Nr20 - Ki Tissa

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

 

Thora-gedeelte Ki Tissa (wanneer je opneemt)

 

Ki Tissa(wanneer je opneemt), Ex 30:11-34:35, Haftara: I Koningen 18:1-39

 

Ex 30:11-34:35   11 De Eeuwige sprak tot Mozes:  12  Wanneer gij het getal der IsraŽlieten bij de telling opneemt, dan zullen zij,  ieder voor zijn leven, aan de Eeuwige een zoengeld geven, wanneer men hen telt, opdat er onder hen geen plaag zij bij de telling.  13  Dit zal ieder die tot de getelden gaat behoren, geven: een halve sikkel , gerekend naar de heilige sikkel (deze sikkel is twintig gera); een halve sikkel is de heffing voor de Eeuwige.  14  Ieder die tot de getelden gaat behoren van twintig jaar oud en daarboven, zal de heffing voor de Eeuwige geven.  15  De rijke zal niet meer noch de arme minder dan een halve sikkel opbrengen, om die te geven als heffing voor de Eeuwige ter verzoening voor uw leven.  16  En gij zult het geld der verzoening van de IsraŽlieten  nemen en het bestemmen voor de dienst in de tent der samenkomst ; het zal voor de IsraŽlieten  tot een gedachtenis zijn voor het aangezicht van de Eeuwige ter verzoening voor hun leven.  17 De Eeuwige sprak tot Mozes:  18  Gij nu zult een vat van koper maken met een voetstuk van koper, voor de afwassingen,  het plaatsen tussen de tent der samenkomst en het altaar, en daar water in doen. 19  En Aharon en zijn zonen zullen daarin hun handen en voeten wassen.  20  Wanneer zij naar de tent der samenkomst komen, zullen zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij naderen tot het altaar, om dienst te doen en een vuuroffer in rook te doen opgaan voor de Eeuwige.  21  Zij zullen dan hun handen en voeten wassen , opdat zij niet sterven; het zal voor hen een altoosdurende inzetting zijn, voor hem en voor zijn nakomelingen naar hun geslachten.  22 De Eeuwige sprak tot Mozes:  23  Gij nu, neem u zeer fijne specerijen : vijfhonderd sikkels vanzelf gevloeide mirre , en half zoveel: tweehonderd en vijftig sikkels, welriekende kaneel, en tweehonderd en vijftig sikkels welriekende kalmoes,  24  en vijfhonderd sikkels kassie, naar de heilige sikkel, en een hin olijfolie.  25  Gij zult het tot een heilige zalfolie maken, als een zorgvuldig bereid mengsel , zoals een zalfbereider dat bereidt; het zal een heilige zalfolie zijn.  26  Gij zult daarmede zalven de tent der samenkomst en de ark der getuigenis,  27  de tafel met al haar gerei, de kandelaar met al zijn gerei, en het reukofferaltaar;  28  het brandofferaltaar met al zijn gerei,  het wasvat met zijn voetstuk.  29  Gij zult ze heiligen, zodat zij allerheiligst zijn; ieder die ze aanraakt,  zal heilig zijn.  30  Ook Aharon en zijn zonen zult gij zalven en heiligen om voor Mij het priesterambt te bekleden. 31  En tot de IsraŽlieten  zult gij spreken : Dit is voor Mij een heilige zalfolie van geslacht tot geslacht.  32  Op het lichaam van een mens zal zij niet uitgegoten worden, en volgens deze bereidingswijze moogt gij niets soortgelijks maken: zij is iets heiligs, heilig zal zij u zijn.  33  De man die iets soortgelijks zal bereiden en iets daarvan op een onbevoegde laat komen, zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.  34  De Eeuwige zeide tot Mozes: Neem u welriekende stoffen: druipende hars, onyx en galbanum, welriekende stoffen en reine wierook, in gelijke delen.  35  Gij zult dit alles maken tot een reukwerk , een mengsel, zoals een zalfbereider bereidt , gezouten, zuiver, heilig.  36  Een gedeelte daarvan zult gij uiterst fijn wrijven, en iets ervan leggen voor de Getuigenis in de tent der samenkomst, waar Ik met u zal samenkomen; allerheiligst zal dit voor u zijn.  37  En wat het reukwerk betreft, dat gij bereiden zult, volgens deze bereidingswijze zult gij niets voor u zelf maken; het zal u iets heiligs zijn , voor de Eeuwige.  38  De man die iets soortgelijks maken zal , om daaraan te ruiken, zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.  31:1 De Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Zie, Ik heb bij name geroepen Besaleel, de zoon van Uri, de zoon van Chur , uit de stam Juda,  3  en hem vervuld met Gods Geest, met wijsheid, inzicht en kennis, en dat voor allerlei werk, om ontwerpen te bedenken,  4  om die uit te voeren in goud, zilver en koper;  5  om stenen te bewerken, om die in te zetten ; om hout te snijden en werkzaam te zijn in allerlei arbeid.  