Nr36 - Korah

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Thora-gedeelte Korah (Korach)

Korah(Korach), Num 16:1-18:32, Haftarah: I Sam 11:14-12:22

 

Num. 16:1 Korach nu, de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, nam met Datan en Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Pelet, Rubenieten, een aantal mannen;  2  en zij stelden zich voor Mozes met tweehonderd vijftig mannen uit de Israelieten , hoofden der vergadering, opgeroepenen ter volksvergadering, mannen van naam.  3  Zij dan liepen te hoop tegen Mozes en Ašron en zeiden tot hen: Laat het u genoeg zijn, want de gehele vergadering, zij allen zijn heiligen, en de Eeuwige is in hun midden . Waarom verheft gij u dan boven de gemeente van de Eeuwige?  4  Toen Mozes het hoorde, wierp hij zich op zijn aangezicht.  5  En hij sprak tot Korach en zijn gehele aanhang: Morgen, dan zal de Eeuwige doen weten, wie Hem toebehoort, en wie de heilige is, dat Hij hem tot Zich doe naderen;  die Hij verkiezen zal, zal Hij tot Zich doen naderen.  6  Doet dit: neemt u vuurpannen,  gij, Korach en gij, zijn gehele aanhang,  7  doet dan vuur daarin en legt er morgen reukwerk op voor het aangezicht van de Eeuwige, en de man die de Eeuwige verkiezen zal, die zal de heilige zijn. Laat het u genoeg zijn, Levieten.  8  Toen zeide Mozes tot Korach: Hoort toch, gij Levieten!  9  Is het u te weinig, dat de God van Israel u heeft afgezonderd van de vergadering Israels om u tot Zich te doen naderen , om de dienst aan de tabernakel van de Eeuwige te verrichten en voor het aangezicht der vergadering te staan om hen te dienen,  10  en dat Hij u en al uw broederen, de Levieten , met u deed naderen? Streeft gij nu ook naar het priesterschap?  11  Daarom, gij en uw gehele aanhang, gij spant samen tegen, want wat is Ašron, dat gij tegen hem zoudt morren ?  12  Mozes nu zond heen om Datan en Abiram , de zonen van Eliab, te ontbieden, maar zij zeiden: Wij komen niet.  13  Is het een kleinigheid, dat gij ons hebt opgevoerd uit een land, vloeiende van melk en honig, om ons te laten sterven in de woestijn, en wilt gij u ook nog als heerser over ons opwerpen?  14  Gij hebt ons waarlijk niet gebracht in een land, vloeiende van melk en honig , noch ons akkers en wijngaarden in bezit gegeven; meent gij de ogen dezer mannen te kunnen verblinden? Wij komen niet.  15  Toen werd Mozes zeer toornig en hij zeide tot de Eeuwige: Wend U niet tot hun spijsoffer; niet een ezel heb ik van hen weggenomen, noch iemand van hen kwaad gedaan.  16  En Mozes zeide tot Korach: Gij en uw gehele aanhang, verschijnt morgen voor het aangezicht van de Eeuwige, gij en zij en Ašron!  17  Neemt dan ieder zijn vuurpan, legt er reukwerk op en biedt de Eeuwige ieder zijn vuurpan aan, tweehonderd vijftig vuurpannen, gij en Ašron, ieder zijn vuurpan.  18  Zij namen dan ieder zijn vuurpan, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop, en stelden zich op bij de ingang van de tent der samenkomst met Mozes en Ašron.  19  Toen Korach de gehele aanhang bij de ingang van de tent der samenkomst tegen hen had bijeengebracht, verscheen de heerlijkheid van de Eeuwige aan de gehele vergadering.  20  En de Eeuwige sprak tot Mozes en Ašron:  21  Scheidt u af van deze vergadering,  opdat Ik haar in een oogwenk vertere.   22  Toen wierpen zij zich op hun aangezicht en zeiden: O God, God der geesten van alle levende schepselen, als een man zondigt , zult Gij dan tegen de gehele vergadering toornen?  23 de Eeuwige dan sprak tot Mozes :  24  Spreek tot de vergadering:  Trekt u terug uit de omtrek van de woning van Korach, Datan en Abiram.  25  Toen maakte Mozes zich op en ging tot Datan en Abiram, en de oudsten van IsraŽl volgden hem.  26  En hij sprak tot de vergadering : Wijkt toch van de tenten dezer goddeloze mannen en raakt niets aan, dat hun toebehoort, opdat gij niet door al hun zonden wordt weggeraapt.  