Nr34 - Naso

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

Thora-gedeelte Naso

Naso (neem op), Num 4:21-7:89, Haftarah: Richt. 13:2-25.

 

Num. 4:21-7:89  21 En de Eeuwige sprak tot Mozes: 22  Neem ook het aantal op van de Gersonieten naar hun families en geslachten: 23  van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud zult gij hen tellen , ieder, die dienstplichtig is om arbeid te verrichten in de tent der samenkomst. 24  Dit zal de dienst van de geslachten der Gersonieten zijn bij het dienen en het dragen;  25  zij zullen dragen de tentkleden van de tabernakel en de tent der samenkomst, de bedekking daarvan en de bedekking van tachasvel, die daar overheen ligt, het voorhangsel voor de ingang van de tent der samenkomst,  26  de gordijnen van de voorhof en het voorhangsel van de ingang van de poort van de voorhof,  die bij de tabernakel en het altaar rondom is, met de bijbehorende touwen en al hun dienstgereedschap en alles wat daaraan te doen is , daarbij zullen zij dienst doen.  27  Naar het bevel van Aharon en zijn zonen zal de gehele dienst der Gersonieten verricht worden, bij al hun dragen en bij al hun dienen; gij zult hun als taak aanwijzen alles wat zij moeten dragen.  28  Dit is de dienst van de geslachten der Gersonieten aan de tent der samenkomst en hun taak onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aharon.  29  Wat de Merarieten betreft, hen zult gij tellen naar hun geslachten en families;  30  van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud zult gij hen tellen , ieder, die dienstplichtig is om de arbeid te verrichten aan de tent der samenkomst.  31  En dit is hun taak in het dragen, wat betreft al hun dienst aan de tent der samenkomst: de planken van de tabernakel, zijn balken, zijn pilaren, zijn voetstukken,  32  de pilaren van de voorhof rondom met de voetstukken, de pinnen en de touwen al het bijbehorende gereedschap en alles wat daaraan te doen is; en bij name zult gij het gereedschap noemen , dat zij moeten dragen.  33  Dit is de dienst van de geslachten der Merarieten naar al hun dienst aan de tent der samenkomst, onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aharon.  34 Toen Mozes met Aaron en de hoofden der vergadering de Kehatieten telde naar hun geslachten en families,  35  van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder, die dienstplichtig was tot de arbeid aan de tent der samenkomst,  36  waren hun getelden naar hun geslachten tweeduizend zevenhonderd vijftig;  37  dit waren de getelden van de geslachten der Kehatieten, allen die dienst deden aan de tent der samenkomst, die Mozes met Aharon telde naar het bevel van de Eeuwige door de dienst van Mozes.  38  De getelden der Gersonieten naar hun geslachten en families,  39  van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder, die dienstplichtig was tot de arbeid aan de tent der samenkomst,  40  hun getelden naar hun geslachten en families waren tweeduizend zeshonderd dertig.  41  Dit waren de getelden van de geslachten der Gersonieten, allen die dienst deden aan de tent der samenkomst, die Mozes met Aaron telde naar het bevel van de Eeuwige.  42  De getelden van de geslachten der Merarieten naar hun geslachten en families,  43  van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder, die dienstplichtig was tot de arbeid aan de tent der samenkomst,  44  hun getelden naar hun geslachten waren drieduizend tweehonderd.  45  Dit waren de getelden van de geslachten der Merarieten, die Mozes met Aaron telde naar het bevel van de Eeuwige door de dienst van Mozes.  46  Al de getelden, die Mozes met Aaron en de hoofden van Israel naar hun geslachten en families telde, namelijk de Levieten,  47  van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder, die dienstplichtig was tot dienen en tot dragen aan de tent der samenkomst,  48  hun getelden waren achtduizend vijfhonderd tachtig.  