Nr38 - Balak

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Thora-gedeelte Balak (Vernietiger)

 

 

Balak (Balak, vernietiger), Num 22:2-25:9, Haftarah: Micha 5:6-6:8

 

Num. 22:2  Balak nu, de zoon van Sippor, zag alles wat IsraŽl met de Amorieten had gedaan.  3  Toen werd Moav zeer bang voor het volk, omdat het talrijk was,  en Moav werd bevreesd vanwege de IsraŽlieten.  4  Toen zeide Moav tot de oudsten van Midjan: Nu zal die menigte onze gehele streek afscheren, zoals een rund het groen des velds afscheert. In die tijd nu was Balak, de zoon van Sippor, koning over Moav.  5  Hij dan zond boden naar Bileam, de zoon van Beor, naar Petor, dat aan de Rivier ligt, naar het land zijner volksgenoten, om hem te ontbieden met deze woorden:  Daar is een volk getrokken uit Egypte ; zie, het overdekt de oppervlakte van het land, terwijl het tegenover mij gelegerd is.  6  Nu dan, kom toch en vervloek mij dit volk, want het is sterker dan ik; misschien zal ik dan in staat zijn het te verslaan en uit het land te verdrijven , want ik weet: wie gij zegent , die is gezegend, en wie gij vervloekt , die is vervloekt.  7 Toen gingen de oudsten van Moav en van Midjan, met het waarzeggersloon bij zich, op weg,  en bij Bileam aangekomen, brachten zij hem de woorden van Balak over.  8  Hij dan zeide tot hen: Overnacht hier deze nacht, dan zal ik u bescheid geven , zoals de Eeuwige tot mij spreken zal . Toen bleven de vorsten van Moav bij Bileam.  9  God nu kwam tot Bileam en zeide : Wie zijn die mannen bij u?  10  En Bileam zeide tot God: Balak,  de zoon van Sippor, de koning van Moav,  heeft tot mij de boodschap gezonden:  11  Zie, er is een volk, dat getrokken is uit Egypte, en dat de oppervlakte van het land overdekt; nu dan, kom vervloek het mij, misschien zal ik dan in staat zijn daartegen te strijden en zal ik het verdrijven.  12  Toen zeide God tot Bileam: Gij zult met hen niet medegaan, gij zult dat volk niet vervloeken, want het is gezegend.  13  En Bileam stond des morgens op en zeide tot de vorsten van Balak: Gaat naar uw land, want de Eeuwige weigert mij toe te staan met u mee te gaan.  14  Toen begaven de vorsten van Moav zich op weg en bij Balak aangekomen, zeiden zij: Bileam weigerde met ons mee te gaan.  15 Maar Balak zond opnieuw vorsten, talrijker en aanzienlijker dan dezen.  16  Bij Bileam aangekomen, zeiden zij tot hem: Zo zegt Balak, de zoon van Sippor: Laat u toch niet weerhouden tot mij te komen,  17  want ik zal u rijk belonen;  alles wat gij mij zult zeggen, zal ik doen ; kom toch, en vervloek mij dit volk.  18  Maar Bileam antwoordde en zeide tot de dienaren van Balak: Al gaf Balak mij zijn huis vol zilver en goud, ik zou niet in staat zijn het bevel van de Eeuwige , mijn God, te overtreden, door iets kleins of iets groots te doen.  19  Nu dan, blijft ook gij toch deze nacht hier, opdat ik wete, wat de Eeuwige verder tot mij spreken zal.  20  God nu kwam tot Bileam des nachts en zeide tot hem: Nu die mannen gekomen zijn om u te ontbieden, sta op, ga met hen mede, maar alleen het woord, dat Ik tot u spreken zal, zult gij volbrengen .  21  Toen stond Bileam des morgens op,  zadelde zijn ezelin en ging met de vorsten van Moav mee.  22 Maar de toorn Gods ontbrandde, toen hij ging, en de Engel van de Eeuwige stelde zich op de weg als zijn tegenstander;  Bileam reed op zijn ezelin en had twee zijner dienaren bij zich.  23  Toen de ezelin de Engel van de Eeuwige op de weg zag staan, met getrokken zwaard in de hand, boog zij van de weg af en ging de akker op; en Bileam sloeg de ezelin om haar naar de weg terug te drijven.  24  Daarop ging de Engel van de Eeuwige staan in een holle weg tussen wijngaarden, waar een muur was aan beide zijden.  