Nr25 - Shemini

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

Thora-gedeelte Shemini (acht)

 

Shemini (acht)  Lev 9:1-11:47, Haftarah: II Sam 6:1-7:17

 

Lev 9:1-11:47  1 Op de achtste dag riep Mozes Ašron, diens zonen en de oudsten van IsraŽl en zeide tot Ašron:  2  Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, beide gaaf , en breng ze voor het aangezicht van de Eeuwige.  3  En tot de IsraŽlieten zult gij spreken : Neemt een geitenbok ten zondoffer, en ten brandoffer een kalf en een schaap, elk een jaar oud, en gaaf.  4  Daarbij een rund en een ram ten vredeoffer om ze voor het aangezicht van de Eeuwige te offeren,  benevens een spijsoffer, met olie aangemaakt , want heden zal u de Eeuwige verschijnen.  5  Toen brachten zij hetgeen Mozes geboden had naar de tent der samenkomst, en de gehele vergadering naderde en stond voor het aangezicht van de Eeuwige.  6  En Mozes zeide: Dit is het, wat de Eeuwige u geboden heeft te doen, opdat de heerlijkheid van de Eeuwige u verschijne.  7  Toen zeide Mozes tot Ašron: Nader tot het altaar en bereid uw zondoffer en uw brandoffer en doe verzoening voor u en voor het volk; bereid daarna de offergave des volks en doe voor hen verzoening , zoals de Eeuwige geboden heeft.  8 Toen naderde Ašron tot het altaar en slachtte het kalf dat voor hem ten zondoffer bestemd was.  9  En de zonen van Ašron brachten hem het bloed en hij doopte zijn vinger in het bloed en streek dat aan de horens van het altaar; het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar.  10  Maar het vet, de nieren en het aanhangsel aan de lever van het zondoffer deed hij in rook opgaan op het altaar, zoals de Eeuwige Mozes geboden had.  11  Het vlees en de huid echter verbrandde hij met vuur buiten de legerplaats.  12  Daarop slachtte hij het brandoffer, en de zonen van Ašron reikten hem het bloed , en hij sprengde het rondom tegen het altaar.  13  Ook het brandoffer reikten zij hem, in zijn stukken verdeeld, met de kop, en hij deed dit op het altaar in rook opgaan.  14  Hij wies de ingewanden en de onderschenkels en deed ze op het brandoffer in rook opgaan op het altaar.  15  Hierna offerde hij de offergave des volks ; hij nam de bok van het zondoffer die voor het volk bestemd was, slachtte die en bereidde hem ten zondoffer zoals het vorige.  16  Daarna offerde hij het brandoffer en deed daarmede volgens het voorschrift.  17  Vervolgens liet hij het spijsoffer brengen,  nam er een handvol van en deed het in rook opgaan op het altaar, benevens het morgenbrandoffer.  18  Ook slachtte hij het rund en de ram, die als vredeoffer voor het volk bestemd waren,  en de zonen van Ašron reikten hem het bloed, en hij sprengde het rondom tegen het altaar.  19  De vetstukken van het rund echter, de vetstaart van de ram, benevens het vet dat de ingewanden bedekt, de nieren en het aanhangsel aan de lever,  20  deze vetstukken legden zij op de borststukken, en hij deed deze vetstukken in rook opgaan op het altaar.  21  En de borststukken en de rechterbovenschenkel bewoog Ašron als beweegoffer voor het aangezicht van de Eeuwige, zoals Mozes geboden had .  22  Toen hief Ašron zijn handen op over het volk en zegende het; daarna daalde hij af, nadat hij het zondoffer, het brandoffer en het vredeoffer gebracht had.  23 Mozes nu en Ašron gingen in de tent der samenkomst, en toen zij er weer uitkwamen , zegenden zij het volk, en de heerlijkheid van de Eeuwige verscheen aan het gehele volk.  24  En er ging vuur uit van de Eeuwige en dit verteerde op het altaar het brandoffer en de vetstukken; toen het volk dat zag, juichten allen en wierpen zich op hun aangezicht. 

