Nr34 - Be-Ha'alotkha

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

Thora-gedeelte Be-Ha'alotkha

Be-Ha'alotkha (wanneer gij zult ontsteken), Num 8:1-12:16, Haftarah: Zech 2:14-4:7,

 

Num 8:1-12:16  1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Spreek tot Aharon en zeg tot hem: Wanneer gij de lampen opstelt, moeten de zeven lampen haar licht doen vallen op de voorzijde van de kandelaar.  3  En Aharon deed alzo; aan de voorzijde van de kandelaar stelde hij de lampen daarvan op, zoals de Eeuwige Mozes geboden had.  4  En aldus was de kandelaar gemaakt: van gedreven goud; zowel wat zijn schacht als wat zijn bloesemversiering betreft, was hij gedreven werk; overeenkomstig het voorbeeld dat de Eeuwige hem had getoond, had Mozes de kandelaar gemaakt.  5 En de Eeuwige sprak tot Mozes:  6  Neem de Levieten uit de IsraŽlieten en reinig hen.  7 Aldus zult gij met hen handelen om hen te reinigen: sprenkel op hen ontzondigingswater, daarna moeten zij een scheermes over hun gehele lichaam laten gaan en hun klederen wassen, opdat zij gereinigd worden. 8 Dan zullen zij een jonge stier nemen met het bijbehorend spijsoffer, fijn meel aangemaakt met olie, en een tweede jonge stier zult gij nemen tot een zondoffer. 9 Vervolgens zult gij de Levieten doen naderen voor de tent der samenkomst, en de gehele vergadering der IsraŽlieten samenroepen.  10 Hebt gij de Levieten voor het aangezicht van de Eeuwige doen naderen, dan zullen de IsraŽlieten de Levieten de handen opleggen, 11 en Aharon zal de Levieten bewegen als een beweegoffer uit de IsraŽlieten voor het aangezicht van de Eeuwige, en zij zullen bestemd zijn om de dienst van de Eeuwige te verrichten. 12 Nadat de Levieten hun handen op de kop der jonge stieren gelegd hebben, bereid dan de ene tot een zondoffer en de andere tot een brandoffer voor de Eeuwige, om verzoening te doen over de Levieten. 13 Dan zult gij de Levieten voor Aharon en zijn zonen plaatsen en hen bewegen als een beweegoffer voor de Eeuwige.  14  Aldus zult gij de Levieten uit de IsraŽlieten afzonderen, opdat de Levieten mijn eigendom zijn.  15  Eerst daarna zullen de Levieten naar binnen gaan om bij de tent der samenkomst dienst te doen; gij zult hen reinigen en hen als een beweegoffer bewegen.  16  Want zij zullen uit de IsraŽlieten Mij onvoorwaardelijk geschonken zijn; Ik heb hen voor Mij genomen in de plaats van alles wat het eerst uit de moederschoot voortkomt, van alle eerstgeborenen onder de IsraŽlieten. 17 Want alle eerstgeborenen onder de IsraŽlieten, zowel van mens als van dier, zijn mijn eigendom; op de dag dat Ik alle eerstgeborenen in het land Egypte sloeg, heb Ik hen Mij geheiligd, 18 en Ik nam de Levieten in de plaats van alle eerstgeborenen onder de IsraŽlieten, 19 en Ik gaf de Levieten uit de IsraŽlieten als geschonkenen aan Aharon en zijn zonen, om de dienst der IsraŽlieten bij de tent der samenkomst te verrichten, en om verzoening te doen over de IsraŽlieten, opdat er geen plaag zij onder de IsraŽlieten, wanneer de IsraŽlieten tot het heilige zouden naderen.  20 Toen volbrachten Mozes, Aharon en de gehele vergadering der IsraŽlieten deze handeling aan de Levieten; juist zoals de Eeuwige Mozes ten aanzien van de Levieten geboden had , deden de IsraŽlieten met hen. 21 De Levieten lieten zich ontzondigen en wiesen hun klederen, Aharon bewoog hen als een beweegoffer voor het aangezicht van de Eeuwige, en deed verzoening over hen en reinigde hen.  22  Daarna gingen de Levieten naar binnen om hun dienst bij de tent der samenkomst te verrichten, onder toezicht van Aharon en zijn zonen. Zoals de Eeuwige Mozes aangaande de Levieten geboden had, deed men met hen. 23  En de Eeuwige sprak tot Mozes: 24  Dit geldt voor de Levieten: iemand van vijfentwintig jaar oud en daarboven zal komen om zijn taak te verrichten in de dienst van de tent der samenkomst,  25  en op vijftigjarige leeftijd zal hij van het dienstwerk ontslagen zijn, zodat hij niet langer behoeft te dienen.  