Nr40 - Mattot

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Thora-gedeelte Mattot (stammen)

 

Mattot (stammen), Num 30:2-32:42

 

 

Num. 30:1 En Mozes sprak tot de stamhoofden der IsraŽlieten: Dit is het woord , dat de Eeuwige geboden heeft.  2  Wanneer een man de Eeuwige een gelofte doet of een eed zweert, waardoor hij een verplichting op zich neemt, dan zal hij zijn woord niet schenden; geheel zoals hij het uitgesproken heeft, zal hij doen. 3 Maar wanneer een vrouw de Eeuwige een gelofte gedaan en een verplichting op zich genomen heeft in haars vaders huis in haar jeugd, 4 en haar vader de gelofte en de verplichting die zij op zich heeft genomen, gehoord heeft , maar haar vader tegen haar gezwegen heeft , dan zullen al haar geloften van kracht zijn en elke verplichting die zij op zich genomen heeft, zal van kracht zijn.  5  Indien echter haar vader haar weerstaan heeft, toen hij het hoorde, dan zal geen van de geloften en van de verplichtingen die zij op zich genomen heeft van kracht zijn ; en de Eeuwige zal het haar vergeven, want haar vader heeft haar weerstaan. 6  Indien zij echter een man toebehoort , terwijl haar geloften of de verplichting die zij door een onbezonnen uitspraak op zich genomen heeft, op haar rusten,  7  en haar man het hoort en tegen haar zwijgt , wanneer hij het hoort, dan zullen haar geloften van kracht zijn en de verplichtingen die zij op zich genomen heeft, zullen ook van kracht zijn.  8  Maar als haar man, toen hij het hoorde , haar weerstaan heeft, dan heeft hij de gelofte die op haar is, en de verplichting die zij door een onbezonnen uitspraak op zich genomen heeft, ongeldig gemaakt; en de Eeuwige zal het haar vergeven. 9  Wat de geloften van een weduwe of van een verstoten vrouw betreft, elke verplichting die zij op zich genomen heeft, zal voor haar van kracht zijn.  10  En indien zij een gelofte gedaan heeft in het huis van haar man of onder ede een verplichting op zich genomen heeft,  11  en haar man het gehoord, maar tegen haar gezwegen en haar niet weerstaan heeft,  dan zullen al haar geloften van kracht zijn,  en elke verplichting die zij op zich genomen heeft, zal van kracht zijn.  12  Indien echter haar man deze nadrukkelijk ongeldig maakt, wanneer hij het hoort , zal niets, wat over haar lippen gekomen is, zowel van haar gelofte als van haar verplichting, van kracht zijn; haar man heeft ze ongeldig gemaakt en de Eeuwige zal het haar vergeven.  13  Elke gelofte en elke verplichting onder ede om zichzelf te verootmoedigen, zal haar man kunnen bekrachtigen en haar man zal ze ongeldig kunnen maken.  14  Zwijgt echter haar man van dag tot dag geheel tegen haar, dan bekrachtigt hij al haar geloften of al de verplichtingen die op haar rusten; hij bekrachtigt ze, omdat hij tegen haar zwijgt,  wanneer hij het hoort.  15  Maar maakt hij ze nadrukkelijk ongeldig , nadat hij ze gehoord heeft, dan zal hij haar ongerechtigheid dragen.  16  Dit zijn de inzettingen, die de Eeuwige Mozes geboden heeft over de verhouding van een man tot zijn vrouw, en van een vader tot zijn dochter in haar jeugd in het huis van haar vader.  31:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Neem voor de IsraŽlieten wraak op de Midjanieten; daarna zult gij tot uw voorgeslacht vergaderd worden.  3  Toen sprak Mozes tot het volk : Laat een aantal mannen van u zich ten strijde toerusten, dat zij zich tegen Midjan keren om de wraak van de Eeuwige  aan Midjan te voltrekken.  4  Uit elke stam van alle stammen IsraŽls zult gij er duizend ten strijde zenden.  5  Zo werden van de geslachten IsraŽls duizend voor elke stam geleverd, twaalfduizend ten strijde toegerusten.  6 Toen zond Mozes hen ten strijde,  duizend voor elke stam; hen en Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, ten strijde, en het heilige gerei en de signaaltrompetten had hij bij zich.  7 En zij trokken ten strijde tegen Midjan, zoals de Eeuwige Mozes geboden had, en doodden allen die van het mannelijk geslacht waren.  