10:1 En de zonen van Ašron, Nadab en Abihu,  namen ieder zijn vuurpan, deden daar vuur in en legden daar reukwerk op; zo brachten zij vreemd vuur voor het aangezicht van de Eeuwige, hetgeen Hij hun niet geboden had.  2  Toen ging er vuur uit van de Eeuwige en dit verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de Eeuwige.  3 En Mozes zeide tot Ašron: Dit is het , wat de Eeuwige gesproken heeft:  aan degenen die Mij het naaste staan, zal Ik Mij de Heilige betonen en ten aanschouwen van het gehele volk zal Ik Mij verheerlijken. En Ašron zweeg.  4  Toen riep Mozes Misael en Elsafan, de zonen van Uzziel, de oom van Ašron, en zeide tot hen: Nadert,  draagt uw broeders van het heiligdom weg buiten de legerplaats.  5  Zij naderden en droegen hen in hun onderklederen weg buiten de legerplaats,  zoals Mozes gesproken had.  6  En Mozes zeide tot Ašron en zijn zonen Eleazar en Itamar: Uw hoofdhaar zult gij niet los laten hangen en uw klederen zult gij niet scheuren, opdat gij niet sterft , en Hij niet toorne over de gehele vergadering; maar uw broeders, het gehele huis Israels, zullen de brand bewenen, die de Eeuwige heeft doen ontbranden.  7  Van de ingang van de tent der samenkomst zult gij niet weggaan, opdat gij niet sterft , want de zalfolie van de Eeuwige is op u. En zij deden naar het woord van Mozes.  8 de Eeuwige sprak tot Ašron:  9  Wijn of bedwelmende drank zult gij niet drinken, gij noch uw zonen, wanneer gij de tent der samenkomst binnengaat, opdat gij niet sterft (het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten)  10  opdat gij scheiding kunt maken tussen heilig en onheilig, tussen onrein en rein,  11  en opdat gij de Israelieten kunt onderwijzen in al de inzettingen die de Eeuwige door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft.  12 En Mozes sprak tot Ašron en Eleazar en Itamar, zijn overgebleven zonen : Neemt het spijsoffer dat overgebleven is van de vuuroffers van de Eeuwige, en eet het als ongezuurde broden naast het altaar , want het is allerheiligst.  13  Gij zult het eten op een heilige plaats,  want het is uw deel en het deel uwer zonen in de vuuroffers van de Eeuwige; zo is mij geboden.  14  De beweegborst en de hefschenkel zult gij op een reine plaats eten, gij met uw zonen en dochters; want dat is het deel van de vredeoffers der Israelieten, dat aan u en uw kinderen gegeven is.  15  De hefschenkel en de beweegborst zullen zij brengen bij de vuuroffers van de vetstukken, om die als een beweegoffer te bewegen voor het aangezicht van de Eeuwige. En het zal voor u en uw kinderen tot een altoosdurende inzetting zijn, zoals de Eeuwige geboden heeft.  16  En Mozes zocht ijverig naar de bok van het zondoffer, maar zie, hij was verbrand . Toen werd hij toornig op Eleazar en Itamar, de overgebleven zonen van Ašron, en zeide:  17  Waarom hebt gij het zondoffer niet op de heilige plaats gegeten? Want het was allerheiligst, en Hij gaf u dit om de ongerechtigheid der vergadering weg te nemen en over hen verzoening te doen voor het aangezicht van de Eeuwige.  18  Zie, het bloed daarvan is niet binnen in het heiligdom gebracht; gij hadt het immers in het heiligdom moeten eten, zoals ik geboden had.  19  Toen sprak Ašron tot Mozes: Zie , heden hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor het aangezicht van de Eeuwige gebracht,  en zulke dingen zijn mij overkomen; indien ik heden zondoffer gegeten had, zou dat goed geweest zijn in de ogen van de Eeuwige?  20  Toen Mozes dit hoorde, was het goed in zijn ogen. 

