Nr39 - Pinhas

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Thora-gedeelte Pinhas

(met donker gekleurde huid)

 

 

Pinhas (met donker gekleurde huid), Num 25:10-30:1, Haftarah: I Koningen 18:46-19:21,

 Num. 25:10  de Eeuwige nu zeide tot Mozes :  11  Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Ašron, heeft mijn toorn van de IsraŽlieten afgewend, doordat hij met een ijver voor Mij in hun midden heeft geijverd , zodat Ik de IsraŽlieten in mijn ijver niet heb verdelgd.  12  Zeg daarom: Zie, Ik geef hem mijn verbond des vredes,  13  opdat het voor hem en zijn nakomelingen tot een verbond van een altoosdurend priesterschap zij , omdat hij voor zijn God geijverd en over de IsraŽlieten verzoening gedaan heeft.  14  De IsraŽliet die tegelijk met de Midjanitische gedood werd, heette Zimri en was de zoon van Salu, een familievorst der Simeonieten, 15 en de Midjanitische vrouw die gedood was, heette Kozbi en was de dochter van Sur; hij was een familiestamhoofd in Midjan.  16 de Eeuwige nu sprak tot Mozes:  17  Behandelt de Midjanieten als vijanden en doodt hen,  18  want zij hebben u vijandig behandeld met de listen die zij tegen u bedacht hebben ten aanzien van Peor en ten aanzien van Kozbi, de dochter van de Midjanitische vorst , hun zuster, die gedood is ten dage van de plaag ter oorzake van Peor.  26:1 Na de plaag zeide de Eeuwige tot Mozes en tot Eleazar, de zoon van de priester Ašron;  2  Neemt het aantal der gehele vergadering der IsraŽlieten op, van twintig jaar oud en daarboven naar hun families, allen die in het leger uitrukken in IsraŽl.  3  Toen spraken Mozes en de priester Eleazar, tot hen in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho:  4  Van twintig jaar oud en daarboven!  zoals de Eeuwige Mozes geboden had, te weten de IsraŽlieten, die uit het land Egypte getrokken waren.  5 Ruben was IsraŽls eerstgeborene; de zonen van Ruben waren: van Chanok het geslacht der Chanokieten; van Pallu het geslacht der Palluieten;  6  van Chesron het geslacht der Chesronieten en van Karmi het geslacht der Karmieten.  7  Dit waren de geslachten der Rubenieten, en hun getelden waren drieenveertigduizend zevenhonderd dertig.  8  De zoon nu van Pallu was Eliab,  9  en de zonen van Eliab waren Nemuel, Datan en Abiram. Deze Datan en Abiram waren de opgeroepenen der vergadering, die met Mozes en Aaron getwist hadden in de bende van Korach, toen dezen twistten tegen de Eeuwige,  10  maar de aarde had haar mond geopend en hen met Korach verslonden, toen de bende stierf, doordat het vuur de tweehonderd vijftig mannen verteerde, zodat zij tot een teken werden;  11  maar de zonen van Korach waren niet gestorven .  12  De zonen van Simeon, naar hun geslachten,  waren: van Nemuel het geslacht der Nemuelieten;  van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jakin het geslacht der Jakinieten;  13  van Zerach het geslacht der Zarchieten en van Saul het geslacht der Saulieten.  14  Dit waren de geslachten der Simeonieten,  tweeentwintigduizend tweehonderd.  15  De zonen van Gad, naar hun geslachten,  waren: van Sefon het geslacht der Sefonieten; van Chaggi het geslacht der Chaggieten; van Suni het geslacht der Sunieten;  16  van Ozni het geslacht der Oznieten; van Eri het geslacht der Erieten;  17  van Arod het geslacht der Arodieten en van Areli het geslacht der Arelieten.  18  Dit waren de geslachten der zonen van Gad , naar hun getelden, veertigduizend vijfhonderd.  19  De zonen van Juda waren: Er en Onan; en Er en Onan stierven in het land Kanaan .  20  De zonen van Juda, naar hun geslachten, nu waren: van Sela het geslacht der Selanieten ; van Peres het geslacht der Parsieten en van Zerach het geslacht der Zarchieten.  21  De zonen van Peres waren: van Chesron het geslacht der Chesronieten en van Chamul het geslacht der Chamulieten.  22  Dit waren de geslachten van Juda, naar hun getelden, zesenzeventigduizend vijfhonderd.  23  De zonen van Issakar, naar hun geslachten,  waren: van Tola het geslacht der Tolaieten; van Puwwa het geslacht der Punieten;  24  van Jasub het geslacht der Jasubieten en van Simron het geslacht der Simronieten.  25  Dit waren de geslachten van Issakar, naar hun getelden, vierenzestigduizend driehonderd .  26  De zonen van Zebulon, naar hun geslachten,  waren: van Sered het geslacht der Sardieten; van Elon het geslacht der Elonieten en van Jachleel het geslacht der Jachleelieten.  