8  Behalve degenen, die onder hen verslagen werden,  doodden zij ook de koningen van Midjan, Ewi , Rekem, Sur, Chur en Reba, de vijf koningen van Midjan; ook Bileam, de zoon van Beor, doodden zij met het zwaard.  9  En de IsraŽlieten namen de vrouwen van Midjan gevangen en hun kinderen; en al hun vee , al hun have en hun gehele vermogen maakten zij buit;  10  al hun steden, waar zij woonden, en al hun tentenkampen verbrandden zij met vuur.  11  Daarna namen zij de gehele buit en de gehele roof aan mensen en dieren 12  en brachten de gevangenen, de roof en de buit tot Mozes en de priester Eleazar en de vergadering der IsraŽlieten in de legerplaats, naar de velden van Moav aan de Jordaan bij Jericho.  13 Toen gingen Mozes en de priester Eleazar en al de hoofden der vergadering hun tegemoet tot buiten de legerplaats; 14  en Mozes werd toornig op de aanvoerders van het leger, op de oversten over duizend en de oversten over honderd, die van de krijgstocht kwamen, 15  en Mozes zeide tot hen: Hebt gij allen die van het vrouwelijk geslacht zijn laten leven ? 16  Zie, dezen waren op raad van Bileam voor de IsraŽlieten aanleiding om trouwbreuk te plegen tegen de Eeuwige ter oorzake van Peor, zodat de plaag kwam onder de vergadering van de Eeuwige.  17 Nu dan, doodt al wat onder de jeugdigen van het mannelijk geslacht is; en ook alle vrouwen die gemeenschap met een man hebben gehad, zult gij doden.  18  Maar alle jeugdigen onder de vrouwen, die geen gemeenschap met een man hebben gehad, zult gij voor u laten leven.  19  En gij, legert u zeven dagen buiten de legerplaats; ieder van u, die iemand gedood heeft, en ieder van u, die een verslagene aangeraakt heeft, moet zich op de derde en op de zevende dag laten ontzondigen, gij zelf en uw gevangenen;  20  ook zal elk kleed en elk voorwerp van leer en al wat van geitehaar gemaakt is en elk houten voorwerp ontzondigd worden.  21  Toen zeide de priester Eleazar tot de krijgslieden, die ten strijde getrokken waren : Dit is het wetsvoorschrift, dat de Eeuwige Mozes geboden heeft.  22  Alleen het goud en het zilver, het koper, het ijzer, het tin en het lood,  23  alles wat door het vuur kan gaan , zult gij door het vuur doen gaan, opdat het rein worde; evenwel zal het met het water der reiniging ontzondigd worden; en alles wat niet door het vuur kan gaan, zult gij door het water doen gaan.  24  En gij zult op de zevende dag uw klederen wassen, opdat gij rein wordt, en daarna zult gij in de legerplaats komen.  25 En de Eeuwige zeide tot Mozes:  26  Stel het totaal vast van de buit, die meegevoerd is aan mensen en dieren, gij en de priester Eleazar en de familiehoofden der vergadering,  27  en verdeel de buit in twee helften tussen hen, die de krijgswapenen gehanteerd hebben,  die ten strijde uitgetrokken zijn, en de gehele vergadering.  28  En gij zult voor de Eeuwige een schatting heffen van de krijgslieden, die ten strijde uitgetrokken zijn, een op de vijfhonderd van de mensen, de runderen de ezels en de schapen;  29  van de voor hen bestemde helft zult gij deze nemen en aan de priester Eleazar geven als een heffing voor de Eeuwige.  30  Maar van de helft die voor de IsraŽlieten bestemd is, zult gij een gevangene op de vijftig nemen van de mensen, de runderen, de ezels en de schapen, van al het vee, en ze aan de Levieten geven , die zorg dragen voor de tabernakel van de Eeuwige. 31  En Mozes en de priester Eleazar deden , zoals de Eeuwige Mozes geboden had .  32  De buit nu, het overige van de roof, die het krijgsvolk geroofd had, was zeshonderd vijfenzeventig duizend schapen 33  en tweeenzeventigduizend runderen,  34  en eenenzestigduizend ezels,  35  voorts mensen, namelijk vrouwen, die geen gemeenschap met een man hadden gehad in het geheel tweeŽndertigduizend.   