6  En zie, ik heb naast hem gesteld Oholiab, de zoon van Achisamak, uit de stam Dan; in het hart van ieder die kunstvaardig is, heb Ik wijsheid gelegd Zij zullen alles maken, wat Ik u geboden heb:  7  de tent der samenkomst, de ark voor de getuigenis, het verzoendeksel dat daarop ligt, en al het gerei der tent,  8  de tafel met haar gerei, de kandelaar van louter goud met al zijn gerei, het reukofferaltaar,  9  het brandofferaltaar met al zijn gerei,  het wasvat met zijn voetstuk,  10  de ambtsklederen, zowel de heilige klederen van de priester Aharon  als de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bekleden,  11  de zalfolie en het welriekend reukwerk voor het heiligdom; naar alles wat Ik u geboden heb, zullen zij dit maken.  12 De Eeuwige zeide tot Mozes:  13  Gij dan, spreek tot de IsraŽlieten  : maar mijn sabbatten moet gij onderhouden , want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat gij weet,  dat Ik de Eeuwige ben, die u heilig.  14  Gij zult de sabbat onderhouden, want deze is iets heiligs voor u; wie hem ontheiligt , zal zeker ter dood gebracht worden , want ieder die daarop werk verricht , zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn volksgenoten.  15  Zes dagen mag men arbeiden, maar op de zevende dag zal er een volledige sabbat zijn, de Eeuwige geheiligd: ieder die op de sabbatdag werk verricht, zal zeker ter dood gebracht worden.  16  De IsraŽlieten  zullen de sabbat onderhouden , door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een altoosdurend verbond.  17  Tussen Mij en de IsraŽlieten  is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de Eeuwige de hemel en de aarde gemaakt , en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept.  18  En Hij gaf aan Mozes, toen Hij geeindigd had met hem te spreken op de berg Sinai, de twee tafelen der getuigenis,  tafelen van steen, beschreven door de vinger Gods.  32:1 Toen het volk zag, dat Mozes toefde van de berg af te dalen, verzamelde het zich rondom Aharon , en zeide tot hem: Welaan, maak ons goden, die voor ons uit gaan, want deze Mozes , die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd, wij weten niet, wat er van hem geworden is.  2  En Aharon  zeide tot hen: Rukt de gouden ringen af, die in de oren van uw vrouwen, uw zonen en uw dochters zijn, en brengt ze mij.  3  Toen rukte het gehele volk zich de gouden ringen die in hun oren waren, af en zij brachten ze aan Aharon .  4  Hij nam ze van hen aan, gaf er vorm aan met een stift en maakte er een gegoten kalf van. En zij zeiden: Dit is uw god, IsraŽl, die u uit het land Egypte heeft gevoerd.  5  Toen Aharon  dat zag, bouwde hij daarvoor een altaar en riep uit : Morgen is er een feest voor de Eeuwige!  6  En de volgende morgen vroeg offerden zij brandoffers en brachten vredeoffers, en het volk zette zich neer om te eten en te drinken; daarna stonden zij op om vreugde te bedrijven.  7 En de Eeuwige sprak tot Mozes: Ga , daal af, want uw volk, dat gij uit het land Egypte hebt gevoerd,  heeft het verdorven.  8  Zij hebben zich gehaast om af te wijken van de weg die Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt,  waarvoor zij zich hebben nedergebogen en waaraan zij geofferd hebben, terwijl zij zeiden: dit is uw god, IsraŽl, die u uit het land Egypte heeft gevoerd.  9  Vervolgens zeide de Eeuwige tot Mozes:  Ik heb dit volk gezien en zie, het is een hardnekkig volk.  10  Nu dan, laat Mij begaan, dat mijn toorn tegen hen ontbrande en Ik hen vernietige,  maar u zal Ik tot een groot volk maken.  11  Toen zocht Mozes de gunst van de Eeuwige, zijn God, en hij zeide: Waarom,  de Eeuwige zou uw toorn ontbranden tegen uw volk , dat Gij uit het land Egypte hebt geleid met grote kracht en met een sterke hand ?  12  Waarom zouden de Egyptenaren zeggen : Tot hun onheil heeft Hij hen uitgeleid om hen te doden in de bergen en hen van de aardbodem te vernietigen? Laat uw brandende toorn varen en heb berouw over het onheil, waarmede Gij uw volk bedreigt.  