Nr33 - Be-Midbar

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

Thora-gedeelte Be-Midbar

Be-Midbar (in de woestijn),  Num 1:1-4:20, Haftarah: Hos 2:1-22

 

Num. 1:1-4:20 1 de Eeuwige sprak tot Mozes in de woestijn Sinai, in de tent der samenkomst, op de eerste dag der tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit het land Egypte: 2  Neemt het aantal op van de gehele vergadering der IsraŽlieten naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen , allen die van het mannelijk geslacht zijn, hoofd voor hoofd,  3  van twintig jaar oud en daarboven,  allen die in het leger uitrukken in IsraŽl ; gij zult hen tellen naar hun legerscharen,  gij en Aharon.  4  Daarbij zal u uit elke stam een man behulpzaam zijn, de man, die het hoofd is van zijn families.  5  En dit zijn de namen der mannen die u ter zijde zullen staan: van Ruben Elisur, de zoon van Sedeur;  6  van Simeon Selumiel, de zoon van Surisaddai ;  7  van Juda Nachson, de zoon van Amminadab;  8  van Issakar Netanel, de zoon van Suar;  9  van Zebulon Eliab, de zoon van Chelon;  10  van de zonen van Jozef: van Efraim Elisama , de zoon van Ammihud; van Manasse Gamliel , de zoon van Pedasur;  11  van Benjamin Abidan, de zoon van Gidoni;  12  van Dan Achiezer, de zoon van Ammisaddai;  13  van Aser Pagiel, de zoon van Okran;  14  van Gad Eljasaf, de zoon van Reuel;  15  van Naftali Achira, de zoon van Enan.  16  Dit zijn degenen die uit de vergadering moeten worden opgeroepen, vorsten van de stammen hunner vaderen; hoofden van Israels geslachten zijn zij.  17 Toen namen Mozes en Aaron deze met name aangewezen mannen,  18  en zij riepen op de eerste dag der tweede maand de gehele vergadering samen, die zich opstelde volgens geslachten en families , overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, hoofd voor hoofd ,  19  zoals de Eeuwige Mozes geboden had. En hij telde hen in de woestijn Sinai.  20  De zonen nu van Ruben, Israels eerstgeborene , hun nakomelingen naar hun geslachten en families , overeenkomstig het aantal namen, hoofd voor hoofd, allen die van het mannelijk geslacht waren , van twintig jaar oud en daarboven , allen die in het leger uitrukten,  21  de getelden van de stam Ruben waren zesenveertigduizend vijfhonderd.  22  Van de zonen van Simeon, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, hoofd voor hoofd,  allen die van het mannelijk geslacht waren, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten,  23  de getelden van de stam Simeon waren negenenvijftigduizend driehonderd.  24  Van de zonen van Gad, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,  25  de getelden van de stam Gad waren vijfenveertigduizend zeshonderd vijftig.  26  Van de zonen van Juda, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,  27  de getelden van de stam Juda waren vierenzeventigduizend zeshonderd.  28  Van de zonen van Issakar, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,  29  de getelden van de stam Issakar waren vierenvijftigduizend vierhonderd.  30  Van de zonen van Zebulon, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,  31  de getelden van de stam Zebulon waren zevenenvijftigduizend vierhonderd.  32  Van de zonen van Jozef, van de zonen van Efraim, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven,  allen die in het leger uitrukten,  33  de getelden van de stam Efraim waren veertigduizend vijfhonderd;  34  van de zonen van Manasse, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,  35  de getelden van de stam Manasse waren tweeendertigduizend tweehonderd.  36  Van de zonen van Benjamin, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,  37  de getelden van de stam Benjamin waren vijfendertigduizend vierhonderd.  38  Van de zonen van Dan, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,  39  de getelden van de stam Dan waren tweeenzestigduizend zevenhonderd.  40  Van de zonen van Aser, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,  41  de getelden van de stam Aser waren eenenveertigduizend vijfhonderd.  42  Van de zonen van Naftali, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,  43  de getelden van de stam Naftali waren drieenvijftigduizend vierhonderd.  44 Dit zijn de getelden, die Mozes telde met Aaron en de vorsten Israels, twaalf man; ieder vertegenwoordigde zijn families.  45  Dus waren al de getelden der IsraŽlieten, naar hun families, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten in IsraŽl,  46  al de getelden waren zeshonderddrieduizend vijfhonderd vijftig.  47 Maar de Levieten naar de stam hunner vaderen werden niet samen met hen geteld.  48  de Eeuwige had namelijk tot Mozes gesproken:  49  Slechts de stam Levi zult gij niet tellen , noch hun aantal onder de Israelieten opnemen,  50  maar stel gij de Levieten over de tabernakel der getuigenis en over al zijn gerei en over al zijn toebehoren; zij zullen de tabernakel en al zijn gerei dragen ; zij zullen daarbij dienst doen en zich rondom de tabernakel legeren.  51  Wanneer de tabernakel moet opbreken, dan zullen de Levieten hem uit elkander nemen, en wanneer de tabernakel moet legeren, dan zullen de Levieten hem oprichten, maar de onbevoegde , die nadert, zal ter dood gebracht worden .  52  Terwijl de Israelieten zich zullen legeren , ieder bij zijn legerplaats en zijn vendel, naar hun legerscharen,  53  zullen de Levieten zich rondom de tabernakel der getuigenis legeren, opdat er geen toorn ruste op de vergadering der Israelieten ; de Levieten zullen zorg dragen voor de tabernakel der getuigenis.  54  En de IsraŽlieten deden het; juist zoals de Eeuwige Mozes geboden had,  deden zij. 