36  En de helft, het aandeel van degenen die in de strijd uitgetrokken waren, was tezamen vijfhonderd schapen,   37  en de schatting voor de Eeuwige van de schapen bedroeg zeshonderd vijfenzeventig; 38 en de runderen zesendertigduizend en hun schatting voor de Eeuwige tweeŽnzeventig;  39  en de ezels dertigduizend vijfhonderd en hun schatting voor de Eeuwige eenenzestig ;  40  en de mensen zestienduizend en hun schatting voor de Eeuwige tweeŽndertig.  41  En Mozes gaf de schatting, de heffing voor de Eeuwige, aan de priester Eleazar zoals de Eeuwige Mozes geboden had. 42 En de helft, bestemd voor de IsraŽlieten , die Mozes van de mannen welke uitgetrokken waren, afgescheiden had,  43  de helft voor de vergadering bestemd, bedroeg van de schapen vijfhonderd, 44  en de runderen zesendertigduizend,  45 en de ezels dertigduizend vijfhonderd, 46 en de mensen zestienduizend.  47  En Mozes nam van de helft, voor de IsraŽlieten bestemd, een gevangene op de vijftig, van mensen en van vee,  en gaf die aan de Levieten, die zorg droegen voor de tabernakel van de Eeuwige, zoals de Eeuwige Mozes geboden had.  48 Toen naderden de aanvoerders der legerafdelingen, de oversten over duizend en de oversten over honderd, tot Mozes en zeiden tot hem: 49 Uw knechten hebben het getal van de krijgslieden opgenomen, die onder ons bevel stonden en er wordt van hen niet een gemist.   50  Wij brengen nu de offergave van de Eeuwige ,  ieder wat hij aan gouden voorwerpen gevonden heeft, een beenketting, een armband, een zegelring, een oorring en een halssieraad om voor het aangezicht van de Eeuwige  over onze zielen verzoening te doen.  51  Mozes nu en de priester Eleazar namen het goud van hen aan, alles bewerkte voorwerpen.  52  En al het goud van de schatting, die zij voor de Eeuwige van de oversten over duizend en de oversten over honderd geheven hadden , was zestienduizend zevenhonderd vijftig sikkels.  53 De krijgslieden hadden ieder voor zichzelf buit gemaakt.  54 Toen Mozes en de priester Eleazar het goud hadden aangenomen van de oversten over duizend en over honderd, brachten zij het naar de tent der samenkomst als een herinnering voor de IsraŽlieten voor het aangezicht van de Eeuwige.  32:1 De Rubenieten nu hadden veel vee en de Gadieten geweldig veel, en zij zagen het land van Jazer en van Gilead , en zie, die plaats was geschikt voor vee.  2  Toen kwamen de Gadieten en de Rubenieten en zeiden tot Mozes en tot de priester Eleazar en tot de hoofden der vergadering:  3  Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesbon , Elale, Sebam, Nebo en Beon,  4  het land, dat de Eeuwige voor het aangezicht der vergadering IsraŽls geslagen heeft, dat is een land voor vee, en uw knechten hebben vee .  5  Voorts zeiden zij: Indien gij ons genegen zijt, laat dan dit land aan uw knechten als bezitting worden gegeven; doe ons niet over de Jordaan trekken.  6  Maar Mozes zeide tot de Gadieten en de Rubenieten: Zullen uw broeders ten strijde trekken en zult gij hier blijven?  7  Waarom wilt gij nu het hart der IsraŽlieten afkerig maken om over te trekken naar het land, dat de Eeuwige hun gegeven heeft?  8  Zo deden uw vaderen, toen ik hen uitzond van Kades-barnea om het land te bezien;  9  zij trokken op tot het dal Eskol en bezagen het land en maakten het hart der IsraŽlieten afkerig, zodat zij niet wilden gaan naar het land, dat de Eeuwige hun gegeven had;  10  toen ontbrandde de toorn van de Eeuwige  te dien dage en Hij zwoer:  11  Voorwaar, de mannen die uit Egypte opgetrokken zijn, van twintig jaar oud en daarboven, zullen het land niet zien,  dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob bij ede toegezegd heb, omdat zij Mij niet volkomen volgden,  12  behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, en Jozua, de zoon van Nun omdat dezen de Eeuwige volkomen volgden.  13  Daarom ontbrandde de toorn van de Eeuwige  tegen IsraŽl, zodat Hij hen veertig jaren in de woestijn liet omzwerven, totdat het gehele geslacht dat kwaad gedaan had in de ogen van de Eeuwige , zijn einde gevonden had.  14  En zie, nu staat gij op in de plaats van uw vaderen, een menigte van zondige mannen,  om de brandende toorn van de Eeuwige  over Israel nog te vergroten.  