Nr26 - Tazri'a

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

Thora-gedeelte Tazri'a (ze droeg vrucht)

 

Tazri'a(ze droeg vrucht), Lev. 12:1-13:59, Haftarah: II Koningen 4:42-5:19

 

Lev. 12:1-13:59  1 De Eeuwige sprak tot Moshť:  2  Spreek tot de IsraŽlieten:  Wanneer een vrouw moeder wordt en een kind van het mannelijk geslacht baart, dan zal zij zeven dagen onrein zijn; als in de tijd van haar maandelijkse afzondering zal zij onrein zijn.  3  En op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden. 4 DrieŽndertig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed; niets heiligs zal zij aanraken, naar het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen van haar reiniging vervuld zijn.  5  Indien zij echter een kind van het vrouwelijk geslacht baart, zal zij twee weken onrein zijn zoals in haar maandelijkse afzondering; zesenzestig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed.  6 Als de dagen van haar reiniging vervuld zijn, zal zij voor een zoon of voor een dochter een eenjarig schaap ten brandoffer, en een jonge duif of tortelduif ten zondoffer, naar de ingang van de tent der samenkomst tot de priester brengen.  7  Deze zal het voor het aangezicht van de Eeuwige offeren en over haar verzoening doen; dan zal zij rein zijn van haar bloedvloeiing.  Dit is de wet voor haar die gebaard heeft,  hetzij het een kind van het mannelijk of van het vrouwelijk geslacht betreft.  8  Indien echter haar vermogen niet toereikend is voor een stuk kleinvee, dan zal zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen : de ene ten brandoffer en de andere ten zondoffer, en de priester zal over haar verzoening doen, en zij zal rein zijn.  13:1 En de Eeuwige sprak tot Moshť en Aharon:  2 Wanneer iemand op de huid van zijn lichaam een zwelling of uitslag of lichte plek heeft, welke op de huid van zijn lichaam tot de plaag der melaatsheid zou kunnen worden , dan zal hij tot de priester Aharon of een van zijn zonen, de priesters,  gebracht worden.  3 De priester zal dan de aangetaste plek op de huid van het lichaam bezien, en als het haar op de aangetaste plek wit is geworden en het blijkt, dat de aangetaste plek dieper zit dan de huid van zijn lichaam, dan is het de plaag der melaatsheid; als de priester dat ziet , zal hij hem onrein verklaren.  4 Indien het echter een witte plek op de huid van zijn lichaam is, en het niet blijkt, dat die dieper dan de huid zit, en het haar niet wit geworden is, dan zal de priester de aangetaste zeven dagen opsluiten.  5 De priester zal hem op de zevende dag bezien; wanneer hem dan blijkt, dat de aangetaste plek gelijk gebleven is en zich over de huid niet heeft uitgebreid, dan zal de priester hem andermaal zeven dagen opsluiten.  6 En de priester zal hem op de zevende dag voor de tweede maal bezien; wanneer dan blijkt,  dat de aangetaste plek is verdoft en zich over de huid niet heeft uitgebreid, dan zal de priester hem rein verklaren; het is uitslag; dan zal hij zijn klederen wassen en rein zijn.  7  Maar indien de uitslag zich wel over de huid heeft uitgebreid, nadat hij zich aan de priester vertoond heeft om rein verklaard te worden, dan zal hij andermaal voor de priester verschijnen.  8  Wanneer de priester hem beziet en het blijkt , dat de uitslag zich over de huid heeft uitgebreid, dan zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.  9  Wanneer de plaag der melaatsheid zich bij enig mens voordoet, dan zal hij tot de priester gebracht worden.  10  Wanneer de priester hem beziet en het blijkt, dat er op de huid een witte zwelling is,  die het haar heeft wit gemaakt, of dat er wild vlees groeit in de zwelling,  11  dan is dat verouderde melaatsheid in de huid van zijn lichaam, en de priester zal hem niet opsluiten, want hij is onrein.  