11:1 de Eeuwige sprak tot Mozes en Ašron en zeide tot hen:  2  Spreekt tot de IsraŽlieten:  Dit zijn de dieren, die gij eten moogt van al het gedierte dat op de aarde is.  3  Al wat gespleten hoeven heeft, te weten geheel doorkloofde hoeven, en wat herkauwt onder de dieren moogt gij eten.  4  De volgende echter zult gij niet eten van de dieren die herkauwen of gespleten hoeven hebben: de kameel, omdat die wel herkauwt, maar geen gespleten hoeven heeft; onrein zal die voor u zijn.  5  Ook de klipdas, omdat die wel herkauwt , maar geen gespleten hoeven heeft; onrein zal die voor u zijn.  6  Ook de haas, omdat die wel herkauwt , maar geen gespleten hoeven heeft;  onrein zal die voor u zijn.  7  Ook het zwijn, omdat het wel gespleten hoeven, ja zelfs geheel doorkloofde hoeven heeft, maar niet herkauwt; onrein zal het voor u zijn.  8  Van hun vlees zult gij niet eten en hun aas zult gij niet aanraken; onrein zullen die voor u zijn.  9 Dit moogt gij eten van al wat in het water leeft: al wat vinnen en schubben heeft, in het water, in de zeeen en in de stromen , dat moogt gij eten.  10  Maar al wat geen vinnen of schubben heeft, in de zeeen en de stromen, onder al wat in het water wemelt en onder alle levende wezens die in het water zijn,  dat zal u een gruwel wezen.  11  Ja, een gruwel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten en hun aas zult gij verafschuwen.  12  Alles in het water, dat geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een gruwel zijn.  13  Deze zult gij verafschuwen onder de vogels, (zij mogen niet gegeten worden, een gruwel zijn zij): de arend, de lammergier en de zeearend,  14  de wouw en alle soorten gieren,  15  alle soorten raven,  16  de struisvogel, de katuil en de meeuw en alle soorten sperwers,  17  de steenuil, de aalscholver en de oehoe,  18  de witte uil, de pelikaan, de aasgier 19  en de ooievaar, alle soorten reigers, de hop en de vleermuis.  20 Alle wemelend gedierte met vleugels, dat op vier poten gaat, dat zal u een gruwel zijn.  21  Deze echter moogt gij eten van al het wemelend gedierte met vleugels, dat op vier poten gaat: die boven zijn voeten dijen heeft om daarmee over de grond te springen.  22  Deze moogt gij daarvan eten: alle soorten sprinkhanen, alle soorten treksprinkhanen,  alle soorten veldsprinkhanen en alle soorten kleine treksprinkhanen.  23  Maar alle wemelend gedierte met vleugels,  dat vier poten heeft, dat zal u een gruwel zijn.  24  Aan deze verontreinigt gij u; ieder die hun aas aanraakt, zal onrein zijn tot de avond,  25  en ieder die van hun aas opneemt,  zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot de avond.  26  Alle dieren die gespleten hoeven hebben, maar niet geheel doorkloofde hoeven , en die niet herkauwen, zullen u onrein zijn; ieder die ze aanraakt, zal onrein zijn.  27  Ook alle zoolgangers onder al de viervoetige dieren zullen u onrein zijn: ieder die hun aas aanraakt, zal onrein zijn tot de avond.  28  En hij die hun aas opneemt, zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot de avond; onrein zullen zij u zijn.  29  Dit zal u het onreine zijn onder het wemelend gedierte dat op de grond wemelt: de mol , de muis en alle soorten padden;  30  en de egel, de waraan en de hagedis, de slak en het kameleon.  31  Deze zullen u onrein zijn onder al het wemelend gedierte. Ieder die ze aanraakt , als zij dood zijn, zal onrein zijn tot de avond.  32  En alles waarop zulk een dier valt , als het dood is, zal onrein zijn; elk houten vat of kledingstuk of vel of zak, elk gebruiksvoorwerp, zal in het water gelegd worden en onrein zijn tot de avond; dan zal het rein zijn.   33  En elk aarden vat, waarin zulk een dier valt; alles wat daarin is, zal onrein zijn, en gij zult het stuk breken.  34  Alle voedsel dat gegeten mag worden , waarop water komt, zal onrein zijn; en alle drank die gedronken mag worden, zal in al zulk vaatwerk onrein zijn.  35  En alles waarop zulk aas valt,  zal onrein zijn: de oven en de bakpan zullen gebroken worden, onrein zijn zij en onrein zullen zij u zijn;  36  een bron echter of een put, een vergaarbak van water, zal rein zijn; maar die zulk aas aanraakt, zal onrein zijn.  37  En wanneer zulk aas valt op enig zaaizaad dat uitgezaaid zal worden,  dan zal dit rein blijven.  38  Maar wanneer water op dat zaad gedaan is en er valt zulk aas op,  dan zal het u onrein zijn.  39  Wanneer een van de dieren die u tot spijze zijn, sterft, dan zal hij die zijn aas aanraakt, onrein zijn tot de avond.  40  En hij die van zijn aas eet, zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot de avond; ook hij die zijn aas opneemt, zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot de avond.  41  En al het wemelend gedierte dat op de grond wemelt, is een gruwel, het zal niet gegeten worden.  42  Alles wat op de buik gaat en alles wat op vier voeten gaat, ook alle veelvoetigen van allerlei wemelend gedierte dat op de grond wemelt, dat zult gij niet eten, want die zijn een gruwel.  43 Maakt uzelf niet verfoeilijk door enig wemelend gedierte en verontreinigt u daardoor niet, zodat gij daardoor onrein wordt.  44  Want Ik ben de Eeuwige, uw God; heiligt u en weest heilig, want Ik ben heilig; verontreinigt uzelf niet door allerlei wemelend gedierte dat op de grond krioelt.  45  Want Ik ben de Eeuwige, die u uit het land Egypte heb doen trekken, om u tot een God te zijn; weest heilig, want Ik ben heilig.  46  Dit is de wet aangaande het vee, het gevogelte en elk levend wezen dat krioelt in het water, en elk wezen dat op de grond wemelt,  47  om scheiding te maken tussen het onreine en het reine, tussen de dieren die gegeten mogen worden, en de dieren die niet gegeten mogen worden. 

