Nr35 - Shela Lekha

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
Wie zijn wij?
Español
Beth Midrash
Het Joodse vragertje
Joods?
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Israel Photo's
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Thora-gedeelte Shela Lekha

 

Shela Lekha (Zend voor jezelf), Num 13:1-15:41,  Haftarah: Jozua 2:1-24,

 

Num 13:1-15:41  1 de Eeuwige sprak tot Mozes: 2  Zend mannen uit om het land Kanaan te verspieden, dat Ik de Israëlieten geven zal; telkens een man zult gij zenden als vertegenwoordiger van de stam zijner vaderen: allen vorsten onder hen. 3  Toen zond Mozes hen heen uit de woestijn Paran, naar het bevel van de Eeuwige; al die mannen waren hoofden der Israëlieten. 4  En dit zijn hun namen: van de stam Ruben Sammua, de zoon van Zakkur; 5  van de stam Simeon Safat, de zoon van Chori; 6  van de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefunne; 7  van de stam Issakar Jigal, de zoon van Josef; 8  van de stam Efraim Hosea, de zoon van Nun; 9  van de stam Benjamin Palti, de zoon van Rafu; 10  van de stam Zebulon Gaddiel, de zoon van Sodi; 11  van de stam Jozef, van de stam Manasse Gaddi, de zoon van Susi; 12  van de stam Dan Ammiel, de zoon van Gemalli; 13  van de stam Aser Setur, de zoon van Michael; 14  van de stam Naftali Nachbi, de zoon van Wofsi; 15  van de stam Gad Geuel, de zoon van Maki. 16  Dit zijn de namen der mannen, die Mozes uitzond om het land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua. 17  Mozes dan zond hen uit om het land Kanaan te verspieden en zeide tot hen: Trekt hier het Zuiderland in en trekt op naar het bergland, 18  en ziet, hoe het land is, en of het volk dat erin woont, sterk is of zwak, klein of talrijk; 19  en of het land, waarin het woont, goed is of slecht, hoe de steden zijn, waarin het woont, of het in legerplaatsen woont dan wel in vestingen, 20  en of het land vet is of schraal, of er bomen op staan of niet. Weest moedig en neemt van de vrucht des lands mede. Het was toen juist de tijd der eerste druiven. 21 Zij trokken op en verspiedden het land van de woestijn Sin af tot aan Rechob toe, waar de weg naar Hamat begint. 22  Toen zij door het Zuiderland optrokken, kwam men tot Hebron; daar woonden Achiman, Sesai en Talmai, de kinderen van Enak. Hebron is zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte. 23  Toen zij in het dal Eskol gekomen waren, sneden zij daar een rank met een tros druiven af, die zij met hun tweeen aan een draagstok droegen; ook enige granaatappelen en vijgen. 24  Die plaats noemde men het dal Eskol wegens de druiventros, die de Israelieten daar afgesneden hadden. 25  Na verloop van veertig dagen keerden zij terug van het verspieden van het land; 26 zij gingen op weg en kwamen tot Mozes en Aaron en de gehele vergadering der Israelieten in Kades, in de woestijn Paran, en brachten hun en de gehele vergadering bericht en toonden hun de vrucht van het land. 27  Zij verhaalden hem dan en zeiden: Wij kwamen in het land, waarheen gij ons gezonden hadt, en ja, het vloeit van melk en honig, en dit is zijn vrucht. 28  Het volk echter, dat in het land woont, is sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot, en ook de kinderen van Enak zagen wij daar; 29  Amalek woont in het Zuiderland, de Hethieten, Jebusieten en Amorieten wonen in het bergland, de Kanaanieten aan de zee en aan de oever van de Jordaan. 