Jeremia 5-6

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

5: 1 Zwerft rond in de straten van Jeruzalem, ziet toch en speurt na, zoekt op zijn pleinen, of gij iemand vindt, of er een is, die recht doet, die oprechtheid betracht, dan zal Ik haar vergeven. 2  Al zeggen zij ook: Zo waar de Eeuwige leeft, toch zweren zij vals. 3  Eeuwige, zien uw ogen niet naar oprechtheid? Gij hebt hen geslagen, zij voelden geen pijn; Gij hebt hen vernield, zij hebben geweigerd tuchtiging aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een rots, zij hebben geweigerd zich te bekeren. 4  Maar, zeide ik, dit zijn slechts geringen, zij zijn onwetend, omdat zij de weg van de Eeuwige, het recht van hun God, niet kennen; 5 ik wil gaan naar de groten en met hen spreken, want die kennen de weg van de Eeuwige, het recht van hun God. Die echter hadden altezamen het juk verbroken de banden verscheurd. 6  Daarom slaat hen een leeuw uit het woud terneer, een steppewolf vernielt hen, een panter ligt op de loer bij hun steden, ieder die daaruit gaat, wordt verscheurd. Want vele zijn hun zonden, geweldig hun afdwalingen. 7 Waarom zou Ik u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij en zweren bij niet-goden. Toen Ik hen verzadigd had, pleegden zij echtbreuk, ja, in het hoerenhuis zijn zij thuis. 8  Hitsige, rondzwervende hengsten zijn het, zij hinniken ieder naar de vrouw van zijn naaste. 9 Zou Ik hierover geen bezoeking doen, luidt het woord van de Eeuwige, of zou Ik aan een volk als dit Mij niet wreken?10 Beklimt zijn wijnbergen en richt verwoesting aan, doch rekent niet voorgoed af; verwijdert zijn ranken, want zij behoren de Eeuwige niet toe. 11 Want volslagen trouweloos handelen tegen Mij het huis van IsraŽl en het huis van Juda, luidt het woord van de Eeuwige; 12  zij verloochenen de Eeuwige en zeggen: Hij niet! en: Geen onheil zal ons overkomen; zwaard noch honger zullen wij zien. 13  De (valse) profeten zullen tot wind worden; geen is er, die door hen spreekt; zo verga het hun! Zo zal er met hun worden gedaan. 14  Daarom, zo zegt de Eeuwige, de God der heerscharen, omdat gij dit woord spreekt: zie, Ik maak mijn woorden in uw mond tot vuur en dit volk tot hout en het zal hen verteren. 15  Zie, Ik breng over u een volk van verre, o huis Israels, luidt het woord van de Eeuwige; een volk van eeuwen is het, een overoud volk, een volk, waarvan gij de taal niet kent en de spraak niet kunt verstaan; 16  zijn pijlkoker is als een geopend graf, allen zijn het helden. 17  Verslinden zal het uw oogst en uw brood, verslinden zal het uw zonen en uw dochters, verslinden zal het uw schapen en uw runderen, verslinden zal het uw wijnstok en uw vijgeboom; vergruizelen zal het uw versterkte steden, waarop gij uw vertrouwen stelt, door het zwaard. 18  Doch, ook in die dagen, luidt het woord van de Eeuwige, zal Ik niet voorgoed met u afrekenen. 19  En het zal geschieden, wanneer gij zegt: Waarvoor heeft de Eeuwige, onze God, ons dit alles aangedaan? zeg dan tot hen: Gelijk gij Mij hebt verlaten om vreemde goden te dienen in uw land, zo zult gij vreemden dienen in een land dat het uwe niet is. 20 Boodschapt dit onder het huis van Jakob en laat het horen in Juda: 21 Hoort dit toch, gij dwaas en verstandeloos volk, dat ogen heeft zonder te zien en oren zonder te horen: 22  Wilt gij Mij niet vrezen, luidt het woord van de Eeuwige, of voor Mij niet beven, die het zand gesteld heb tot grens voor de zee, een altoosdurende beperking, die zij niet zal overschrijden; al rollen haar golven, zij vermogen niets; al bruisen zij, zij overschrijden haar niet. 23  Maar dit volk heeft een weerbarstig en weerspannig hart, zij zijn afgeweken en heengegaan, 24  zij hebben niet bij zichzelf gezegd: Laat ons toch de Eeuwige, onze God, vrezen, die regen geeft, de vroege en late regen, op zijn tijd, die de vaste oogstweken ons bewaart. 25 Uw ongerechtigheden weren deze dingen en uw zonden houden het goede van u terug. 26  Want er worden onder mijn volk goddelozen gevonden; men loert, zoals vogelvangers bukken; zij zetten een strik. Mensen vangen zij! 27  Als een korf vol gevogelte, zo zijn hun huizen vol bedrog; daarom zijn zij groot en rijk geworden, zij zijn vet en glanzend; 28  zelfs gaan zij alle boosheid te buiten. Het pleit voeren zij niet, het pleit van de wees, en zij hebben voorspoed; het recht der armen richten zij niet. 29  Zou Ik hierover geen bezoeking doen, luidt het woord van de Eeuwige, of zou Ik aan een volk als dit Mij niet wreken? 30  Ontzettend en afschuwelijk is wat er voorvalt in het land; 31  de profeten profeteren vals en de priesters verschaffen zich gewin nevens hen, en mijn volk heeft het gaarne zo. Maar wat zult gij doen, als het op een einde loopt?

