Nr37 - Chukkat

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Thora-gedeelte Chukkat (Voorschrift)

 

Chukkat (voorschrift),  Num 19:1-22:1, Haftarah: Richt. 11:1-33

 

Numeri 19:1 de Eeuwige nu sprak tot Mozes en Aharon:  2 Dit is het wetsvoorschrift, dat de Eeuwige gebiedt: Spreek tot de IsraŽlieten, dat zij u een rode, gave koe brengen, waaraan geen gebrek is, en die geen juk gedragen heeft.  3  En gij zult haar aan de priester Eleazar geven: dan zal men haar buiten de legerplaats brengen en haar in zijn tegenwoordigheid slachten.  4  Dan zal de priester Eleazar met zijn vinger van haar bloed nemen en van haar bloed zevenmaal sprenkelen in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomst.  5  Daarna zal men de koe voor zijn ogen tot as verbranden; haar huid, haar vlees en haar bloed zal men met haar mest verbranden.  6  En de priester zal cederhout, hysop en scharlaken nemen en dat midden op de brandende koe werpen.  7  Vervolgens zal de priester zijn klederen wassen en zijn lichaam in water baden en daarna in de legerplaats komen, maar de priester zal tot de avond onrein zijn.  8  Hij die haar verbrand heeft, zal zijn klederen in water wassen en zijn lichaam in water baden, maar tot de avond onrein zijn .  9  Dan zal een rein man de as van de koe verzamelen en buiten de legerplaats op een reine plaats nederleggen, opdat zij voor de vergadering der IsraŽlieten bewaard blijve ter bereiding van het water der reiniging ; het is een middel tot ontzondiging.  10  En hij die de as van de koe verzameld heeft , zal zijn klederen wassen, maar tot de avond onrein zijn. Dit zal gelden als een altoosdurende inzetting voor de IsraŽlieten en voor de vreemdeling die onder u vertoeft.  11 Hij die het lijk van enig mens aanraakt, zal zeven dagen onrein zijn .  12  Hij zal zich op de derde dag ermee ontzondigen, en op de zevende dag zal hij rein zijn. Maar indien hij zich op de derde dag niet ontzondigt, zal hij op de zevende dag niet rein zijn.  13  Ieder die een lijk, enig mens, die gestorven is, aanraakt, en zich niet ontzondigt, verontreinigt de tabernakel van de Eeuwige, en hij zal uit IsraŽl uitgeroeid worden; omdat het water der reiniging op hem niet gesprengd werd zal hij onrein wezen; zijn onreinheid is nog op hem.  14  Dit is de wet, wanneer in een tent iemand gestorven is: ieder die de tent binnengaat en alles wat in de tent is,  zal zeven dagen onrein zijn;  15  elk open vat waarover geen doek gebonden is, zal onrein zijn.  16  Ook zal ieder die op het veld iemand aanraakt, die met het zwaard gedood is , of een lijk, of het gebeente van een mens, of een graf, zeven dagen onrein zijn.  17  Men zal voor de onreine van de as van het dier dat voor ontzondiging verbrand is, nemen en daarop in een vat levend water gieten .  18  Dan zal een rein man hysop nemen,  dat in het water dopen en dit sprenkelen op de tent en op al de vaten en op de personen die daarin zijn,  en op degene die het gebeente, of de gedode,  of het lijk, of het graf heeft aangeraakt ;  19  de reine zal op de derde dag en op de zevende dag de onreine besprenkelen , en hij zal hem op de zevende dag ontzondigen; en hij zal zijn klederen wassen , zich in water baden en des avonds rein zijn.  20  Maar iemand die onrein geworden is, en zich niet laat ontzondigen, die zal uit de gemeente uitgeroeid worden, omdat hij het heiligdom van de Eeuwige verontreinigd heeft; er is geen water der reiniging op hem gesprengd, hij is onrein.  