26  Al zal hij zijn broeders in de tent der samenkomst bij het vervullen van hun taak behulpzaam mogen zijn, hij zal geen dienst meer behoeven te doen. Aldus zult gij met de Levieten handelen ten aanzien van hun taak.  9:1 En de Eeuwige sprak tot Mozes in de woestijn Sinai, in het tweede jaar na hun uittocht uit het land Egypte, in de eerste maand:  2  De IsraŽlieten nu zullen het Pascha vieren op de daarvoor bepaalde tijd; 3 op de veertiende dag dezer maand, in de avondschemering, zult gij het vieren op de daarvoor bepaalde tijd, naar al de inzettingen en verordeningen, die daarop betrekking hebben, zult gij het vieren. 4 Toen beval Mozes de IsraŽlieten het Pascha te vieren;  5  en zij vierden het Pascha in de eerste maand, op de veertiende dag der maand, in de avondschemering, in de woestijn Sinai; juist zoals de Eeuwige Mozes geboden had,  deden de IsraŽlieten. 6 Nu waren er enige mannen, die onrein waren door aanraking van het lijk van een mens , zodat zij op die dag het Pascha niet konden vieren; dezen verschenen op die dag voor Mozes en Aharon. 7 En die mannen zeiden tot hen: Wij zijn onrein door aanraking van het lijk van een mens , waarom wordt ons nu belet de offergave van de Eeuwige op de daarvoor bepaalde tijd te midden van de IsraŽlieten te brengen?  8 Toen zeide Mozes tot hen: Blijft hier staan , dan wil ik horen, wat mij de Eeuwige ten aanzien van u zal gebieden. 9 Toen sprak de Eeuwige tot Mozes: 10  Spreek tot de IsraŽlieten:  wanneer iemand onrein is door aanraking van een lijk of op een verre reis is,  (het geldt zowel voor u als voor uw nageslacht) dan zal hij toch van de Eeuwige Pascha vieren. 11 In de tweede maand, op de veertiende dag, in de avondschemering, zal men het vieren , met ongezuurde broden en bittere kruiden zal men het eten.  12  Men zal niets ervan laten overblijven tot de volgende morgen, en geen been eraan breken; geheel volgens de inzetting van het Pascha zal men het vieren.  13  Maar de man, die rein is, en niet op reis, en nalaat het Pascha te vieren, die zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten, omdat hij op de daarvoor bepaalde tijd de offergave van de Eeuwige niet heeft gebracht; die man zal zijn zonde dragen. 14 Wanneer bij u een vreemdeling vertoeft, die de Eeuwige het Pascha vieren wil, dan moet hij het vieren naar de inzetting van het Pascha en de verordeningen, die daarop betrekking hebben. Enerlei inzetting zal voor u gelden, zowel voor de vreemdeling als voor de in het land geborene.  15 Op de dag nu der oprichting van de tabernakel bedekte de wolk de tabernakel, de tent der getuigenis, en des avonds was zij op de tabernakel als een vuurverschijnsel tot aan de morgen. 16 Zo was het voortdurend: de wolk bedekte hem, en het vuurverschijnsel des nachts.  17  En zo vaak als de wolk van boven de tent optrok, braken daarna de IsraŽlieten op, en op de plek waar de wolk bleef rusten, daar legerden zich de IsraŽlieten.  18 Op het bevel van de Eeuwige braken de IsraŽlieten op, en op het bevel van de Eeuwige legerden zij zich; zolang de wolk op de tabernakel rustte, bleven zij gelegerd.  19  Bleef de wolk lange tijd op de tabernakel, dan onderhielden de IsraŽlieten de dienst van de Eeuwige, en braken niet op.  20 Soms bleef de wolk enkele dagen op de tabernakel; dan legerden zij zich op het bevel van de Eeuwige en op het bevel van de Eeuwige braken zij op.  21  Soms was de wolk er van de avond tot de morgen; trok de wolk dan in de morgen op, dan braken zij op;  hetzij des daags of des nachts, als de wolk optrok, dan braken zij op.   22  Wanneer de wolk langere tijd op de tabernakel rustte, hetzij twee dagen, een maand of nog langer, dan bleven de IsraŽlieten gelegerd en braken niet op;  eerst, als zij optrok, braken zij op.  23 Op het bevel van de Eeuwige legerden zij zich en op het bevel van de Eeuwige braken zij op; zij onderhielden de dienst van de Eeuwige, volgens het bevel van de Eeuwige door de dienst van Mozes.  