 

II Sam 6:1-7:17  1 Wederom vergaderde David alle jongemannen in IsraŽl, dertigduizend ;  2  en trok op en toog met al het volk dat bij hem was, uit Baale-jehuda,  om vandaar de ark Gods mee te voeren , waarover de naam is uitgeroepen:  de naam van de Eeuwige der heerscharen, die op de cherubs troont.  3  Zij vervoerden de ark Gods op een nieuwe wagen; zij haalden haar uit het huis van Abinadab op de heuvel, en Uzza en Achio, de zonen van Abinadab, leidden de wagen met de ark Gods;  4  Achio liep voor de ark uit.    5  David en het gehele huis van IsraŽl dansten voor het aangezicht van de Eeuwige, onder begeleiding van allerlei instrumenten van cypressehout , citers, harpen, tamboerijnen,  rinkelbellen en cimbalen.  6 Maar toen zij bij de dorsvloer van Nakon kwamen, strekte Uzza zijn hand uit naar de ark Gods en greep haar, omdat de runderen uitgleden.  7  En de toorn van de Eeuwige ontbrandde tegen Uzza en God sloeg hem daar om deze onbedachtzaamheid; hij stierf daar bij de ark Gods.  8  David was diep getroffen, omdat de Eeuwige zulk een zware slag aan Uzza had toegebracht; daarom noemt men die plaats Peres-uzza tot op de huidige dag.  9  Te dien dage werd David bevreesd voor de Eeuwige en hij zeide: Hoe zou de ark van de Eeuwige tot mij komen?  10  Daarom wilde David de ark van de Eeuwige niet bij zich nemen in de stad Davids, maar liet haar onderbrengen in het huis van de Gatiet Obed-edom.  11  En de ark van de Eeuwige bleef drie maanden in het huis van de Gatiet Obed-edom,  en de Eeuwige zegende Obed-edom en zijn gehele huis.  12 Aan koning David werd meegedeeld : de Eeuwige heeft het huis van Obed-edom en al wat hij bezit, gezegend, ter wille van de ark Gods. Toen ging David heen en haalde de ark Gods onder gejuich uit het huis van Obed-edom naar de stad Davids.  13  Nadat de dragers van de ark van de Eeuwige zes schreden voortgegaan waren,  offerde hij een rund en een gemest kalf.  14  En David danste uit alle macht voor het aangezicht van de Eeuwige; David nu was omgord met een linnen lijfrok.  15  David en het gehele huis IsraŽls haalden de ark van de Eeuwige, onder gejubel en hoorngeschal.  16  Toen de ark van de Eeuwige de stad Davids binnenkwam, keek Mikal, de dochter van Saul, door het venster en zag koning David huppelen en dansen voor het aangezicht van de Eeuwige; en zij verachtte hem in haar hart.  17  Nadat zij de ark van de Eeuwige binnengebracht hadden , zetten zij haar neer op haar plaats , in de tent die David voor haar gespannen had, en David bracht brandoffers en vredeoffers voor het aangezicht van de Eeuwige.  18  Toen David gereed was met het brengen van de brandoffers en de vredeoffers,  zegende hij het volk in de naam van de Eeuwige der heerscharen.  19  Hij deelde uit aan het gehele volk, aan de gehele menigte van Israel, zowel mannen als vrouwen, ieder een broodkoek,  een stuk vlees, en een druivenkoek. Daarop ging al het volk heen, ieder naar zijn huis.  20 Toen David terugkeerde om zijn gezin te begroeten, ging Mikal, de dochter van Saul, David tegemoet, en zeide:  Wat een eer heeft de koning van IsraŽl zich thans verworven, dat hij zich heden ontbloot heeft ten aanschouwen van de slavinnen zijner dienaren, zoals een lichtzinnig man zich schaamteloos ontbloot!  