30  Daarop trachtte Kaleb het volk tot bedaren te brengen tegenover Mozes en zeide: Laat ons gerust optrekken en het in bezit nemen, want wij zullen het zeker kunnen vermeesteren. 31  Maar de mannen die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tegen dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij. 32  Ook verspreidden zij onder de Israelieten een kwaad gerucht omtrent het land dat zij verspied hadden, door te zeggen: Het land dat wij zijn doorgetrokken om het te verspieden, is een land dat zijn inwoners verslindt, en alle mensen die wij daar zagen, waren mannen van grote lengte. 33  Ook zagen wij daar de reuzen, Enakieten, die tot de reuzen behoren, en wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen. 14:1 Toen verhief de gehele vergadering haar stem en het volk weende in die nacht. 2  Al de Israelieten morden tegen Mozes en Aaron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, waren wij in het land Egypte gestorven, of waren wij in deze woestijn gestorven! 3  Waarom toch brengt ons de Eeuwige naar dit land, opdat wij door het zwaard vallen, onze vrouwen en kinderen ten buit worden? Zou het voor ons niet beter zijn naar Egypte terug te keren? 4 En zij zeiden tot elkander: Laat ons een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren. 5  Toen wierpen Mozes en Aaron zich op hun aangezicht ten aanschouwen van de gehele gemeente van de vergadering der Israelieten. 6  En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, die behoorden tot degenen die het land verspied hadden, scheurden hun klederen 7  en zeiden tot de gehele vergadering der Israelieten: Het land dat wij doorgetrokken zijn om het te verspieden, dat land is buitengewoon goed. 8  Indien de Eeuwige welgevallen aan ons heeft, dan zal Hij ons in dit land brengen en het ons geven, een land, dat vloeit van melk en honig. 9  Alleen, weest dan niet opstandig tegen de Eeuwige, en gij, vreest het volk van het land niet, want zij zijn ons tot spijs, hun schaduw is van hen geweken, en de Eeuwige is met ons; vreest hen niet. 10  Toen zeide de gehele vergadering, dat men hen stenigen zou. Maar de heerlijkheid van de Eeuwige verscheen in de tent der samenkomst aan al de Israelieten. 11  En de Eeuwige zeide tot Mozes: Hoelang zal dit volk Mij versmaden, en hoelang zullen zij niet op Mij vertrouwen bij al de tekenen die Ik in zijn midden gedaan heb? 12  Ik zal het met de pest slaan en het uitroeien, en u tot een volk maken, groter en machtiger dan dit. 13  Maar Mozes zeide tot de Eeuwige: Hoort Egypte het (Gij hebt immers dit volk door uw kracht uit zijn midden doen optrekken) 14  dan zullen zij zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat Gij, de Eeuwige, in het midden van dit volk zijt, dat Gij, de Eeuwige, oog in oog U hebt laten zien, terwijl uw wolk boven hen staat en Gij in de wolkkolom voor hen henen gaat des daags en in de vuurkolom des nachts, 15  zult Gij nu dit volk tot op de laatste man doden, dan zullen de volken die van U bij geruchte hoorden, zeggen: 16  Omdat de Eeuwige dit volk niet kon brengen naar het land dat Hij hun onder ede beloofd had, daarom heeft Hij hen in de woestijn omgebracht. 