13  Denk aan Avraham, Itschak en IsraŽl,  uw dienaren, aan wie Gij gezworen hebt bij Uzelf en tot wie Gij gesproken hebt: Ik zal uw nakomelingschap vermenigvuldigen als de sterren des hemels en dit gehele land, waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan uw nakomelingschap geven, om het voor altoos te bezitten .  14  En de Eeuwige kreeg berouw over het kwaad , dat Hij gezegd had zijn volk te zullen aandoen.  15 Toen keerde Mozes zich om en daalde van de berg af met de twee tafelen der getuigenis in zijn hand, tafelen , die aan beide zijden beschreven waren : aan de ene en aan de andere zijde waren zij beschreven.  16  De tafelen waren het werk Gods en het schrift was het schrift Gods, op de tafelen gegrift.  17  Toen nu Yoshua het rumoer van het juichende volk hoorde, zeide hij tot Mozes : Er is krijgsgeschreeuw in de legerplaats.  18  Maar deze zeide: Geen geluid van overwinningsgeroep en geen geluid van roepen bij nederlaag; een geluid van beurtzang is het, wat ik hoor.  19  En zodra hij de legerplaats genaderd was en het kalf en de reidansen zag , ontbrandde de toorn van Mozes; hij wierp de tafelen uit zijn hand en verbrijzelde ze aan de voet van de berg.  20  Daarop nam hij het kalf dat zij gemaakt hadden, verbrandde het met vuur en vermaalde het, totdat het fijn gestoten was , vervolgens strooide hij het op het water en gaf dit aan de IsraŽlieten  te drinken. 21 Toen zeide Mozes tot Aharon : Wat heeft dit volk u gedaan, dat gij zulk een zware schuld daarover gebracht hebt?  22  Maar Aharon  zeide: De toorn van mijn heer ontbrande niet; gij weet zelf,  dat dit volk in het boze ligt.  23  Zij zeiden tot mij: Maak ons goden,  die voor ons uit gaan, want deze Mozes, die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd, wij weten niet , wat er van hem geworden is.  24  Toen zeide ik tot hen: Wie heeft goud?  Rukt het af! Zij gaven het mij en ik wierp het in het vuur, en dit kalf kwam eruit .  25  Daar Mozes zag, dat het volk teugelloos was, want Aharon  had het de vrije teugel gelaten, tot spot voor hun tegenstanders ,  26  ging Mozes staan in de poort van de legerplaats en zeide: Wie is voor de Eeuwige ? Die kome tot mij! en tot hem verzamelden zich al de Levieten.  27  En hij zeide tot hen: Zo zegt de Eeuwige, de God van IsraŽl: Ieder gorde zijn zwaard aan zijn heup en ga heen en weer door de legerplaats van poort tot poort en dode, ieder zijn broeder en ieder zijn verwant en ieder zijn naaste.  28  De Levieten deden naar het woord van Mozes en er vielen van het volk op die dag ongeveer drieduizend man.  29  Mozes nu zeide: Weest heden de Eeuwige gewijd; want ieder was tegen zijn zoon en zijn broeder; En wel om heden een zegen over u te brengen.  30 De volgende dag zeide Mozes tot het volk: Gij hebt een grote zonde begaan, maar nu zal ik opklimmen tot de Eeuwige, misschien zal ik voor uw zonde verzoening bewerken.  31  Toen keerde Mozes tot de Eeuwige terug en zeide: Ach, dit volk heeft een grote zonde begaan, want zij hebben zich een gouden god gemaakt.  32  Maar nu, vergeef toch hun zonde. En zo niet, delg mij dan uit het boek dat Gij geschreven hebt.  33  Maar de Eeuwige zeide tot Mozes: Wie tegen Mij gezondigd heeft, zal Ik uit mijn boek delgen.  34  Maar ga nu heen, leid het volk naar de plaats waarvan Ik u gesproken heb ; zie, mijn engel zal voor u uit gaan , maar ten dage van mijn bezoeking zal Ik aan hen hun zonde bezoeken.  35  Zo sloeg de Eeuwige het volk, omdat dit het kalf gemaakt had, dat Aharon  vervaardigd had.  33:1 En de Eeuwige sprak tot Mozes: Ga , trek vanhier op, gij en het volk dat gij uit het land Egypte hebt gevoerd, naar het land, waarvan Ik Avraham, Itschak en Aharon gezworen heb : aan uw nakomelingschap zal Ik het geven .  2  Ik zal een engel voor uw aangezicht zenden en verdrijven de Kanaaniet, de Amoriet , de Hethiet, de Perizziet, de Chiwwiet en de Jebusiet,  3  naar een land, vloeiende van melk en honig. Want Ik zal in uw midden niet optrekken, daar gij een hardnekkig volk zijt, opdat Ik u niet onderweg vertere .  