21  Maar David zeide tot Mikal: Voor het aangezicht van de Eeuwige, die mij verkoren heeft boven uw vader en boven heel zijn huis om mij aan te stellen tot vorst over het volk van de Eeuwige, over IsraŽl, voor het aangezicht van de Eeuwige heb ik gedanst.  22  Ja, ik zal mij nog geringer gedragen dan ik deed; ik zal onaanzienlijk zijn in eigen ogen, en bij de slavinnen van wie gij spreekt , bij haar wil ik eer verwerven.  23  Mikal nu, de dochter van Saul, bleef kinderloos tot de dag van haar dood toe. 

7:1 Toen de koning in zijn paleis was gaan wonen en de Eeuwige hem aan alle zijden van al zijn vijanden rust gegeven had ,  2  zeide de koning tot de profeet Natan : Zie toch, ik woon in een cederen paleis, terwijl de ark Gods verblijft onder een tentkleed.  3  Toen zeide Natan tot de koning: Welaan , doe al wat in uw hart is,  want de Eeuwige is met u.  4 Maar in die nacht kwam het woord van de Eeuwige tot Natan:  5  Ga, spreek tot mijn knecht, tot David: Zo zegt de Eeuwige: zoudt gij voor Mij een huis bouwen om in te wonen ?  6  Ik heb immers in geen huis gewoond van de dag af, dat Ik de IsraŽlieten uit Egypte voerde, tot nu toe,  maar Ik ben rondgetrokken in een tent,  in een tabernakel.  7  Heb Ik ooit, terwijl Ik met al de IsraŽlieten rondtrok, tot een der stamhoofden van IsraŽl die Ik geboden had, mijn volk IsraŽl te weiden, het woord gesproken : Waarom bouwt gij Mij niet een huis van cederhout?  8  Nu dan, zo moet gij spreken tot mijn knecht, tot David: Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: Ik heb u gehaald uit de weide van achter de schapen, om vorst te zijn over mijn volk, over IsraŽl,  9  en Ik ben met u geweest overal waar gij gegaan zijt. Al uw vijanden heb Ik voor u uitgeroeid. Ook zal Ik u een grote naam maken gelijk die van de groten der aarde.  10  Ik zal een plaats bepalen voor mijn volk , voor Israel, en het planten, zodat het op zijn eigen plaats kan wonen, zonder dat het meer opgeschrikt wordt en boosdoeners het onderdrukken zoals vroeger,  11  sedert de tijd dat Ik richters over mijn volk IsraŽl aangesteld heb. Ik zal u rust geven van al uw vijanden.  Ook kondigt de Eeuwige u aan: de Eeuwige zal u een huis bouwen.  12  Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.  13  Die zal mijn naam een huis bouwen,  en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen.  14  Ik zal hem tot een vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn. Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen.  15  Maar mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik haar heb doen wijken van Saul, die Ik voor uw aangezicht heb weggedaan.  16  Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vast staan voor altijd.  17  Geheel overeenkomstig deze woorden en dit gezicht, heeft Natan tot David gesproken . 