49  Naar het bevel van de Eeuwige door de dienst van Mozes droeg men ieder op, wat hij te dienen en te dragen had, te weten de getelden , zoals de Eeuwige Mozes geboden had.  5:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Gebied de IsraŽlieten, dat zij uit de legerplaats wegzenden alle melaatsen , allen die een vloeiing hebben, en allen die onrein zijn door aanraking van een lijk;  3  zowel mannen als vrouwen zult gij wegzenden ; gij zult hen buiten de legerplaats zenden, opdat zij hun legerplaats niet verontreinigen, daar Ik toch in hun midden woon. 4 Toen deden de Israelieten aldus en zonden hen weg buiten de legerplaats; de Israelieten deden, zoals de Eeuwige tot Mozes gesproken had.  5  de Eeuwige nu sprak tot Mozes:  6  Spreek tot de IsraŽlieten: Wanneer iemand, man of vrouw, een of andere zonde doet, die mensen begaan, en daardoor ontrouw wordt tegenover de Eeuwige, zodat hij een schuld op zich laadt,  7  dan zullen zij de zonden belijden, die zij begaan hebben; en daarna de volle waarde van wat hij schuldig is, vergoeden, vermeerderd met een vijfde, en dat geven aan degene tegenover wie hij zich schuldig gemaakt heeft.  8  Maar heeft die man geen losser, aan wie de schuld vergoed zou kunnen worden, dan zal de schuld die vergoed moet worden, aan de Eeuwige vervallen, ten bate van de priester, ongeacht de ram der verzoening, waarmee deze over hem verzoening zal doen.  9  En elke heffing van al de heilige gaven,  die de Israelieten tot de priester brengen , zal voor hem zijn;  10  maar wat de heilige gaven zelf betreft, die zullen voor de brenger zijn; alleen wat hij de priester geeft, zal voor deze zijn.  11 de Eeuwige nu sprak tot Mozes:  12  Spreek tot de Israelieten en zeg tot hen: Wanneer iemands vrouw zich misgaan zal hebben en hem ontrouw zal zijn geworden,  13  en een ander met haar geslachtsgemeenschap zal hebben gehad, zonder dat het aan haar man bekend werd, daar het verborgen bleef, dat zij zich verontreinigd had, en er geen getuige tegen haar was, en zij niet betrapt werd,  14  en wanneer dan de geest der jaloersheid over hem komt, zodat hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw, terwijl zij zich verontreinigd heeft, of wanneer de geest der jaloersheid over hem komt, zodat hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw, terwijl zij zich niet verontreinigd heeft,  15  dan zal die man zijn vrouw tot de priester brengen met een offergave voor haar van een tiende efa gerstemeel, waarover hij geen olie gegoten heeft en waaraan hij geen wierook toegevoegd heeft, omdat het een spijsoffer der jaloersheid is, een herinneringsoffer, dat ongerechtigheid in gedachtenis brengt.  16  Dan zal de priester haar doen naderen en voor het aangezicht van de Eeuwige stellen,  17  en de priester zal heilig water nemen in een aarden vat, en de priester zal van het stof dat op de vloer van de tabernakel ligt, nemen en aan het water toevoegen.  18  Heeft de priester de vrouw voor het aangezicht van de Eeuwige gesteld, dan zal hij het hoofdhaar der vrouw losmaken, en op haar handpalmen het herinneringsoffer, het spijsoffer der jaloersheid, leggen, terwijl in de hand van de priester zal zijn dat bittere water,  dat de vloek brengt.  19  Dan zal de priester haar onder ede stellen en tot de vrouw zeggen: Indien geen man met u gemeenschap heeft gehad, en indien gij geen onreinheid begaan hebt, terwijl gij uw man toebehoordet, blijf dan ongestraft van dit bittere water, dat de vloek brengt;  20  maar indien gij u, terwijl gij uw man toebehoordet , misgaan en u verontreinigd hebt,  doordat een ander dan uw eigen man met u gemeenschap heeft gehad,  21  de priester zal de vrouw onder een eed van vervloeking stellen, en de priester zal tot de vrouw zeggen: Dan stelle de Eeuwige u tot een vervloeking en een verwensing onder uw volk , doordat de Eeuwige uw heup doe invallen en uw buik doe opzwellen,  22  want dit water, dat de vloek brengt, zal in uw binnenste komen om uw buik te doen opzwellen en uw heup te doen invallen.  Daarop zal de vrouw zeggen: Amen, amen.  23  Daarna zal de priester die vervloekingen op een blad schrijven en in het bittere water afwassen 24  en hij zal de vrouw het bittere water, dat de vloek brengt, te drinken geven, en het water , dat de vloek brengt, zal in haar worden tot bitterheid.  25  Dan zal de priester het spijsoffer der jaloersheid van de hand der vrouw nemen, en dit , na het voor het aangezicht van de Eeuwige bewogen te hebben, naar het altaar brengen,  26  en de priester zal een handvol ervan als gedachtenisgave afnemen en die op het altaar in rook doen opgaan; daarna zal hij de vrouw het water te drinken geven.  27  Heeft hij haar het water te drinken gegeven,  dan zal, wanneer zij zich verontreinigd heeft en zij aan haar man ontrouw is geweest , het water, dat de vloek brengt, in haar worden tot bitterheid, zodat haar buik zal opzwellen en haar heup zal invallen, en die vrouw tot een vloek onder haar volk zal zijn.  28  Heeft de vrouw zich echter niet verontreinigd en is zij rein, dan zal zij ongestraft blijven en zwanger kunnen worden.  