15  Indien gij u van Hem afkeert, dan zal Hij het nog langer in de woestijn laten en gij zult over dit gehele volk verderf brengen.  16 Maar zij traden op hem toe en zeiden : Wij willen hier schaapskooien bouwen voor ons vee en steden voor onze kinderen,  17 maar wijzelf zullen ons toerusten, ons voortspoedende in de voorhoede van de IsraŽlieten, totdat wij hen op hun plaats gebracht hebben; onderwijl zullen onze kinderen in de vestingsteden wonen wegens de inwoners des lands; 18  wij zullen naar onze huizen niet terugkeren , totdat ieder van de IsraŽlieten zijn erfdeel verworven heeft;  19  want wij willen met hen geen erfdeel verwerven aan de overzijde van de Jordaan en verder, wanneer ons erfdeel ons ten deel valt over de Jordaan, aan de kant,  waar de zon opgaat.  20  Toen zeide Mozes tot hen: Indien gij dit zult doen, indien gij u voor het aangezicht van de Eeuwige  ten strijde zult toerusten ,  21  en ieder van u, die toegerust is, voor het aangezicht van de Eeuwige  over de Jordaan zal trekken , totdat Hij zijn vijanden van zijn aangezicht verdreven heeft,  22  zodat het land voor het aangezicht van de Eeuwige  ten onder gebracht is, en gij daarna terugkeert , dan zult gij vrij staan tegenover de Eeuwige en tegenover IsraŽl, en dan zal dit land voor u zijn tot een bezitting voor het aangezicht van de Eeuwige. 23 Maar doet gij aldus niet, zie, dan zondigt gij tegen de Eeuwige, en gij zult gewaar worden, dat uw zonde u vinden zal. 24  Bouwt u steden voor uw kinderen en kooien voor uw kleinvee, en doet wat gij gezegd hebt. 25 En de Gadieten en de Rubenieten zeiden tot Mozes: Uw knechten zullen doen, zoals mijn heer gebiedt.  26  Onze kinderen, onze vrouwen, onze have en al ons vee zullen daar blijven in de steden van Gilead,  27  maar uw knechten zullen voor het aangezicht van de Eeuwige  overtrekken om te strijden, een ieder , die ten strijde toegerust is, zoals mijn heer spreekt.  28 Toen gaf Mozes ten aanzien van hen opdracht aan de priester Eleazar en aan Jozua, de zoon van Nun, en aan de familiehoofden van de stammen der IsraŽlieten,  29  en Mozes zeide tot hen: Indien de Gadieten en de Rubenieten met u over de Jordaan zullen zijn getrokken om te strijden voor het aangezicht van de Eeuwige , een ieder, die toegerust is, en het land voor uw aangezicht ten onder zal zijn gebracht, dan zult gij hun het land Gilead tot een bezitting geven.  30  Maar trekken zij niet toegerust met u over, dan zullen zij zich in uw midden vestigen in het land Kanaan.  31  Toen antwoordden de Gadieten en de Rubenieten: Wat de Eeuwige tot uw knechten gesproken heeft, zullen wij doen.  32  Wijzelf zullen, toegerust, voor het aangezicht van de Eeuwige  overtrekken naar het land Kanaan, maar voor ons zal de erfelijke bezitting aan de overzijde van de Jordaan zijn.  33  Toen gaf Mozes aan hen, aan de Gadieten , de Rubenieten en de halve stam Manasse , de zoon van Jozef: het koninkrijk van Sichon, de koning der Amorieten, en het koninkrijk van Og, de koning van Basan, het land verdelende naar de steden in de verschillende gebieden , de steden van het land rondom.  34  En de Gadieten bouwden 35  Dibon, Atarot, Aroer, Atrot-sofan, Jazer , Jogbeha,  36  Bet-nimra, Bet-haran, vestingsteden en schaapskooien.  37 En de Rubenieten bouwden Chesbon,  Elale, Kirjataim,  38  Nebo, Baal-meon, Musabbot-sem en Sibma; en zij gaven namen aan de steden, die zij bouwden.  39  De zonen van Makir, de zoon van Manasse , gingen naar Gilead, zij namen het in en verdreven de Amorieten, die daarin woonden.  40  En Mozes gaf Gilead aan Makir, de zoon van Manasse, en hij woonde daarin.  41  En Jair, de zoon van Manasse, ging heen , nam hun dorpen in en noemde ze de dorpen van Jair.  42  En Nobach ging heen, nam Kenat en onderhorige plaatsen in en noemde het naar zijn naam, Nobach. 

