Nr41 - Masei

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Thora-gedeelte Masei (tochten)

 

Masei (tochten), Num 33:1-36:13, Haftarah: Jer 2:4-28, 3:4

 

Num. 33:1 Dit zijn de pleisterplaatsen der IsraŽlieten , die uit het land Egypte uitgetrokken waren naar hun legerscharen onder leiding van Mozes en Aharon;  2  Mozes namelijk beschreef hun tochten van pleisterplaats tot pleisterplaats naar het bevel van de Eeuwige; en dit zijn hun pleisterplaatsen op hun tochten.  3  Zij braken op van Rameses in de eerste maand, op de vijftiende dag der eerste maand; daags na het Pascha trokken de IsraŽlieten uit door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren,   4  terwijl de Egyptenaren bezig waren degenen te begraven , die de Eeuwige onder hen geslagen had , alle eerstgeborenen; de Eeuwige toch had aan hun goden strafgerichten geoefend.  5  De IsraŽlieten dan braken op van Rameses en legerden zich te Sukkot.  6  Zij braken op van Sukkot en legerden zich te Etam, dat aan de rand der woestijn ligt.  7  Zij braken op van Etam en keerden weder naar Pi-hachirot, dat tegenover Baal-sefon ligt, en zij legerden zich tegenover Migdol.  8  Zij braken op van Pi-hachirot en gingen midden door de zee naar de woestijn , en zij gingen drie dagreizen ver door de woestijn van Etam en legerden zich te Mara.  9  Zij braken op van Mara en kwamen te Elim; te Elim nu waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen; daar legerden zij zich.  10  Zij braken op van Elim en legerden zich aan de Schelfzee.  11  Zij braken op van de Schelfzee en legerden zich in de woestijn Sin.  12  Zij braken op van de woestijn Sin en legerden zich te Dofka.  13  Zij braken op van Dofka en legerden zich te Alus.  14  Zij braken op van Alus en legerden zich te Refidim, waar voor het volk geen water was om te drinken.  15  Zij braken op van Refidim en legerden zich in de woestijn Sinai.  16  Zij braken op van de woestijn Sinai en legerden zich te Kibrot-hattaawa.  17  Zij braken op van Kibrot-hattaawa en legerden zich te Chaserot.  18  Zij braken op van Chaserot en legerden zich te Ritma.  19  Zij braken op van Ritma en legerden zich te Rimmon-peres.  20  Zij braken op van Rimmon-peres en legerden zich te Libna.  21  Zij braken op van Libna en legerden zich te Rissa.  22  Zij braken op van Rissa en legerden zich te Kehelata.  23  Zij braken op van Kehelata en legerden zich te Har-safer.  24  Zij braken op van Har-safer en legerden zich te Charada.  25  Zij braken op van Charada en legerden zich te Makhelot.  26  Zij braken op van Makhelot en legerden zich te Tachat.  27  Zij braken op van Tachat en legerden zich te Terach.  28  Zij braken op van Terach en legerden zich te Mitka.  29  Zij braken op van Mitka en legerden zich te Chasmona.  30  Zij braken op van Chasmona en legerden zich te Moserot.  31  Zij braken op van Moserot en legerden zich te Bene-jaakan.  32  Zij braken op van Bene-jaakan en legerden zich te Chor-haggidgad.  33  Zij braken op van Chor-haggidgad en legerden zich te Jotbata.  34  Zij braken op van Jotbata en legerden zich te Abrona.  35  Zij braken op van Abrona en legerden zich te Esjon-geber.  36  Zij braken op van Esjon-geber en legerden zich in de woestijn Sin, dat is Kades.  37  Zij braken op van Kades en legerden zich aan de berg Hor, aan de grens van het land Edom.  38  Toen beklom de priester Aaron de berg Hor naar het bevel van de Eeuwige en hij stierf aldaar in het veertigste jaar na de uittocht der IsraŽlieten uit het land Egypte, in de vijfde maand, op de eerste der maand;  39  Ašron was honderd drieentwintig jaar oud, toen hij op de berg Hor stierf.  40  Toen hoorde de Kanaaniet, de koning van Arad, die in het Zuiderland in het land Kanašn woonde, dat de IsraŽlieten in aantocht waren.  41  En zij braken op van de berg Hor en legerden zich te Salmona.  42  Zij braken op van Salmona en legerden zich te Punon.  43  Zij braken op van Punon en legerden zich te Obot.  44  Zij braken op van Obot en legerden zich bij de puinhopen van Abarim in het gebied van Moav.  45  Zij braken op van de puinhopen en legerden zich te Dibon-gad.  46  Zij braken op van Dibon-gad en legerden zich te Almon-diblataim.  