4  Toen het volk dit kwade woord hoorde , treurde het en niemand deed zijn sieraad aan.  5  De Eeuwige nu zeide tot Mozes: Zeg tot de IsraŽlieten : gij zijt een hardnekkig volk. Indien Ik ook maar een ogenblik in uw midden zou optrekken, zou Ik u vernietigen. Nu dan, doe uw sieraad af, dan zal Ik zien, wat Ik u doen zal .  6  En de IsraŽlieten  onthielden zich van sieraad, van de berg Horeb af.  7 ∂ Mozes nu nam een tent en spande haar voor zich uit buiten de legerplaats, ver van de legerplaats, en noemde haar: tent der samenkomst. Ieder, die de Eeuwige zocht, ging uit naar de tent der samenkomst, die buiten de legerplaats was.  8  Wanneer Mozes uitging naar de tent, stond het gehele volk op en ging staan, ieder aan de ingang van zijn tent, en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent was binnengegaan.  9  Zodra Mozes in de tent kwam,  daalde de wolkkolom neer en bleef staan aan de ingang van de tent, en Hij sprak met Mozes.  10  Wanneer het gehele volk de wolkkolom zag staan aan de ingang van de tent , stond het op en boog zich neder , ieder aan de ingang van zijn tent.  11  En de Eeuwige sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend; dan keerde hij terug naar de legerplaats. Maar zijn dienaar Yoshua, de zoon van Nun, een jonge man, week niet uit de tent.   12 Toen zeide Mozes tot de Eeuwige: Zie , Gij zegt tot mij: doe dit volk optrekken, maar Gij hebt mij niet doen weten, wie Gij met mij zult zenden,  terwijl Gij toch gezegd hebt: Ik ken u bij name en ook hebt gij genade gevonden in mijn ogen.  13  Nu dan, indien ik genade in uw ogen gevonden heb, maak mij toch uw wegen bekend , zodat ik U ken; opdat ik genade vinde in uw ogen. Bedenk toch, dat deze natie uw volk is. 14  Toen zeide Hij: Moet Ik zelf medegaan om u gerust te stellen?  15  En hij zeide tot Hem: Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons vanhier niet optrekken.  16  Waaraan zal anders geweten worden, dat ik en uw volk genade in uw ogen gevonden hebben, dan doordat Gij met ons medegaat ? Immers daardoor zijn ik en uw volk afgezonderd uit alle volken, die op de aardbodem zijn.  17  En de Eeuwige zeide tot Mozes: Ook deze zaak, waarover gij gesproken hebt,  zal Ik doen, omdat gij genade in mijn ogen gevonden hebt en Ik u bij name ken.  18  Maar hij zeide: Doe mij toch uw heerlijkheid zien.  19  Hij nu zeide: Ik zal mijn luister aan u doen voorbijgaan en de naam van de Eeuwige voor u uitroepen: Ik zal genadig zijn,  wie Ik genadig ben, en Mij ontfermen,  over wie Ik Mij ontferm.  20  Hij zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven.  21  de Eeuwige zeide: Zie, bij Mij is een plaats, waar gij op de rots kunt staan;  22  wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat , zal Ik u in de rotsholte zetten en u met mijn hand bedekken, totdat Ik ben voorbijgegaan.  23  Dan zal Ik mijn hand wegnemen en gij zult Mij van achteren zien, maar mijn aangezicht zal niet gezien worden.  34:1 De Eeuwige zeide tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen gelijk de eerste , dan zal Ik op de tafelen de woorden schrijven, die stonden op de eerste tafelen welke gij verbrijzeld hebt.  2  Wees gereed tegen de morgen en beklim in de morgen de berg Sinai;  vervoeg u daar bij Mij op de top van de berg.  3  Doch niemand zal met u opklimmen en ook mag niemand gezien worden op de gehele berg, zelfs het kleinvee en de runderen mogen niet weiden in de nabijheid van de berg.  4  Toen hieuw Mozes twee stenen tafelen gelijk de eerste; hij beklom vroeg in de morgen de berg Sinai, zoals de Eeuwige hem geboden had, en nam de twee stenen tafelen in zijn hand.  5 En de Eeuwige daalde neder in een wolk,  stelde Zich daar bij hem en riep de naam van de Eeuwige uit.  6  De Eeuwige ging aan hem voorbij en riep: Eeuwige, Eeuwige, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw,  7  die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar de schuldige houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht.  8  Mozes knielde haastig ter aarde , boog zich neder 9  en zeide: Indien ik genade in uw ogen gevonden heb, Adonai, dan ga toch Adonai in ons midden, want het is een hardnekkig volk, maar vergeef onze ongerechtigheden en onze zonden; neem ons als erfdeel in bezit.  