17  Nu dan, laat toch de kracht van de Eeuwige zich groot betonen, zoals Gij gesproken hebt: 18 de Eeuwige is lankmoedig en groot van goedertierenheid, vergevende ongerechtigheid en overtreding, hoewel Hij zeker niet ongestraft laat, maar de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht. 19  Vergeef toch de ongerechtigheid van dit volk naar de grootheid uwer goedertierenheid, gelijk Gij dit volk vergiffenis geschonken hebt van Egypte af tot hier toe. 20 En de Eeuwige zeide: Op uw bede schenk Ik vergeving. 21  Evenwel, zo waar Ik leef en de heerlijkheid van de Eeuwige de ganse aarde vervullen zal: 22  Geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben, en de tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en die Mij nu reeds tienmaal verzocht en naar mijn stem niet geluisterd hebben, 23  zal het land zien, dat Ik onder ede aan hun vaderen beloofd heb! Ja, niemand van hen, die Mij versmaad hebben, zal het zien. 24 Doch omdat bij mijn knecht Kaleb een andere geest geweest is en hij Mij volkomen gevolgd heeft, zal Ik hem naar het land brengen, waar hij heen geweest is, en zijn nakomelingschap zal het bezitten. 25  De Amalekieten nu en de Kanaanieten wonen in de Laagvlakte. Wendt u morgen om en trekt op naar de woestijn in de richting van de Schelfzee. 26 Verder sprak de Eeuwige tot Mozes en Aaron:  27  Hoelang zal het duren dat deze boze vergadering tegen Mij blijft morren? Het gemor, dat de Israelieten tegen Mij uiten, heb Ik gehoord. 28 Zeg tot hen: Zowaar Ik leef, luidt het woord van de Eeuwige, Ik zal zeker met u doen gelijk gij te mijnen aanhoren gesproken hebt! 29 In deze woestijn zullen uw lijken vallen, namelijk zovelen als er van u geteld zijn, naar uw volle getal, van twintig jaar oud en daarboven, omdat gij tegen Mij gemord hebt. 30 Voorwaar, gij zult niet komen in het land, waarvan Ik gezworen heb u daarin te doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua, de zoon van Nun! 31  En uw kinderen, van welke gij gezegd hebt: Die zullen tot een buit zijn; hen zal Ik er brengen, opdat zij het land leren kennen, dat gij veracht hebt. 32 Maar wat u betreft, uw lijken zullen vallen in deze woestijn, 33 en uw zonen zullen veertig jaar lang in de woestijn rondzwerven en uw overspelig gedrag boeten, totdat uw lijken alle in de woestijn liggen. 34  Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende welke gij het land verspied hebt veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar lang boeten, voor elke dag een jaar, opdat gij weet wat het betekent, als Ik Mij afkeer. 35  Ik, de Eeuwige, heb het gesproken. Ik zal dit zeker doen aan heel deze boze vergadering, die tegen Mij samenspant. In deze woestijn zullen zij hun einde vinden en daar zullen zij sterven. 36  De mannen nu, die Mozes uitgezonden had om het land te verspieden, en die, toen zij teruggekomen waren, de gehele vergadering tegen hem hadden doen morren door een kwaad gerucht over het land te verspreiden, 37  deze mannen, die een kwaad gerucht over het land verspreid hadden, stierven door een plaag voor het aangezicht van de Eeuwige. 38  Maar van die mannen die uitgegaan waren om het land te verspieden, bleven Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, in leven. 39  Toen Mozes deze woorden tot al de Israelieten gesproken had, bedreef het volk zware rouw. 40  En de volgende morgen vroeg wilden zij de bergtop beklimmen, onder de uitroep: Ziet, wij trekken op naar de plaats, van welke de Eeuwige gesproken heeft, want wij hebben gezondigd. 