25  Toen de ezelin de Engel van de Eeuwige zag , drukte zij zich tegen de muur aan,  zodat zij Bileams voet tegen de muur klemde ; toen sloeg hij haar opnieuw.  26  De Engel van de Eeuwige ging andermaal verder en ging staan op een enge plaats , waar geen ruimte was om rechts of links uit te wijken.  27  Toen de ezelin de Engel van de Eeuwige zag , ging zij onder Bileam liggen;  toen ontbrandde de toorn van Bileam en hij sloeg de ezelin met de stok.  28  Nu opende de Eeuwige de mond der ezelin , en zij zeide tot Bileam: Wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt?  29  En Bileam zeide tot de ezelin: Omdat gij de spot met mij drijft; had ik een zwaard in mijn hand, dan zou ik u nu zeker doden.  30  Maar de ezelin zeide tot Bileam: Ben ik niet uw ezelin, waarop gij uw leven lang tot op deze dag hebt gereden ? Ben ik ooit gewoon geweest u zo te behandelen? En hij zeide: Neen:  31  Toen opende de Eeuwige de ogen van Bileam ; hij zag de Engel van de Eeuwige met getrokken zwaard in de hand op de weg staan en hij knielde neer en wierp zich op zijn aangezicht.  32  De Engel van de Eeuwige zeide tot hem: Om welke reden hebt gij uw ezelin nu driemaal geslagen? Zie, Ik ben uitgegaan als een tegenstander, want deze weg voert bij Mij ten ondergang.  33  Toen de ezelin Mij zag, is zij nu driemaal voor Mij uitgeweken; ware zij voor Mij niet uitgeweken, voorwaar,  dan zou Ik nu juist u gedood en haar in het leven hebben gelaten.  34  Toen zeide Bileam tot de Engel van de Eeuwige: Ik heb gezondigd, omdat ik niet wist, dat Gij U op de weg tegenover mij gesteld hadt, en nu, indien het kwaad is in uw ogen, wil ik wel omkeren .  35  Maar de Engel van de Eeuwige zeide tot Bileam: Ga met die mannen mede, doch alleen het woord, dat Ik tot u spreken zal , zult gij spreken. Daarop ging Bileam met de vorsten van Balak mede.  36 Toen Balak hoorde, dat Bileam in aantocht was, ging hij hem tegemoet tot de stad van Moav in het gebied van de Arnon, aan de uiterste grens van het gebied.   37  En Balak zeide tot Bileam: Heb ik u niet dringend laten ontbieden ? Waarom zijt gij niet tot mij gekomen ? Ben ik werkelijk niet in staat u te belonen?  38  Maar Bileam zeide tot Balak: Zie , nu ben ik tot u gekomen; zal ik wel iets kunnen spreken? Het woord , dat God in mijn mond zal leggen,  zal ik spreken.  39  Toen ging Bileam met Balak mee en zij kwamen te Kirjat-chusot,  40  Balak offerde runderen en schapen en zond daarvan aan Bileam en de vorsten die bij hem waren.  41  De volgende morgen nam Balak Bileam mede en liet hem de hoogten van Bamot Baal beklimmen, vanwaar hij het uiterste deel van het volk zag.  23:1 Toen zeide Bileam tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren en bereid mij hier zeven stieren en zeven rammen.  2  Balak deed, zoals Bileam gesproken had, en Balak offerde met Bileam een stier en een ram op elk altaar.  3  Daarop zeide Bileam tot Balak: Ga bij uw brandoffer staan, dan wil ik heengaan ; misschien zal de Eeuwige mij tegemoet komen, en welk woord Hij mij ook doet zien , dat zal ik u bekend maken. Toen ging hij een kale heuvel op.  4  God nu ontmoette Bileam en hij zeide tot Hem: De zeven altaren heb ik gereed gemaakt en op elk altaar een stier en een ram geofferd.  5  En de Eeuwige legde een woord in de mond van Bileam en zeide: Keer tot Balak terug en spreek aldus.  6  Toen hij bij hem terugkwam, stond hij daar nog bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten van Moav. 7  Toen hief hij zijn spreuk aan en zeide : Uit Aram voerde mij Balak,  Moavs koning, uit de bergen van het Oosten : Kom, vervloek mij Jakob, en kom , verwens IsraŽl.  8  Hoe zal ik vervloeken, die God niet vervloekt? Hoe zal ik verwensen, die de Eeuwige niet verwenst?  9  Want van der rotsen top zie ik hem, van de heuvelen aanschouw ik hem. Zie , een volk, dat alleen woont en onder de natien zich niet rekent.  