21  En het zal hun tot een altoosdurende inzetting zijn. Wie het water der reiniging gesprenkeld heeft, zal zijn klederen wassen en wie het water der reiniging aangeraakt heeft, zal tot de avond onrein zijn .  22  Alles wat de onreine aanraakt, zal onrein zijn, en wie hem aanraakt, zal tot de avond onrein zijn.  20:1 De IsraŽlieten dan, de gehele vergadering , kwamen in de woestijn Sin, in de eerste maand, en het volk verbleef te Kades ; Mirjam stierf daar en werd daar begraven.  2  Toen de vergadering geen water had,  liep zij te hoop tegen Mozes en Ašron ,  3  en het volk twistte met Mozes en zeide: Waren wij maar gestorven,  toen onze broeders voor het aangezicht van de Eeuwige stierven!  4  Waarom hebt gij de gemeente van de Eeuwige in deze woestijn gebracht, zodat wij en ons vee daar moeten sterven?  5  Waarom hebt gij ons uit Egypte doen optrekken , om ons in dit barre oord te brengen, waar geen koren, vijgenboom,  wijnstok en granaatappel groeien en waar geen water is om te drinken.  6  Toen ging Mozes met Ašron van de gemeente weg naar de ingang van de tent der samenkomst en zij wierpen zich neder op hun aangezicht, en de heerlijkheid van de Eeuwige verscheen hun.  7  Toen sprak de Eeuwige tot Mozes :  8  Neem de staf en laat de vergadering samenkomen, gij en uw broeder Ašron;  spreek dan in hun tegenwoordigheid tot de rots, dan zal zij haar water geven; gij zult voor hen water uit de rots te voorschijn doen komen en de vergadering en hun vee drenken .  9  Toen nam Mozes de staf van voor het aangezicht van de Eeuwige, zoals Hij hem geboden had .  10  Toen Mozes en Ašron de gemeente voor de rots hadden doen samenkomen, zeide hij tot hen: Hoort toch, wederspannigen , zullen wij uit deze rots voor u water te voorschijn doen komen?  11  Daarop hief Mozes zijn hand op en sloeg de rots met zijn staf tweemaal, en er kwam veel water uit, zodat de vergadering kon drinken en ook het vee.  12  Maar de Eeuwige zeide tot Mozes en Ašron: Aangezien gij op Mij niet vertrouwd hebt en Mij ten aanschouwen van de IsraŽlieten niet geheiligd hebt, daarom zult gij deze gemeente niet brengen in het land , dat Ik hun geef.  13  Dit is het water van Meriba, waar de IsraŽlieten met de Eeuwige twistten en Hij Zich onder hen de Heilige betoonde.  14 Mozes nu zond uit Kades boden tot de koning van Edom: Zo zegt uw broeder IsraŽl: Gij weet van al de moeite, die ons overkomen is:  15  hoe onze vaderen naar Egypte trokken, en wij lange tijd in Egypte woonden, en de Egyptenaren ons en onze vaderen slecht behandelden .  16  Toen riepen wij tot de Eeuwige, en Hij hoorde onze stem, zond een engel en leidde ons uit Egypte; en zie, nu zijn wij te Kades, een stad aan de grens van uw gebied.  17  Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet door akkers en wijngaarden trekken en wij zullen geen welwater drinken ; de koninklijke weg zullen wij gaan , zonder naar rechts of naar links af te wijken, totdat wij uw gebied zullen zijn doorgetrokken.  18  Maar Edom zeide tot hem: Gij zult niet door mijn gebied gaan, anders trek ik met het zwaard u tegemoet.  