12 En indien de melaatsheid sterk uitgebroken is in de huid en de melaatsheid de gehele huid van de aangetaste bedekt, van zijn hoofd tot zijn voeten,  zover de priester ziet,  13  en de priester beziet hem en het blijkt, dat de melaatsheid zijn gehele lichaam heeft bedekt, dan zal hij de aangetaste rein verklaren; hij is geheel wit geworden, hij is rein. 14 Maar als zich wild vlees bij hem vertoont, dan is hij onrein; 15  ziet de priester dat wild vlees,  dan zal hij hem onrein verklaren; het wild vlees is onrein, het is melaatsheid.  16 Of wanneer het wild vlees weer verdwijnt en hij wit wordt, dan zal hij tot de priester gaan. 17 En de priester zal hem bezien; wanneer dan blijkt dat de aangetaste wit geworden is, dan zal de priester de aangetaste rein verklaren; hij is rein.  18 Wanneer er op de huid van het lichaam een zweer was, die genezen is,  19  maar er ontstaat op de plaats van de zweer een witte zwelling of een roodachtig witte plek, dan zal die aan de priester getoond worden.  20  Wanneer de priester die beziet en het blijkt, dat zij beneden de huid zit, en het haar daarop wit geworden is, dan zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid, die in de zweer is uitgebroken.  21  Maar indien de priester haar beziet en het blijkt dat er geen wit haar op is, en dat zij niet beneden de huid zit, maar verdoft is, dan zal de priester hem zeven dagen opsluiten;  22 en indien zij zich verder over de huid heeft uitgebreid, dan zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag.  23 Maar indien de lichte plek gelijk gebleven is op dezelfde plaats en zich niet heeft uitgebreid, dan is zij het litteken van de zweer,  en de priester zal hem rein verklaren.  24  Of wanneer iemand op zijn huid een brandwond heeft, en het wild vlees van de brandwond is een roodachtig witte of witte plek,  25  dan zal de priester die bezien; wanneer dan blijkt, dat het haar op die lichte plek wit geworden is, en het blijkt, dat zij dieper zit dan de huid, dan is het melaatsheid,  die in de brandwond is uitgebroken, en de priester zal hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.  26  Maar indien de priester die beziet en het blijkt, dat op die lichte plek geen wit haar is en zij niet beneden de huid zit, maar verdoft is, dan zal de priester hem zeven dagen opsluiten.  27  En de priester zal hem op de zevende dag bezien; indien zij zich verder over de huid heeft uitgebreid, dan zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.  28  Maar indien de lichte plek gelijk gebleven is op dezelfde plaats en zich niet over de huid heeft uitgebreid, maar verdoft is, dan is dat de zwelling van de brandwond, en de priester zal hem rein verklaren, want het is het litteken van de brandwond.  29  Wanneer een man of een vrouw een aangetaste plek op het hoofd of in de baard heeft,  30  dan zal de priester die aangetaste plek bezien ; wanneer het blijkt, dat zij dieper zit dan de huid, en daar geel, dun haar op is, dan zal de priester hem onrein verklaren; het is uitslag, het is melaatsheid van het hoofd of van de baard.  31  En wanneer de priester de door uitslag aangetaste plek beziet, en het niet blijkt,  dat zij dieper zit dan de huid, en daar geen zwart haar op is, dan zal de priester de door uitslag aangetaste zeven dagen opsluiten.  32  En de priester zal de aangetaste plek op de zevende dag bezien; wanneer dan blijkt,  dat de uitslag zich niet heeft uitgebreid,  en dat daar geen geel haar op is, en het blijkt, dat de uitslag niet dieper zit dan de huid,  33  dan zal hij zich scheren, maar de uitslag zal hij niet scheren; en de priester zal de door uitslag aangetaste andermaal zeven dagen opsluiten.  34  En de priester zal de uitslag op de zevende dag bezien; wanneer dan blijkt, dat de uitslag zich niet over de huid heeft uitgebreid , en het niet blijkt, dat deze dieper zit dan de huid, dan zal de priester hem rein verklaren, en hij zal zijn klederen wassen ; hij is rein.  35  Maar indien de uitslag zich verder over de huid heeft uitgebreid, nadat hij rein verklaard is,  36  en de priester beziet hem, en het blijkt , dat de uitslag zich over de huid uitgebreid heeft, dan behoeft de priester niet naar het gele haar te zoeken, hij is onrein.  