47  Zij braken op van Almon-diblataim en legerden zich in het gebergte Abarim tegenover Nebo.  48  Zij braken op van het gebergte Abarim en legerden zich in de velden van Moav bij de Jordaan tegenover Jericho;  49  zij legerden zich langs de Jordaan van Bet-hajjesimot af tot Abel-hassittim toe in de velden van Moav.  50 En de Eeuwige sprak tot Mozes in de velden van Moav bij de Jordaan van Jericho :  51  Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer gij de Jordaan overtrekt naar het land Kanašn,  52  dan zult gij al de bewoners van het land voor uw aangezicht verdrijven en al hun beeldhouwwerk vernietigen; ook zult gij al hun gegoten beelden vernietigen en al hun hoogten verwoesten.  53  Gij zult het land in bezit nemen en daarin wonen, want aan u heb Ik het land gegeven om het in bezit te nemen (11).  54  Dan zult gij het land door het lot onder elkander als erfdeel toewijzen naar uw geslachten: voor een groot geslacht zult gij het erfdeel groot maken , en voor een klein zult gij het erfdeel klein maken; waarop voor hen het lot valt , dat zal ieders eigendom zijn; naar de stammen uwer vaderen zult gij onder elkander het erfdeel toewijzen.  55  Maar indien gij de bewoners van het land voor uw aangezicht niet verdrijft,  dan zullen degenen die gij van hen over laat , tot dorens in uw ogen en tot prikkels in uw zijden zijn, en zij zullen u benauwen in het land waarin gij woonachtig zijt .  56  Dan zal Ik met u doen, gelijk Ik gedacht had met hen te doen.  34:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Gebied de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanašn komt, dan zal dit het land zijn, dat u ten erfdeel toevallen zal, het land Kanašn naar zijn grenzen(5).  3  De zuidkant dan zal zijn van de woestijn Sin langs Edom, en uw zuidelijke grens zal zijn van het einde der Zoutzee in het oosten.  4  Dan zal de grens zich ombuigen van het zuiden naar de Schorpioenenpas en verder lopen tot Sin, en haar eindpunt zal ten zuiden van Kades-barnea zijn en zij zal gaan naar Chasar-addar en verder lopen tot Asmon.  5  Dan zal de grens zich van Asmon ombuigen naar de Beek van Egypte en haar eindpunt zal zijn bij de zee.  6  En uw westelijke grens zal zijn de grote zee en de kust; dit zal uw westelijke grens zijn.  7  En dit zal uw noordelijke grens zijn : van de grote zee af zult gij die trekken naar de berg Hor,  8  van de berg Hor zult gij die trekken tot de weg naar Hamat, en het eindpunt der grens zal bij Sedad zijn.  9  Dan gaat de grens naar Zifron en haar eindpunt zal zijn bij Chasar-enan; dit zal uw noordelijke grens zijn.  10  En als de grens in het oosten zult gij een afbakening maken van Chasar-enan naar Sefam.  11 En van Sefam zal de grens afdalen naar Ribla, ten oosten van Ain; vervolgens zal de grens afdalen en langs de oever van het meer van Kinneret lopen aan de oostzijde.  12  Dan zal de grens naar de Jordaan afdalen en haar eindpunt zal de Zoutzee zijn . Dit zal uw land zijn naar zijn grenzen rondom.  13  En Mozes gebood de IsraŽlieten : Dit is het land, dat gij elkander door het lot als erfdeel zult toewijzen, hetwelk de Eeuwige geboden heeft aan negen en een halve stam te geven.  14  Want de stam der Rubenieten naar hun families en de stam der Gadieten naar hun families hebben hun erfdeel reeds ontvangen ; ook heeft de halve stam van Manasse het ontvangen.  15  Twee en een halve stam hebben hun erfdeel reeds ontvangen aan de overzijde van de Jordaan tegenover Jericho, in het oosten , naar de kant, waar de zon opgaat.  16 En de Eeuwige sprak tot Mozes :  17  Dit zijn de namen der mannen, die u het land ten erfdeel zullen toewijzen: de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun.  18  Voorts zult gij uit elke stam een vorst nemen om het land ten erfdeel toe te wijzen.  