41  Maar Mozes zeide: Waarom staat gij op het punt het bevel van de Eeuwige te overtreden? Dit zal toch niet gelukken. 42  Trekt niet op, want de Eeuwige is niet in uw midden, opdat gij niet de nederlaag lijdt tegen uw vijanden, 43  want de Amalekieten en de Kanaanieten zijn daar tegenover u, en gij zult door het zwaard vallen, daarom dat gij u van de Eeuwige hebt afgekeerd, en de Eeuwige zal niet met u zijn. 44  Toch waagden zij het de bergtop te beklimmen, doch de ark van het verbond van de Eeuwige en Mozes verlieten de legerplaats niet. 45  Toen kwamen de Amalekieten en de Kanaanieten die dat gebergte bewoonden, naar beneden, versloegen hen en dreven hen terug tot Chorma toe. 15:1 de Eeuwige sprak tot Mozes: 2  Spreek tot de Israelieten en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land, dat Ik u ter woning geven zal, 3  en gij brengt de Eeuwige een vuuroffer, hetzij brandoffer of slachtoffer, hetzij om een gelofte in te lossen, of vrijwillig, of op uw feesten, om de Eeuwige een liefelijke reuk te bereiden van runderen of kleinvee, 4  dan zal hij die de Eeuwige zijn offergave aanbiedt, als spijsoffer aanbieden een tiende efa fijn meel, aangemaakt met een vierde hin olie, 5  en wijn tot een plengoffer; een vierde hin zult gij voor elk schaap bij het brandoffer of bij het slachtoffer doen. 6  Bij een ram zult gij als spijsoffer twee tienden efa fijn meel doen, aangemaakt met een derde hin olie, 7  en wijn tot een plengoffer, een derde hin; gij zult de Eeuwige een liefelijke reuk aanbieden. 8  Wanneer gij een rund zult bereiden als brandoffer of als slachtoffer, hetzij om een gelofte in te lossen, of als vredeoffer voor de Eeuwige, 9  dan zal men bij het rund als spijsoffer drie tienden efa fijn meel aanbieden, aangemaakt met een halve hin olie. 10  En wijn zult gij brengen tot een plengoffer, een halve hin, als een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige. 11  Aldus zal gedaan worden voor elk rund of voor elke ram of voor een stuk kleinvee, schaap of geit. 12  Zoveel gij er zult bereiden, voor elk daarvan zult gij aldus doen, naar hun aantal. 13  Iedere geboren Israeliet zal aldus handelen, wanneer hij een vuuroffer aanbiedt tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige. 14  En wanneer een vreemdeling bij u vertoeft, of iemand, die van geslacht op geslacht onder u is, en hij brengt een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige, dan zal hij handelen zoals gij; 15  wat de gemeente betreft, eenzelfde inzetting zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u vertoeft; een altoosdurende inzetting zal het zijn voor uw geslachten: gij en de vreemdeling zullen voor de Eeuwige gelijk zijn. 16  Eenzelfde wet en eenzelfde voorschrift zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u vertoeft. 17  de Eeuwige nu sprak tot Mozes: 18  Spreek tot de Israelieten en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land, waarheen Ik u brengen zal, 19  dan zult gij, wanneer gij van de spijs des lands eet, de Eeuwige een heffing geven. 20  De eerstelingen van uw gerstemeel zult gij, in de vorm van een koek, als heffing geven; gelijk gij een heffing geeft van uw dorsvloer, zo zult gij het als een heffing geven. 