37  Maar indien de uitslag, naar hij zien kan,  gelijk gebleven is, en daar zwart haar op groeit, dan is de uitslag genezen, hij is rein, en de priester zal hem rein verklaren.  38 Wanneer een man, of een vrouw, op de huid van hun lichaam lichte plekken hebben,  witte plekken,  39  en de priester beziet ze, en het blijkt , dat op de huid van hun lichaam doffe, witte plekken zijn, dan is het gewone uitslag, die in de huid uitgebroken is; hij is rein.  40  Wanneer het hoofd van een man kaal wordt, is hij slechts kaalhoofdig; hij is rein.  41  Indien iemands voorhoofd kaal wordt, dan is hij van voren kaal; hij is rein.  42  Maar wanneer op de kale kruin of op het kale voorhoofd een roodachtig witte aangetaste plek is, dan is het melaatsheid, die uitgebroken is op zijn kale kruin of op zijn kale voorhoofd.  43  En de priester zal hem bezien; wanneer dan blijkt, dat de zwelling van de aangetaste plek roodachtig wit is op zijn kale kruin of op zijn kale voorhoofd, zoals melaatsheid van de huid van het lichaam er uit ziet,  44  dan is hij een melaatse, hij is onrein, de priester zal hem zeker onrein verklaren; op zijn hoofd is zijn plaag.  45  De klederen van de melaatse, die door de plaag getroffen is, zullen gescheurd zijn , zijn hoofdhaar zal hij los laten hangen en de bovenlip bedekken en roepen: Onrein, onrein!  46  Zolang hij de plaag heeft, blijft hij onrein; hij is onrein; afgezonderd zal hij wonen, buiten de legerplaats zal zijn verblijf zijn.  47 Wanneer aan een kleed een plaag der melaatsheid zal zijn, aan een wollen of linnen kleed, hetzij aan de schering,  48  hetzij aan de inslag van het linnen of van de wol, of aan leder of iets van leder gemaakt,  49  en indien de aangetaste plek groenachtig of roodachtig is aan het kleed of aan het leder, hetzij aan de schering, hetzij aan de inslag, of aan enig lederwerk, dan is dat de plaag der melaatsheid, en zal het aan de priester getoond worden.  50  De priester zal de aangetaste plek bezien en het aangetaste zeven dagen wegsluiten.  51  Op de zevende dag zal hij de aangetaste plek bezien; wanneer de aangetaste plek aan het kleed, hetzij aan de schering, hetzij aan de inslag of aan het leder, voor welk doel het leder ook gebruikt wordt, zich heeft uitgebreid, dan is de plaag een kwaadaardige melaatsheid, het is onrein.  52  Hij zal het kleed, zowel de schering als de inslag van wol of van linnen, of enig lederwerk, waaraan de plaag is , verbranden, want het is een kwaadaardige melaatsheid, met vuur zal het verbrand worden.  53  En wanneer de priester het beziet, en het blijkt, dat de aangetaste plek aan het kleed,  hetzij aan de schering, hetzij aan de inslag,  of aan enig lederwerk, zich niet uitgebreid heeft,  54  dan zal de priester gebieden het aangetaste voorwerp te wassen, en hij zal het andermaal zeven dagen wegsluiten.  55  Nadat het gewassen is, zal de priester het aangetaste bezien; wanneer blijkt, dat de aangetaste plek er niet anders uitziet,  ook al heeft de aangetaste plek zich niet uitgebreid, dan is het onrein; met vuur zult gij het verbranden, het is een invreting aan zijn achterkant of aan zijn voorkant.  56  En wanneer de priester het beziet, en het blijkt, dat de aangetaste plek verdoft is,  nadat het gewassen is, dan zal hij die uit het kleed of uit het leder, hetzij uit de schering, hetzij uit de inslag,  uitscheuren.  57  Indien zij zich echter opnieuw vertoont in het kleed, hetzij in de schering hetzij in de inslag, of in enig lederwerk, dan is het uitbrekende melaatsheid; met vuur zult gij dan het stuk waaraan de plaag zit, verbranden.  58  Maar het kleed, hetzij de schering, hetzij de inslag, of enig lederwerk, dat gij wassen zult, en waaruit de plaag is geweken, zal andermaal gewassen worden,  en het zal rein zijn.  59  Dit is de wet op de plaag der melaatsheid aan wollen of linnen klederen, hetzij aan de schering, hetzij aan de inslag, of aan enig lederwerk; om het rein of onrein te verklaren. 

