt hebt over het land van IsraŽl, 7  daarom, zie, Ik strek mijn hand tegen u uit, en zal u ten buit geven aan de volken, u uitroeien uit de natiŽn en u doen verdwijnen uit de rij der landen; verdelgen zal Ik u. En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 8 Zo zegt Adonai de Eeuwige: Omdat Moab en Seir gezegd hebben: zie, het huis van Juda is als alle andere volken, 9  daarom, zie, Ik zal de berghellingen van Moab doen blootliggen, zodat er geen steden meer zijn, geen enkele uitgezonderd. Het sieraad des lands: Bet-hajjesimot, Baal-meon en Kirjataim. 10  Aan de stammen van het Oosten zal Ik het in bezit geven, tezamen met het gebied der Ammonieten, zodat onder de volken niet meer aan de Ammonieten gedacht zal worden, 11  en Ik aan Moab gerichten voltrekken zal; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. 12  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Omdat Edom wraakzuchtig gehandeld heeft tegen het huis van Juda, en het een zware schuld op zich geladen heeft door zich op hen te wreken, 13  daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige: Ik strek mijn hand uit tegen Edom en zal er mens en dier uitroeien; Ik zal het tot een puinhoop maken van Teman af tot Dedan toe; door het zwaard zullen zij vallen. 14  En mijn wraak op Edom zal Ik leggen in de hand van mijn volk Israel; dat zal Edom behandelen naar de eis van mijn toorn en van mijn grimmigheid; zij zullen mijn wraak leren kennen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 15  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Omdat de Filistijnen wraakzuchtig gehandeld hebben door met bitter leedvermaak wraak te nemen en in eeuwigdurende vijandschap te verdelgen, 16  daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik strek mijn hand uit tegen de Filistijnen, Ik zal die Keretieten uitroeien en zelfs het overblijfsel aan het strand der zee te gronde richten; 17  Ik zal geduchte wraak aan hen oefenen met grimmige straffen. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik mijn wraak over hen breng. 26:1 In het elfde jaar nu, op de eerste der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij: 2  Mensenkind, omdat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: ha! verbroken is zij, die deur der volken; naar mijn kant staat zij open; nu zij vernield is, krijg ik volop; 3  daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik zal u, Tyrus! Vele volken stuw Ik tegen u op, zoals de zee haar golven opstuwt. 4  Die zullen de muren van Tyrus vernielen en zijn torens omverhalen; ook het puin zal Ik eruit wegvegen en het maken tot een kale rots. 5  Een droogplaats voor netten zal het worden midden in de zee, want Ik heb het gesproken, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. Het zal de volken ten buit worden 6  en de dochters op het vasteland zullen met het zwaard gedood worden; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. 7  Want zo zegt Adonai de Eeuwige: Zie, tegen Tyrus breng Ik van uit het noorden Nebukadressar, de koning van Babel, de koning der koningen, met paarden, wagens, ruiters en met een geweldige menigte voetvolk. 8  Uw dochters op het vasteland zal hij met het zwaard doden. Hij zal tegen u een schans oprichten, een wal opwerpen en een schilddak opstellen. 9  Het gebeuk van zijn stormrammen zal hij tegen uw muren richten en uw torens met zijn breekijzers afbreken. 10  De menigte van zijn paarden zal u met stofwolken overdekken. Van het rumoer der ruiters, der wielen en der strijdwagens zullen uw muren schudden, als hij uw poorten binnentrekt, zoals men binnentrekt in een veroverde stad. 11  Met de hoeven zijner paarden zal hij al uw straten stukstampen; uw inwoners zal hij met het zwaard doden, uw sterke zuilen zullen ter aarde vallen. 12  Uw bezit zullen zij roven en uw handelswaren buitmaken, uw muren omverhalen uw kostbare huizen afbreken, uw stenen, balken en puin in het water werpen. 13  Ik zal een einde maken aan het geklank van uw liederen, het geluid van uw citers zal niet langer worden gehoord. 14  Ik zal u maken tot een kale rots; een droogplaats voor netten zult gij worden, gij zult niet meer worden herbouwd. Want Ik, de Eeuwige, heb het gesproken, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 15 Zo zegt Adonai de Eeuwige tot Tyrus: Zullen de kustlanden niet beven van het gedreun van uw val, als de gewonden kermen en de moord in uw midden woedt? 16  Ja, alle vorsten der zee zullen van hun tronen afdalen, hun mantels afleggen en hun kleurig geborduurde klederen uittrekken; in schrik zullen zij zich hullen; zij zullen zich op de grond neerzetten en voortdurend beven in ontzetting over u. 17  Dan zullen zij een klaaglied over u aanheffen en tot u zeggen: Hoe zijt gij, o volkrijke, uit de zee verdwenen, gij hooggeroemde stad, die machtig was ter zee, zij en haar inwoners, die schrik inboezemden aan alle omwonenden. 18  Nu sidderen de open plaatsen ten dage van uw val; ja, de kustlanden aan de zee zijn ontzet vanwege uw ondergang. 19  Want zo zegt Adonai de Eeuwige: Wanneer Ik u maken zal tot een verwoeste stad, als de steden die ontvolkt zijn; wanneer Ik de vloed over u zal doen opkomen en de grote wateren u zullen bedekken, 20  dan zal Ik u doen neerdalen met hen die in de groeve neerdalen bij de mensen van de voortijd; Ik zal u doen wonen in de onderwereld bij de puinhopen uit de voortijd, met hen die in de groeve neerdalen, opdat gij niet meer bewoond wordt, maar Ik zal glans geven aan het land der levenden. 21  Tot een voorwerp van verschrikking zal Ik u maken en gij zult niet meer zijn. Dan zult gij gezocht, maar in eeuwigheid niet meer gevonden worden, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.