 

 

 

Een paar gedachten

>Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, beide gaaf, en breng ze voor het aangezicht van de Eeuwige.   En tot de IsraŽlieten zult gij spreken: Neemt een geitenbok ten zondoffer, en ten brandoffer een kalf en een schaap, elk een jaar oud, en gaaf.  Daarbij een rund en een ram ten vredeoffer om ze voor het aangezicht van de Eeuwige te offeren,  benevens een spijsoffer, met olie aangemaakt, want heden zal u de Eeuwige verschijnen. (9:2-4). De offers zijn hier niet bestemd voor verzoening voor een bepaalde opzettelijke zonde maar om Gíd te naderen.

 

>En de zonen van Aharon brachten hem het bloed en hij doopte zijn vinger in het bloed en streek dat aan de horens van het altaar; het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar.  (9:9) Ook hier  wordt het bloed op de specifieke plaats gesprengt zoals Gíd dat instrueerde. Zie ook Lev. 10:17, 18 ďWaarom hebt gij het zondoffer niet op de heilige plaats gegeten? Want het was allerheiligst, en Hij gaf u dit om de ongerechtigheid der vergadering weg te nemen en over hen verzoening te doen voor het aangezicht van de Eeuwige. Zie, het bloed daarvan is niet binnen in het heiligdom gebracht; gij hadt het immers in het heiligdom moeten eten, zoals ik geboden had. Ē

 

>En Moshť zeide: Dit is het, wat de Eeuwige u geboden heeft te doen, opdat de heerlijkheid van de Eeuwige u verschijne (9:6). God geeft instructies aan Mozes om de heerlijkheid van God te zien. Alleen door het exact opvolgen van de instructies van God wordt Gods heerlijkheid zichtbaar.

 

>En de zonen van Aharon, Nadav en Avihu,  namen ieder zijn vuurpan, deden daar vuur in en legden daar reukwerk op; zo brachten zij vreemd vuur voor het aangezicht van de Eeuwige, hetgeen Hij hun niet geboden had.  2  Toen ging er vuur uit van de Eeuwige en dit verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de Eeuwige. (10: 1, 2). Het niet opvolgen van de instructies van Gíd leidt daarentegen tot de dood.

 

>De priesters Nadav en Avihu werden gedood omdat zij daar zij in de tempel voor God dienden geacht werden exact de instructies van Gíd op te volgen. De Joodse uitleggers verklaren: Ze sloegen geen acht op de procedures die Gíd had gegeven en eigenmachtig besloten ze wat, hoe en wanneer er geofferd werd. Ze bepaalden zelf de wet. Ze waren arrogant omdat ze geloofden dat ze geen verantwoording aan Mozes en Aharon schuldig waren (10:1,2). Omdat ze dichtbij God leefden zouden ze God juist moeten heiligen ĎDit is het , wat de Eeuwige gesproken heeft:  aan degenen die Mij het naaste staan, zal Ik Mij de Heilige betonen en ten aanschouwen van het gehele volk zal Ik Mij verheerlijken (10:3)í

 

>Van de ingang van de tent der samenkomst zult gij niet weggaan, opdat gij niet sterft, want de zalfolie van de Eeuwige is op u (10:7). Wat ook de omstandigheden zijn. De priesters moeten alles aan de kant zetten voor de dienst aan Gíd waar ze voor geroepen zijn.