29  Dit is de wet op gevallen van jaloersheid als een vrouw zich misgaan heeft tegenover haar man en zich verontreinigd heeft,  30  of als over een man de geest der jaloersheid is gekomen, zodat hij jaloers is ten aanzien van zijn vrouw; hij zal de vrouw voor het aangezicht van de Eeuwige stellen en de priester zal heel deze wet op haar toepassen.  31  De man zal vrij zijn van ongerechtigheid , maar de vrouw zal haar ongerechtigheid dragen.  6:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer iemand, man of vrouw , een bijzondere gelofte wil afleggen, de nazireeergelofte, om zich aan de Eeuwige te wijden ,  3  dan zal hij zich van wijn en bedwelmende drank onthouden, geen azijn van wijn of van bedwelmende drank drinken noch enige uit druiven bereide drank, en geen druiven eten, noch verse noch gedroogde. 4  Al de tijd van zijn nazireeerschap zal hij niets eten, dat van de wijnstok afkomstig is, van de pitten af tot de toppen der ranken toe.  5  Al de tijd van zijn nazireeergelofte zal geen scheermes over zijn hoofd komen ; totdat de tijd, voor welke hij zich aan de Eeuwige gewijd heeft, ten einde is, zal hij heilig zijn, hij zal zijn hoofdhaar lang laten groeien.  6  Al de tijd, dat hij zich aan de Eeuwige gewijd heeft, zal hij bij geen dode komen;  7  aan zijn vader noch zijn moeder, aan zijn broeder noch zijn zuster mag hij zich, na hun sterven,  verontreinigen, want het nazireeerschap zijns Gods is op zijn hoofd.  8  Al de tijd van zijn nazireeerschap is hij de Eeuwige heilig.  9  Sterft echter geheel onverwacht iemand in zijn omgeving, zodat hij het hoofdhaar van zijn nazireeerschap verontreinigt, dan zal hij zijn hoofdhaar afscheren op de dag van zijn reiniging, op de zevende dag zal hij het afscheren;  10  op de achtste dag zal hij twee tortelduiven of twee jonge duiven naar de priester aan de ingang van de tent der samenkomst brengen.  11  Dan zal de priester de ene tot een zondoffer en de andere tot een brandoffer bereiden, en hij zal verzoening over hem doen, omdat hij zich door aanraking van een lijk heeft bezondigd, en hij zal op diezelfde dag zijn hoofd heiligen.  12  Dan zal hij opnieuw aan de Eeuwige de tijd van zijn nazireeerschap wijden en een eenjarig schaap tot een schuldoffer brengen; de voorafgaande tijd zal niet meetellen, omdat zijn nazireeerschap verontreinigd was.  13  Dit nu is de wet aangaande de nazireeer.  Wanneer de tijd van zijn nazireeerschap ten einde is, dan zal men hem naar de ingang van de tent der samenkomst brengen,  14  en hij zal zijn offergave de Eeuwige aanbieden : een gaaf eenjarig schaap als brandoffer en een gave, eenjarige ooi als zondoffer en een gave ram als vredeoffer,  15  met een korf ongezuurde broden van fijn meel , koeken aangemaakt met olie, en dunne ongezuurde broden bestreken met olie,  met het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers.  16  En de priester zal het voor het aangezicht van de Eeuwige brengen en zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden; 17  de ram zal hij toebereiden als vredeoffer aan de Eeuwige, met de korf ongezuurde broden; ook zal de priester het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend plengoffer bereiden.  18  Dan zal de nazireeer voor de ingang van de tent der samenkomst het hoofdhaar van zijn nazireeerschap afscheren en dat hoofdhaar van zijn nazireeerschap nemen en het in het vuur onder het vredeoffer werpen.  19  De priester zal de schouder van de ram nemen, nadat deze gekookt is, en een ongezuurde koek uit de korf, met een ongezuurde dunne koek, en deze leggen op de handpalmen van de nazireeer, nadat deze zich het haar van zijn nazireeerschap heeft afgeschoren ;  20  vervolgens zal de priester deze voor het aangezicht van de Eeuwige bewegen als een beweegoffer;  het zal een heiligheid voor de priester zijn, met de beweegborst en de hefschenkel.  Eerst daarna zal de nazireeer wijn mogen drinken.  21  Dit is de wet aangaande de nazireeer. Hetgeen hij als offergave de Eeuwige belooft op grond van zijn nazireeerschap, behalve datgene waartoe hij in staat is, overeenkomstig zijn gelofte die hij belooft, aldus zal hij doen overeenkomstig de wet op zijn nazireeerschap.  