 

II Koningen 4:42-5:19  42  Er was een man gekomen uit Baal-salisa; deze bracht de man Gods in zijn tas brood van de eerstelingen, twintig gerstebroden en vers koren. En hij zeide: Geef het aan het volk, opdat zij eten. 43  Maar zijn dienaar zeide: Hoe kan ik dit aan honderd man voorzetten? En hij zeide: Geef het aan het volk, opdat zij eten. Want zo zegt de Eeuwige: Men zal eten en overhouden. 44  Daarop zette hij het hun voor, en zij aten en hielden over, naar het woord van de Eeuwige. 5:1  Naaman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want door hem had de Eeuwige een overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was melaats. 2  De ArameeŽrs nu waren eens in benden uitgetrokken en hadden een jong meisje uit het land van IsraŽl gevangen meegevoerd; zij was in dienst van Naamans vrouw. 3  En zij zeide tot haar meesteres: Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen. 4  Toen kwam hij en deelde het aan zijn heer mee: Zo en zo heeft het meisje uit het land van IsraŽl gesproken. 5  De koning van Aram zeide: Welaan, ga heen, ik wil een brief aan de koning van IsraŽl zenden. Zo ging hij heen en nam met zich mee tien talenten zilver, zesduizend sikkels goud en tien bovenklederen. 6  Hij bracht aan de koning van IsraŽl de brief, waarin geschreven stond: Nu dan, zodra deze brief u bereikt, zie, ik zend mijn dienaar Naaman tot u, opdat gij hem verlost van zijn melaatsheid. 7  Zodra de koning van IsraŽl de brief gelezen had, scheurde hij zijn klederen en zeide: Ben ik God, om te kunnen doden en levend maken, dat deze man een boodschap tot mij zendt om een man van zijn melaatsheid te verlossen? Voorzeker, let op, ziet: hij zoekt een voorwendsel tegen mij. 8  Zodra Elisa, de man Gods, gehoord had, dat de koning van IsraŽl zijn klederen gescheurd had, zond hij tot de koning de boodschap: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hij toch tot mij komen, opdat hij wete, dat er een profeet in IsraŽl is. 9 En Naaman kwam met zijn paarden en met zijn wagens en hield stil bij de ingang van het huis van Elisa. 10  Elisa zond een bode tot hem met de opdracht: Ga heen en baad u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw lichaam weer gezond worden en gij zult rein zijn. 11  Toen werd Naaman toornig en ging heen, terwijl hij zeide: Zie, ik dacht bij mijzelf: hij zal zeker naar buiten komen en daar gaan staan en de naam van de Eeuwige, zijn God, aanroepen en zijn hand over de plek heen en weer bewegen en zo de melaatsheid wegnemen. 12  Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet beter dan alle wateren van IsraŽls? Zou ik mij daarin niet kunnen baden en rein worden? Daarop wendde hij zich om en ging heen in grimmigheid. 13  Toen traden echter zijn dienaren nader, spraken hem aan en zeiden: Mijn vader, had de profeet u iets moeilijks opgedragen, zoudt gij dat dan niet doen? Hoeveel te meer, nu hij tot u gezegd heeft: Baad u en gij zult rein worden? 14  Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein. 15 Daarop keerde hij terug tot de man Gods, hijzelf met zijn gehele gevolg; en bij hem gekomen, ging hij voor hem staan en zeide: Zie, nu weet ik, dat er op de gehele aarde geen God is behalve in IsraŽl. Neem dan een geschenk aan van uw dienaar. 16  Maar hij zeide: Zo waar de Eeuwige leeft, in wiens dienst ik sta, ik neem niets aan. En, hoewel hij bij hem aandrong, dat hij iets zou aannemen, bleef hij weigeren. 17 Toen zeide Naaman: Indien dan niet, laat aan uw knecht een last aarde geven zoveel als een span muildieren kan dragen. Want uw knecht zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden dan aan de Eeuwige. 18  Maar moge de Eeuwige dit aan uw knecht vergeven: wanneer mijn heer in de tempel van Rimmon komt om zich aldaar neer te buigen, terwijl hij op mijn arm leunt, zodat ik mij in de tempel van Rimmon moet neerbuigen; als ik mij dan neerbuig in de tempel van Rimmon, moge de Eeuwige deze zaak aan uw knecht vergeven. 19  En hij zeide tot hem: Ga in vrede. Toen hij een eindweegs van hem was weggegaan,