19  Dit zijn de namen van die mannen: voor de stam Juda Kalev, de zoon van Jefunne;  20  voor de stam der Simeonieten Semuel, de zoon van Ammihud;  21  voor de stam Benjamin Elidad, de zoon van Kislon;  22  voor de stam der Danieten een vorst,  Bukki, de zoon van Jogli;  23  voor de zonen van Jozef, voor de stam der Manassieten een vorst, Channiel, de zoon van Efod;  24  voor de stam der Efraimieten een vorst,  Kemuel, de zoon van Siftan;  25  voor de stam der Zebulonieten een vorst , Elisafan, de zoon van Parnak;  26  voor de stam der Issakarieten een vorst , Paltiel, de zoon van Azzan;  27  voor de stam der Aserieten een vorst,  Achihud, de zoon van Selomi;  28  voor de stam der Naftalieten een vorst,  Pedael, de zoon van Ammihud.  29  Dit zijn degenen aan wie de Eeuwige gebood een erfdeel aan de IsraŽlieten toe te wijzen in het land Kanaan.  35:1 de Eeuwige sprak tot Mozes in de velden van Moav bij de Jordaan tegenover Jericho:  2  Gebied de IsraŽlieten, dat zij van hun erfelijk bezit steden afstaan aan de Levieten om er te wonen; ook zult gij aan de Levieten de weidegronden geven die rondom de steden liggen.  3  De steden zullen voor hen zijn om er te wonen en haar weidegronden zullen voor hun vee en voor hun bezit en voor al hun levende have zijn .  4  De weidegronden der steden die gij aan de Levieten geven zult, zullen van de stadsmuur naar buiten rondom duizend ellen meten.  5  Gij zult buiten de stad afmeten aan de oostzijde tweeduizend ellen en aan de zuidzijde tweeduizend ellen en aan de westzijde tweeduizend ellen en aan de noordzijde tweeduizend ellen, met de stad in het midden: dit zullen voor hen de weidegronden der steden zijn.  6  Wat nu de steden betreft, die gij aan de Levieten geven zult, het zullen de zes vrijsteden zijn, die gij zult aanwijzen, opdat daarheen de doodslager vluchte, en daarenboven zult gij tweeŽnveertig steden geven.  7  Al de steden die gij aan de Levieten geven zult, zullen achtenveertig steden zijn, deze met haar weidegronden.  8  Wat de steden betreft, die gij van de bezitting der IsraŽlieten geven zult,  van die er veel heeft, zult gij er meer nemen , en van die er weinig heeft, zult gij er minder nemen; ieder zal naar gelang van zijn erfdeel, dat men zal toegewezen krijgen, van zijn steden aan de Levieten geven.  9 En de Eeuwige sprak tot Mozes:  10  Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer gij over de Jordaan trekt naar het land Kanašn,  11  dan zult gij u enige steden uitkiezen, die u tot vrijsteden zullen zijn, opdat daarheen de doodslager vluchte, die onopzettelijk iemand gedood heeft.  12  En die steden zullen u tot een wijkplaats zijn tegen de bloedwreker, opdat de doodslager niet sterve, voordat hij voor de vergadering heeft terechtgestaan.  13  En de steden die gij aanwijzen zult,  zullen voor u zes vrijsteden zijn.  14  Drie steden zult gij aanwijzen aan de overzijde van de Jordaan en drie steden zult gij aanwijzen in het land Kanašn;  vrijsteden zullen het zijn.  15  Die zes steden zullen voor de IsraŽlieten en voor de vreemdeling en voor de bijwoner onder u tot een wijkplaats zijn, opdat daarheen ieder vluchte, die onopzettelijk iemand gedood heeft.  16  Maar indien hij hem met een ijzeren voorwerp zo geslagen heeft, dat hij stierf, dan is hij een doodslager; de doodslager zal zeker gedood worden.  17  En indien hij hem met een steen in de hand,  waardoor iemand zou kunnen sterven, zo heeft geslagen, dat hij stierf, dan is hij een doodslager; de doodslager zal zeker gedood worden.  18  Of indien hij hem met een houten voorwerp in de hand, waardoor iemand zou kunnen sterven , zo heeft geslagen, dat hij stierf , dan is hij een doodslager; de doodslager zal zeker gedood worden .  19  De bloedwreker zelf zal de doodslager doden; wanneer hij hem aantreft , zal hij hem doden.  20  En indien hij hem in haat gestoten of met opzet naar hem geworpen heeft, zodat hij stierf,  21  of indien hij hem in vijandschap met zijn hand zo geslagen heeft, dat hij stierf, zal degene die gedood heeft, zeker gedood worden ; hij is een doodslager; de bloedwreker zal de doodslager doden, als hij hem aantreft.  