10 Hij zeide: Zie, Ik sluit een verbond; in het bijzijn van uw gehele volk zal Ik wonderen doen, zoals niet gewrocht zijn op de gehele aarde en bij al de volken; het gehele volk, in welks midden gij zijt, zal het werk van de Eeuwige zien , want ontzagwekkend is wat Ik met u doe.  11  Onderhoud wat Ik u heden gebied . Zie, voor u uit verdrijf Ik de Amoriet, de Kanaaniet, de Hethiet, de Perizziet , de Chiwwiet en de Jebusiet.  12  Neem u in acht, dat gij geen verbond sluit met de inwoners van het land,  waarheen gij gaat, opdat zij niet tot een valstrik in uw midden worden.  13  Integendeel, hun altaren zult gij omverhalen , hun gewijde stenen verbrijzelen en hun gewijde palen omhouwen.  14  Want gij zult u niet nederbuigen voor een andere god, immers de Eeuwige, wiens naam Naijverige is, is een naijverig God.  15  Sluit toch geen verbond met de inwoners van het land; wanneer zij hun goden overspelig nalopen en aan hun goden offeren,  dan zouden zij u uitnodigen en gij zoudt van hun slachtoffer eten.  16  Wanneer gij van hun dochters voor uw zonen neemt en zij haar goden overspelig nalopen , dan zouden zij tevens uw zonen tot overspelig nalopen van haar goden verleiden.   17  Gegoten goden zult gij u niet maken .  18 Het feest der ongezuurde broden zult gij onderhouden: zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb , op de bepaalde tijd van de maand Abib,  want in de maand Abib zijt gij uit Egypte getrokken. 19  Alles wat het eerst uit de moederschoot voortkomt, is mijn eigendom, en al uw vee van het mannelijk geslacht, dat de eerstgeboorte is van een rund of van een stuk kleinvee.  20  Maar de eerstgeboorte van een ezel zult gij lossen voor een stuk kleinvee; indien gij het niet lost, zult gij het de nek breken.  Iedere eerstgeborene van uw zonen zult gij lossen , en men zal niet met ledige handen voor mijn aangezicht verschijnen.  21  Zes dagen zult gij arbeiden, maar op de zevende dag zult gij rusten, ook in de ploegtijd en in de oogst zult gij de rustdag houden.  22  Het feest der weken, der eerstelingen van de tarweoogst, zult gij vieren, en het feest der inzameling bij de wisseling des jaars.  23  Driemaal in het jaar zal ieder van u,  die van het mannelijk geslacht is, voor het aangezicht van de Eeuwige de Here, de God van IsraŽl,  verschijnen,  24  want Ik zal volken voor uw aangezicht verdrijven en uw gebied ruim maken; en niemand zal uw land begeren, wanneer gij opgaat, om voor het aangezicht van de Eeuwige,  uw God, te verschijnen driemaal in het jaar.  25  Gij zult het bloed van mijn slachtoffer niet op iets gezuurds slachten, en het slachtoffer van het Paasfeest mag de nacht niet overblijven tot de morgen.  26  Het beste van de eerstelingen van uw bodem zult gij in het huis van de Eeuwige uw God, brengen . Gij zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.  27  De Eeuwige zeide tot Mozes: Schrijf u deze woorden op, want op grond van deze woorden heb Ik met u en met IsraŽl een verbond gesloten.  28 En hij was daar bij de Eeuwige veertig dagen en veertig nachten, brood at hij niet en water dronk hij niet , en Hij schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de Tien Woorden.  29  Toen Mozes van de berg Sinai afdaalde, (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, toen hij van de berg afdaalde) wist hij niet , dat de huid van zijn gelaat straalde , doordat hij met Hem gesproken had.  30  Toen Aharon  en al de IsraŽlieten  Mozes zagen, zie, de huid van zijn gelaat straalde, en zij durfden hem niet naderen.  31  Toen riep Mozes hen tot zich, en Aharon  en al de vorsten in de vergadering keerden tot hem terug en Mozes sprak hen toe.  32  Daarna naderden al de IsraŽlieten  en hij gebood hun al wat de Eeuwige tot hem gesproken had op de berg Sinai .  33  Toen Mozes geeindigd had met hen te spreken, deed hij een doek voor zijn gelaat.  34  Maar wanneer Mozes kwam voor het aangezicht van de Eeuwige, om met Hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij naar buiten ging ; daarna ging hij naar buiten en zeide tot de IsraŽlieten  wat geboden was .  35  Wanneer de IsraŽlieten aan het gelaat van Mozes zagen, dat de huid van zijn gelaat straalde, deed Mozes de doek weer voor zijn gelaat, totdat hij naar binnen ging, om met Hem te spreken. 