27  Dit waren de geslachten der Zebulonieten,  naar hun getelden, zestigduizend vijfhonderd .  28  De zonen van Jozef, naar hun geslachten,  waren Manasse en Efraim.  29  De zonen van Manasse waren: van Makir het geslacht der Makirieten; en Makir verwekte Gilead; van Gilead het geslacht der Gileadieten.  30  Dit waren de zonen van Gilead: van Iezer het geslacht der Iezrieten; van Chelek het geslacht der Chelekieten;  31  van Asriel het geslacht der Asrielieten; van Sekem het geslacht der Sekemieten;  32  van Semida het geslacht der Semidaieten en van Chefer het geslacht der Cheferieten;  33  en Selofchad, de zoon van Chefer, had geen zonen, maar wel dochters, en de namen der dochters van Selofchad waren Machla, Noa , Chogla, Milka en Tirsa.  34  Dit waren de geslachten van Manasse, en hun getelden waren tweeenvijftigduizend zevenhonderd.  35  Dit waren de zonen van Efraim, naar hun geslachten: van Sutelach het geslacht der Sutalchieten; van Beker het geslacht der Bakrieten en van Tachan het geslacht der Tachanieten.  36  En dit waren de zonen van Sutelach: van Eran het geslacht der Eranieten.  37  Dit waren de geslachten der zonen van Efraim , naar hun getelden, tweeendertigduizend vijfhonderd. Dit waren de zonen van Jozef naar hun geslachten.  38  De zonen van Benjamin, naar hun geslachten,  waren: van Bela het geslacht der Balieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Achiram het geslacht der Achiramieten;  39  van Sefufam het geslacht der Sufamieten en van Chufam het geslacht der Chufamieten.  40  En de zonen van Bela waren Ard en Naaman; van Ard was het geslacht der Ardieten en van Naaman het geslacht der Naamieten.  41  Dit waren de zonen van Benjamin naar hun geslachten, en hun getelden waren vijfenveertigduizend zeshonderd.  42  Dit waren de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Sucham het geslacht der Suchamieten. Dit waren de geslachten van Dan naar hun geslachten. 43  Al de geslachten der Suchamieten, naar hun getelden, waren vierenzestigduizend vierhonderd.  44  De zonen van Aser, naar hun geslachten,  waren: van Jimna het geslacht Jimna van Jiswi het geslacht der Jiswieten en van Beria het geslacht der Beriieten.  45  Aangaande de zonen van Beria: van Cheber het geslacht der Cheberieten en van Malkiel het geslacht der Malkielieten.  46  En de naam der dochter van Aser was Serach .  47  Dit waren de geslachten der zonen van Aser , naar hun getelden, drieenvijftigduizend vierhonderd.  48  De zonen van Naftali, naar hun geslachten,  waren: van Jachseel het geslacht der Jachseelieten ; van Guni het geslacht der Gunieten;  49  van Jeser het geslacht der Jisrieten en van Sillem het geslacht der Sillemieten.  50  Dit waren de geslachten van Naftali, naar hun geslachten, en hun getelden waren vijfenveertigduizend vierhonderd.  51  Dit waren de getelden der IsraŽlieten : zeshonderdeenduizend zevenhonderd dertig.  52 En de Eeuwige sprak tot Mozes :  53  Onder dezen zal het land ten erfdeel worden verdeeld naar het aantal namen;  54  is dit groot, dan zult gij het erfdeel groot maken, en is dit klein, dan zult gij het erfdeel klein maken; overeenkomstig de getelden zal aan ieder zijn erfdeel gegeven worden .  55  Evenwel zal het land door het lot verdeeld worden; naar de namen van de stammen hunner vaderen zullen zij het erven;  56  naar het lot zal ieders erfdeel toegewezen worden, naar gelang van groter of kleiner aantal.  57 En dit waren de getelden der Levieten, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kehat het geslacht der Kehatieten en van Merari het geslacht der Merarieten.  58  Dit waren de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Chebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Musieten en het geslacht der Korachieten.  59  En Kehat verwekte Amram. En de naam van de vrouw van Amram was Jokebed, de dochter van Levi,  die haar moeder aan Levi in Egypte baarde ; en zij baarde aan Amram Ašron en Mozes en Mirjam, hun zuster.  60  En aan Ašron werden Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar geboren.  61  En Nadab en Abihu stierven, toen zij vreemd vuur voor het aangezicht van de Eeuwige brachten.  62  En hun getelden waren drieentwintigduizend, allen van het mannelijk geslacht, van een maand oud en daarboven ; want zij werden niet samen met de IsraŽlieten geteld, omdat hun onder de IsraŽlieten geen erfdeel werd gegeven. 