22 de Eeuwige nu sprak tot Mozes:  23  Spreek tot Aharon en zijn zonen : Zo zult gij de IsraŽlieten zegenen:  24  de Eeuwige zegene u en behoede u;  25  de Eeuwige doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig;  26  de Eeuwige verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede.  27  Zo zullen zij mijn naam op de IsraŽlieten leggen, en Ik zal hen zegenen. 7:1 Op de dag nu, dat Mozes gereed was met het oprichten van de tabernakel,  zalfde en heiligde hij die met al zijn toebehoren, benevens het altaar met al zijn toebehoren; en toen hij deze gezalfd en geheiligd had,  2  offerden de vorsten van Israel, de hoofden van hun families, (dit waren de vorsten der stammen, degenen, die aan het hoofd van de getelden stonden); 3  als hun offergave brachten zij voor het aangezicht van de Eeuwige: zes overdekte wagens en twaalf runderen, een wagen voor elke twee vorsten en voor ieder een rund, en zij brachten ze voor de tabernakel.  4  Toen zeide de Eeuwige tot Mozes:  5  Neem deze van hen in ontvangst en laat ze dienen voor de dienst aan de tent der samenkomst; geef ze aan de Levieten , naardat ieder voor zijn dienst behoeft. 6  Toen nam Mozes de wagens en de runderen in ontvangst en gaf ze aan de Levieten; 7 twee wagens en vier runderen gaf hij aan de Gersonieten, naardat zij voor hun dienst behoefden,  8  en vier wagens en acht runderen gaf hij aan de Merarieten, naardat zij voor hun dienst behoefden, onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aharon.  9 Maar aan de Kehatieten gaf hij niets , omdat op hen rustte de dienst der heilige voorwerpen, die zij op hun schouder droegen.  10 Ook brachten de vorsten een wijdingsgave voor het altaar, op de dag dat het gezalfd werd ; de vorsten brachten hun offergave voor het altaar.  11  En de Eeuwige zeide tot Mozes: laat op elke dag een vorst zijn offergave voor de inwijding van het altaar brengen.  12  Die nu op de eerste dag zijn offergave bracht , was Nachson, de zoon van Amminadab, van de stam van Juda.  13  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer;  14  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  15  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  16  een geitebok tot een zondoffer;  17  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Nachson, de zoon van Amminadab.  18  Op de tweede dag bracht Netanel, de zoon van Suar, de vorst van Issakar, zijn offergave.  19  Hij bracht als zijn offergave een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel,  beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie tot een spijsoffer;  20  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  21  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  22  een geitebok tot een zondoffer;  23  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Netanel, de zoon van Suar.  24  Op de derde dag de vorst der Zebulonieten , Eliab, de zoon van Chelon.  25  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer; 26  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  27  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  28  een geitebok tot een zondoffer;  29  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Eliab, de zoon van Chelon.  30  Op de vierde dag de vorst der Rubenieten , Elisur, de zoon van Sedeur.  31  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer;  32  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  33  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  34  een geitebok tot een zondoffer;  35  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Elisur, de zoon van Sedeur.  36  Op de vijfde dag de vorst der Simeonieten , Selumiel, de zoon van Surisaddai.  37  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer;  38  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  39  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  40  een geitebok tot een zondoffer;  41  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Selumiel, de zoon van Surisaddai. 27  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  28  een geitebok tot een zondoffer;  29  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Eliab, de zoon van Chelon.  30  Op de vierde dag de vorst der Rubenieten , Elisur, de zoon van Sedeur.  31  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer;  32  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  33  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  34  een geitebok tot een zondoffer;  35  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Elisur, de zoon van Sedeur.  