27  Toen trokken zij weg uit de omtrek van de woning van Korach, Datan en Abiram, en Datan en Abiram traden naar buiten en stonden aan de ingang van hun tenten met hun vrouwen, zonen en kleine kinderen.  28  Daarop zeide Mozes: Hieraan zult gij weten, dat de Eeuwige mij gezonden heeft om al deze daden te doen, en dat het niet mijn bedenksel is:  29  indien dezen zullen sterven, zoals ieder mens sterft, en over hen bezoeking zal worden gedaan, zoals ieder mens bezocht wordt,  dan heeft de Eeuwige mij niet gezonden.  30  Maar, indien de Eeuwige iets nieuws zal scheppen , zodat de grond zijn mond zal opensperren en hen verzwelgen met alles wat hun toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk zullen dalen, dan zult gij weten, dat deze mannen de Eeuwige gesmaad hebben.  31  Nauwelijks had hij al deze woorden uitgesproken, of de grond spleet onder hen,  32  en de aarde opende haar mond en verzwolg hen met hun huisgezinnen en met alle mensen die bij Korach behoorden en met alle have.  33  Zo daalden zij, met al de hunnen,  levend in het dodenrijk; en de aarde overdekte hen, zodat zij uit het midden der gemeente omkwamen.  34  En alle IsraŽlieten die om hen heen stonden, vluchtten weg op hun geroep, want zij dachten: De aarde moest ook ons eens verzwelgen!  35 Toen ging er een vuur uit van de Eeuwige en verteerde de tweehonderd vijftig mannen, die het reukwerk geofferd hadden.  36  de Eeuwige nu sprak tot Mozes :  37  Zeg tot Eleazar, de zoon van de priester Ašron, dat hij de vuurpannen uit de brand wegneme, en strooi het vuur ver weg, omdat zij heilig zijn,  38  te weten de vuurpannen dergenen die ten koste van hun leven gezondigd hebben, en maakt deze tot dunne platen, tot een overtrek voor het altaar, want zij hebben ze voor het aangezicht van de Eeuwige gebracht, zodat deze geheiligd zijn ; zo zullen zij de IsraŽlieten tot een teken zijn.  39  Toen nam de priester Eleazar de koperen vuurpannen, welke zij die verbrand waren, hadden gebracht en men plette ze tot een overtrek voor het altaar,  40  een herinnering voor de IsraŽlieten, opdat geen onbevoegde, die niet behoort tot de nakomelingen van Ašron, nadere om reukwerk te branden voor het aangezicht van de Eeuwige, en het hem niet verga als Korach en zijn aanhang, zoals de Eeuwige tot hem gesproken had door de dienst van Mozes.  41 De volgende dag echter morde de gehele vergadering der IsraŽlieten tegen Mozes en Ašron, zeggende: Gij hebt het volk van de Eeuwige gedood.  42  Toen nu de vergadering tegen Mozes en Ašron te hoop liep, en zij zich naar de tent der samenkomst wendden, zie, de wolk bedekte haar en de heerlijkheid van de Eeuwige verscheen.  43  Toen kwamen Mozes en Ašron tot voor de tent der samenkomst.  44  de Eeuwige dan sprak tot Mozes :  45  Trekt u terug uit deze vergadering, opdat Ik haar in een ogenblik vertere . Toen wierpen zij zich neder op hun aangezicht.  46  En Mozes zeide tot Ašron: Neem een vuurpan, doe er vuur in van het altaar, leg er reukwerk op, en ga haastig tot de vergadering en doe verzoening over hen, want de toorn is van de Eeuwige uitgegaan, de plaag is begonnen.  47  Ašron nam een vuurpan, zoals Mozes gesproken had, en snelde tot midden onder de gemeente, en zie, de plaag was onder het volk begonnen; toen legde hij er reukwerk op en deed verzoening over het volk.  48  Toen hij tussen de doden en de levenden stond, hield de plaag op.  49  En zij, die gestorven waren door de plaag,  waren veertienduizend zevenhonderd , behalve degenen die gestorven waren terzake van Korach.  50  Toen Ašron tot Mozes terugkeerde aan de ingang van de tent der samenkomst, had de plaag opgehouden.  