 

 

Voor U er uit gelicht

>Hou je aan beloften die je aan God hebt gegeven (30:2)

 >Een man of vader is verantwoordelijk voor de beloften die zijn vrouw / (minderjarige) dochter naar God uitspreekt (30:5-14). Als de man of vader het weerspreekt (bij het uitspreken) zijn ze er niet aangehouden de beloften te houden.

 

>Wie zich tegen IsraŽl keert, keert zich tegen God. (31:3)

 

>Gehoorzaamheid aan God is belangrijker dan wat dan ook (31:14,15)

 

>List van Bileam: Verleidt het volk om afgoderij te plegen, dan worden ze krachteloos (31:16). Mofwel maak ze los van hun God. Dan zullen ze zwak zijn.

 

>Het land werd aan IsraŽl ter bezitting gegeven (32:4). De grenzen van het land worden door God bepaalt (34:3-10). Ook de uiteindelijke grenzen zijn door God bepaalt. Per tijdsperiode naar God luisteren welk gebied er ingenomen moet worden totdat het totale oppervlakte in bezit is gekomen (Ex. 23:29-31 ĎIk zal hen niet in een jaar voor u uit verdrijven, opdat het land geen woestenij worde en het wild gedierte u niet te veel worde. Langzamerhand zal ik hen voor u uit verdrijven, totdat gij zo vruchtbaar wordt, dat gij het land in bezit kunt nemen. En Ik zal u het gebied geven van de Schelfzee tot de Zee der Filistijnen en van de woestijn tot de Rivier, want Ik zal de inwoners van het land in uw macht geven, zodat gij hen voor u uit verdrijftí.

 

>Het vestigen in het land IsraŽl van het volk IsraŽl is een wezenlijke voorbereiding in het maken van de woning van God op aarde (de tempel). Ex. 15:17  Gij brengt hen en plant hen op de berg die uw erfdeel is; de plaats die Gij, de Eeuwige, tot uw woning gemaakt hebt; het heiligdom, Adonai, door uw hand gesticht.) en De 12:5  Maar de plaats, die de Eeuwige, uw God, uit het gebied van al uw stammen verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, om daar te wonen, die zult gij zoeken en daarheen zult gij gaan. Het niet binnentrekken in het land had als gevolg dat er vertraging optrad om in het land IsraŽl een woning voor God te maken. (32:8)

 

>Gezamenlijke verantwoordelijkheid bij het veroveren van het land. Plicht om elkaar te helpen totdat ieder zijn landsbezit heeft gekregen (32:6,18-22)

 

>Je komt tot je bestemming als je God volkomen volgt (32:11)

 

>Zwakkeren worden niet op een kwetsbare plaats gezet maar middenin (32:29,30)

 

>Het volk IsraŽl heeft de goddelijke opdracht op in het land IsraŽl in het erfgebied van hun stam te gaan wonen (32:53) Het land is aan hen ten bezit gegeven.

 

 

 

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr41 - Masei ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021