10  Wie telt het stof van Jakob en wie berekent de drommen van IsraŽl? Sterve ik zelf de dood der oprechten en zij mijn einde daaraan gelijk!  11  Toen zeide Balak tot Bileam: Wat hebt gij mij gedaan? Om mijn vijanden te vervloeken heb ik u gehaald en zie, gij hebt juist gezegend.  12  Maar hij antwoordde en zeide: Zal ik niet nauwgezet spreken, wat de Eeuwige in mijn mond legt?  13 Balak dan zeide tot hem: Ga toch met mij mee naar een andere plaats,  vanwaar gij het volk zien kunt; gij ziet slechts het uiterste deel ervan, maar in zijn geheel ziet gij het niet; vervloek het mij dan vandaar.  14  Toen nam hij hem mede naar het veld der Spieders, naar de top van de Pisga ; hij bouwde zeven altaren en offerde een stier en een ram op elk altaar.  15  En hij zeide tot Balak: Ga hier bij uw brandoffer staan, terwijl mij ginds een ontmoeting ten deel valt.  16  de Eeuwige nu ontmoette Bileam en legde een woord in zijn mond en Hij zeide : Keer tot Balak terug en spreek aldus.  17  Toen hij bij hem terugkwam, stond hij daar nog bij zijn brandoffer en de vorsten van Moav met hem. En Balak zeide tot hem: Wat heeft de Eeuwige gesproken ?  18  Toen hief hij zijn spreuk aan en zeide : Sta op, Balak, en hoor; leen mij het oor, zoon van Sippor.  19  God is geen man, dat Hij liegen zou;  of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben.  Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet volbrengen?  20  Zie, ik heb bevel ontvangen te zegenen , en zegent Hij, dan keer ik het niet.  21  Men schouwt geen onheil in Jakob,  en ziet geen rampspoed in IsraŽl. de Eeuwige, zijn God, is met hem, en gejubel over de Koning is bij hem.  22  God, die hen uitleidde uit Egypte,  is hem als de hoornen van de wilde stier,  23  want er bestaat geen bezwering tegen Jakob , noch waarzeggerij tegen IsraŽl. Thans worde gezegd van Jakob en van IsraŽl wat God doet:  24  Zie, een volk, dat als een leeuwin opstaat , en als een leeuw zich verheft, die zich niet neerlegt, eer hij buit gegeten en bloed van gevallenen gedronken heeft .  25  Toen zeide Balak tot Bileam: Als gij het beslist niet vervloeken wilt,  dan zult gij het in geen geval zegenen .  26  Maar Bileam antwoordde en zeide tot Balak: Heb ik u niet gezegd : Alles wat de Eeuwige zal spreken,  dat zal ik doen?  27  Balak dan zeide tot Bileam: Kom toch, ik zal u meenemen naar een andere plaats; misschien zal het in Gods ogen recht zijn, dat gij hem mij vandaar vervloekt.  28  Toen nam Balak Bileam mee naar de top van de Peor, die uitziet over de Wildernis.  29  En Bileam zeide tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren en bereid mij hier zeven stieren en zeven rammen.  30  Toen deed Balak, zoals Bileam gezegd had, en offerde een stier en een ram op elk altaar.  24:1 Daar Bileam zag, dat het in de ogen van de Eeuwige goed was IsraŽl te zegenen , ging hij niet, zoals eenmaal en andermaal, op bezwering uit, maar richtte zijn gelaat naar de woestijn.  2  Toen Bileam zijn ogen ophief, zag hij IsraŽl naar zijn stammen gelegerd , en de Geest Gods kwam over hem.  3  Toen hief hij zijn spreuk aan en zeide : De spreuk van Bileam, de zoon van Beor, en de spreuk van de man met het geopend oog;  4  de spreuk van hem, die de woorden Gods hoort, die het gezicht des Almachtigen schouwt, nederliggende met ontsloten ogen .  5  Hoe goed zijn uw tenten, o Jakob, uw woningen, o IsraŽl!  6  Als valleien breiden zij zich uit; als tuinen aan een rivier; als aloeís, die de Eeuwige plantte; als cederen aan het water.  7  Water vloeie uit zijn emmers, en zijn zaad hebbe overvloedig water; ja, zijn koning verheffe zich boven Agag, en zijn koninkrijk zij verheven.  