10:1 de Eeuwige sprak tot Mozes:  2  Maak u twee zilveren trompetten;  van gedreven werk zult gij deze maken, om u te dienen tot het samenroepen van de vergadering en tot het opbreken van de legerplaatsen.  3 Geeft men op beide een stoot, dan zal de gehele vergadering zich tot u verzamelen bij de ingang van de tent der samenkomst.  4 Geeft men op een een stoot, dan zullen de vorsten, de stamhoofden IsraŽls, zich tot u verzamelen.  5 Blaast gij een signaal, dan zullen de legerafdelingen die aan de oostzijde gelegerd zijn , opbreken;  6 blaast gij een tweede signaal, dan zullen de legerafdelingen die aan de zuidzijde gelegerd zijn, opbreken. Men zal een signaal blazen, als zij moeten opbreken;  7 bij het samenroepen van de gemeente zult gij alleen een stoot geven, maar geen signaal blazen. 8 De zonen van Aharon, de priesters, zullen op de trompetten blazen; dit zal u tot een altoosdurende inzetting zijn voor uw nageslacht.  9  En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen de vijand die u benauwt,  dan zult gij op de trompetten een signaal blazen, waardoor gij in gedachtenis gebracht zult worden voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, zodat gij van uw vijanden verlost zult worden.  10  Ook op uw vreugdedagen, op uw feesten en op uw nieuwemaansdagen zult gij een stoot op de trompetten geven bij uw brandoffers en vredeoffers; zij zullen u dienen om u voor het aangezicht van uw God in gedachtenis te brengen; Ik ben de Eeuwige, uw God.  11 In het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste dag der maand, trok de wolk van boven de tabernakel der getuigenis op.  12 Toen braken de IsraŽlieten uit de woestijn Sinai op in de voorgeschreven orde van opbreken, en de wolk bleef rusten in de woestijn Paran.  13  Dit nu was de eerste maal, dat zij opbraken volgens het bevel van de Eeuwige door de dienst van Mozes.  14 In de eerste plaats brak het vendel van de legerplaats der Judeeers op volgens hun legerscharen; aan het hoofd van het leger van Juda stond Nachson, de zoon van Amminadab; 15 aan het hoofd van het leger van de stam der Issakarieten stond Netanel, de zoon van Suar; 16 aan het hoofd van het leger van de stam der Zebulonieten stond Eliab, de zoon van Chelon. 17 Daarna werd de tabernakel afgebroken, en braken de Gersonieten en de Merarieten op, die de tabernakel droegen.  18  Vervolgens brak het vendel van de legerplaats van Ruben op volgens hun legerscharen; aan het hoofd van het leger van Ruben stond Elisur, de zoon van Sedeur; 19 aan het hoofd van het leger van de stam der Simeonieten stond Selumiel, de zoon van Surisaddai;  20 aan het hoofd van het leger van de stam der Gadieten stond Eljasaf, de zoon van Reuel. 21 Daarna braken de Kehatieten op, die het heilige droegen; men richtte de tabernakel op, voordat zij kwamen. 22 Dan brak het vendel van de legerplaats der Efraimieten op volgens hun legerscharen ; aan het hoofd van het leger van Efraim stond Elisama, de zoon van Ammihud; 23 aan het hoofd van het leger van de stam der Manassieten stond Gamliel, de zoon van Pedasur;  24  aan het hoofd van het leger van de stam der Benjaminieten stond Abidan, de zoon van Gidoni .  25  Als laatste van alle legerplaatsen brak het vendel van de legerplaats der Danieten op volgens hun legerscharen; aan het hoofd van het leger van Dan stond Achiezer, de zoon van Ammisaddai;  26  aan het hoofd van het leger van de stam der Aserieten stond Pagiel, de zoon van Okran; 27 aan het hoofd van het leger van de stam der Naftalieten stond Achira, de zoon van Enan.  28  Aldus was de orde van opbreken der IsraŽlieten volgens hun legerscharen. En zij braken op.  29 Toen zeide Mozes tot Chobab, de zoon van de Midjaniet Reuel, de schoonvader van Mozes: Wij trekken op naar de plaats waarvan de Eeuwige gezegd heeft: Ik zal u haar geven; ga met ons, dan zullen wij u weldoen, want de Eeuwige heeft het goede gesproken over IsraŽl.  30  Hij echter zeide tot hem: Neen,  maar ik wil naar mijn land en naar mijn verwanten gaan.  31  Hij nu zeide: Wil ons toch niet verlaten, want gij weet immers , hoe wij ons in de woestijn moeten legeren,  en gij kunt ons tot ogen dienen.  