21  Van de eerstelingen van uw gerstemeel zult gij de Eeuwige een heffing geven, van geslacht tot geslacht. 22 Wnneer gij nu onopzettelijk een van deze geboden niet volbrengt, die de Eeuwige tot Mozes gesproken heeft, 23  van alles wat de Eeuwige u geboden heeft door de dienst van Mozes van die dag af, dat de Eeuwige zijn geboden gaf en daarna, van geslacht tot geslacht,24  en wanneer het buiten weten van de vergadering onopzettelijk geschied is, dan zal de gehele vergadering een jonge stier tot een brandoffer bereiden, tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige, met het bijbehorend spijsoffer en plengoffer volgens het voorschrift, benevens een geitebok tot een zondoffer. 25  Dan zal de priester over de gehele vergadering der Israëlieten verzoening doen, en het zal hun vergeven worden, omdat het onopzettelijk was, en omdat zij hun offergaven de Eeuwige als een vuuroffer hebben gebracht met hun zondoffer voor het aangezicht van de Eeuwige wegens hun onopzettelijke zonde. 26  Het zal aan de gehele vergadering der Israëlieten vergeven worden, zowel als aan de vreemdeling die in uw midden vertoeft, want het was onopzettelijk over het gehele volk gekomen. 27  Wanneer een persoon onopzettelijk gezondigd heeft, dan zal hij een eenjarige geit tot een zondoffer aanbieden; 28  en de priester zal over hem die onopzettelijk gezondigd heeft met een onopzettelijke zonde tegen de Eeuwige, verzoening doen door over hem de verzoening te volbrengen, en het zal hem vergeven worden. 29  Eenzelfde wet zal voor u gelden, voor de onder de Israelieten geborene en voor de vreemdeling die in uw midden vertoeft, ten aanzien van hem, die iets doet door een onopzettelijke zonde. 30  Maar wie iets met voorbedachten rade doet, hetzij geboren Israëliet, hetzij vreemdeling, die zal een lasteraar van de Eeuwige zijn, die zal uit zijn volk worden uitgeroeid, 31  want hij heeft het woord van de Eeuwige veracht en zijn gebod geschonden; die zal zeker uitgeroeid worden, zijn ongerechtigheid is op hem. 32  Terwijl de Israëlieten in de woestijn waren, betrapten zij iemand, die op de sabbatdag aan het houtsprokkelen was, 33  en zij, die hem betrapt hadden, terwijl hij aan het houtsprokkelen was, brachten hem tot Mozes en Aäron en de gehele vergadering; 34  dezen stelden hem in bewaring omdat nog niet bepaald was wat met hem gedaan moest worden. 35  Toen zeide de Eeuwige tot Mozes: Die man zal zeker ter dood gebracht worden; de gehele vergadering zal hem buiten de legerplaats stenigen. 36  Toen leidde de gehele vergadering hem buiten de legerplaats, en zij stenigden hem, zodat hij stierf, zoals de Eeuwige Mozes geboden had. 37  de Eeuwige nu zeide tot Mozes: 38  Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen, dat zij zich gedenkkwasten maken aan de hoeken van hun klederen, van geslacht tot geslacht, en dat zij in de gedenkkwasten aan de hoeken een blauwpurperen draad verwerken. 39  Dat zal u dan tot een gedenkkwast zijn; als gij daarnaar ziet, dan zult gij al de geboden van de Eeuwige gedenken en die volbrengen zonder uw hart of uw ogen te volgen, dat gij u daardoor tot overspel zoudt laten verleiden, 40  opdat gij gedenkt en volbrengt al mijn geboden en heilig zijt voor uw God. 1  Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte heb uitgeleid om u tot een God te zijn; Ik ben de Eeuwige, uw God.