6:1 Bergt u, gij Benjaminieten, uit Jeruzalem vandaan. Blaast de bazuin in Tekoa, doet een rooksignaal opstijgen boven Bet-hakkerem! Want rampspoed doemt op uit het Noorden, een groot verderf. 2  Die bekoorlijke, die verwende verdelg Ik, de dochter Sions! 3  Tegen haar trekken op herders met hun kudden, zij slaan rondom tegen haar tenten op, zij weiden af, ieder zover hij reiken kan. 4  ĎHeiligt de oorlog tegen haar; komt aan, laat ons oprukken op de middag! Wee ons, want de dag verstrijkt, de avondschaduwen worden langer; 5  komt aan, laat ons dan oprukken in de nacht en laat ons haar paleizen verwoesten!í 6  Want zo zegt de Eeuwige der heerscharen: Velt haar geboomte en werpt tegen Jeruzalem een wal op; dit is de stad die een en al leugen is, in wier midden afpersing tiert. 7  Gelijk een bak zijn water fris houdt, zo houdt zij haar boosheid fris; van geweld en onderdrukking wordt in haar gehoord, voor mijn oog zijn voortdurend wonden en slagen. 8  Laat u tuchtigen, Jeruzalem, opdat Ik Mij niet van u losrukke, opdat Ik u niet make tot een woestenij, een onbewoond land! 9 Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: Lees, lees het overblijfsel van IsraŽl als een wijnstok na; keer uw hand als een wijngaardenier tot de ranken! 10  Tot wie moet ik spreken en betuigen, dat zij horen? Zie, hun oor is onbesneden, zodat zij niet kunnen luisteren; zie, het woord van de Eeuwige  is hun tot een smaad, zij hebben daarin geen behagen. 11  Zo ben ik dan vol van de grimmigheid van de Eeuwige, ik heb mij afgemat om haar in te houden. Giet haar uit over het kind op de straat en over de kring der jongelingen tezamen! Want ook de man met de vrouw zal gevangengenomen worden, de grijsaard met de oude van dagen; 12  en hun huizen zullen overgaan aan anderen, akkers en vrouwen tezamen, want Ik zal mijn hand uitstrekken tegen de inwoners van het land, luidt het woord van de Eeuwige. 13  Want van klein tot groot zijn zij er allen op uit zich te bevoordelen; allen, van profeet tot priester, plegen zij bedrog. 14  Zij trachten de breuk van mijn volk op het lichtst te genezen door te zeggen: Vrede, vrede, terwijl er geen vrede is. 15  Zij worden te schande, omdat zij gruwel bedreven hebben; toch schamen zij zich in het minst niet, toch weten zij niet van blozen. Daarom zullen zij vallen onder de vallenden; ten tijde dat Ik aan hen bezoeking doe, zullen zij struikelen, zegt de Eeuwige. 16  Zo zegt de Eeuwige: Gaat staan aan de wegen, en ziet en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, opdat gij die gaat en rust vindt voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij willen die niet gaan. 17  Ook heb Ik wachters over u gesteld: Luistert naar het geklank der bazuin; maar zij zeggen: Wij willen niet luisteren. 18 Daarom hoort, o volkeren, en weet, o vergadering, wat in hen is. 19  Hoor, gij aarde, zie, Ik breng onheil over dit volk, de vrucht van hun eigen overleggingen, want zij luisteren niet naar mijn woorden, en mijn wet verwerpen zij. 20  Waarom zou dan voor Mij wierook uit Seba komen en kalmoes uit een ver land? Uw brandoffers geven Mij geen welgevallen en uw slachtoffers zijn Mij niet aangenaam. 21  Daarom, zo zegt de Eeuwige: Zie, Ik leg dit volk struikelblokken in de weg, waarover zij zullen struikelen, vaders en zonen tezamen; de ene nabuur zal met de andere omkomen. 22  Zo zegt de Eeuwige: Zie, er komt een volk uit het Noorderland, een grote natie maakt zich op van het uiterste der aarde. 23  Boog en spies omklemmen zij; meedogenloos is het en zonder erbarmen. Hun rumoer bruist als de zee en zij rijden op paarden; het is toegerust als een man voor de strijd, tegen u, dochter Sions! 24  Wij hebben het gerucht ervan gehoord, onze handen zijn verslapt; benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van een barende. 25  Ga niet uit op het veld en begeef u niet op de weg, want het zwaard van de vijand is er, schrik van rondom! 26  Dochter mijns volks, gord u een rouwkleed om en wentel u in as. Bedrijf rouw als over een enig kind, een bittere weeklacht; want onverhoeds komt de verwoester over ons. 27  Tot een toetser heb Ik u onder mijn volk gezet, een keurmeester, opdat gij hun weg zoudt kennen en toetsen. 28  Allen zijn zij door en door weerbarstig, rondgaande met kwaadsprekerij; koper en ijzer, verdorven zijn zij, allemaal. 29  De blaasbalg zucht, wat gereed uit het vuur komt, is lood; tevergeefs smelt men almaar door, de bozen zijn niet af te scheiden. 30  Verworpen zilver noemt men hen, want de Eeuwige heeft hen verworpen.