22  Maar indien hij hem onvoorziens, zonder vijandschap, gestoten of zonder opzet enig voorwerp naar hem geworpen heeft ,  23  of achteloos een steen, waardoor iemand zou kunnen sterven, op hem heeft laten vallen, zodat hij stierf, terwijl hij hem niet vijandig gezind was noch zijn kwaad zocht,  24  dan zal de vergadering krachtens deze bepalingen recht spreken tussen degene die gedood heeft, en de bloedwreker;  25  en de vergadering zal de doodslager uit de hand van de bloedwreker bevrijden, en de vergadering zal hem naar de vrijstad doen terugkeren, waarheen hij gevlucht was, waar hij wonen zal tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.  26  Indien echter de doodslager de grens van de vrijstad, waarheen hij gevlucht was,  ook maar even overschrijdt,  27  en de bloedwreker vindt hem buiten het gebied van zijn vrijstad, en de bloedwreker slaat de doodslager dood , dan zal het hem niet tot bloedschuld zijn.  28  Want in de vrijstad zal hij moeten wonen tot de dood van de hogepriester,  en na de dood van de hogepriester zal de doodslager naar het land zijner bezitting mogen terugkeren.  29  Dit zal voor u als een rechtsinzetting gelden voor uw nageslacht in al uw woonplaatsen. 30  Men zal ieder, die iemand gedood heeft,  volgens de verklaring van getuigen als een doodslager doden, maar een enkele getuige zal niet tegen iemand kunnen optreden in een halszaak.  31  En gij zult voor het leven van een doodslager , die des doods schuldig is, geen losgeld aannemen, maar hij zal zeker gedood worden.  32  Gij zult evenmin losgeld aannemen voor iemand die naar zijn vrijstad gevlucht is , opdat hij zou mogen terugkeren om in zijn land te wonen voor de dood van de priester.  33  Zo zult gij het land waarin gij woont, niet ontwijden, want bloed, dat ontwijdt het land, en voor het land kan ten aanzien van het bloed dat daarin vergoten is, geen verzoening worden gedaan dan door het bloed van degene, die het vergoten heeft. 34  Verontreinigt dan het land niet, waarin gij woont, in welks midden Ik mijn woonstede heb, want Ik, de Eeuwige,  heb mijn woonstede in het midden der IsraŽlieten .  36:1 De familiehoofden van het geslacht der zonen van Gilead, de zoon van Makir, de zoon van Manasse, uit de geslachten der zonen van Jozef, naderden en spraken in tegenwoordigheid van Mozes en van de vorsten , de familiehoofden der IsraŽlieten,  2  en zeiden: de Eeuwige heeft mijn heer geboden het land door het lot de IsraŽlieten ten erfdeel te geven, en door de Eeuwige is aan mijn heer geboden het erfdeel van onze broeder Selofchad aan zijn dochters te geven .  3  Mochten zij nu huwen met iemand van de zonen van de andere stammen der IsraŽlieten , dan zou haar erfdeel van het erfdeel onzer vaderen afgenomen worden en bij het erfdeel van de stam gevoegd, waartoe zij dan zouden behoren, maar van het door het lot ons toegewezen erfdeel zou het worden afgenomen.  4  Wanneer de IsraŽlieten dan het jubeljaar zouden hebben, zou haar erfdeel gevoegd worden bij het erfdeel van de stam, waartoe zij dan zouden behoren, en van het erfdeel van de stam onzer vaderen zou haar erfdeel worden afgenomen.  5 Toen gebood Mozes de IsraŽlieten volgens het bevel van de Eeuwige: De stam der zonen van Jozef heeft gelijk.  6 Dit is het woord, dat de Eeuwige gebiedt aangaande de dochters van Selofchad : Zij mogen huwen met wie haar wenst, mits zij huwen binnen het geslacht van de stam haars vaders.  7  Want een erfdeel der IsraŽlieten zal niet van de ene stam op de andere overgaan , maar de IsraŽlieten zullen vasthouden , ieder aan het erfdeel van de stam zijner vaderen. 8 Dus zal iedere dochter, die een erfdeel uit de stammen der IsraŽlieten verworven heeft , huwen met iemand van het geslacht van de stam haars vaders opdat ieder der IsraŽlieten het erfdeel zijner vaderen erve .  9  Want het erfdeel zal niet van de ene stam op de andere overgaan, maar de IsraŽlieten zullen vasthouden, ieder aan zijn eigen erfdeel.  10  Zoals de Eeuwige Mozes geboden had, zo deden de dochters van Selofchad;  11  en Machla, Tirsa en Chogla en Milka en Noa, de dochters van Selofchad, huwden met de zonen van haar ooms;  12  met mannen uit de geslachten der zonen van Manasse, de zoon van Jozef, huwden zij, zodat haar erfdeel aan de stam van het geslacht haars vaders verbleef.  13  Dit zijn de geboden en verordeningen, die de Eeuwige door de dienst van Mozes aan de IsraŽlieten geboden heeft in de velden van Moav bij de Jordaan tegenover Jericho. 