 

>Wijn of bedwelmende drank zult gij niet drinken, gij noch uw zonen, wanneer gij de tent der samenkomst binnengaat, opdat gij niet sterft (10;9). Omdat  nu direct over het verbod op wijndrinken bij de tempeldienst wordt gesproken, gaan de uitleggers er vanuit dat de oorzaak van het zondigen van Nadav en Avihu was dat ze wijn gedronken hadden en daardoor niet meer het onderscheid konden maken tussen heilig en onheilig en dat vervolgens ook niet het volk dat zou kunnen onderwijzen  (10:10, 11) ďopdat gij scheiding kunt maken tussen heilig en onheilig, tussen onrein en rein,  en opdat gij de IsraŽlieten kunt onderwijzen in al de inzettingen die de Eeuwige door de dienst van Moshť tot hen gesproken heeft.Ē

 

>het is een altoosdurende inzetting (10:9) tot een altoosdurende inzetting (10:15). Ook nu weer wordt het eeuwige karakter van Gods instructies benadrukt.

 

>Verdere offer instructies was het eten van het spijsoffer door de priesters (10:12) Ze zijn zo heel direct betrokken bij het heiligen van de tabernakel. Het offer gaat door hen heen.

 

>De Eeuwige sprak tot Moshť en Aharon en zeide tot hen: Spreekt tot de IsraŽlieten:  Dit zijn de dieren, die gij eten moogt van al het gedierte dat op de aarde is  (11:1,2)  Joden en niet-Joden zijn naar hetzelfde beeld geschapen. Wat voor Joden goed is, is ook voor de volken goed. Jood en niet-jood hebben dezelfde spijsvertering. Het eten van onkosher voedsel is voor Joden echter ook een daad van ongehoorzaamheid aan Gíd. Maimonides (Rambam) verklaart: Gíd weet dat bepaalde voedingsmiddelen de mens schade kunnen bezorgen. Abravanel legt uit: De Thora verbiedt de consumptie van niet-kosher voedsel omdat het een onzichtbaar destructief effect heeft op iemands ziel. Verdere Joodse uitleg: ĎZonden stompen de geest af en de geest wordt in het bijzonder afgestompt door het eten van niet-kosjer voedsel, dat een deel gaat worden van iemands lichaam (Mesillat Jesjariem hoofdstuk 11). Men wordt daardoor ongevoelig voor de beleving van Thora.í

 

>Maakt uzelf niet verfoeilijk door enig wemelend gedierte en verontreinigt u daardoor niet, zodat gij daardoor onrein wordt.  Lev. 11:43 Verontreinigen heeft de betekenis van blokkeren, zoals zonde het hart blokkeert. Bevuil je niet met onreine dingen. Het zou een belemmering zijn in Gods zorg voor ons.

 

>Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.  Die zal mijn naam een huis bouwen,  en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen.  Ik zal hem tot een vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn. 2 Sam 7:12 . Van Salomo wordt gezegd dat hij als een zoon voor Gíd zal zijn. Het volk IsraŽl is de eersteboren Ďzooní van Gíd. Ex 4: 22  Dan zult gij tot Farao zeggen: Zo zegt de Eeuwige: IsraŽl is mijn eerstgeboren zoon; 23  daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene; Dit gedeelte in 2 Sam. 7 kan ook een verwijzing zijn naar de Messias die ook een fysieke zoon en nakomeling van David zal zijn. Hij voert ook de instructies van Gíd uit en zal de tempel bouwen op de berg Sion. Alleen in die zin (ook als onderdeel van zijn volk zal hij zoon van Gíd zijn).

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr26 - Tazri'a ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021