 

 

 

Eruit gelicht:

 

-         Zwerft rond in de straten van Jeruzalem, ziet toch en speurt na, zoekt op zijn pleinen, of gij iemand vindt, of er een is, die recht doet, die oprechtheid betracht, dan zal Ik haar vergeven. (5:1). Een persoon kan voor een redding zorgen van een stad.

 

-         Daarom slaat hen een leeuw uit het woud terneer, een steppewolf vernielt hen, een panter ligt op de loer bij hun steden (5:6). Volgens de uitleggers ziet de leeuw op BabyloniŽ of Nebukadnezar. Zie 4:7 (een leeuw is opgerezen uit zijn struikgewas, een verderver der volken is opgebroken, uitgegaan uit zijn plaats, om uw land tot een woestenij te maken; uw steden zullen verwoest worden, zodat er geen inwoners zijn.)

 

-         De steppewolf ziet volgens Rashi op het koninkrijk van de Meden

 

-         De panter ziet volgens Rashi op het koninkrijk Griekenland. Het zijn landen die God gebruikt heeft om Zijn oordeel uit te voeren.

 

-         ieder die daaruit gaat, wordt verscheurd. Ziet volgens Rashi op Edom.

 

-         Want vele zijn hun zonden, geweldig hun afdwalingen. (6:6b) Ze hebben God los gelaten en wleven niet meer (vanuit hun hart) volgens de Thora van God.