2:1 de Eeuwige sprak tot Mozes en Aharon:  2  De Israelieten zullen zich legeren ieder bij zijn vendel onder de veldtekenen van hun families; op een afstand zullen zij zich rondom de tent der samenkomst legeren.  3  Aan de oostzijde, aan de kant waar de zon opgaat,  zal het vendel van de legerplaats van Juda zich legeren naar hun legerscharen. De vorst nu der zonen van Juda was Nachson, de zoon van Amminadab; 4  en zijn leger, dat uit hun getelden bestond,  bedroeg vierenzeventigduizend zeshonderd.  5  Naast hem zal de stam Issakar zich legeren . De vorst nu der zonen van Issakar was Netanel, de zoon van Suar;  6  en zijn leger, dat uit zijn getelden bestond,  bedroeg vierenvijftigduizend vierhonderd.  7  Voorts de stam Zebulon: de vorst nu der zonen van Zebulon was Eliab, de zoon van Chelon ;  8  en zijn leger, dat uit zijn getelden bestond,  bedroeg zevenenvijftigduizend vierhonderd.  9  Al de getelden van de legerplaats van Juda waren honderdzesentachtigduizend vierhonderd naar hun legerscharen. Zij zullen het eerst opbreken. 10 Het vendel van de legerplaats van Ruben zal aan de zuidzijde zijn, naar hun legerscharen. De vorst nu der zonen van Ruben was Elisur, de zoon van Sedeur;  11  en zijn leger, dat uit zijn getelden bestond,  bedroeg zesenveertigduizend vijfhonderd.  12  Naast hem zal de stam Simeon zich legeren . De vorst nu der zonen van Simeon was Selumiel, de zoon van Surisaddai;  13  en zijn leger, dat uit hun getelden bestond,  bedroeg negenenvijftigduizend driehonderd .  14  Voorts de stam Gad: de vorst nu der zonen van Gad van Eljasaf, de zoon van Reuel;  15  en zijn leger dat uit hun getelden bestond,  bedroeg vijfenveertigduizend zeshonderd vijftig.  16  Al de getelden van de legerplaats van Ruben waren honderdeenenvijftigduizend vierhonderd vijftig naar hun legerscharen . Zij zullen in de tweede plaats opbreken.  17  De tent der samenkomst nu, de legerplaats der Levieten, zal te midden van de legerplaatsen opbreken; zoals zij zich zullen legeren,  zullen zij ook opbreken, ieder op zijn plaats naar hun vendels.  18  Het vendel van de legerplaats van Efraim naar hun legerscharen zal aan de westzijde zijn. De vorst nu der zonen van Efraim was Elisama, de zoon van Ammihud;  19  en zijn leger, dat uit hun getelden bestond,  bedroeg veertigduizend vijfhonderd.  20  Naast hem de stam Manasse: de vorst nu der zonen van Manasse was Gamliel, de zoon van Pedasur;  21  en zijn leger, dat uit hun getelden bestond,  bedroeg tweeendertigduizend tweehonderd.  22  Voorts de stam Benjamin: de vorst nu der zonen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gidoni;  23  en zijn leger, dat uit hun getelden bestond,  bedroeg vijfendertigduizend vierhonderd.  24  Al de getelden van de legerplaats van Efraim waren honderdachtduizend eenhonderd , naar hun legerscharen. Zij zullen in de derde plaats opbreken.  25  Het vendel van de legerplaats van Dan zal aan de noordzijde zijn, naar hun legerscharen. De vorst nu der zonen van Dan was Achiezer, de zoon van Ammisaddai;  26  en zijn leger, dat uit hun getelden bestond,  bedroeg tweeenzestigduizend zevenhonderd .  27  Naast hem zal de stam Aser zich legeren : de vorst nu der zonen van Aser was Pagiel, de zoon van Okran;  28  en zijn leger, dat uit hun getelden bestond,  bedroeg eenenveertigduizend vijfhonderd.  29  Voorts de stam Naftali: de vorst nu der zonen van Naftali was Achira, de zoon van Enan ;  30  en zijn leger, dat uit hun getelden bestond,  bedroeg drieenvijftigduizend vierhonderd.  31  Al de getelden van de legerplaats van Dan waren honderdzevenenvijftigduizend zeshonderd. Zij zullen naar hun vendels het laatst opbreken.  32  Dit waren de getelden der Israelieten naar hun families; al de getelden der legerplaatsen naar hun legerscharen waren zeshonderddrieduizend vijfhonderd vijftig.  33  De Levieten echter werden niet samen met de Israelieten geteld, zoals de Eeuwige Mozes geboden had.  34  En de Israelieten deden het; juist zoals de Eeuwige Mozes geboden had, legerden zij zich naar hun vendels, en braken zij op , ieder naar zijn geslacht, bij zijn familie. 