36  Op de vijfde dag de vorst der Simeonieten , Selumiel, de zoon van Surisaddai.  37  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer;  38  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  39  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  40  een geitebok tot een zondoffer;  41  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Selumiel, de zoon van Surisaddai.  42  Op de zesde dag de vorst der Gadieten , Eljasaf, de zoon van Reuel.  43  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels , naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;  44  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  45  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  46  een geitebok tot een zondoffer;  47  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Eljasaf, de zoon van Reuel.  48  Op de zevende dag de vorst der Efraimieten , Elisama, de zoon van Ammihud.  49  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer;  50  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  51  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  52  een geitebok tot een zondoffer;  53  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Elisama, de zoon van Ammihud.  54  Op de achtste dag de vorst der Manassieten , Gamliel, de zoon van Pedasur.  55  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer;  56  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  57  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  58  een geitebok tot een zondoffer;  59  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Gamliel, de zoon van Pedasur.  60  Op de negende dag de vorst der Benjaminieten , Abidan, de zoon van Gidoni.  61  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer;  62  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  63  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  64  een geitebok tot een zondoffer;  65  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Abidan, de zoon van Gidoni.  66  Op de tiende dag de vorst der Danieten , Achiezer, de zoon van Ammisaddai.  67  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer;  68  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  69  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  70  een geitebok tot een zondoffer;  71  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Achiezer, de zoon van Ammisaddai.  72  Op de elfde dag de vorst der Aserieten , Pagiel, de zoon van Okran.  73  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer;  74  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  75  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  76  een geitebok tot een zondoffer;  77  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Pagiel, de zoon van Okran.  78  Op de twaalfde dag de vorst der Naftalieten, Achira, de zoon van Enan.  79  Zijn offergave bestond uit een zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht,  en een zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie , tot een spijsoffer;  80  een schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;  81  een jonge stier, een ram en een eenjarig schaap tot een brandoffer;  82  een geitebok tot een zondoffer;  83  en tot een vredeoffer twee runderen,  vijf rammen, vijf bokken en vijf eenjarige schapen. Dit was de offergave van Achira, de zoon van Enan.  84  Dit was de wijdingsgave voor het altaar op de dag dat het gezalfd werd, geschonken door de vorsten van IsraŽl: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden schalen,  85  honderd dertig sikkels zilver elke schotel, en zeventig elk sprengbekken; al het zilver der vaten bedroeg tweeduizend vierhonderd sikkels, naar de heilige sikkel;  86  twaalf gouden schalen gevuld met reukwerk, elke schaal tien sikkels, naar de heilige sikkel; al het goud der schalen bedroeg honderd twintig sikkels.  87  Al het vee voor het brandoffer bestond uit twaalf jonge stieren, twaalf rammen , twaalf eenjarige schapen, met het bijbehorende spijsoffer; daarbij twaalf geitebokken tot een zondoffer.  88  Al het vee van het vredeoffer bestond uit vierentwintig jonge stieren, zestig rammen, zestig bokken, zestig eenjarige schapen. Dit was de wijdingsgave voor het altaar, nadat het gezalfd was.  89  Wanneer nu Mozes de tent der samenkomst binnenging om met Hem te spreken, dan hoorde hij een stem, die tot hem sprak van boven het verzoendeksel, dat op de ark der getuigenis was, van tussen de beide cherubs, en Hij sprak tot hem. 