 

I Koningen 18:1-39  1  Toen er geruime tijd verstreken was,  kwam in het derde jaar het woord van de Eeuwige tot Elia: Ga heen, vertoon u aan Achab, want Ik wil regen op de aardbodem geven.  2  En Elia ging heen om zich aan Achab te vertonen. De honger nu was sterk in Samaria .  3  Daarom had Achab de hofmaarschalk Obadja ontboden. Obadja was iemand, die de Eeuwige zeer vreesde.  4  Toen Izebel de profeten van de Eeuwige uitroeide, had Obadja honderd profeten genomen en hen, vijftig bij vijftig, in een spelonk verborgen en met brood en water verzorgd.  5  En Achab zeide tot Obadja: Trek het land door naar alle waterbronnen en naar alle beken; misschien zullen wij gras vinden, zodat wij paarden en muildieren in het leven kunnen houden en geen deel van het vee behoeven af te maken.  6  En zij verdeelden onderling het land om erin rond te trekken. Achab ging afzonderlijk de ene kant uit en Obadja de andere kant .  7  Terwijl Obadja op weg was, zie,  daar kwam Elia hem tegemoet. Toen hij hem herkende, wierp hij zich op zijn aangezicht en sprak: Zijt gij daar, mijn heer Elia?  8  En hij zeide tot hem: Ja, ga heen, zeg tot uw heer: Elia is er.  9  Toen zeide hij: Wat heb ik misdaan,  dat gij uw knecht wilt overleveren in de macht van Achab om mij te doden?  10  Zo waar de Eeuwige, uw God, leeft, er is geen volk of koninkrijk, waar mijn heer niet naar u heeft laten zoeken. En zeide men: hij is er niet, dan liet hij dat koninkrijk of dat volk zweren, dat men u niet kon vinden.  11  En nu zegt gij: ga heen, zeg tot uw heer: Elia is er.  12  Nu moest het eens gebeuren, terwijl ik van u wegga, dat de Geest van de Eeuwige u wegnam, ik weet niet waarheen.  Als ik dan aan Achab bericht zou brengen en hij vond u niet, dan zou hij mij doden , terwijl uw knecht nog wel van zijn jeugd af de Eeuwige vreest.  13  Is het mijn heer niet meegedeeld, wat ik gedaan heb, toen Izebel de profeten van de Eeuwige doodde? Toen heb ik van de profeten van de Eeuwige honderd man verborgen , vijftig bij vijftig in een spelonk, en ik heb hen met brood en water verzorgd.  14  Hoe kunt gij dan nu zeggen: Ga heen , zeg tot uw heer: Elia is er?  Hij zou mij doden.  15  Daarop zeide Elia: Zo waar de Eeuwige der heerscharen leeft, in wiens dienst ik sta , heden zal ik mij aan hem vertonen .  16  Toen ging Obadja Achab tegemoet en berichtte het hem, waarop Achab Elia tegemoet ging.  17 Zodra Achab Elia zag, zeide Achab tot hem: Zijt gij daar, gij, die IsraŽl in het ongeluk stort?  18  Doch hij zeide: Ik heb IsraŽl niet in het ongeluk gestort, maar gij en uws vaders huis, doordat gij de geboden van de Eeuwige hebt verzaakt en de Baals zijt nagelopen .  19  Nu dan, laat heel IsraŽl tot mij bijeenroepen naar de berg Karmel, ook de vierhonderd vijftig profeten van de Baal en de vierhonderd profeten van de Asjera, die van de tafel van Izebel eten.  20  Daarop zond Achab heen onder alle IsraŽlieten  en riep de profeten naar de berg Karmel bijeen.  21 Toen naderde Elia tot het gehele volk en zeide: Hoelang zult gij aan beide zijden mank gaan? Indien de Eeuwige God is, volgt Hem na; maar indien het de Baal is, volgt hem na. Doch het volk antwoordde hem niets.  