3:1 Dit nu waren de nakomelingen van Aaron en Mozes ten dage, dat de Eeuwige met Mozes sprak op de berg Sinai.  2  Dit waren de namen der zonen van Aaron: de eerstgeborene was Nadab, voorts Abihu, Eleazar en Itamar.  3  Dit waren de namen der zonen van Aaron, de gezalfde priesters, die hij gewijd had om het priesterambt te bekleden.  4  Nadat Nadab en Abihu voor het aangezicht van de Eeuwige gestorven waren in de woestijn Sinai , toen zij vreemd vuur voor de Eeuwige brachten (zij hadden geen zonen)  bekleedden Eleazar en Itamar het priesterambt tijdens het leven van hun vader Aaron.  5  de Eeuwige nu sprak tot Mozes: 6  Laat de stam Levi aantreden en stel hem voor het aangezicht van de priester Aaron, opdat zij hem dienen,  7  en zij zullen hun taak vervullen te zijnen behoeve en ten behoeve van de gehele vergadering voor de tent der samenkomst, door de dienst bij de tabernakel te verrichten;  8  zij zullen zorg dragen voor al het gerei van de tent der samenkomst, en hun taak vervullen ten behoeve van de Israelieten door de dienst bij de tabernakel te verrichten.  9  Gij zult de Levieten schenken aan Aaron en zijn zonen; uit de Israelieten zullen dezen hem onvoorwaardelijk geschonken zijn.   10  Maar aan Aaron en zijn zonen zult gij opdragen hun priesterambt waar te nemen; doch de onbevoegde, die nadert, zal ter dood gebracht worden.  11  En de Eeuwige sprak tot Mozes:  12  Zie, Ik zelf neem uit de Israelieten de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen der Israelieten, die het eerst uit de moederschoot voortkomen, opdat de Levieten mijn eigendom zijn,  13  want alle eerstgeborenen zijn mijn eigendom.  Ten dage, dat Ik alle eerstgeborenen in het land Egypte sloeg, heiligde Ik Mij alle eerstgeborenen in Israel, zowel van mens als van dier; zij zijn mijn eigendom; Ik ben de Eeuwige.  14 En de Eeuwige sprak tot Mozes in de woestijn Sinai: 15  Tel de Levieten naar hun families en geslachten; allen die van het mannelijk geslacht zijn, van een maand oud en daarboven,  die zult gij tellen. 16  Toen telde Mozes hen naar het bevel van de Eeuwige, zoals geboden was.  17  Dit nu waren de namen der zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari.  18  Dit waren de namen der zonen van Gerson naar hun geslachten: Libni en Simi.  19  De zonen van Kehat naar hun geslachten waren Amram, Jishar, Chebron en Uzziel.  20  En de zonen van Merari naar hun geslachten waren Machli en Musi. Dit zijn de geslachten der Levieten naar hun families.  21  Tot Gerson behoorde het geslacht der Libnieten en dat der Simieten; dit waren de geslachten der Gersonieten.  22  Hun getelden, overeenkomstig het aantal van allen die van het mannelijk geslacht waren, van een maand oud en daarboven, waren zevenduizend vijfhonderd.  23  De geslachten der Gersonieten legerden zich achter de tabernakel aan de westzijde.  24  En het familiehoofd der Gersonieten was Eljasaf, de zoon van Lael.  25  De Gersonieten nu hadden bij de tent der samenkomst, zowel tabernakel als tent, de zorg voor de dakbedekking, het voorhangsel voor de ingang van de tent der samenkomst,  26  de gordijnen van de voorhof en het voorhangsel voor de ingang van de voorhof, die rondom de tabernakel en het altaar was, en de daarbij behorende touwen, naar alles wat daaraan te doen was.  27  Tot Kehat behoorde het geslacht der Amramieten , dat der Jisharieten, dat der Chebronieten en dat der Uzzielieten; dit waren de geslachten der Kehatieten.  