 

Richt. 13:2-25  2  Nu was er een man uit Sora, uit het geslacht der Danieten, Manoach genaamd , wiens vrouw onvruchtbaar was en niet baarde.  3  En de Engel van de Eeuwige verscheen aan de vrouw en zeide tot haar: Zie, gij zijt onvruchtbaar en baart niet, maar gij zult zwanger worden en een zoon baren.   4  Dus neem u in acht en drink geen wijn of bedwelmende drank en eet niets onreins.  5  Want zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren; geen scheermes zal ooit op zijn hoofd komen, want van de moederschoot af zal de jongen een nazireeer Gods zijn; hij zal een begin maken met de verlossing van IsraŽl uit de macht der Filistijnen.  6  De vrouw nu kwam en zeide tot haar man : Een man Gods kwam bij mij,  die er uitzag als een engel Gods, zeer vreselijk. Ik heb hem niet gevraagd,  vanwaar hij was, en hij heeft mij zijn naam niet bekendgemaakt.  7  Maar hij zeide tot mij: Zie, gij zult zwanger zijn en een zoon baren; dus drink geen wijn of bedwelmende drank en eet niets onreins, want van de moederschoot af tot de dag van zijn dood zal de jongen een nazireeer Gods zijn.  8 Toen bad Manoach tot de Eeuwige en zeide: Och, Adonai, moge de man Gods, die Gij gezonden hebt, nog eens tot ons komen en ons leren, wat wij met de jongen moeten doen, die geboren zal worden.  9  En God verhoorde de bede van Manoach , zodat de Engel Gods wederom tot de vrouw kwam, toen zij in het veld vertoefde en haar man Manoach niet bij haar was.  10  Daarop liep de vrouw haastig heen om het haar man mee te delen, en zeide tot hem: Zie, de man die onlangs tot mij kwam, is mij verschenen.  11  En Manoach stond op, volgde zijn vrouw, en bij die man gekomen, zeide hij tot hem: Zijt gij de man, die tot deze vrouw gesproken heeft? En hij zeide:  Ja.  12  Toen zeide Manoach: Wanneer uitkomt, wat gij gezegd hebt, hoe moeten dan de leefwijze en het werk van de jongen zijn ? De Engel van de Eeuwige zeide tot Manoach:  13  De vrouw neme zich in acht voor alles , wat ik haar genoemd heb.  14  Zij mag niets eten, dat van de wijnstok afkomstig is; wijn of bedwelmende drank mag zij niet drinken en niets onreins eten. Zij moet alles in acht nemen , wat ik haar geboden heb.   15 En Manoach zeide tot de Engel van de Eeuwige: Wij zouden u gaarne hier houden en een geitebokje voor u bereiden.  16  Maar de Engel van de Eeuwige zeide tot Manoach: Al zoudt gij mij ook hier houden,  van uw spijze zal ik niet eten. Maar indien gij het bereiden wilt, offer het als een brandoffer aan de Eeuwige. Manoach immers wist niet, dat het de Engel van de Eeuwige was.  17  Daarop zeide Manoach tot de Engel van de Eeuwige: Hoe is uw naam, want, wanneer uitkomt, wat gij gezegd hebt, dan willen wij u eren.  18  Maar de Engel van de Eeuwige zeide tot hem:  Waarom vraagt gij toch naar mijn naam?  Immers, die is wonderbaar.  19  Daarop nam Manoach een geitebokje en een spijsoffer en offerde dit op een rots aan de Eeuwige. Toen deed Hij een wonder , terwijl Manoach en zijn vrouw toezagen.  20  Terwijl de vlam van het altaar omhoog steeg naar de hemel, voer de Engel van de Eeuwige op in de vlam van het altaar . Toen Manoach en zijn vrouw dit zagen,  wierpen zij zich op hun aangezicht ter aarde .  21  De Engel van de Eeuwige verscheen niet meer aan Manoach en zijn vrouw.  Toen begreep Manoach, dat het de Engel van de Eeuwige geweest was.  22  En Manoach zeide tot zijn vrouw: Wij zullen zeker sterven, want wij hebben God gezien.  23  Maar zijn vrouw zeide tot hem: Indien de Eeuwige ons had willen doden, dan zou Hij geen brandoffer en spijsoffer uit onze hand hebben aangenomen en Hij zou ons dit alles niet hebben laten zien en ons nu zulke dingen niet hebben laten horen.  24 De vrouw baarde een zoon en noemde hem Simson. De jongen groeide op , en de Eeuwige zegende hem.  25  En de Geest van de Eeuwige begon hem aan te drijven in Machane-dan tussen Sora en Estaol. 