63 Dit waren degenen, die geteld waren door Mozes en de priester Eleazar, die de IsraŽlieten telden in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.  64  Onder hen bevond zich niemand van hen, die door Mozes en de priester Ašron geteld waren, toen dezen de IsraŽlieten in de woestijn Sinai telden,  65  want de Eeuwige had van hen gezegd: Zij zullen voorzeker in de woestijn sterven . En van hen was niemand overgebleven dan Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua, de zoon van Nun.  27:1 En de dochters van Selofchad, de zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Makir, de zoon van Manasse, van de geslachten van Manasse, de zoon van Jozef (en dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa , Chogla, Milka en Tirsa) naderden,  2  en stelden zich voor Mozes en de priester Eleazar en de vorsten en de gehele vergadering aan de ingang van de tent der samenkomst en zeiden:  3  Onze vader is in de woestijn gestorven,  hoewel hij niet behoorde tot de bende , die tegen de Eeuwige samenspande, tot de bende van Korach, maar om zijn eigen zonde is hij gestorven, en hij had geen zonen .  4  Waarom zal de naam van onze vader uit het midden der geslachten verdwijnen, daar hij geen zoon heeft? Geef ons bezit onder de broeders van onze vader.  5  Toen bracht Mozes haar rechtsvraag voor het aangezicht van de Eeuwige.  6  En de Eeuwige zeide tot Mozes:  7  De dochters van Selofchad hebben gelijk ; gij zult haar voorzeker erfelijk bezit onder de broeders van haar vader geven, en gij zult het erfdeel van haar vader op haar doen overgaan .  8  En tot de IsraŽlieten zult gij aldus spreken : Wanneer iemand sterft zonder een zoon te hebben, dan zult gij zijn erfdeel op zijn dochter doen overgaan.  9  Heeft hij geen dochter, dan zult gij zijn erfdeel aan zijn broeders geven.  10  Heeft hij geen broeders, dan zult gij zijn erfdeel aan de broeders van zijn vader geven .  11  En heeft zijn vader geen broeders, dan zult gij zijn erfdeel geven aan de naaste bloedverwant uit zijn geslacht, opdat die het bezitte. En dit zal voor de IsraŽlieten tot een rechtsinzetting zijn, zoals de Eeuwige aan Mozes geboden heeft.  12 En de Eeuwige zeide tot Mozes: Beklim dit gebergte Abarim, en aanschouw het land, dat Ik de IsraŽlieten gegeven heb.  13  Als gij het aanschouwd hebt, dan zult ook gij tot uw voorgeslacht vergaderd worden , zoals uw broeder Ašron;  14  omdat gij in de woestijn Sin, toen de vergadering opstandig was, mijn bevel om Mij voor hun ogen bij het water te heiligen,  weerstreefd hebt. Dat is het water van Meribat-kades in de woestijn Sin.  15 Toen sprak Mozes tot de Eeuwige :  16  de Eeuwige, de God der geesten van alle levende schepselen, stelle over de vergadering een man,  17  die voor hun aangezicht uitgaat en die voor hun aangezicht ingaat, en die hen doet uittrekken en hen weer terugbrengt,  opdat de vergadering van de Eeuwige niet zij als schapen die geen herder hebben.  18  Toen zeide de Eeuwige tot Mozes: Neem u Jozua, de zoon van Nun, een man,  van geest vervuld, en leg hem uw hand op, 19 en stel hem voor de priester Eleazar en voor de gehele vergadering, en geef hem in hun tegenwoordigheid uw bevelen 20 en leg op hem van uw heerlijkheid, opdat de gehele vergadering der IsraŽlieten het hore.  21  Hij zal voor de priester Eleazar staan , opdat deze voor het aangezicht van de Eeuwige de beslissing van de Urim voor hem vrage; op zijn bevel zullen zij uitrukken en op zijn bevel zullen zij inrukken, hij en alle IsraŽlieten met hem, en de gehele vergadering.  22  En Mozes deed, zoals de Eeuwige hem geboden had, en hij nam Jozua en stelde hem voor de priester Eleazar en voor de gehele vergadering;  23  hij legde hem zijn handen op en gaf hem zijn bevelen, zoals de Eeuwige door de dienst van Mozes gesproken had.  28:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Gebied de IsraŽlieten en zeg tot hen: Gij zult zorg dragen mijn offergave,  mijn spijze, als mijn vuuroffers, een liefelijke reuk voor Mij, op de bepaalde tijd aan Mij te brengen. 3  Zeg dan tot hen: Dit is het vuuroffer, dat gij de Eeuwige brengen zult: twee gave , eenjarige schapen per dag als dagelijks brandoffer;  4  het ene schaap zult gij des morgens bereiden , het andere schaap zult gij in de avondschemering bereiden.  