8  God, die hem uitleidde uit Egypte,  is hem als de hoornen van de wilde stier. Volken,  die zijn vijanden zijn, verslinde hij, en hun beenderen vermorzele hij en hij doorbore ze met zijn pijlen.  9  Hij kromt zich, en legt zich neder als een leeuw, en als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan? Gezegend, die u zegenen; en die u vervloeken, vervloekt !  10 Toen ontbrandde de toorn van Balak tegen Bileam en hij sloeg zijn handen in elkaar en Balak zeide tot Bileam: Om mijn vijanden te vervloeken heb ik u geroepen , en zie, gij hebt nu driemaal achtereen een zegen uitgesproken.  11  Nu dan, pak u weg naar uw woonplaats ; ik heb wel gezegd: Ik zal u rijk belonen, maar zie, de Eeuwige heeft u het loon onthouden.  12  Maar Bileam zeide tot Balak: Heb ik dan niet tot de boden, die gij gezonden hebt, gesproken:  13  Al gaf Balak mij zijn huis vol zilver en goud, ik zou niet in staat zijn het bevel van de Eeuwige te overtreden door goed of kwaad te doen uit mijzelf ; wat de Eeuwige spreken zal, dat zal ik spreken.  14  En nu, zie, ik sta op het punt naar mijn volk te gaan; kom, ik zal u aankondigen wat dit volk in de toekomst uw volk zal aandoen.  15 Toen hief hij zijn spreuk aan en zeide : De spreuk van Bileam, de zoon van Beor, en de spreuk van de man met het geopend oog;  16  de spreuk van hem, die de woorden Gods hoort, en die de wetenschap des Allerhoogsten kent, die het gezicht des Almachtigen schouwt, nederliggende met ontsloten ogen .  17  Ik zie hem, maar niet nu; ik schouw hem, maar niet van nabij; een ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit IsraŽl, en verbrijzelt Moavs slapen, en verplettert alle zonen van Set.  18  Dan zal Edom een veroverd gebied wezen,  en Seir zal een veroverd gebied wezen, zijn vijanden. Maar IsraŽl zal kracht oefenen ,  19  en hij zal heersen uit Jakob, en de vluchtelingen uit de stad verdelgen.  20  Toen hij Amalek zag, hief hij zijn spreuk aan en zeide: Eerste der volken is Amalek, maar zijn einde zal ondergang zijn.  21  Toen hij de Kenieten zag, hief hij zijn spreuk aan en zeide: Vast is uw woning, gesteld op de rots is uw nest,  22  nochtans zal Kain tot verwoesting zijn ; hoe lang nog of Assur voert u gevankelijk weg.  23  Hij hief ook zijn spreuk aan en zeide : Wee! wie zal leven, als God dat tot stand zal brengen?  24  Maar schepen van de kust der Kittiers!  Die zullen Assur onderdrukken en Eber onderdrukken, maar ook hij zal ten onder gaan.  25  Toen maakte Bileam zich op en keerde naar zijn woonplaats terug, en ook Balak ging zijns weegs.  25:1 Terwijl IsraŽl in Sittim verbleef, begon het volk ontucht te plegen met de dochters van Moav.  2  Dezen nodigden het volk tot de slachtoffers van haar goden en het volk at daarvan en boog zich neer voor haar goden.  3  Toen IsraŽl zich aan Baal-peor gekoppeld had , ontbrandde de toorn van de Eeuwige tegen IsraŽl 4  en de Eeuwige zeide tot Mosjť: Neem al de oversten van het volk en hang hen in het openbaar op voor de Eeuwige , opdat de brandende toorn van de Eeuwige zich van IsraŽl afwende.  5  Toen zeide Mosjť tot de richters van IsraŽl: Ieder dode diegenen onder zijn mannen, die zich aan Baal-peor gekoppeld hebben .  6 En zie, een der IsraŽlieten kwam een Midjanitische bij zijn broeders brengen ten aanschouwen van Mosjť en van de gehele vergadering der IsraŽlieten, terwijl dezen weenden aan de ingang van de tent der samenkomst.  7  Toen Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aharon, dat zag, stond hij midden uit de vergadering op en nam een speer in zijn hand;  8  toen hij de IsraŽlitische man tot in het vertrek achterhaald had, doorstak hij hen beiden, zowel de IsraŽlitische man, als de vrouw, in het onderlijf. Toen hield de plaag over de IsraŽlieten op.  9  Het getal van hen die aan de plaag gestorven waren, bedroeg vierentwintigduizend. 