19  Toen zeiden de IsraŽlieten tot hem:  Wij zullen langs de gebaande weg optrekken, en indien ik en mijn vee van uw water drinken , dan zal ik de prijs daarvoor betalen;  ik wil niet anders dan te voet doortrekken . 20  Maar hij zeide: Gij zult niet doortrekken . En Edom rukte uit hem tegemoet met een geweldig leger en een sterke macht. 21  Toen nu Edom weigerde IsraŽl door zijn gebied te laten trekken, boog IsraŽl zijwaarts van hem af.  22 Nadat zij uit Kades opgebroken waren,  kwamen de IsraŽlieten, de gehele vergadering, bij de berg Hor.  23  Toen zeide de Eeuwige tot Mozes en Ašron bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom:  24  Ašron zal tot zijn voorgeslacht vergaderd worden, want hij zal niet komen in het land, dat Ik de IsraŽlieten geef , omdat gijlieden bij het water van Meriba tegen mijn bevel weerspannig zijt geweest  25  Neem Ašron en zijn zoon Eleazar en laat hen de berg Hor beklimmen;  26  laat Ašron zijn klederen uittrekken en bekleed zijn zoon Eleazar daarmee, dan zal Ašron tot zijn voorgeslacht vergaderd worden en daar sterven.  27  En Mozes deed, zoals de Eeuwige geboden had en zij beklommen de berg Hor ten aanschouwen van de gehele vergadering.  28  En Mozes liet Ašron zijn klederen uittrekken en bekleedde daarmee zijn zoon Eleazar. Toen stierf Ašron daar op de top van de berg, en Mozes daalde met Eleazar van de berg af.  29  Toen de gehele vergadering bemerkte,  dat Aharon de geest gegeven had, beweende het ganse huis IsraŽls Ašron dertig dagen.  21:1 Toen de Kanaaniet, de koning van Arad, die in het Zuiderland woonde, hoorde dat IsraŽl langs de weg van Atarim kwam,  streed hij tegen IsraŽl, en voerde enigen gevankelijk weg.  2  Daarop deed IsraŽl de Eeuwige een gelofte en zeide: Indien Gij dit volk volkomen in mijn macht geeft, zal ik hun steden met de ban slaan.  3  En de Eeuwige hoorde naar IsraŽl en gaf de Kanaaniet over; toen sloegen zij hen en hun steden met de ban. Daarom noemde men die plaats Chorma.  4 Toen zij van de berg Hor opgebroken waren in de richting van de Schelfzee ten einde om het land Edom heen te trekken, werd het volk onderweg ongeduldig.  5  En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gij ons uit Egypte gevoerd? om te sterven in de woestijn?  Want er is geen brood en geen water en van deze flauwe spijs walgen wij.  6  Toen zond de Eeuwige vurige slangen onder het volk; die beten het volk, zodat er velen van IsraŽl stierven.  7  Daarop kwam het volk tot Mozes en zeide: Wij hebben gezondigd, want wij hebben tegen de Eeuwige en tegen u gesproken; bid tot de Eeuwige, dat Hij de slangen van ons wegdoe. Toen bad Mozes ten gunste van het volk.  8  de Eeuwige dan zeide tot Mozes: Maak een vurige slang en plaats die op een staak; ieder, die daarnaar ziet , wanneer hij gebeten is, zal in leven blijven.  9  Toen maakte Mozes een koperen slang en plaatste die op een staak; en wie, wanneer een slang hem gebeten had,  op de koperen slang de blik richtte,  bleef in leven.  10 De IsraŽlieten nu braken op en legerden zich te Obot.  11  En zij braken op uit Obot en legerden zich bij de puinhopen van Abarim, in de woestijn , die ten oosten van Moab ligt, tegen de opgang der zon.  12  Vandaar braken zij op en legerden zich in het dal van de Zered.  