5  Daarbij een tiende efa fijn meel tot een spijsoffer, aangemaakt met een vierde hin gestoten olie.  6  Het is het dagelijks brandoffer, dat op de berg Sinai ingesteld is tot een liefelijke reuk, een vuuroffer voor de Eeuwige. 7  En het bijbehorend plengoffer zal zijn een vierde hin voor elk schaap; pleng een plengoffer van bedwelmende drank in het heiligdom voor de Eeuwige.  8  En het andere schaap zult gij in de avondschemering bereiden; gelijk het spijsoffer des morgens en gelijk het bijbehorend plengoffer zult gij het bereiden, een vuuroffer van liefelijke reuk voor de Eeuwige.  9 En op de sabbatdag twee gave, eenjarige schapen en twee tienden fijn meel als spijsoffer, aangemaakt met olie, en het bijbehorend plengoffer.  10  Het is het brandoffer van de sabbat op elke sabbat boven het dagelijks brandoffer en het bijbehorend plengoffer.  11  En bij het begin uwer maanden zult gij de Eeuwige een brandoffer brengen: twee jonge stieren, een ram, zeven gave, eenjarige schapen;  12  en drie tienden fijn meel als spijsoffer , aangemaakt met olie, bij elke stier ; en twee tienden fijn meel als spijsoffer , aangemaakt met olie, bij de ene ram ;  13  en telkens een tiende fijn meel als spijsoffer, aangemaakt met olie, bij elk schaap; een brandoffer, een liefelijke reuk,  een vuuroffer voor de Eeuwige.  14  En de bijbehorende plengoffers zullen bestaan uit een halve hin wijn bij een stier,  en een derde hin bij een ram, en een vierde hin bij een schaap. Dit is het maandelijks brandoffer in elke maand van de maanden des jaars.  15  En een geitebok zal tot een zondoffer voor de Eeuwige bereid worden met het bijbehorend plengoffer boven het dagelijks brandoffer.  16 En in de eerste maand, op de veertiende dag der maand, zal het Pascha voor de Eeuwige zijn.  17  Op de vijftiende dag dier maand zal er een feest zijn; zeven dagen lang zullen ongezuurde broden worden gegeten.  18  Op de eerste dag zal er een heilige samenkomst zijn, gij zult generlei slaafse arbeid verrichten.  19  En gij zult de Eeuwige een vuuroffer, een brandoffer brengen; twee jonge stieren,  een ram en zeven eenjarige schapen;  gaaf zullen zij zijn.  20  Het bijbehorend spijsoffer, fijn meel aangemaakt met olie, drie tienden bij een stier en twee tienden bij de ram, zult gij bereiden ;  21  telkens een tiende zult gij bereiden bij elk van de zeven schapen.  22  Voorts een bok als zondoffer om over u verzoening te doen; 23 ongeacht het morgenbrandoffer, dat tot het dagelijks brandoffer behoort, zult gij deze bereiden.  24  Dienovereenkomstig zult gij dagelijks gedurende zeven dagen de spijze van het vuuroffer, een liefelijke reuk voor de Eeuwige, bereiden;  boven het dagelijks brandoffer zal het bereid worden met het bijbehorend plengoffer.  25  En op de zevende dag zult gij een heilige samenkomst hebben, gij zult generlei slaafse arbeid verrichten.  26  En op de dag der eerstelingen, wanneer gij een nieuw spijsoffer de Eeuwige brengen zult,  op uw feest der weken, zult gij een heilige samenkomst hebben gij zult generlei slaafse arbeid verrichten.  27  Dan zult gij een brandoffer brengen tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige: twee jonge stieren, een ram, zeven eenjarige schapen;  28  en het bijbehorend spijsoffer: fijn meel aangemaakt met olie, drie tienden bij elke stier, twee tienden bij de ene ram ,  29  telkens een tiende bij elk van de zeven schapen;  30  een geitebok om over u verzoening te doen.  31  Gij zult het ongeacht het dagelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer bereiden , zij zullen gaaf zijn met de bijbehorende plengoffers.  29:1 En in de zevende maand, op de eerste dag der maand, zult gij een heilige samenkomst hebben , gij zult generlei slaafse arbeid verrichten, het zal een jubeldag voor u zijn .  2  Dan zult gij tot een brandoffer bereiden tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige; een jonge stier, een ram, zeven gave,  eenjarige schapen;  3  en het bijbehorend spijsoffer: fijn meel,  aangemaakt met olie, drie tienden bij de stier, twee tienden bij de ram 4  en een tiende bij elk van de zeven schapen;  5  en een geitebok als zondoffer om over u verzoening te doen,  6  behalve het maandelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer, en het dagelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers naar het desbetreffend voorschrift, tot een liefelijke reuk, een vuuroffer voor de Eeuwige.  