 

 

 

 

Eruit gelicht:

 

-         De hoofdstukken 25-32 behandelen profetieŽn betreffende sommige van de buurlanden van IsraŽl; o.a. Ammon, Moab, Edom en Philistia. Dit waren de landen die zich over IsraŽl verblijdde nadat het ten onder was gegaan.

 

-         daarom, zie, Ik geef u aan de stammen van het Oosten ten eigendom; (25:4). Dat kan Babylon of de Perzen en MediŽrs zijn maar ook een aantal stammen die ten oosten van IsraŽl woonden. Zie ook Jer. 49: 28 Over Kedar en over de koninkrijken van Hasor, die Nebukadressar, de koning van Babel, verslagen heeft. Zo zegt de Eeuwige: Op, rukt op tegen Kedar en verdelgt de stammen uit het Oosten! 

 

-         u doen verdwijnen uit de rij der landen; verdelgen zal Ik u (25:7). Met deze landen wordt i.t.t. IsraŽl wel voorgoed afgerekend.

 

-         en Ik aan Moab gerichten voltrekken zal; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. (25:11). Ook nu is de bedoeling van de oordelen dat Moab zal weten dat de Eeuwige macht heeft boven alles.

 

-         Zo zegt Adonai de Eeuwige: Omdat Edom wraakzuchtig gehandeld heeft tegen het huis van Juda, en het een zware schuld op zich geladen heeft door zich op hen te wreken (25:12). Zie 2 Kon. 24: 2 ď En de Eeuwige zond tegen hem de benden der ChaldeeŽn, en die van Aram, Moab en de Ammonieten; Hij zond hen tegen Juda om het te gronde te richten, volgens het woord dat de Eeuwige gesproken had door zijn knechten, de profeten.Ē De motieven van die aanvallers was geen Godvrezendheid (ondanks het feit dat Gíd hen gebruikt) maar haat tegen IsraŽl.

 

-         En mijn wraak op Edom zal Ik leggen in de hand van mijn volk IsraŽl; dat zal Edom behandelen naar de eis van mijn toorn en van mijn grimmigheid; zij zullen mijn wraak leren kennen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. (25:14). Dit moet nog gebeuren. Zie ook Obadja 1:18 ďHet huis van Jakob zal het vuur zijn, het huis van Jozef de vlam, en het huis van Esau de stoppels: zij zullen hen in brand steken en verteren, en van het huis van Esau zal niemand ontkomen; want de Eeuwige heeft het gesprokenĒ.

 

-         Omdat de Filistijnen wraakzuchtig gehandeld hebben door met bitter leedvermaak wraak te nemen en in eeuwigdurende vijandschap te verdelgen, 16  daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik strek mijn hand uit tegen de Filistijnen (25:15b,16a) Zie JoŽl 4:4  En voorts, wat wilt gij van Mij, gij Tyrus en Sidon en alle landstreken van Filistea? Wilt gij Mij vergelding bewijzen? Maar indien gij het Mij vergelden wilt, snel, ijlings zal Ik de vergelding op uw eigen hoofd doen nederdalen.

 

-         Ik zal die Keretieten (25:16b). In het hebreeuws staat er Kereisim wat de betekenis heeft van Ďzij die verdienen om afgesneden te wordení. De Philistijnen worden zo genoemd niet alleen vanwege het feit dat een bepaald gebied binnen de Gazastrook zo heette maar ook vanwege het oordeel van Gíd over hen. Zie ook 1 Samuel 30:14  ďWij hadden een inval gedaan in het Zuiderland van de Keretieten in het gebied van Juda en in het Zuiderland van Kaleb, en Siklag hebben wij met vuur verbrandĒ en Zefanja 2: 5  ďWee u, bewoners der zeekust, volk der Keretieten! Het woord van de Eeuwige is tegen u, Kanašn, land der Filistijnen, en Ik zal u te gronde richten, zodat er geen inwoner meer zal zijn.Ē

 

-          Mensenkind, omdat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: ha! verbroken is zij, die deur der volken; naar mijn kant staat zij open; nu zij vernield is, krijg ik volop; daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik zal u, Tyrus! (26:2b,3). Zelf nu Jeruzalem vanwege de oordelen vernield is mogen andere landen  daar geen gebruik van maken. Het is en blijft Gíds uitverkoren stad. Ook de plaatsen die profijt trekken uit Jeruzalems val zullen er niet blijvend van kunnen genieten.

 

-         als hij uw poorten binnentrekt, zoals men binnentrekt in een veroverde stad.(26:10). Er zal weinig tegenstand zijn.

 

-         Ik zal een einde maken aan het geklank van uw liederen, het geluid van uw citers zal niet langer worden gehoord. (26:13) Zie Jes 23:7,8 ďIs dit uw uitgelaten stad, welker oorsprong is van de dagen van ouds, welker voeten haar wegdroegen om zich in verre landen te vestigen? Wie heeft dit over Tyrus besloten, dat over kronen beschikte, welks handelaars vorsten, welks kooplieden geeerden der aarde waren?Ē

 

-         maar Ik zal glans geven aan het land der levenden. (26:20b) de gangbare nederelandse vertalingen zijn niet correct. Het land der levenden is het land IsraŽl. Het enige land waar een spiritueel leven in volheid geleefd kan worden.

 

 

EzechiŽl hoofdpagina

EzechiŽl hoofdstuk   1 - 3

EzechiŽl hoofdstuk   4 - 6

EzechiŽl hoofdstuk   7 - 9

EzechiŽl hoofdstuk 10 - 11

EzechiŽl hoofdstuk 14 - 15

EzechiŽl hoofdstuk 16 - 17

EzechiŽl hoofdstuk 18 - 20

 

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl 27-28 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021