13  Vandaar braken zij op en legerden zich aan de overzijde van de Arnon, die in de woestijn stroomt en die uit het gebied der Amorieten komt, want de Arnon is de grens tussen Moab en de Amorieten.   14  Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen van de Eeuwige: Waheb in Sufa en de dalen , de Arnon,  15  en de helling der dalen, die zich uitstrekt naar de woning van Ar en leunt tegen de grens van Moab.  16  Vandaar ging het naar Beer. Dit is de bron, waarvan de Eeuwige tot Mozes gezegd had : Vergader het volk, dan zal Ik hun water geven.  17  Toen heeft IsraŽl dit lied gezongen : Wel op, gij bron: zingt haar in beurtzang toe;  18  de bron, die de vorsten groeven, die edelen des volks boorden met hun scepter , met hun staven. En van de woestijn ging het naar Mattana.  19  En van Mattana naar Nachaliel; en van Nachaliel naar Bamot,  20  en van Bamot naar het dal, dat in het veld van Moab is, bij de top van de Pisga,  die uitziet over de Wildernis.  21  IsraŽl nu zond boden tot Sichon , de koning der Amorieten, met het verzoek :  22  Laat mij door uw land trekken; wij zullen niet afbuigen door akkers en wijngaarden , wij zullen geen welwater drinken,  de koninklijke weg zullen wij gaan, totdat wij uw gebied doorgetrokken zijn. 23  Doch Sichon stond IsraŽl niet toe door zijn gebied te trekken, maar verzamelde zijn gehele krijgsmacht en trok IsraŽl tegemoet de woestijn in, en gekomen bij Jahas, streed hij tegen IsraŽl.   24  Maar IsraŽl sloeg hem met de scherpte des zwaards en nam zijn land in bezit van de Arnon af tot de Jabbok, tot aan de Ammonieten toe, want de grens der Ammonieten was sterk.  25  En IsraŽl nam al die steden in en ging wonen in alle steden der Amorieten , in Chesbon en al haar onderhorige plaatsen.   26  Want Chesbon was de stad van Sichon, de koning der Amorieten; deze had tegen de vorige koning van Moab gestreden en diens gehele land aan zijn macht ontrukt,  tot de Arnon toe.  27  Daarom zeggen de spreukendichters : Komt te Chesbon, gebouwd en versterkt worde Sichons stad!  28  Want vuur ging er uit van Chesbon , een vlam uit Sichons stad; het verteerde Ar-moab, de heerseres over de hoogten van de Arnon.  29  Wee u, Moab; verloren zijt gij, volk van Kemos! Hij maakte zijn zonen vluchtelingen, zijn dochters gevangenen van Sichon, de koning der Amorieten.  30  Wij hebben hen beschoten, Chesbon ging verloren, tezamen met Dibon, en wij verwoestten het tot Nofach, dat reikt tot Medeba .  31  IsraŽl woonde in het land der Amorieten .  32  Nadat Mozes Jazer had laten verspieden , namen zij haar onderhorige plaatsen in en verdreven de Amorieten, die daar waren.  33  Daarop wendden zij zich en trokken op in de richting van Basan; toen trok Og,  de koning van Basan, hun tegemoet, hij en zijn gehele volk, om bij Edrei slag te leveren .  34  Doch de Eeuwige zeide tot Mozes: Vrees hem niet, want Ik geef hem met zijn gehele volk en zijn land in uw macht, en gij zult met hem doen, gelijk gij gedaan hebt met Sichon, de koning der Amorieten , die te Chesbon woonde.  35  En zij versloegen hem en zijn zonen en zijn gehele volk zo volkomen, dat zij niemand lieten ontkomen; en zij namen zijn land in bezit.  22:1  Toen braken de IsraŽlieten op en legerden zich in de velden van Moab, aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho. 