7  Op de tiende dag dezer zevende maand zult gij een heilige samenkomst hebben en u verootmoedigen, gij zult generlei arbeid verrichten.  8  Dan zult gij de Eeuwige een brandoffer, een liefelijke reuk, brengen: een jonge stier, een ram, zeven eenjarige schapen; gaaf zullen zij zijn;  9  en het bijbehorend spijsoffer: fijn meel aangemaakt met olie, drie tienden bij de stier, twee tienden bij de ene ram, 10  telkens een tiende bij elk van de zeven schapen;  11  een geitebok als zondoffer, ongeacht het zondoffer der verzoening en het dagelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers.  12 En op de vijftiende dag der zevende maand zult gij een heilige samenkomst hebben , gij zult generlei slaafse arbeid verrichten; dan zult gij zeven dagen feest vieren voor de Eeuwige.  13  Gij zult een brandoffer brengen, een vuuroffer, een liefelijke reuk voor de Eeuwige:  dertien jonge stieren, twee rammen , veertien eenjarige schapen, gaaf zullen zij zijn;  14  en het bijbehorend spijsoffer: fijn meel aangemaakt met olie, drie tienden bij elk van de dertien stieren, twee tienden bij elk van de twee rammen,  15  en telkens een tiende bij elk van de veertien schapen;  16  en een geitebok als zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer, het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend plengoffer.  17  Op de tweede dag twaalf jonge stieren, twee rammen, veertien gave,  eenjarige schapen, en het bijbehorend spijsoffer 18  en de bijbehorende plengoffers bij de stieren , bij de rammen en bij de schapen, naar hun aantal , volgens het voorschrift;  19  en een geitebok als zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers.  20  Op de derde dag elf stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige schapen,  21  en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers bij de stieren, bij de rammen en bij de schapen naar hun aantal, volgens het voorschrift ;  22  en een bok als zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend plengoffer.  23  Op de vierde dag tien stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige schapen,  24  en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers bij de stieren, bij de rammen en bij de schapen naar hun aantal, volgens het voorschrift ;  25  en een geitebok als zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer, het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend plengoffer.  26  Op de vijfde dag negen stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige schapen,  27  en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers bij de stieren, bij de rammen en bij de schapen naar hun aantal, volgens het voorschrift ;  28  en een bok als zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend plengoffer.  29  Op de zesde dag acht stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige schapen,  30  en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers bij de stieren, bij de rammen en bij de schapen naar hun aantal, volgens het voorschrift ;  31  en een bok als zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer, het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers.  32  Op de zevende dag zeven stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige schapen,  33  en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers bij de stieren, bij de rammen en bij de schapen naar hun aantal, volgens het voorschrift ;  34  en een bok als zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer, het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend plengoffer.  35  Op de achtste dag zult gij een feestelijke vergadering hebben, gij zult generlei slaafse arbeid verrichten.  36  Dan zult gij een brandoffer brengen, een vuuroffer, een liefelijke reuk voor de Eeuwige:  een stier, een ram, zeven gave,  eenjarige schapen,  37  het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers bij de stier, bij de ram en bij de schapen naar hun aantal, volgens het voorschrift;  38  en een bok als zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend plengoffer.  39  Dit zult gij voor de Eeuwige op uw feesten bereiden als uw brandoffers, uw spijsoffers,  uw plengoffers en uw vredeoffers, behalve uw gelofteoffers en uw vrijwillige offers.  40  En Mozes sprak tot de Israelieten naar alles wat de Eeuwige Mozes geboden had .  30:1 En Mozes sprak tot de stamhoofden der IsraŽlieten: Dit is het woord , dat de Eeuwige geboden heeft. 