 

Jeremia 2: 3 IsraŽl was de Eeuwige geheiligd, de eersteling zijner opbrengst; allen die daarvan wilden eten, zouden schuld op zich laden, onheil zou over hen komen luidt het woord van de Eeuwige. 4  Hoort het woord van de Eeuwige, o huis van Jakob en alle geslachten van het huis IsraŽls!  5  Zo zegt de Eeuwige: Wat voor onrecht hebben uw vaderen in Mij gevonden, dat zij zich ver van Mij verwijderd hebben, en het nietige zijn achternagelopen, zodat zij teniet zijn geworden;  6  en dat zij niet zeiden: Waar is de Eeuwige , die ons uit het land Egypte heeft gevoerd, die ons heeft geleid door de woestijn, een land van steppen en kuilen, een land van droogte en diepe duisternis, een land , waar niemand door trekt en geen mens woont?  7  Ik bracht u toch in een vruchtbaar land om de vrucht en het goede daarvan te eten ; doch toen gij daar waart gekomen, hebt gij mijn land verontreinigd en mijn erfdeel tot een gruwel gemaakt.  8  De priesters zeiden niet: Waar is de Eeuwige; en zij die zich met de wet bezighouden , wilden Mij niet kennen; de herders werden van Mij afvallig; de profeten profeteerden door Baal en liepen hen die geen baat brengen, achterna.  9 Daarom zal Ik nog met u een rechtsgeding voeren , luidt het woord van de Eeuwige, ja, met uw kindskinderen zal Ik een rechtsgeding voeren. 10 Want steekt maar eens over naar de kustlanden der Kittiers en ziet, zendt boden naar Kedar en geeft nauwlettend acht, ja,  ziet, of iets dergelijks geschied is;  11  heeft ooit een volk goden verruild? (en dat zijn toch geen goden!) maar mijn volk heeft zijn eer verruild voor wat geen baat brengt.  12  Ontzet u daarover, o hemelen,  huivert en weest ten diepste ontroerd,  luidt het woord van de Eeuwige,  13  want mijn volk heeft twee boze daden bedreven: Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.  14 Is IsraŽl een slaaf? Is hij een onvrij geborene? Waarom is hij dan tot een prooi geworden ,  15  waarover jonge leeuwen brullen, hun stem doen klinken? Ja, zij hebben zijn land tot een woestenij gemaakt, zijn steden zijn verbrand, zodat zij zonder inwoners zijn.  16  Zelfs scheren de lieden van Nof en Tachpanches u de schedel kaal.  17  Berokkent u dit niet uw afval van de Eeuwige, uw God, ten tijde dat Hij u op de weg leidde?  18  Nu dan, wat hebt gij naar Egypte te gaan om het water van de Nijl te drinken? Of wat hebt gij naar Assyrie te gaan om het water van de Eufraat te drinken?  19  Laat uw boosheid u tuchtigen en uw afdwaling u kastijden; weet en zie, dat het boos en bitter is, dat gij de Eeuwige uw God hebt verlaten, en dat er geen vrees voor Mij bij u is, luidt het woord van de Eeuwige , de Eeuwige der heerscharen.  20 Want van ouds hebt gij uw juk verbroken , uw banden verscheurd, en gezegd : Ik wil niet dienstbaar zijn . Want op elke hoge heuvel en onder elke groene boom legt gij u in ontucht neder.  21  Ik echter had u geplant als een edele druif , een volkomen zuiver zaad; doch hoe zijt gij Mij veranderd in wilde ranken van een vreemde wingerd!  22  Ja, al zoudt gij u wassen met loog en veel zeep gebruiken, dan blijft toch uw ongerechtigheid als een onuitwisbare vlek voor mijn oog , luidt het woord van de Eeuwige de Here.  23  Hoe kunt gij zeggen: Ik heb mij niet verontreinigd, ik ben de Baals niet achternagelopen? Zie uw weg in het dal, weet wat gij gedaan hebt, gij snelle, heen en weer lopende kemelin,  24  gij wilde ezelin, gewend aan de woestijn, die in haar felle lust de wind opsnuift;  haar bronst, wie zal die keren? Niemand die haar zoekt, behoeft zich te vermoeien , in haar maand zal hij haar wel vinden. 25  Behoed uw voet voor ontschoeiing en uw keel voor dorst; maar gij zegt: Het baat niet, neen, want ik heb vreemden lief, hen zal ik achternalopen.  26  Gelijk een dief te schande wordt, als hij wordt betrapt, zo wordt het huis van IsraŽl te schande: zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten,  27  die tot een stuk hout zeggen: Gij zijt mijn vader, en tot een steen: Gij hebt mij gebaard . Want zij keren Mij de nek toe en niet het aangezicht; maar ten tijde van hun rampspoed zeggen zij: Sta op en verlos ons!  28  Waar zijn dan uw goden die gij u gemaakt hebt ? Laten die opstaan, of zij u kunnen verlossen ten tijde van uw rampspoed; want even talrijk als uw steden zijn uw goden geworden, o Juda!.... 3:4  Noemt gij Mij niet van nu af: mijn Vader, de vertrouwde mijner jeugd zijt Gij!....4: 1 Indien gij u bekeert, IsraŽl, luidt het woord van de Eeuwige, dan moogt gij tot Mij wederkeren, en indien gij uw gruwelen wegdoet uit mijn ogen, dan behoeft gij niet te vlieden;  2  dan zult gij zweren: Ďzo waar de Eeuwige leeft Ď, in waarheid, recht en gerechtigheid, en de volken zullen elkander in Hem de zegen toebidden.