22  Voorts zeide Elia tot het volk: Ik ben als profeet van de Eeuwige alleen overgebleven , en de profeten van de Baal zijn vierhonderd vijftig man.  23  Laat men ons nu twee stieren geven;  laten zij voor zich de ene stier uitkiezen,  die aan stukken houwen en op het hout leggen , maar geen vuur daarbij aanbrengen;  dan zal ik de andere stier bereiden, op het hout leggen en ook geen vuur daarbij aanbrengen.  24  Roept gij dan de naam van uw god aan, en ik zal de naam van de Eeuwige aanroepen. De God die met vuur zal antwoorden, die zal God zijn. En het gehele volk antwoordde: Dat is goed.  25  Daarna zeide Elia tot de profeten van de Baal: Kiest voor u de ene stier uit en bereidt hem eerst, want gij zijt met zovelen. Roept dan de naam van uw god aan, maar brengt geen vuur daarbij.  26  Toen namen zij de stier die hij hun gaf , bereidden hem, riepen van de morgen tot de middag de naam van de Baal aan en zeiden: Baal, antwoord ons!  maar er kwam geen geluid en niemand gaf antwoord . Daarbij hinkten zij om het altaar dat zij gemaakt hadden.  27  Toen het middag was geworden, begon Elia hen te bespotten en zeide: Roept luider, want hij is immers een god. Hij is zeker in gepeins, of hij heeft zich afgezonderd , of hij is op reis; misschien slaapt hij en moet wakker worden.  28  Toen riepen zij luider en maakten zich naar hun gewoonte insnijdingen met zwaarden en speren, totdat zij dropen van bloed .  29  En zodra de middag voorbij was,  tot tegen het brengen van het avondoffer,  geraakten zij in geestvervoering, maar er kwam geen geluid, en niemand gaf antwoord, of sloeg er acht op.  30  Toen zeide Elia tot het gehele volk:  Nadert tot mij. En het gehele volk naderde tot hem. Daarop herstelde hij het altaar van de Eeuwige, dat omvergehaald was.  31  Elia nam twaalf stenen naar het getal van de stammen der zonen van Aharon,  tot wie het woord van de Eeuwige gekomen was : IsraŽl zal uw naam zijn.  32  Hij bouwde met de stenen een altaar in de naam van de Eeuwige, en maakte rondom het altaar een groeve ter wijdte van twee maten zaad.  33  Hij schikte het hout, hieuw de stier aan stukken en legde die op het hout .  34  Toen zeide hij: Vult vier kruiken met water en giet ze uit over het brandoffer en over het hout. Daarna zeide hij:  Doet het ten tweeden male. En zij deden het ten tweeden male. Daarna zeide hij: Doet het ten derden male. En zij deden het ten derden male ,  35  zodat het water rondom het altaar liep ; zelfs de groeve vulde hij met water.  36  Op de tijd nu, dat men het avondoffer brengt , trad de profeet Elia naar voren en zeide: de Eeuwige, God van Avraham, Itschak en IsraŽl, heden moge bekend worden, dat Gij God zijt in IsraŽl, en dat ik uw knecht ben, en op uw bevel al deze dingen doe .  37  Antwoord mij, Eeuwige, antwoord mij,  opdat dit volk wete, dat Gij, Eeuwige , God zijt, en dat Gij hun hart weer terugneigt.  38  Toen schoot het vuur van de Eeuwige neer en verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en de aarde, en lekte het water in de groeve op.  39  Toen het gehele volk dat zag, wierpen zij zich op hun aangezicht en zeiden : De Eeuwige, die is God! De Eeuwige, die is God! 