28  Hun getelden, overeenkomstig het aantal van allen die van het mannelijk geslacht waren, van een maand oud en daarboven, waren achtduizend zeshonderd: zij hadden de zorg voor het heilige.  29  De geslachten der Kehatieten legerden zich langs de tabernakel aan de zuidzijde.  30  En het familiehoofd van de geslachten der Kehatieten was Elisafan, de zoon van Uzziel.  31  Zij hadden de zorg voor de ark, de tafel, de kandelaar, de altaren, het heilige gerei,  waarmede men de dienst verrichtte, het voorhangsel en alles wat daaraan te doen was.  32  Het opperste hoofd nu der Levieten was Eleazar, de zoon van de priester Aaron, die het opzicht had over hen, die de zorg hadden voor het heilige.  33  Tot Merari behoorde het geslacht der Machlieten en dat der Musieten; dit waren de geslachten van Merari.  34  Hun getelden, overeenkomstig het aantal van allen die van het mannelijk geslacht waren, van een maand oud en daarboven, waren zesduizend tweehonderd.  35  En het familiehoofd der geslachten van Merari was Suriel, de zoon van Abichail. Zij legerden zich langs de tabernakel aan de noordzijde.  36  Aan de Merarieten was opgedragen de zorg voor de planken van de tabernakel, zijn balken,  zijn pilaren, zijn voetstukken, al zijn gerei en alles wat daaraan te doen was,  37  eveneens voor de pilaren van de voorhof rondom , de voetstukken, de pinnen en de touwen daarvan.  38  Voorts legerden zich voor de tabernakel aan de oostzijde, voor de tent der samenkomst aan de kant, waar de zon opgaat, Mozes en Aaron en diens zonen, die de zorg hadden voor het heiligdom namens de Israelieten; maar de onbevoegde, die naderde, moest ter dood gebracht worden.  39  Al de getelden der Levieten, die Mozes met Aaron naar het bevel van de Eeuwige naar hun geslachten telde, allen van het mannelijk geslacht, van een maand oud en daarboven, waren tweeentwintigduizend.  40 ∂ Toen zeide de Eeuwige tot Mozes: Tel alle mannelijke eerstgeborenen der Israelieten van een maand oud en daarboven, en neem het aantal hunner namen op ,  41  en gij zult voor Mij de Levieten nemen, (Ik ben de Eeuwige), in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israelieten, evenals het vee der Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder het vee der Israelieten.  42  Toen telde Mozes, zoals de Eeuwige hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de Israelieten.  43  Alle mannelijke eerstgeborenen,  overeenkomstig het aantal namen, van een maand oud en daarboven, bleken bij telling te zijn tweeentwintigduizend tweehonderd drieenzeventig.  44  Toen sprak de Eeuwige tot Mozes :  45  Neem de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israelieten, evenals het vee der Levieten in plaats van hun vee, opdat de Levieten mijn eigendom zijn; Ik ben de Eeuwige .  46  Als losgeld voor de tweehonderd drieenzeventig eerstgeborenen der Israelieten, die het getal der Levieten te boven gaan,  47  zult gij voor ieder per hoofd vijf sikkels nemen, naar de heilige sikkel zult gij het nemen (deze sikkel is twintig gera)  48  en dat geld zult gij aan Aaron en zijn zonen geven als het losgeld voor diegenen onder hen , die het getal der Levieten te boven gaan.  49  Toen nam Mozes het losgeld van degenen die het getal van hen, die door de Levieten waren losgekocht, te boven gingen;  50  van de eerstgeborenen der Israelieten nam hij het geld, duizend driehonderd vijfenzestig sikkels naar de heilige sikkel ,  51  en Mozes gaf het losgeld aan Aaron en zijn zonen naar het bevel van de Eeuwige, zoals de Eeuwige aan Mozes geboden had .