17:1 de Eeuwige sprak tot Mozes: 2  Spreek tot de IsraŽlieten en neem van hen voor elke stam een staf van al hun vorsten, naar hun stammen twaalf staven; ieders naam zult gij op zijn staf schrijven;  3  maar de naam van Aharon zult gij op de staf van Levi schrijven, want een staf dient voor het hoofd van hun stam.  4  Dan zult gij deze nederleggen in de tent der samenkomst voor de getuigenis, waar Ik met u pleeg samen te komen.  5  En de man die Ik verkies, diens staf zal bloeien; zo zal Ik het gemor,  waarmee de IsraŽlieten tegen u morren , tot zwijgen brengen, zodat Ik het niet meer hoor.  6  Nadat nu Mozes tot de IsraŽlieten gesproken had, gaven al hun vorsten hem voor iedere vorst een staf,  naar hun stammen twaalf staven, en de staf van Ašron was onder hun staven.   7  Mozes nu legde de staven neer voor het aangezicht van de Eeuwige in de tent der getuigenis .  8 Toen Mozes de volgende dag de tent der getuigenis binnenging, zie, de staf van Ašron, voor het huis van Levi,  bloeide; hij had bloesem voortgebracht,  bloemen gedragen en amandelen doen rijpen .  9  Toen Mozes al de staven van voor het aangezicht van de Eeuwige tot al de IsraŽlieten naar buiten bracht, zagen zij het en namen ieder zijn staf.  10  En de Eeuwige zeide tot Mozes: Breng de staf van Ašron terug voor de getuigenis, om bewaard te worden tot een teken voor de wederspannigen, zodat gij aan hun gemor een einde maakt en Ik het niet meer hoor, opdat zij niet sterven.  11  En Mozes deed het: zoals de Eeuwige hem geboden had, deed hij.  12  De IsraŽlieten immers hadden tot Mozes gezegd: Zie wij geven de geest,  wij komen om, wij komen allen om.  13  Al wie ook maar nadert tot de tabernakel van de Eeuwige, zal sterven. Moeten wij dan tot de laatste man de geest geven?  18:1 de Eeuwige nu zeide tot Ašron: Gij en uw zonen en uw familie met u zult de ongerechtigheid, tegen het heiligdom begaan, dragen ; en gij en uw zonen zult de ongerechtigheid , in uw priesterambt begaan, dragen.  2  Doe ook uw broederen, de stam Levi, de stam van uw vader, met u naderen, opdat zij zich bij u aansluiten en u, zowel als uw zonen dienen, voor de tent der getuigenis ;  3  opdat zij hun taak vervullen jegens u, zowel als hun taak met betrekking tot de gehele tent;  tot het gerei van het heiligdom en tot het altaar echter, zullen zij niet naderen,  opdat zij niet sterven, niet alleen zij,  maar ook gij;  4  en opdat zij zich bij u aansluiten en hun taak vervullen met betrekking tot de tent der samenkomst naar de gehele dienst der tent;  maar een onbevoegde zal tot u niet naderen .  5  Gij echter zult uw taak vervullen met betrekking tot het heilige en het altaar, opdat er geen toorn meer op de IsraŽlieten ruste.  6  Zie, Ik zelf heb uw broederen, de Levieten , uit de IsraŽlieten genomen als een geschenk voor u, als gegevenen aan de Eeuwige, om de dienst aan de tent der samenkomst te verrichten;  7  maar gij en uw zonen met u zult uw priesterambt vervullen in alles wat bij het altaar behoort en bij hetgeen achter het voorhangsel is,  en daarbij dienst doen; als een dienst, die een geschenk is, geef Ik u uw priesterambt; maar de onbevoegde, die nadert, zal ter dood gebracht worden.  8  En de Eeuwige sprak tot Ašron: Zie,  Ik zelf geef u de verzorging van mijn heffingen; wat al de heilige gaven der IsraŽlieten betreft, die geef Ik u en uw zonen tot een gewijd deel, tot een altoosdurende inzetting.  9  Van de allerheiligste gaven, voorzover zij niet verbrand worden, zal dit voor u zijn: al hun offergaven, zowel met betrekking tot al hun spijsoffers als al hun zondoffers en al hun schuldoffers, die zij Mij vergelden; de allerheiligste gaven, die zullen voor u en uw zonen zijn.  10  Als iets, dat allerheiligst is, zult gij het eten ; al wat van het mannelijk geslacht is, zal het eten, het zal u iets heiligs zijn .  