32  Indien gij nu met ons medegaat, en wanneer het goede er zal zijn,  waarmede de Eeuwige ons zal weldoen, dan zullen wij u weldoen.  33  Toen braken zij op van de berg van de Eeuwige en trokken drie dagreizen ver, terwijl de ark van het verbond van de Eeuwige voor hen uit optrok, drie dagreizen ver, om voor hen een rustplaats te zoeken. 34  En de wolk van de Eeuwige was overdag boven hen, wanneer zij uit de legerplaats opbraken. 35  Wanneer nu de ark opbrak, zeide Mozes: Sta op, de Eeuwige, opdat uw vijanden verstrooid worden en uw haters van uw aangezicht wegvluchten.  36  En wanneer zij bleef rusten, zeide hij:  Keer weder, de Eeuwige, tot de tienduizenden der duizenden IsraŽls.  11:1 Toen het volk aan het klagen was,  was het kwaad in de oren van de Eeuwige; de Eeuwige hoorde het en zijn toorn ontstak, waarop het vuur van de Eeuwige onder hen ontbrandde en aan de rand van de legerplaats woedde. 2 Toen kermde het volk tot Mozes en Mozes bad tot de Eeuwige; daarop doofde het vuur.  3  Daarom gaf men aan die plaats de naam Tabera, omdat onder hen het vuur van de Eeuwige had gebrand.  4 Het samenraapsel nu, dat zich onder hen bevond,  werd met gulzig begeren vervuld; ook de IsraŽlieten begonnen weer te jammeren en zeiden: Wie geeft ons vlees te eten?  5  Wij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en de meloenen, het look, de uien en het knoflook.  6  Maar nu drogen wij uit, er is in het geheel niets, wij krijgen alleen dit man te zien.  7  Het man nu leek op korianderzaad en het zag er uit als balsemhars;  8  het volk verspreidde zich om het te verzamelen en maalde het in handmolens of stampte het in vijzels en kookte het in potten en bereidde het tot koeken ; en de smaak ervan was als van oliegebak;  9  telkens wanneer des nachts de dauw op de legerplaats neerdaalde, daalde ook het man daarop neder.  10  Toen Mozes het volk, geslacht aan geslacht,  hoorde wenen, ieder aan de ingang van zijn tent, ontbrandde de toorn van de Eeuwige hevig, en het was kwaad in de ogen van Mozes,  11  en Mozes zeide tot de Eeuwige: Waarom hebt Gij uw knecht slecht behandeld en waarom heb ik geen genade gevonden in uw ogen, dat Gij de last van dit gehele volk op mij legt?  12  Heb ik dit gehele volk ontvangen of heb ik het gebaard, dat Gij tot mij zoudt kunnen zeggen: Draag het in uw schoot, zoals een voedstervader een zuigeling draagt, naar het land dat Gij aan zijn vaderen onder ede beloofd hebt?  13  Vanwaar zou ik het vlees halen om aan dit gehele volk te geven? want zij jammeren tegen mij: Geef ons vlees te eten!  14  Ik alleen kan de zorg voor dit gehele volk niet dragen: dat is mij te zwaar.  15  Wilt Gij zo met mij handelen, dood mij dan liever, indien ik genade heb gevonden in uw ogen, opdat ik mijn ongeluk niet behoef aan te zien.  16 Toen zeide de Eeuwige tot Mozes:  Vergader Mij uit de oudsten van IsraŽl zeventig mannen, van wie gij weet, dat zij oudsten en opzieners van het volk zijn, en breng hen naar de tent der samenkomst, opdat zij zich daar bij u opstellen .  17  Dan zal Ik nederdalen en daar met u spreken en een deel van de Geest die op u is, nemen en op hen leggen, opdat zij met u de last van het volk dragen,  en gij die niet alleen behoeft te dragen.  18  Maar tot het volk zult gij zeggen:  Heiligt u tegen morgen, dan zult gij vlees eten; gij hebt immers ten aanhoren van de Eeuwige gejammerd: Wie zal ons vlees te eten geven? wij hadden het zo goed in Egypte . de Eeuwige zal u vlees geven en gij zult eten.  19  Gij zult het niet een dag eten en geen twee dagen, geen vijf dagen, geen tien dagen en geen twintig dagen,  20  maar een volle maand lang, totdat het uw neus uitkomt en gij ervan walgt , omdat gij de Eeuwige hebt veracht , die in uw midden is en aldus voor zijn aangezicht hebt gejammerd: Waarom toch zijn wij uit Egypte getrokken?   