4:1 En de Eeuwige sprak tot Mozes en Aaron:  2  Neem het aantal op van de Kehatieten onder de Levieten, naar hun geslachten en families,  3  van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder, die dienstplichtig is om werk te verrichten in de tent der samenkomst.  4  Dit zal de dienst der Kehatieten in de tent der samenkomst zijn: de zorg voor deallerheiligste dingen.  5  Bij het opbreken van de legerplaats zullen Aaron en zijn zonen naar binnen gaan en het bedekkend voorhangsel afnemen, en daarmee de ark der getuigenis bedekken;  6  daarover zullen zij een bedekking van tachasvel leggen, en daarover een kleed,  geheel van blauwpurper, spreiden en de draagstokken aanbrengen. 7  Ook over de tafel der toonbroden zullen zij een blauwpurperen kleed spreiden, en daarop plaatsen de schotels, de schalen, de kommen en de plengkannen, terwijl ook het steeds aanwezige brood erop zal blijven liggen;  8  daarover zullen zij een scharlaken kleed spreiden en dit bedekken met een bedekking van tachasvel, en de draagstokken aanbrengen.  9  Dan zullen zij een blauwpurperen kleed nemen en daarmee de kandelaar voor het licht bedekken met zijn lampen, snuiters, bakjes , en al zijn gerei voor de olie, waarvan men zich daarbij bedient,  10  en zij zullen hem met al zijn gerei plaatsen op een bedekking van tachasvel en op een draagbaar zetten.  11  Over het gouden altaar zullen zij een blauwpurperen kleed spreiden en dit bedekken met een bedekking van tachasvel en de draagstokken aanbrengen.  12  Dan zullen zij al het dienstgerei nemen , waarmee zij in het heilige dienst doen en dat op een blauwpurperen kleed plaatsen en het bedekken met een bedekking van tachasvel en op een draagbaar plaatsen.  13  En het altaar zullen zij van as reinigen, er een roodpurperen kleed overheen spreiden,  14  en daarop leggen al zijn gerei,  waarvan men zich daarbij bedient, de vuurpannen, de vorken, de scheppen, de sprengbekkens, al het gerei van het altaar,  en daarover een bedekking van tachasvel spreiden, en de draagstokken aanbrengen.  15  Als Aaron en zijn zonen bij het opbreken van de legerplaats gereed zijn met het bedekken van het heilige en al het heilige gerei , dan zullen daarna de Kehatieten binnengaan om het te dragen; zij zullen echter het heilige niet aanraken, want dan zouden zij sterven. Dit is hetgeen de Kehatieten aan de tent der samenkomst te dragen hebben.  16  En Eleazar, de zoon van de priester Aaron,  heeft het toezicht op de olie voor het licht, het welriekend reukwerk, het dagelijkse spijsoffer en de zalfolie; hij heeft het toezicht op de gehele tabernakel en alles wat daarin is,  zowel het heilige als zijn gerei.  17  En de Eeuwige sprak tot Mozes en Aaron:  18  Laat de stam van de geslachten der Kehatieten niet uitgeroeid worden uit de Levieten.  19  Maar dit zult gij voor hen doen, opdat zij blijven leven en niet sterven , wanneer zij de allerheiligste dingen naderen. Aaron en zijn zonen zullen naar binnen gaan en hun een plaats aanwijzen,  ieder bij hetgeen hij te doen of te dragen heeft.  20  Maar zij zullen niet naar binnen gaan, zodat zij het heilige ook maar voor een ogenblik zien,  want dan zouden zij sterven. 