11  Dit komt u toe als heffing van al de beweegoffers die de IsraŽlieten geven; die geef ik u en uw zonen en uw dochters met u tot een altoosdurende inzetting; al wie in uw gezin rein is, zal het eten.  12  Al het beste van de olie en al het beste van most en koren, het eerste daarvan,  dat zij de Eeuwige geven, geef Ik u.  13  De eerstelingen van alles wat op hun land is, die zij de Eeuwige brengen, zullen voor u zijn; al wie in uw gezin rein is, zal het eten.  14  Alles, waarop in IsraŽl de ban ligt, zal voor u zijn.  15  Alles, wat het eerst uit de moederschoot voortkomt van al wat leeft, hetgeen zij de Eeuwige aanbieden, zowel van mensen als van dieren, zal voor u zijn; alleen zult gij de eerstgeborenen der mensen loskopen,  ook zult gij de eerstgeborenen van de onreine dieren loskopen.  16  Wat zijn losprijs aangaat, gij zult hen, zodra zij een maand oud zijn, loskopen volgens uw schatting tegen een bedrag van vijf sikkels naar de heilige sikkel; deze bedraagt twintig gera.  17  Echter zult gij de eerstgeborenen van een rund , schaap of geit niet loskopen;  zij zijn iets heiligs, hun bloed zult gij op het altaar sprengen en hun vet doen roken als een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige;  18  maar hun vlees zal voor u zijn; evenals de beweegborst en de rechterschenkel zal het voor u zijn.  19  Alle heffingen der heilige gaven, die de IsraŽlieten als heffingen de Eeuwige brengen , geef Ik u en uw zonen en uw dochters met u tot een altoosdurende inzetting, een altoosdurend zoutverbond is het voor het aangezicht van de Eeuwige voor u en uw nakomelingschap .  20 En de Eeuwige zeide tot Aaron: In hun land zult gij geen erfdeel hebben en een stuk land zal u onder hen niet ten deel vallen ; Ik ben uw deel en uw erfdeel onder de IsraŽlieten.  21  Wat nu de Levieten betreft, zie, Ik geef hun alle tienden in IsraŽl als erfdeel , een vergoeding voor de dienst die zij verrichten, de dienst van de tent der samenkomst.  22  De IsraŽlieten namelijk zullen niet meer tot de tent der samenkomst naderen,  zodat zij zonde op zich laden en sterven;  23  de Levieten echter zullen de dienst van de tent der samenkomst verrichten en zij zullen hun ongerechtigheid dragen, een altoosdurende inzetting voor uw nageslacht, en in het midden der IsraŽlieten zullen zij geen erfdeel verkrijgen;  24  want aan de Levieten geef Ik als erfdeel de tiende, die de IsraŽlieten de Eeuwige als heffing brengen; daarom heb Ik van hen gezegd: In het midden der IsraŽlieten zullen zij geen erfdeel verkrijgen.  25  de Eeuwige nu sprak tot Mozes :  26  Tot de Levieten zult gij spreken en tot hen zeggen: Wanneer gij van de IsraŽlieten de tiende ontvangt, die Ik u van hen als erfdeel geef, dan zult gij daarvan als een heffing voor de Eeuwige een tiende van de tiende brengen,  27  en het zal voor u als een heffing beschouwd worden , als ware het het koren van de dorsvloer en de inhoud van de perskuip.  28  Aldus zult ook gij van al de tienden die gij van de IsraŽlieten ontvangt, een heffing voor de Eeuwige brengen en gij zult daarvan de heffing voor de Eeuwige aan de priester Aaron geven.  29  Van alles wat u geschonken wordt, zult gij de gehele heffing voor de Eeuwige brengen,  van al het beste ervan, hetgeen daarvan geheiligd wordt.  30  En gij zult tot hen zeggen: Wanneer gij het beste daarvan als heffing brengt, zal dat voor de Levieten beschouwd worden als de opbrengst van de dorsvloer en van de perskuip;   31  gij zult het met uw gezin op elke plaats mogen eten, want het strekt u tot loon als vergoeding voor uw dienst aan de tent der samenkomst.  32  Gij zult ten aanzien daarvan geen zonde op u laden, indien gij maar het beste daarvan als heffing brengt; zo zult gij de heilige gaven der IsraŽlieten niet ontwijden, opdat gij niet sterft. 