21  Doch Mozes zeide: Zeshonderdduizend man te voet bedraagt dit volk, in welks midden ik ben, en Gij zegt: Vlees zal Ik hun geven, en een volle maand zullen zij het eten!  22  Kunnen er zoveel schapen en runderen voor hen geslacht worden, dat zij er genoeg aan hebben ? Of kunnen alle vissen uit de zee voor hen gevangen worden, dat zij er genoeg aan hebben ?  23  de Eeuwige echter zeide tot Mozes: Zou de hand van de Eeuwige te kort zijn? Nu zult gij zien, of mijn woord aan u geschieden zal of niet!  24 Toen Mozes naar buiten was gekomen, sprak hij de woorden van de Eeuwige tot het volk ; daarop vergaderde hij zeventig mannen uit de oudsten van het volk en stelde hen rondom de tent.  25  Toen daalde de Eeuwige in de wolk neder en sprak tot hem, en Hij nam een deel van de Geest die op hem was, en legde dat op de zeventig mannen, op de oudsten ; toen de Geest op hen rustte,  profeteerden zij, doch daarna niet meer.  26  Twee mannen nu waren in de legerplaats achtergebleven; de een heette Eldad, en de ander Medad. Toen de Geest op hen rustte (zij behoorden tot de opgeschrevenen , maar waren niet naar de tent gegaan ) profeteerden zij in de legerplaats.  27  Een jongeman snelde daarop heen en bracht Mozes bericht en zeide: Eldad en Medad zijn aan het profeteren in de legerplaats.  28  Jozua nu, de zoon van Nun, die van jongs af Mozesí dienaar was geweest,  antwoordde daarop en zeide: Mijn heer Mozes, belet het hun.  29  Doch Mozes zeide tot hem: Wilt gij voor mij ijveren? och, ware het gehele volk van de Eeuwige profeten, doordat de Eeuwige zijn Geest op hen gave!  30  Daarop trok Mozes zich in de legerplaats terug, vergezeld van de oudsten van IsraŽl. 31 Toen stak er een wind op, door de Eeuwige gezonden; die voerde kwakkels aan van de zee en strooide ze uit over de legerplaats, zodat zij een dagreis ver naar alle kanten rondom de legerplaats lagen, ongeveer twee ellen hoog boven de grond. 32 Toen maakte het volk zich op, die gehele dag en de gehele nacht en de gehele volgende dag, en verzamelde de kwakkels (die het minst had, verzamelde tien homer) en zij spreidden deze wijd uit, rondom de legerplaats.  33  Terwijl het vlees nog tussen hun tanden was, voordat het gekauwd was, ontbrandde de toorn van de Eeuwige tegen het volk en de Eeuwige sloeg het volk met een zeer zware slag.  34  Daarom gaf men aan die plaats de naam Kibrot-hattaawa, omdat men daar het gulzige volk begraven had.  35  Uit Kibrot-hattaawa brak het volk op naar Chaserot en zij bleven te Chaserot.  12:1 Mirjam nu sprak met Aharon over Mozes naar aanleiding van de Ethiopische vrouw, die hij genomen had, want hij had een Ethiopische vrouw genomen,  2  en zij zeiden: Heeft de Eeuwige soms uitsluitend door Mozes gesproken, heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de Eeuwige hoorde het. 3  Mozes nu was een zeer zachtmoedig man, meer dan enig mens op de aardbodem.  4 Toen zeide de Eeuwige onverwijld tot Mozes, Aharon en Mirjam: Gaat met uw drieen uit naar de tent der samenkomst. Daarop gingen zij met hun drieen uit.  5  Toen daalde de Eeuwige neder in de wolkkolom, stelde Zich in de ingang der tent,  en riep Aharon en Mirjam; en zij traden beiden naar voren. 6 Toen zeide Hij: Hoort nu mijn woorden. Indien onder u een profeet is,  dan maak Ik, de Eeuwige, Mij in een gezicht aan hem bekend, in een droom spreek Ik met hem.  7 Niet aldus met mijn knecht Mozes,  vertrouwd als hij is in geheel mijn huis.  8 Van mond tot mond spreek Ik met hem,  duidelijk en niet in raadselen, maar hij aanschouwt de gestalte van de Eeuwige. Waarom hebt gij u dan niet ontzien tegen mijn knecht Mozes te spreken?  9  Daarom ontbrandde de toorn van de Eeuwige tegen hen en Hij ging heen.  10 Toen nu de wolk van boven de tent geweken was, zie, Mirjam was melaats als sneeuw; toen Aharon zich tot Mirjam omwendde, ziedaar een melaatse!  11  Toen zeide Aharon tot Mozes: Ach mijn heer, reken ons toch de zonde niet toe die wij in onze dwaasheid begaan hebben.  12  Laat haar toch niet zijn als een doodgeborene, wiens vlees reeds half vergaan is, wanneer hij uit de schoot zijner moeder komt. 