 

Richteren 11:1 De Gileadiet Jefta nu was een dapper held, maar hij was de zoon van een hoer ; Gilead had Jefta verwekt.  2  Ook de vrouw van Gilead baarde hem zonen. Toen de zonen van deze vrouw volwassen waren , stootten zij Jefta uit en zeiden tot hem: Gij krijgt geen erfdeel in onze familie, want gij zijt de zoon van een andere vrouw.  3  Daarop vluchtte Jefta van zijn broeders weg om te wonen in het land Tob, waar zich lichtzinnige mannen om hem verzamelden, die er met hem op uittrokken.  4 Enige tijd later voerden de Ammonieten oorlog met IsraŽl.  5  En toen de Ammonieten met IsraŽl oorlog voerden, gingen de oudsten van Gilead Jefta uit het land Tob halen,  6  en zeiden tot Jefta: Welaan, wees gij onze aanvoerder en laten wij de Ammonieten bestrijden.  7  Maar Jefta zeide tot de oudsten van Gilead: Hebt gij mij niet gehaat en uit mijn familie verstoten? Waarom komt gij dan thans bij mij, nu gij in benauwdheid zit?  8  Daarop zeiden de oudsten van Gilead tot Jefta: Inderdaad, wij zijn bij u teruggekomen, ga met ons mee en strijd tegen de Ammonieten; dan zult gij hoofd zijn over ons, over alle bewoners van Gilead.  9  En Jefta zeide tot de oudsten van Gilead: Indien gij mij terughaalt om tegen de Ammonieten te strijden, en de Eeuwige hen aan mij overlevert, dan zal ik dus hoofd over u zijn.  10  Hierop zeiden de oudsten van Gilead tot Jefta: de Eeuwige hore onze afspraak, dat wij inderdaad zo zullen doen , als gij zegt!  11  Toen ging Jefta met de oudsten van Gilead mee en het volk stelde hem tot hoofd en aanvoerder over zich aan; Jefta sprak al zijn woorden voor het aangezicht van de Eeuwige te Mispa.  12 Hierop zond Jefta boden naar de koning der Ammonieten met de vraag: Wat hebben wij met elkander te maken, dat gij tegen mij opgetrokken zijt om mijn land te bestrijden ?  13  De koning der Ammonieten zeide tot de boden van Jefta: IsraŽl heeft, toen het uit Egypte getrokken was, mijn land vermeesterd van de Arnon tot de Jabbok en de Jordaan. Nu dan, geeft het mij goedschiks terug.  14  Hierop zond Jefta nogmaals boden naar de koning der Ammonieten en zeide tot hem:  15  Zo zegt Jefta: IsraŽl heeft noch het land van Moab noch dat der Ammonieten vermeesterd.  16  Want toen IsraŽl uit Egypte trok , ging het de woestijn door tot de Schelfzee en kwam te Kades.  17  Toen zond IsraŽl boden naar de koning van Edom met het verzoek: Laat mij toch door uw land trekken. Maar de koning van Edom wilde daarvan niet horen. En ook zond het boden naar de koning van Moab,  maar deze weigerde, waarop IsraŽl te Kades bleef. 18  Het ging toen de woestijn door om het land van Edom en dat van Moab heen, kwam ten oosten van het land van Moab en legerde zich aan de overzijde van de Arnon, zonder het gebied van Moab te betreden , want de Arnon vormde de grens van Moab .  19  Toen zond IsraŽl boden naar Sichon , de koning der Amorieten, de koning van Chesbon, en IsraŽl zeide tot hem: Laat mij toch door uw land trekken naar de plaats van mijn bestemming.  20  Maar Sichon had er geen vertrouwen in,  dat IsraŽl slechts door zijn gebied zou trekken , en Sichon verzamelde al zijn krijgsvolk, legerde zich te Jahas, en streed tegen IsraŽl.  21  de Eeuwige, de God van IsraŽl, echter gaf Sichon en al zijn krijgsvolk over in de macht van IsraŽl, en zij versloegen hen,  waarop IsraŽl het gehele land der Amorieten,  die dat bewoonden, in bezit nam.  22  Zo kregen zij het gehele gebied der Amorieten in bezit, van de Arnon tot de Jabbok en van de woestijn tot de Jordaan.  23  Nu dan, de Eeuwige, de God van IsraŽl,  heeft de Amorieten voor zijn volk IsraŽl uit weggedreven; wilt gij dit dan weer verdringen ?  24  Zoudt gij niet in bezit nemen wat uw god Kemos u in bezit gaf? Zo nemen wij in bezit al wat de Eeuwige, onze God, voor ons onteigent.  25  Nu dan, zijt gij zoveel beter dan Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab?  26  Heeft hij getwist met IsraŽl of er oorlog tegen gevoerd? En waarom hebt gij,  terwijl IsraŽl in Chesbon met onderhorige plaatsen,  in Aroer met onderhorige plaatsen, en in alle steden aan de oevers van de Arnon gedurende driehonderd jaar gevestigd was, die in die tijd niet bevrijd?   27  Ik heb dus niets misdreven tegen u, maar gij handelt onrechtvaardig jegens mij door mij te beoorlogen. de Eeuwige, die Rechter is, richte heden tussen de IsraŽlieten en de Ammonieten.  28  Maar de koning der Ammonieten gaf geen gehoor aan de boodschap, die Jefta hem gezonden had.  29 Toen kwam de Geest van de Eeuwige over Jefta; hij trok Gilead en Manasse door,  daarna door Mispa in Gilead en van Mispa in Gilead trok hij verder naar de Ammonieten.  30  Toen deed Jefta de Eeuwige een gelofte en zeide: Indien Gij de Ammonieten in mijn macht geeft,  31  dan zal hetgeen mij uit de deur van mijn huis tegemoet komt, wanneer ik behouden van de Ammonieten terugkeer , de Eeuwige toebehoren, en ik zal het ten brandoffer brengen.  32  Vervolgens trok Jefta tegen de Ammonieten op om met hen te strijden en de Eeuwige gaf hen in zijn macht.  33  Hij versloeg ze van Aroer af tot in de nabijheid van Minnit (twintig steden ) en tot Abel Keramim: een geweldige nederlaag, waardoor de Ammonieten voor de IsraŽlieten moesten bukken. 