 

1 Koningen 18: 46  Maar de hand van de Eeuwige was over Elia, zodat hij zijn lendenen gordde en voor Achab uit snelde tot waar men de richting naar Jizreel inslaat.  1 Toen Achab aan Izebel verhaalde alles wat Elia gedaan had, en hoe hij al de profeten met het zwaard gedood had,   2  zond Izebel een bode tot Elia om te zeggen: Zo mogen de goden doen,  ja nog erger, indien ik morgen om deze tijd uw ziel niet gelijk zal maken aan de ziel van een hunner.  3  Toen hij dat had vernomen, maakte hij zich gereed en ging weg om zijn leven te redden; en gekomen tot Berseba, dat tot Juda behoort, liet hij zijn knecht daar achter.  4  Zelf echter trok hij een dagreis ver de woestijn in, ging zitten onder een bremstruik en begeerde te mogen sterven, en zeide: Het is genoeg! Neem nu de Eeuwige, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.  5  Daarop legde hij zich neer en sliep in onder een bremstruik. Doch zie, daar raakte een engel hem aan en zeide tot hem: Sta op, eet.  6  Toen hij rondzag, was daar, aan zijn hoofdeinde, een koek op gloeiende stenen gebakken en een kruik water. Hij at en dronk en legde zich weer neer.  7  Doch wederom, ten tweeden male, raakte de engel van de Eeuwige hem aan, en zeide : Sta op, eet, want de reis zou voor u te ver zijn.  8  Toen stond hij op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb.  9 Hij kwam daar bij een spelonk, waar hij overnachtte. En zie, het woord van de Eeuwige kwam tot hem en Hij zeide tot hem: Wat doet gij hier, Elia?  10  Daarop zeide hij: Ik heb zeer geijverd voor de Eeuwige, de God der heerscharen,  want de IsraŽlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen.  11  Daarop zeide Hij: Treed naar buiten en ga op de berg staan voor het aangezicht van de Eeuwige. En zie, toen de Eeuwige juist zou voorbijgaan , was er een geweldige en sterke wind,  die bergen verscheurde en rotsen verbrijzelde, die voor de Eeuwige uitging. In de wind was de Eeuwige niet. En na de wind een aardbeving. In de aardbeving was de Eeuwige niet .  12  En na de aardbeving een vuur. In het vuur was de Eeuwige niet. En na het vuur het suizen van een zachte koelte.  13  Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan. En zie, er kwam tot hem een stem,  die sprak: Wat doet gij hier, Elia?  14  Daarop zeide hij: Ik heb zeer geijverd voor de Eeuwige, de God der heerscharen,  want de IsraŽlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen.  15  Daarop zeide de Eeuwige tot hem: Keer op uw schreden terug, naar de woestijn van Damascus, en als gij daar gekomen zijt,  dan zult gij Hazael zalven tot koning over Aram.  16  Voorts zult gij Jehu, de zoon van Nimsi,  zalven tot koning over IsraŽl; en Elisa , de zoon van Safat, uit Abel-mechola, zult gij zalven tot profeet in uw plaats.  17  Wie dan aan het zwaard van Hazael ontkomt, hem zal Jehu doden; en wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, hem zal Elisa doden.  18  Doch Ik zal in IsraŽl zevenduizend overlaten , alle knieen die zich niet gebogen hebben voor de Baal, en elke mond die hem niet gekust heeft.  19 Nadat hij vandaar gegaan was, trof hij Elisa aan, de zoon van Safat, bezig te ploegen met twaalf span voor zich, terwijl hij zelf bij het twaalfde was Toen Elia hem voorbijging, wierp hij hem zijn mantel toe.  20  Daarop verliet hij de runderen, snelde Elia achterna en zeide: Laat mij toch mijn vader en mijn moeder kussen, dan wil ik u volgen. En hij zeide tot hem: Ga heen, keer terug, want wat heb ik u gedaan? 21  Toen keerde hij van achter hem terug,  nam het span runderen, slachtte het en kookte ze op het ploeghout van de runderen ; het vlees gaf hij aan het volk, en zij aten. Daarna maakte hij zich gereed, volgde Elia en diende hem. 