 

 

Een paar gedachten

>Wanneer gij het getal der IsraŽlieten bij de telling opneemt, dan zullen zij,  ieder voor zijn leven, aan de Eeuwige een zoengeld/losgeld geven, (30:12). Alle  levens zijn op zich voor Gíd even waardevol.

 

>Zij zullen dan hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven; het zal voor hen een altoosdurende inzetting zijn, voor hem en voor zijn nakomelingen naar hun geslachten (30:21) De priesters moeten zich reinigen voor ze in de Tabernakel (en later Tempel) in Gíds aanwezigheid kunnen komen. Het is een eeuwige instelling. Straks zal het weer zo gebeuren als de Tempel er weer staat.

 

>de tent der samenkomst, waar Ik met u zal samenkomen (30:36). Op de tijden die Gíd bepaalt heeft dat het volk IsraŽl naar de tent der samenkomst moest komen is Gíd zelf aanwezig met het volk.

 

>Gij dan, spreek tot de IsraŽlieten: maar mijn sabbatten moet gij onderhouden (31:13a). Het houden van de Shabbat heeft voorrang de bouw van de Tempel.

 

>Gij dan, spreek tot de IsraŽlieten: maar mijn sabbatten moet gij onderhouden want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht    zodat gij weet,  dat Ik de Eeuwige ben, die u heilig (31:13). Het houden/vieren van de Shabbat is een verbondsteken tussen Gíd en het volk IsraŽl. Door de shabbat te vieren heiligt Gíd het volk IsraŽl.

 

>Tussen Mij en de IsraŽlieten  is deze een teken voor altoos (31:17a). De shabbat is een soort trouwring, een zichtbaar teken.

 

>Toen het volk zag, dat Moshť toefde van de berg af te dalen, verzamelde het zich rondom Ašron (32:1). Ongeloof  was de aanleiding van het maken van het Gouden Kalf. Volgens de joodse traditie zou verschil in opvatting over de 40 dagen er aan ten grondslag hebben gelegen; het volk dacht dat hij 40 dagen weg zou blijven, Moshť was 40 dagen op de berg excl. de wandeling naar en vanaf de top.

 

>Aharon liet zich leiden door angst voor mensen. Angst belemmert je in het doen van de wil van G'd. Aharon had er alles voor over om het volk tot rust te krijgen

 

>Toen Aharon  dat zag, bouwde hij daarvoor een altaar en riep uit : Morgen is er een feest voor de Eeuwige! (32:5). Ze wilden de Eeuwige manier dienen op hun eigen manier in plaats van Zijn manier. Het maken van het Gouden Kalf is beeld van het aanbidden en dienen van G'd op een eigen manier Door het Gouden kalf wilden ze de Eeuwige dienen. G'd wil alleen op Zijn manier gediend worden.

 

>Denk aan Avraham, Itschak en IsraŽl,  uw dienaren, aan wie Gij gezworen hebt bij Uzelf en tot wie Gij gesproken hebt: Ik zal uw nakomelingschap vermenigvuldigen als de sterren des hemels en dit gehele land, waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan uw nakomelingschap geven, om het voor altoos te bezitten (32:13). Moshť gaat tegen Gíd in en herinnert Hem aan Zijn eigen woorden. Vanuit zijn houding om Gíd onvoorwaardelijk te dienen kon dat.

 

>en tot hem verzamelden zich al de Levieten (32:26b). Omdat de Levieten niet meegingen in het aanbidden van het Gouden Kalf zouden ze later uitgekozen worden om de tempeldienst te verzorgen. Ö. Moshť nu zeide: Weest heden de Eeuwige gewijd (32:29). Deut. 10:8  Toen zonderde de Eeuwige de stam der Levieten af om de ark van het verbond van de Eeuwige te dragen, voor de Eeuwige te staan om Hem te dienen, en in zijn naam te zegenen tot op deze dag.

 

>En de Eeuwige sprak tot Moshť van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend; dan keerde hij terug naar de legerplaats. Maar zijn dienaar Yoshua, de zoon van Nun, een jonge man, week niet uit de tent. (33:11) Een vriend en vertrouweling van Gíd is iemand die onvoorwaardelijk naar Hem luistert en doet wat Hij wil.

 

>Eeuwige, Eeuwige, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw,  die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar de schuldige houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht (34;6,7) Gíd laat zien hoe Hij is en wat hem beweegt.

 

>Zie, Ik sluit een verbond; in het bijzijn van uw gehele volk zal Ik wonderen doen, zoals niet gewrocht zijn op de gehele aarde en bij al de volken; het gehele volk, in welks midden gij zijt, zal het werk van de Eeuwige zien, want ontzagwekkend is wat Ik met u doe.  Onderhoud wat Ik u heden gebied (34:10,11). Door te wandelen in Gíds wegen ga je de grootheid van Gíd zien.

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr21 - Va-Yakhel ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021