 

Zach 2:14-4:7 1 Vervolgens deed Hij mij de hogepriester Jozua zien, staande voor de Engel van de Eeuwige, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen.  2  de Eeuwige echter zeide tot de satan: de Eeuwige bestraffe u, satan, ja de Eeuwige,  die Jeruzalem verkiest, bestraffe u; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt?  3  Jozua nu was met vuile klederen bekleed, terwijl hij voor de Engel stond .  4  Toen nam deze het woord en zeide tot hen die voor Hem stonden: Doet hem de vuile klederen uit. Hij zeide tot hem: Zie, Ik neem uw ongerechtigheid van u weg, Ik trek u feestklederen aan .  5  Ik nu zeide: Laat ze een reine tulband op zijn hoofd zetten. Toen zetten zij een reine tulband op zijn hoofd en trokken hem een staatsiegewaad aan, terwijl de Engel van de Eeuwige erbij stond.  6 Hierop vermaande de Engel van de Eeuwige Jozua: 7 Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: Indien gij in mijn wegen wandelt en de door Mij opgedragen taak waarneemt, dan zult gij zowel mijn huis richten als mijn voorhoven bewaken, en Ik zal u doen verkeren onder hen die hier staan.   8 Hoor toch, gij hogepriester Jozua , gij en uw gezellen die voor u zitten (zij zijn immers mannen die ten wonderteken dienen) voorwaar, zie, Ik zal mijn knecht,  de Spruit, doen komen;  9 voorwaar zie, van de steen die Ik voor Jozua neerleg (op die ene steen zijn zeven ogen) zal Ik zelf het graveersel graveren , luidt het woord van de Eeuwige der heerscharen, en Ik zal op een dag de ongerechtigheid van dit land wegdoen.   10  Te dien dage, luidt het woord van de Eeuwige der heerscharen, zult gij elkander nodigen onder de wijnstok en onder de vijgeboom.  4:1 De engel die met mij sprak, kwam terug en wekte mij zoals men iemand uit de slaap wekt.  2  Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? Daarop antwoordde ik: Ik zie daar een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen,  en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop;  3 en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder.  4 Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit,  mijn heer?  5 Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer.  6 Hij antwoordde mij: Dit is het woord van de Eeuwige tot Zerubbabel: niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest! zegt de Eeuwige der heerscharen. 7 Wie zijt gij, grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte;  hij zal de gevelsteen naar voren brengen onder het gejubel: heil, heil zij hem! 