 

 

 

Voor U er uit gelicht

>Rechtvaardige daad van een man kan een volk redden (25:11)

 

>Zijn geslacht ontvangt door die daad voor God een eeuwig durend priesterschap (25:13)

 

>Afval van God begint met je te laten verleiden door dingen die je van God afhouden. Altijd zal je bedacht moeten zijn op dat soort dingen (25:17). Blijf er ver van weg. Het zijn vijanden voor je.

 

>Na de verzoening gaat God direct verder met Zijn plan om het volk tot zijn bestemming te laten komen (26:2)

 

>Moed, wijsheid, doorzettingsvermogen en relatie doorbreken de thora. (27:5-11)

 

>Vrouwen worden door God gelijk behandeld als mannen (27:11). Posities kunnen verschillen maar waarde is hetzelfde. (tussen haakjes de vrouwen van de mannen die het land niet in mochten, mochten wel het land binnengaan. Zij waren blijkbaar niet in de zonde van hun vader mee gegaan)

 

>Onderhoudt de dagen en feesten op Gods manier op de door Hem bepaalde tijd (28:1,2)

 

>Houdt op de door Hem vastgestelde dagen een Ďheilige samenkomstí (28:18, 25,26, 29:1, 7, 12, 35)

 

>Kom niet met lege handen voor Gods aangezicht (29:39)

 

>Num. 28:2,6  Gebied de IsraŽlieten en zeg tot hen: Gij zult zorg dragen mijn offergave,  mijn spijze, als mijn vuuroffers, een liefelijke reuk voor Mij, op de bepaalde tijd aan Mij te brengen. ÖÖ.  Het is het dagelijks brandoffer, dat op de berg Sinai ingesteld is tot een liefelijke reuk, een vuuroffer voor de Eeuwige.  De offerandes zijn al van God. Achterhouden betekend diefstal van God.

 

>Kijk niet naar het negatieve om er bij stil te staan maar doe in de eerste plaats wat je moet doen voor God. Hij heeft alles in handen. (1 Kon 18:14,15)

 

 

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr40 - Mattot ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021