                                 

 

Hos 2:1-22 1 Zegt tot uw broeders: Ammi, en tot uw zusters: Ruchama.  2  Klaagt uw moeder aan, klaagt haar aan, want zij is mijn vrouw niet, en Ik ben haar man niet. Laat zij haar ontucht van haar gelaat verwijderen en haar overspel van haar boezem, 3  anders zal Ik haar naakt uitkleden en haar laten staan als ten dage toen zij geboren werd, haar maken als een woestijn, haar doen worden als een dor land, en haar doen sterven van dorst;  4  en over haar kinderen zal Ik Mij niet ontfermen , omdat zij uit ontucht geboren zijn.   5  Want hun moeder heeft ontucht bedreven;  zij, die van hen zwanger geweest is heeft schandelijk gehandeld. Want zij zeide: Ik wil achter mijn minnaars aan gaan, die mij mijn brood en water, mijn wol en vlas, mijn olie en drank geven.  6 Daarom, zie, Ik ga uw weg met doornen versperren, Ik ga tegen haar een muur oprichten , zodat zij haar paden niet vinden kan.  7  Dan zal zij haar minnaars nalopen, maar hen niet bereiken; hen zoeken, maar niet vinden. Dan zal zij zeggen: ik wil heengaan en terugkeren tot mijn eerste man, want toen had ik het beter dan nu.  8  Zij echter beseft niet, dat Ik het ben, die haar het koren, de most en de olie heb gegeven, die haar het zilver rijkelijk geschonken heb en het goud, dat zij voor de Baal gebruikt hebben.  9  Daarom zal Ik mijn koren weer wegnemen in de oogsttijd, en mijn most in zijn seizoen, en wegrukken mijn wol en mijn vlas , die haar naaktheid moeten bedekken.  10  Nu dan, Ik wil haar schaamte ontbloten voor de ogen van haar minnaars en niemand zal haar uit mijn hand redden.  11  Ik zal doen ophouden al haar vreugde,  haar feest, haar nieuwemaansdag en haar sabbat,  ja, al haar hoogtijden.  12  Dan zal Ik haar wijnstok en haar vijgeboom verwoesten, waarvan zij zeide: Die zijn het loon, dat mijn minnaars mij gaven . Ik zal ze maken tot een woud, en het gedierte des velds zal ze afvreten.  13  Zo zal Ik over haar bezoeken de dagen,  waarop zij voor de Baals het offer ontstak,  zich tooide met ring en halssieraad en achter haar minnaars aan ging, maar Mij vergat, luidt het woord van de Eeuwige.  14 Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn, en spreken tot haar hart.  15  Ik zal haar aldaar haar wijngaarden geven , en het dal Achor maken tot een deur der hoop. Dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte.  16  En het zal te dien dage geschieden,  luidt het woord van de Eeuwige, dat gij Mij noemen zult: mijn man, en niet meer: mijn Baal.  17  Ja, Ik zal de namen der Baals verwijderen uit haar mond; hun naam zal niet meer genoemd worden.  18  Te dien dage zal Ik voor hen een verbond sluiten met het gedierte des velds,  het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte der aarde. Dan zal Ik boog en zwaard en oorlogstuig in het land verbreken, en hen veilig doen wonen.  19  Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming;  20  Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de Eeuwige kennen.  21  Het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, luidt het woord van de Eeuwige : Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren,  22  en de aarde zal het koren, de most en de olie verhoren, en die zullen Jizreel verhoren. 