 

Jozua 2:1-24 1 Jozua, de zoon van Nun, zond van Sittim heimelijk twee verspieders uit met de opdracht: Gaat heen, neemt het land in ogenschouw en Jericho. Zij gingen dan en kwamen in het huis van een hoer, Rachab geheten, waar zij gingen slapen. 2  Toen werd de koning van Jericho gemeld: Zie, er zijn hier hedennacht mannen gekomen van de Israelieten om het land te verkennen. 3  De koning van Jericho zond daarop een boodschap aan Rachab: Lever de mannen uit, die tot u zijn gekomen, die uw huis binnengegaan zijn, want zij zijn gekomen om het gehele land te verkennen. 4  Maar de vrouw had de beide mannen genomen en hen verborgen, en zij zeide: Zeker, die mannen zijn tot mij gekomen, maar ik wist niet, vanwaar zij waren. 5  Toen de poort bij het invallen van de duisternis gesloten zou worden, zijn die mannen weggegaan; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn. Jaagt hen snel achterna, voorzeker zult gij hen inhalen. 6  Zij had hen echter op het dak doen klimmen en hen verborgen onder de vlasstengels, die zij uitgespreid had liggen op het dak. 7  Die mannen nu jaagden hen achterna in de richting van de Jordaan naar de doorwaadbare plaatsen, en men sloot de poort, zodra de achtervolgers eruit gegaan waren. 8  Voordat zij echter gingen slapen, klom zij tot hen op het dak, 9  en zeide tot de mannen: Ik weet dat de Eeuwige u het land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is en dat alle inwoners van het land voor u sidderen. 10  Want wij hebben gehoord, dat de Eeuwige de wateren van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen gij uittoogt uit Egypte, en wat gij gedaan hebt aan de beide koningen der Amorieten aan de overzijde van de Jordaan, Sichon en Og, die gij met de ban geslagen hebt. 11  Toen wij dat hoorden, versmolt ons hart en vanwege u bleef bij niemand meer enige moed over, want de Eeuwige, uw God, is een God in de hemel boven en op de aarde beneden. 12  Nu dan, zweert mij toch bij de Eeuwige, dat, aangezien ik u een weldaad bewezen heb, gij ook aan mijn familie een weldaad zult bewijzen; en geeft mij een betrouwbaar teken, 13  dat gij mijn vader en moeder, mijn broeders en zusters en al de hunnen in leven zult laten en ons van de dood redden zult. 14  Toen zeiden de mannen tot haar: Wij staan met ons leven voor u borg, indien gij deze onze zaak niet ruchtbaar maakt; wanneer dan de Eeuwige ons het land gegeven heeft, zullen wij u dankbaarheid en trouw bewijzen. 15  Daarop liet zij hen met een touw door het venster naar beneden, want haar huis was gelegen op de buitenzijde van de stadsmuur, zodat zij woonde op de muur, 16  en zij zeide tot hen: Gaat naar het gebergte, opdat de achtervolgers u niet aantreffen en houdt u daar drie dagen schuil, totdat de achtervolgers teruggekeerd zijn; daarna kunt gij uws weegs gaan. 17  De mannen zeiden tot haar: Wij zullen ontslagen zijn van deze eed aan u, die gij ons hebt doen zweren; 18  zie, wanneer wij het land binnenkomen, moet gij dit koord van scharlakendraad binden aan het venster waardoor gij ons hebt neergelaten, en uw vader en uw moeder, uw broeders en de gehele familie bij u in huis bijeenbrengen. 19  Ieder, die dan uit de deur van uw huis naar buiten gaat, diens bloed komt op zijn eigen hoofd, maar wij zijn onschuldig; al wie echter bij u in huis zal zijn, diens bloed komt op ons hoofd, indien men de hand aan hem slaat. 20  Indien gij echter deze onze zaak ruchtbaar maakt, dan zijn wij ontslagen van de eed aan u, die gij ons hebt doen zweren. 21  Zij nu zeide: Zoals gij gezegd hebt, zo zal het zijn. Daarop liet zij hen gaan en zij gingen heen; en zij bond het scharlaken koord aan het venster. 22  Zij nu gingen heen, kwamen in het gebergte en bleven daar drie dagen, totdat de vervolgers teruggekeerd waren. De vervolgers hadden overal langs de wegen gezocht zonder te vinden. 23  Toen keerden de beide mannen terug, daalden van het gebergte af, staken over en kwamen bij Jozua, de zoon van Nun, en zij vertelden hem al hun wedervaren. 24  Zij zeiden tot Jozua: de Eeuwige heeft het gehele land in onze macht gegeven, ja zelfs sidderen voor ons alle inwoners van het land.