 

 

Een paar gedachten

>Dit zijn de pleisterplaatsen der IsraŽlieten (33:1): Iedere IsraŽliet komt in zijn leven op de een of andere manier dezelfde (42) beproevingen tegen die het volk IsraŽl in de woestijn had.

 

>Doe alle afgoderij weg (33:52). Ook alle voorwerpen die er mee te maken hebben. Sluit geen compromissen.

 

 >Gij zult het land in bezit nemen en daarin wonen, want aan u heb Ik het land gegeven om het in bezit te nemen (33:53). Het is een Mitswe om in het land IsraŽl te (gaan) wonen. Een opdracht voor iedere IsraŽliet. Alleen in het land IsraŽl kan de Thora goed onderhouden worden. Zie ook Deut 4:22b maar gij zult die overtrekken en dat goede land in bezit nemen.

 

>De Levieten krijgen van iedere stam steden en weidegronden om er te wonen zonder dat ze een aparte erfgrond ontvangen (35:1-5)

 

>Vrijsteden worden aangewezen voor mensen die onopzettelijk iemand gedood hebben. Ze moeten dan in de vrijstad blijven tot de gezalfde hogepriester is gestorven (35:12-25). Die taak om daar te blijven wonen is niet met geld af te kopen (35:32)

 

>Iedere stam behoudt het deel land wat God hem heeft gegeven. Daar kan geen mens nog instelling nog (buitenlandse) regering wat aan veranderen (36:9)

 

>IsraŽl is geheiligd, apart gezet voor God (Jer.2:3)

 

 

 

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021