 

-         Zie, Ik breng over u een volk van verre, o huis Israels, luidt het woord van de Eeuwige; een volk van eeuwen is het, een overoud volk, een volk, waarvan gij de taal niet kent en de spraak niet kunt verstaan; (5:15) Ziet op BabyloniŽ, een zeer oud volk (het gaat terug tot de tijd van de bouw van de toren van Babel met hun koning Nimrod). Mozes sprak al over dit gegeven. Deut. 28: 49  De Eeuwige zal tegen u doen aanrukken een volk, dat van verre komt, van het einde der aarde, zoals een arend aanzweeft: een volk, waarvan gij de taal niet verstaat, 50  een hardvochtig volk, dat geen grijsaard ontziet en geen knaap genade bewijst;. Omdat je hun taal niet kunt verstaan kan je niet om medelijden vragen.

 

-         zal Ik niet voorgoed met u afrekenen. (5:18b) + (5:10). Gods verbond met IsraŽl als volk zal nooit stoppen. Wat er ook gebeurt.

 

-         Waarvoor heeft de Eeuwige, onze God, ons dit alles aangedaan? (5:19). De oordelen hebben als functie dat de mensen zich af gaan vragen hoe het komt. Dat gebeurt ook nu bij rampen.

 

-         Gelijk gij Mij hebt verlaten om vreemde goden te dienen in uw land, zo zult gij vreemden dienen in een land dat het uwe niet is (5:20) God laat ook dan duidelijk de oorzaak zien. Zonde en straf zijn ook hier in overeenstemming met elkaar.

 

-         Wilt gij Mij niet vrezen, luidt het woord van de Eeuwige, of voor Mij niet beven, die het zand gesteld heb tot grens voor de zee, een altoosdurende beperking, die zij niet zal overschrijden; al rollen haar golven, zij vermogen niets; al bruisen zij, zij overschrijden haar niet.(5:22). De bestemming van het volk IsraŽl was en is dat ze met hun hele hart God zullen dienen op Zijn manier.

 

-         zij hebben niet bij zichzelf gezegd: Laat ons toch de Eeuwige, onze God, vrezen, die regen geeft, de vroege en late regen, op zijn tijdÖÖ (5:24). Ze hebben bij al hun zegeningen niet erkend dat God het was die het hun allemaal gaf. Daarom danken de Joden nu God bij alles wat ze eten. Zelfs bij het kleinste snoepje.

 

-         Blaast de bazuin in Tekoa, doet een rooksignaal opstijgen boven Bet-hakkerem! Want rampspoed doemt op uit het Noorden, een groot verderf. (6:1). De oordelen komen niet onaangekondigd. Ook weer om het volk de gelegenheid te geven dat ze zich bekeren zodat de oordelen niet uitgevoerd zullen worden.

 

-         Laat u tuchtigen, Jeruzalem (6:8). God houdt aan om ze tot bekering te overtuigen. God wil ten diepste niet de oordelen uitvoeren. Hij wil in relatie met Zijn volk leven.

 

-         Zie, hun oor is onbesneden (6:10) Er zit een bedekking op hun oor (hebben ze zelf gedaan) zodat ze niet echt kunnen horen.  

 

-         Van profeet tot priester, plegen zij bedrogÖZij worden te schande, omdat zij gruwel bedreven hebben (6:13, 15). De leidinggevenden en dienaars van God die de waarheid hebben laten vallen zullen door God geoordeeld worden. Hun ambt zal hen niet helpen. Ja zelfs tegen hen getuigen.

 

-         Zo zegt de Eeuwige: Gaat staan aan de wegen, en ziet en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, opdat gij die gaat en rust vindt voor uw ziel (6:16). De oude paden is de Thora (en zijn joodse uitleg) zoals God die gegeven had aan het volk. Let op dit profetisch woord geldt nu nog steeds.  Zie vers 19 Ďwant zij luisteren niet naar mijn woorden, en mijn wet verwerpen zij.í

 

-         Tot een toetser heb Ik u onder mijn volk gezet, een keurmeester, opdat gij hun weg zoudt kennen en toetsen. (6:27). Een toetser namens God zal het volk aanwijzen hoe ze afwijken van het dienen van God met hun hart, hoe ze daarin van de Thora afwijken.

 

 

Start ] Omhoog ] Jeremia 7-8 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021