 

 

 

 

Een paar gedachten

> De Eeuwige sprak tot Moshť in de woestijn (1:1) In de woestijn heeft ieder vrij toegang. Ieder heeft vrij toegang om de Thora te onderhouden en op die manier in relatie met Gíd te leven. Het beeld wat je er ook in kunt zien leren de Joodse uitleggers is dat je als je optimaal thora studie wil doen je leeg moet zijn als een wildernis van allerlei zaken (en denkbeelden) (die je verhinderen voor God te leven.

> De Eeuwige sprak tot Moshť in de woestijn Sinai (1:1) Het volk ontving de Thora toen zij zich in de woestijn buiten het beloofde land bevonden. Dat wil zeggen: De Thora  is voor hen niet alleen van kracht onder ideale omstandigheden en in het land IsraŽl. Ze zijn ook van kracht in extreme situaties Gods instructies blijven ook in extreme situaties van kracht daarnaast ook buiten het beloofde land.

> op de eerste dag der tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit het land Egypte (1:1b). De Thora is niet gebaseerd op ideeŽn van een enkele persoon maar op waar gebeurde gebeurtenissen die op een bepaald moment in de tijd hebben plaatsgevonden, openbaringen aan een geheel volk (zoín 3 miljoen mensen). Het is in zekere zin controleerbaar met zoveel getuigen.

> De woestijn leert tevens dat we ter wille van het doen van Gods wil bereid moeten zijn alle comfort en gemakken op te geven.

> Het beeld op de vlaggen die hier genoemd worden komt ook weer terug in EzechiŽl 1.

> zoals de Eeuwige Moshť geboden had. En hij telde hen in de woestijn Sinai (1:19) Alle mannen moeten geteld worden. Ofwel ieder heeft een bepaalde functie. Het is de vierde keer dat het volk wordt geteld. God telt ze stuk voor stuk, Zijn volk, Zijn leger, Zijn priesterlijke natie die er voor bestemd zijn om Zijn wil te doen.

> De IsraŽlieten zullen zich legeren ieder bij zijn vendel onder de veldtekenen van hun families; op een afstand zullen zij zich rondom de tent der samenkomst legeren (2:2) Je leven inrichten met je focus op God.

> Alle eerstgeborenen Zijn van God. In hun plaats heeft God al de Levieten voor Zijn dienst genomen. (3:13,41,45). Wordt 2x achter elkaar herhaald, het staat dus vast. God zal (in de toekomst) ook de verstrooide Levieten weer terugbrengen (Jes. 66:20a,21 En zij zullen al uw broeders brengen uit alle volken als een offer voor de EeuwigeÖ. En ook uit hen zal Ik er nemen tot priesters, tot Levieten, zegt de Eeuwige), hen reinigen en weer in de tempeldienst gebruiken. Mal 3:3 Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Eeuwige in gerechtigheid offer brengen. De instructies van God gelden voor eeuwig. mensen tot Leviet nemen.

> Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de Eeuwige kennen. (Hos 2:19, 20) IsraŽl zal volledig hersteld worden. Al zijn woorden hebben een eeuwigheids waarde. God komt niet plotseling met een vervangend plan. De Eeuwige is niet veranderd.

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr34 - Naso ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021