 

 

 

Een paar gedachten

 

>God vraagt onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Zonder dat we de opgedragen opdracht eerst begrijpen (19:14-20). Niet alles in de thora is te beredeneren. Pred. 7:23 Dit alles heb ik met het oog op wijsheid beproefd; ik zeide: ik wil wijsheid verwerven, maar zij bleef onbereikbaar voor mij.

 

>Reiniging gebeurd alleen op de manier zoals God het bepaalt (19:14) (dit is thora)

 

>Afwassing van zonde geschiedt slechts als de mens zich bekeert naar God. Ofwel gehoorzaam wordt aan God. Zie ook: Jesaja 1:16-19 Wast u, reinigt u, doet uw boze daden uit mijn ogen weg; houdt op kwaad te doen; 17  leert goed te doen, tracht naar recht, houdt de geweldenaar in toom, doet recht aan de wees, verdedigt de rechtszaak der weduwe. 18  Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de Eeuwige; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. 19  Als gij gewillig zijt en luistert, zult gij het goede des lands eten;

 

>Gods instructies gelden voor eeuwig. Dus ook in de toekomst als de tempel weer in Jeruzalem zal verrijzen. Het is niet van belang of we eerst over inzicht in hebben om iets te geloven en te doen.

 

>Mozes zondigde door niet op God te vertrouwen. Hij maakt gebruikt van een oude methode om water te krijgen in plaats van om in gehoorzaamheid te spreken. (20:11). Het ontvangen van volle zegen kan alleen door gehele gehoorzaamheid.

 

>Mozes laat zich door een bittere houding t.o.v. het volk uit de rust halen (20:10) Ps. 106: 32  Zij vertoornden Hem bij de wateren van Meriba; het verging Mozes kwalijk om hunnentwil, 33 want zij waren tegen zijn Geest weerspannig, en hij sprak onbezonnen met zijn lippen.

 

>Spreken in plaats van slaan had het wonder vergroot op deze plaats waar al eerder water uit de rots kwam (toen Mozes er tegen sloeg) Ex. 17:6,7  Zie, Ik zal daar voor u op de rots bij Horeb staan; dan zult gij op de rots slaan en daaruit zal water te voorschijn komen, zodat het volk kan drinken. En Mozes deed alzo voor de ogen van de oudsten van Israel. 7  Hij noemde die plaats Massa en Meriba, wegens de twist der Israelieten en omdat zij de Eeuwige op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de Eeuwige in ons midden of niet?

 

>Berouw, Bekering en vertrouwend zien op Gods belofte zorgt voor herstel. (21:7-9)

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr38 - Balak ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021