 

 

 

 

Voor U er uit gelicht

 

 

 

> Jozua, in het hebreeuws Jehoshua krijgt voordat hij het land in gaat tesamen met de andere verspieders (13:16) de letter joet voor zijn oorspronkelijke naam Hosea. De letter joet staat voor de Naam van God. Verder staat er in het hebreews in dit gedeelte (13:22)“ Zij trokken het zuiden in hij kwam tot Hebron.”Er wordt vermeldt dat alleen Kalev naar Chevron ging (14:24, Joz.15:13) naar de plaats waar zijn voorouders (Avraham, Itschak en Ya’akov) lagen begraven die van God diverse malen de landsbeloften kregen. Rasji legt uit dat hij dat deed om niet onder de negativiteit van de 10 verspieders te komen.

 

> Angst verhindert je om in de weg van God te gaan (13:28)

 

> Ongeloof heeft een desastreuze uitwerking (13:27-37) het verhindert je op weg naar je bestemming te gaan en tot je bestemming te komen (14:22,23). Ongeloof resulteert verlangen naar je oude leven onder slavernij (14:3). En al zou je al in het land der belofte wonen wordt je er door ongeloof weer uitgehaald. De regering van Israel zou, dit in ogenschouw nemend, de druk van buitenaf en de druk van de terroristen om land (en leven) op te geven alleen kunnen weerstaan door geloof in en luisteren naar de Eeuwige.

 

> Door ongeloof kon het land zijn schoonheid aan de 10 verspieders niet laten zien en werden ze door het land uitgespuwd zoals dat ook vermeld is in Lev. 18:25-28. De zegen: “de Eeuwige zegene u uit Sion, opdat gij het goede van Jeruzalem moogt zien” kan zo gelezen worden. “Wordt gezegend door de Eeuwige zodat je het goede van Jeruzalen (wat er al is) zal zien.

 

> Ongeloof zorgt voor uitblijven van de volvoering van Gods beloften en de verheerlijking van de Naam van God.

 

> Mozes laat zich zelfs door God niet afhouden van het plan om het volk naar het beloofde land te brengen om zo de Naam van god te heiligen (14:13-19). Hij vraagt vergeving voor de mensen die hierin ook tegen hem opstonden. Dat kon hij door de radicaliteit/vastberadenheid waarmee hij God diende en vergevingsgezind naar de Israëlieten was.

 

> Bekering vanwege de gevolgen van de zonde (zonder echt te luisteren naar God) levert niets op (14:40-45)

 

> Het dragen van de tsietsiet (15:38) drukken belangrijke thema’s uit over het dienen van God (1) Bevrijding/uittocht; ‘Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte heb uitgeleid’, (2) Aanvaarden van Gods voorschriften om ze te houden; “dan zult gij al de geboden van de Eeuwige gedenken en die volbrengen”, (3) luister niet naar je eigen (niet op God gerichte) hart; “zonder uw hart”, (4) laat je niet verleiden door wat je ziet “uw ogen te volgen”, (5) blijf weg van afgoderij (overspel is ook afgoderij); “daardoor tot overspel zoudt laten verleiden” (6) Doel van de bevrijding is dat we God dienen; “om u tot een God te zijn; Ik ben de Eeuwige, uw God”

 

> De blauwe draad (15:38) herinnert ons aan de heerlijkheid en de troon van God (saffier)

 

> De man die stierf vanwege Shabbatsschennis wordt ook weer genoemd in Num. 27: 3  Onze vader is in de woestijn gestorven, hoewel hij niet behoorde tot de bende, die tegen de Eeuwige samenspande, tot de bende van Korach, maar om zijn eigen zonde is hij gestorven, en hij had geen zonen. 4  Waarom zal de naam van onze vader uit het midden der geslachten verdwijnen, daar hij geen zoon heeft? Geef ons bezit onder de broeders van onze vader. 5  Toen bracht Mozes haar rechtsvraag voor het aangezicht van de Eeuwige. 6 En de Eeuwige zeide tot Mozes: 7  De dochters van Selofchad hebben gelijk; gij zult haar voorzeker erfelijk bezit onder de broeders van haar vader geven, en gij zult het erfdeel van haar vader op haar doen overgaan. Ook zij hadden de moed om aan God te vragen (ondanks de zonde van hun vader) de Thora aan hen aan te passen. En God hoorde hen.

 

> Leven naar Gods wil is vol moed (13:20) God volkomen volgen in de geest van Kalev (14:24)

 

> Er komt een moment dat de glorie van de Eeuwige heel de aarde zal vervullen (14:21)

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr36 - Korah ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 13 augustus 2013