 

Micha 5: 7 En het overblijfsel van Jakob zal te midden van vele volkeren zijn als dauw van de Eeuwige, als regenstromen op het groene kruid , dat niet wacht op de mens,  noch mensenkinderen verbeidt.  8  En het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de natien, te midden van vele volkeren als een leeuw onder de dieren des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden, die,  wanneer hij er binnendringt, neerslaat en verscheurt, zonder dat iemand redt.  9  Uw hand zal verheven zijn boven uw tegenstanders, en al uw vijanden zullen worden uitgeroeid.  10  Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik uw paarden uit uw midden zal uitroeien en dat Ik uw strijdwagens zal vernietigen.  11  Ik zal de steden van uw land uitroeien en al uw vestingen afbreken.  12  Ook zal Ik de toverijen uit uw hand uitroeien , en gij zult geen waarzeggers meer hebben.  13  Ik zal uw gesneden beelden en uw gewijde stenen uit uw midden uitroeien, en gij zult u niet meer nederbuigen voor het werk uwer handen.  14  Ook zal Ik uw gewijde palen uit uw midden uitrukken en uw steden verwoesten .  15  En Ik zal in toorn en gramschap wraak oefenen over de volkeren die geen gehoor gegeven hebben.  6;1 Hoort toch wat de Eeuwige zegt:  Sta op, treed als aanklager op ten aanhoren van de bergen, en laat de heuvelen uw stem vernemen.  2  Hoort, gij bergen, de aanklacht van de Eeuwige , ook gij, onwrikbare grondvesten der aarde.  Want de Eeuwige heeft een aanklacht tegen zijn volk, en met IsraŽl wil Hij een rechtsgeding aangaan.  3  Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan en waarmede heb Ik u vermoeid? Getuig tegen Mij!  4  Immers heb Ik u gevoerd uit het land Egypte en uit het slavenhuis heb Ik u verlost, en Ik zond voor u heen Mosjť , Aharon en Mirjam.  5  Mijn volk, gedenk toch wat Balak , de koning van Moav, beraamde en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde . Van Sittim tot Gilgal, opdat gij het volle recht van de Eeuwige moogt erkennen.  6 Waarmede zal ik de Eeuwige tegemoet treden en mij buigen voor God in den hoge? Zal ik Hem tegemoet treden met brandofferen, met eenjarige kalveren?  7  Zal de Eeuwige welgevallen hebben aan duizenden rammen, aan tienduizenden oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding , de vrucht van mijn schoot voor de zonde mijner ziel?  8  Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de Eeuwige van u vraagt:  niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God. 