 

1 Sam 11:14  En Samuel zeide tot het volk: Komt , laten wij naar Gilgal gaan en daar het koningschap vernieuwen.  15  Toen ging heel het volk naar Gilgal en riep daar Saul tot koning uit voor het aangezicht van de Eeuwige te Gilgal, en zij slachtten daar vredeoffers voor het aangezicht van de Eeuwige, en Saul en alle mannen van Israel verheugden zich daar zeer .  12:1 Samuel nu zeide tot geheel Israel : Zie, ik heb naar u geluisterd in al wat gij tot mij gezegd hebt, en heb een koning over u aangesteld.  2  Nu dan, zie, de koning gaat u voor ; ik echter ben oud en grijs geworden , en zie, mijn zonen zijn bij u; van mijn jeugd af tot op deze dag ben ik u voorgegaan.  3  Hier ben ik. Getuigt tegen mij in tegenwoordigheid van de Eeuwige en in tegenwoordigheid van zijn gezalfde: wiens rund heb ik genomen ? Wiens ezel heb ik genomen? Wie heb ik verdrukt? Wie heb ik verongelijkt ? Uit wiens hand heb ik een geschenk aangenomen en heb daarom mijn ogen toegedaan ? Dan zal ik het u teruggeven.  4  En zij zeiden: Gij hebt ons niet verdrukt en gij hebt ons niet verongelijkt en gij hebt uit niemands hand iets aangenomen .  5  Toen zeide hij tot hen: de Eeuwige is getuige tegenover u, en zijn gezalfde is op deze dag getuige, dat gij bij mij niets gevonden hebt. Zij zeiden: Hij is getuige.  6 En Samuel zeide tot het volk: de Eeuwige is het, die Mozes en Aaron heeft doen optreden en die uw vaderen uit het land Egypte heeft geleid.  7  Nu dan, stelt u op, opdat ik als richter u, voor het aangezicht van de Eeuwige, voorhoude alle rechtvaardige daden die de Eeuwige voor u en uw vaderen gedaan heeft.  8  Toen Jakob in Egypte gekomen was en uw vaderen tot de Eeuwige riepen, zond de Eeuwige Mozes en Aaron, die uw vaderen uit Egypte leidden, en hen hier deden wonen .  9  Maar zij vergaten de Eeuwige, hun God, en Hij gaf hen over in de macht van Sisera, de legeroverste van Hasor, en in die van de Filistijnen en de koning van Moab;  die streden tegen hen.  10  Zij riepen tot de Eeuwige en zeiden : Wij hebben gezondigd, want wij hebben de Eeuwige verlaten en de Baals en Astartes gediend; nu dan, red ons toch uit de macht onzer vijanden, dan zullen wij U dienen.  11  Daarop zond de Eeuwige Jerubbaal, Barak , Jefta en Samuel, en redde u uit de macht der vijanden die u omringden , zodat gij veilig woondet.  12  Toen gij echter zaagt, dat Nachas, de koning der Ammonieten, tegen u optrok , zeidet gij tot mij: Neen, een koning zal over ons regeren. Terwijl toch de Eeuwige , uw God, uw koning is.  13  Nu dan, ziedaar de koning, die gij verkoren hebt, die gij begeerd hebt; zie de Eeuwige heeft een koning over u aangesteld .  14  Als gij maar de Eeuwige vreest, Hem dient, naar Hem luistert en tegen het bevel van de Eeuwige niet weerspannig zijt,  en zowel gij als de koning die over u regeren zal, de Eeuwige, uw God, volgt !  15  Doch, indien gij naar de Eeuwige niet luistert en tegen het bevel van de Eeuwige weerspannig zijt, dan zal de hand van de Eeuwige tegen u zijn zoals ook tegen uw vaderen.  16 Blijft nu nog staan en ziet dit geweldige dat de Eeuwige voor uw ogen doen zal.  17  Is het nu niet de tijd van de tarweoogst ? Ik zal tot de Eeuwige roepen, dat Hij donderslagen en regen geve. Weet dan en ziet, dat het kwaad groot is,  dat gij in de ogen van de Eeuwige gedaan hebt door voor u een koning te vragen.  18  Toen riep Samuel tot de Eeuwige, en de Eeuwige gaf op die dag donderslagen en regen, zodat het gehele volk zeer bevreesd werd voor de Eeuwige en voor Samuel,  19  en het gehele volk zeide tot Samuel : Bid voor uw knechten tot de Eeuwige , uw God, opdat wij niet sterven, want aan al onze zonden hebben wij nog kwaad toegevoegd door voor ons een koning te vragen .  20  En Samuel zeide tot het volk: Vreest niet; wel hebt gij al dit kwaad bedreven, maar wijkt niet langer van de Eeuwige af, dient de Eeuwige met uw ganse hart.  21  Gij zult niet afwijken achter de ijdelheden , die baten noch redden kunnen;  slechts ijdelheid zijn zij. 22  Want de Eeuwige zal zijn volk niet verstoten, om der wille van zijn grote naam . De Eeuwige heeft immers verkozen u tot zijn volk te maken. 