 

 

Voor U er uit gelicht

>En op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden (12:3). Besnijdenis is een vervolmaking van het scheppingswerk. De mens heeft, evenals bij al het andere wat hij doet, de taak de schepping te vervolmaken en beter te maken. Gíd heeft de graansoorten geschapen. De mens maakt er een brood van. Dat is ook vervolmaken. Gíd had de besnijdenis al Ďvoorziení bij het scheppingswerk. Dat de besnijdenis gebeurt op de 8e dag vertelt ons dat de relatie van het Joodse volk met Gíd niet gebaseerd is op gevoel of gedachte of inzicht maar van het Joods zijn. 

 

>Als de dagen van haar reiniging vervuld zijn, zal zij voor een zoon of voor een dochter een eenjarig schaap ten brandoffer, en een jonge duif of tortelduif ten zondoffer, naar de ingang van de tent der samenkomst tot de priester brengen (12:6) Zondoffer na geboorte: Wanneer iemand onder normale omstandigheden leeft, kan hij zijn gedrag aanpassen aan zijn omge≠ving. Maar onder extreme omstandigheden komt het diepste in hem naar boven. Onder echt extreme omstandigheden kwam Rabbi Akiva. Toen hij door de Romeinen werd dood gemarteld, vloekte en tierde Hij echter niet. In plaats daarvan zag hij het extreme lijden als de ultieme mogelijkheid Gíd met heel zijn hart en ziel (in alle omstandigheden) te prijzen, een situatie waarin hij in staat was zijn ziel terug te geven aan Gíd in een gebaar van liefde voor Hem (Deut. 6:5).

 

>Indien echter haar vermogen niet toereikend is voor een stuk kleinvee, dan zal zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen : de ene ten brandoffer en de andere ten zondoffer, en de priester zal over haar verzoening doen, en zij zal rein zijn (12:8). De grootte van een offer is in de eerste plaats niet belangrijk maar de houding, intentie.

 

>Tsaraíat (huidaandoening) (wordt in de Nederlandse bijbelvertalingen foutief vertaald met melaatsheid) is een specifieke straf op kwaadsprekerij en roddel zo staat er in de Talmud en de Midrash. In het Hebreeuws wordt het woord Ďlashon harahĒ voor die slechte praat gebruikt. Zie Num.12 (de geschiedenis met Mirjam) als ook Ex.4 (als het volk kwaad zou spreken dat God hem niet gezonden zou hebben, zou hij een melaatse hand moeten laten zien). In Lev. 19:16 staat ďGij zult onder uw volksgenoten niet als een lasteraar rondgaanĒ. Roddel Ďdoodtí drie personen zo staat er in de Talmud (Erachin 15a); degene die het uitspreekt, degene die er naar luistert en degene waar over gesproken wordt. Onder lashon harah wordt ook negatief spreken over jezelf verstaan.

 

>Deze ziekte wordt door God de zonde in de openbaarheid te gebracht met het doel tot bekering te komen.

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr27 - Mezora ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021