 

 

Voor U er uit gelicht

>God spreekt echt als je wil luisteren. Ongeacht welk ras, leeftijd enz. Wat je er vervolgens mee doet is je eigen verantwoordelijkheid en eigen vrije keus. (22:8) ) ĄDe woorden van Tora blijven alleen bij iemand wanneer hij zichzelf daarover doodĒ. (Talmoed Berachot 63) De Tora is als water, het vindt altijd het laagste punt. God gaf de Thora aan Mosjť. Hij was de nederigste van alle mensen. God spreekt als je nederig wil luisteren wat Hij wil.

>Als het om de strijd tegen IsraŽl gaat verenigen vijanden van God zich tijdelijk (22:4 en Gen. 36:35)

>Hoe iemand echt is wordt aan zijn levenswandel gezien. Niet in de eerste plaats aan zijn woorden God kan namelijk een waarzegger als Bileam Zijn woorden laten spreken (22:18).

>God laat toe dat Bileam op weg gaat. Dat wil zeggen: Hij laat de keus aan hemzelf. Daarop gaat Blileam op de uitnodiging van de mannen in (om mee te gaan om het volk IsraŽl te vloeken). Daarom komt de engel hem onderweg tegemoet om te gebieden dat hij alleen de woorden van God mag spreken. Zijn innerlijke intenties waren dus nog steeds niet goed ondanks dat hij de Eeuwige als God beleed.

>Wat een mens ten kwade tegen je bedoelt keert God ten goede (22:6,12).

>Ďwant het is sterker dan ikí (22:6) kan ook vertaald worden met Ďwant het is sterker van mijí. Dat in het licht dat Ruth (uit Moav) David en de Messias als nakomeling heeft.

>Als je met je woorden niets opbouwend zegt en je woorden alleen maar gebruikt om te vloeken of te beledigen daal je af tot het niveau van een ezel. God op zich een ezel laten spreken (22:28).

>Het volk IsraŽl is een gezegend volk. Niemand kan daar iets aan veranderen. Geen enkele vloek door welk mens dan ook uitgesproken zal iets uitwerken (22:12) (23:23). De vloek keert alleen terug op de uitspreker.

>De Talmoed vertelt dat wat Biliam ten kwade bedoelde kan je uit zijn uitspraken halen (24:5-); ĎHoe goed zijn uw tentenĒ: hij wilde dus eigenlijk dat die vernietigd zouden worden (tenten betekend trouwens ook heiligdommen (mishkan) ). ĎAls valleien breiden zij zich uití: wilde dus dat het kininkrijk ten gronde zou gaan,  Ďals tuinen aan een rivierí; wilde dat ze geen olijfbomen en wijngaarden zouden hebben. Ďals aloeísí: dat het stinkende gebieden zouden zijn, Ďals cederen aan het waterí: dat het geen groot koninkrijk zou zijn  ĎWater vloeie uit zijn emmerí: zonder koning die zoon is van een koning, Ďen zijn zaad hebbe overvloedig waterí: dat ze niet zouden regeren over andere volken, Ďijn koning verheffe zich boven Agag, en zijn koninkrijk zij verheven: dat het geen machtig koninkrijk zou zijn. 

>Ďeen ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israel, en verbrijzelt Moabs slapen, en verplettert alle zonen van Setí (24:17) Voorzegging van de Messias. De huidige Davidsster in de vlag is daar weer een beeld van. (Rabbi IsraŽl Baal Shem Tov legt aan de hand van deze tekst uit: ĎIedere Jood heft een vonk van de Messias in zichí)

>Vervloeken lukt niet. Dan maar afleiden en verleiden om ongoddelijke dingen te doen. Dat blijkt veel dodelijker (25:1)

>De plaag overkwam het volk door een eigen keuze om zich te laten verleiden. Een uitgesproken vloek over het volk zonder opening treft geen doel. (25:2,3)

>Rechtvaardige daad van een man kan een volk redden (25:8)

 

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr39 - Pinhas ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021