 

 

 

 

 

Voor U er uit gelicht

> en Ik gaf de Levieten uit de Israelieten als geschonkenen aan Aaron en zijn zonen, om de dienst der Israelieten bij de tent der samenkomst te verrichten, en om verzoening te doen over de Israelieten, opdat er geen plaag zij onder de Israelieten, wanneer de Israelieten tot het heilige zouden naderen. (8:19) Levieten dienen voor God in plaats van alle eerst geborenen. Dit omdat alleen de levieten niet van God afdwaalden ten tijde van het Gouden kalf. De andere eerstgeborenen mochten daarom niet meer dienen. De trouw van de Levieten aan God heeft ook nu nog uitwerking.

 

> Nu waren er enige mannen, die onrein waren door aanraking van het lijk van een mens, zodat zij op die dag het Pascha niet konden vieren....Spreek tot de Israelieten: wanneer iemand onrein is door aanraking van een lijk of op een verre reis is, (het geldt zowel voor u als voor uw nageslacht) dan zal hij toch het Pesach van de Eeuwige vieren. (9:6, 10, 11) Vastbeslotenheid en aanhoudendheid is (op ieder gebied) nodig en belangrijk om tot je doel te komen .

 

> Als je Pesach niet in de maand Nissan kan vieren. Dan in de volgende bijbelse maand op dezelfde datum (9:11).

 

> Op het bevel van de Eeuwige braken de Israelieten op, en op het bevel van de Eeuwige legerden zij zich; zolang de wolk op de tabernakel rustte, bleven zij gelegerd. Bleef de wolk lange tijd op de tabernakel, dan onderhielden de Israelieten de dienst van de Eeuwige , en braken niet op. Soms bleef de wolk enkele dagen op de tabernakel; dan legerden zij zich op het bevel van de Eeuwige en op het bevel van de Eeuwige braken zij op.  Soms was de wolk er van de avond tot de morgen; trok de wolk dan in de morgen op, dan braken zij op; hetzij des daags of des nachts, als de wolk optrok, dan braken zij op. Wanneer de wolk langere tijd op de tabernakel rustte, hetzij twee dagen, een maand of nog langer, dan bleven de Israelieten gelegerd en braken niet op; eerst, als zij optrok, braken zij op. Op het bevel van de Eeuwige legerden zij zich en op het bevel van de Eeuwige braken zij op; zij onderhielden de dienst van de Eeuwige , volgens het bevel van de Eeuwige door de dienst van Mozes. (9:18-23) De reis door de woestijn was gecentreerd rond de dienst aan God. God gaf de richting aan waar ze heen moesten. Hier leerden ze in overgave God gehoorzaam te zijn.

 

> Blazen van de bazuin gebeurt door priesters op bepaalde tijdstippen van het jaar (10:8). Het is een eeuwige inzetting die nog steeds van kracht is en weer effectief uitgevoerd zal worden.

 

> En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen de vijand die u benauwt, dan zult gij op de trompetten een signaal blazen, waardoor gij in gedachtenis gebracht zult worden voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, zodat gij van uw vijanden verlost zult worden. (10:10) Door het bazuingeschal wordt het volk indachtig gemaakt bij God

 

> En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen de vijand die u benauwt, dan zult gij op de trompetten een signaal blazen, waardoor gij in gedachtenis gebracht zult worden voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, zodat gij van uw vijanden verlost zult worden.(10:35) Door Gods aanwezigheid wordt de vijand verslagen en verdreven.

 

> Het samenraapsel (11:4) waren mensen die wel mee optrokken, om allerlei redenen zonder het echt uit een wil om God geheel te dienen. Ze waren binnenin nooit echt een deel van het volk IsraŽl geweest.

 

> Mozes nu was een zeer zachtmoedig man, meer dan enig mens op de aardbodem. (12:3) Geestelijke volwassenheid komt tot uiting in enorme zelfbeheersing

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr35 - Shela Lekha ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021