 

 

 

 

Voor U er uit gelicht

 

>Rebellie zoals bij Korach (16:5) komt voort uit ontevredenheid over de plaats die God  heeft gegeven. Uiteindelijk komt het voort door gebrek aan geloofsvertrouwen en relatie, wandel met God. De discussie die hij had met Mozes kwam niet uit een goed hart voort. Korach probeerde verdeeldheid te zaaien. Dit itt de bekende discussie tussen Hillel en Sjamai (ruim 2000 jaar geleden). Korach spreekt uit het gevoel. ďWie ben jij dat jij me zal vertellen wat ik moet en niet moet doen.Ē

 

>Korach wordt gestuurd door jaloezie. Jaloezie kan voortkomen aan een behoefte aan erkenning. Behoefte aan waardering en eer van mensen. Volgens de overlevering kwam de jaloezie bij Korach voort het feit dat Elizafan, de zoon van OeziŽl, tot vorst was uitgeroepen, een benoeming die hij zelf begeerd had. Volgens de Midrash maakte hij vanuit zijn bitterheid ook opmerkingen over de ontvangen tienden door de priesters. De ene zonde volgt de ander op. En uiteindelijk eindigt zonde in de dood. Laat je het ene toe dan volgt het andere.

 

>Jaloezie lust en zucht om eer haalt je uit de wereld. Pirkť Awot (4:28): "Hunkering, irrationele begeerten en eerzucht plaatsen een mens buiten de samenlevingĒ.

 

>Een aantal verklaarders zeggen dat de tenden van Datan en Abiram naast die van Korach stonden. Door het constante aanhoren van de kritiek lieten ze zich er uiteindelijk in meenemen. Een joodse uitspraak is: ĎWee slechte mensen en wee hun burení (en vrienden)

 

>Iemand die het goede nastreeft, vindt gunst, maar wie het kwade zoekt, zal het tegenkomen. Wie vertrouwt op zijn rijkdom, zal vallen, maar de rechtvaardige zal bloeien als een blad.Ē (Speuken 11:27-28

 

>De hemel spreekt hier om te bewijzen dat Mozes gelijk heeft. Eigenlijk om Gods instructies te bevestigen (niet over te interpreteren zie Deut. 17:10 en 11).

 

>Offergaven, heffingen (behalve tempelbelastingen, gaven armen etc.), alles waar de ban op ligt  en eerstelingen zijn voor de priesters (18:9-14). De tienden voor de levieten (18:21).

 

>Eerstgeborenen van de mensen en van de onreine dieren dienen losgekocht te worden als ze een maand oud zijn. Eerstgeboren reine dieren moesten geofferd worden. (18:15)

 

>Zoutverbond (18:19) verbond dat blijft en Ďgezond blijftí. Het doortrekt alle facetten van het leven. De Thora dringt overal in door.

 

 

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr37 - Chukkat ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021