 

 

 

 

 

Een paar gedachten

> Dit zal de dienst van de geslachten der Gersonieten zijn bij het dienen en het dragen (4:24). De Levieten die in de tabernakeldienst werkten werden aangesteld. De Levieten waren uitgekozen omdat ze ten tijde van het gouden kalf trouw waren gebleven aan Mozes. Trouw zijn aan God heeft een grote uitwerking die duizende jaren kan duren.

> Naar het bevel van Aaron en zijn zonen zal de gehele dienst der Gersonieten verricht worden, bij al hun dragen en bij al hun dienen; gij zult hun als taak aanwijzen alles wat zij moeten dragen (4:27) Ze kregen instructies en moesten dus in staat zijn om de instructies op te volgen zoals ze gegeven werden  De Thorainstructies zijn aan mensen gegeven. Als mens kan je ze opvolgen. God heeft je die capaciteit gegeven.

> Gebied de Israelieten, dat zij uit de legerplaats wegzenden alle melaatsen, allen die een vloeiing hebben, en allen die onrein zijn door aanraking van een lijk;zowel mannen als vrouwen zult gij wegzenden; gij zult hen buiten de legerplaats zenden, opdat zij hun legerplaats niet verontreinigen, daar Ik toch in hun midden woon( 5:2,3) Het kampement waar ze woonden moest gezuiverd worden/zijn want God wilde met Zijn aanwezigheid temidden van hen wonen. Onreinheid heeft niet altijd met zonden te maken.

> Spreek tot de Israelieten: Wanneer iemand, man of vrouw, een of andere zonde doet, die mensen begaan, en daardoor ontrouw wordt tegenover de Eeuwige, zodat hij een schuld op zich laadt,  dan zullen zij de zonden belijden, die zij begaan hebben; en daarna de volle waarde van wat hij schuldig is, vergoeden, vermeerderd met een vijfde, en dat geven aan degene tegenover wie hij zich schuldig gemaakt heeft.(5:6, 7) Schade moet je terugvergoeden bij gemaakte schade (+ 1/5 deel)

> en wanneer dan de geest der jaloersheid over hem komt, zodat hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw, terwijl zij zich verontreinigd heeft, of wanneer de geest der jaloersheid over hem komt, zodat hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw, terwijl zij zich niet verontreinigd heeft,(5:14)Jaloersheid heeft vat als de vrouw daar zelf aanleiding voor geeft. Ook als is de ontrouw niet openbaar gekomen. Het is een geestelijk principe.

> want dit water, dat de vloek brengt, zal in uw binnenste komen om uw buik te doen opzwellen en uw heup te doen invallen. Daarop zal de vrouw zeggen: Amen, amen....Heeft de vrouw zich echter niet verontreinigd en is zij rein, dan zal zij ongestraft blijven en zwanger kunnen worden.(5:22 en 28) De les van het bitter water. Als je zuiver voor God leeft zal het vieze water (wat anders giftig is) geen effect hebben.

> dan zal hij zich van wijn en bedwelmende drank onthouden, geen azijn van wijn of van bedwelmende drank drinken noch enige uit druiven bereide drank, en geen druiven eten, noch verse noch gedroogde. (6:3). Les van de NazireeŽr gelofte: NazireeŽr mocht geen wijn . Verder mocht hij in het verlengde ervan helemaal niets van de druif afkomstig is. De les is als God iets verbiedt, hou je dan ver van de zonde. Een vergelijking. Vrouw wordt vergeleken met druivenrank. God vraagt een rein huwelijksleven. Hou je gedachten ver verwijdert van datgene dat er ook maar een beetje met onreinheid of de opening er naar te maken heeft.

> De Eeuwige zegene u en behoede u; de Eeuwige doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de Eeuwige verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede.  Zo zullen zij mijn naam op de Israelieten leggen, en Ik zal hen zegenen.(6:24-27) De zegen van God geeft grotere verantwoordelijkheid om voor God te leven. Als je door God gezegend wordt ben je nl. meer in staat om in de wegen van God te wandelen.

> Wanneer nu Mozes de tent der samenkomst binnenging om met Hem te spreken, dan hoorde hij een stem, die tot hem sprak van boven het verzoendeksel, dat op de ark der getuigenis was, van tussen de beide cherubs, en Hij sprak tot hem.(7:89) Als Mozes in de aanwezigheid van God kwam, op de manier zoals God dat wilde, sprak God met Mozes hoorbaar. Ofwel hij wist dat het God was en wat God van hem wilde

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr34 - Be-Ha'alotkha ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021