Nr3 - Lekh Lekha

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

Thora-gedeelte Lekh Lekha (Ga weg)

 

Lekh Lekha (Ga weg) Gen 12:1-17:27, Jes. 40:27-41:16.

 

Gen 12:1-17:27 1 De Eeuwige nu zeide tot Avram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal;  2  Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn.  3  Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.  4 Toen ging Avram, zoals De Eeuwige tot hem gesproken had, en Lot ging met hem; en Avram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran trok.  5  Avram nu nam zijn vrouw Sarai en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have,  die zij verworven hadden, en de lieden, die zij in Haran verkregen hadden, en zij trokken uit om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanašn.  6 En Avram trok het land door tot de plek bij Sichem, tot de terebint More; en de Kanašnieten waren toen in het land.  7 Toen verscheen De Eeuwige aan Avram en zeide: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor De Eeuwige, die hem verschenen was.  8  Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten oosten van Betel, en hij spande zijn tent, met Betel tegen het westen en Ai tegen het oosten, en hij bouwde daar een altaar voor De Eeuwige en riep de naam van De Eeuwige aan.  9  Daarna trok Avram steeds verder,  naar het Zuiderland (de Negev).  10 Toen er hongersnood in het land uitbrak,  trok Avram naar Egypte, om daar als vreemdeling te vertoeven, want de hongersnood was zwaar in het land.  11  Toen hij op het punt stond Egypte binnen te trekken, zeide hij tot zijn vrouw Sarai: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt schoon van uiterlijk.  12  Wanneer de Egyptenaren u zien , zullen zij zeggen: Dit is zijn vrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven laten.  13  Zeg toch, dat gij mijn zuster zijt,  opdat het mij om uwentwil welga, en ik om uwentwil in het leven moge blijven.  14 Zodra Avram Egypte binnentrok, zagen de Egyptenaren, dat de vrouw zeer schoon was;  15  en toen de vorsten van Farao haar zagen, roemden zij haar bij Farao, zodat de vrouw naar het huis van Farao gehaald werd.  16  En hij deed Avram wel om harentwil, zodat hij schapen, runderen, ezels, slaven , slavinnen, ezelinnen en kamelen ontving.  17  Maar De Eeuwige sloeg Farao met zware plagen, evenals zijn huis, ter oorzake van Sarai, de vrouw van Avram.  18  Toen riep Farao Avram en zeide:  Wat hebt gij mij daar aangedaan? Waarom hebt gij mij niet meegedeeld, dat zij uw vrouw is?  19  Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster, zodat ik haar mij tot vrouw genomen heb ? En nu, ziehier uw vrouw, neem haar en ga heen.  20  En Farao gaf enige mannen omtrent hem opdracht, en zij deden hem, zijn vrouw en al wat hij bezat, uitgeleide. 

13:1 En Avram trok uit Egypte naar het Zuiderland(de Negev), hij en zijn vrouw en al wat hij bezat, en Lot met hem.  2  Avram nu was zeer rijk aan vee, aan zilver en aan goud.  3  En hij ging van de ene pleisterplaats naar de andere, uit het Zuiderland(de Negev) tot bij Betel, de plaats, waar zijn tent in het eerst gestaan had, tussen Betel en Ai,   4  naar de plaats van het altaar, dat hij daar vroeger gemaakt had, en Avram riep daar de naam van De Eeuwige aan. 5 En ook Lot, die met Avram mede ging,  had schapen en runderen en tenten.  6  Maar het land liet niet toe,  dat zij tezamen bleven wonen, want hun have was talrijk, zodat zij niet tezamen konden wonen.  7  Daardoor ontstond er twist tussen de herders van Avrams vee en de herders van Lots vee. De Kanašnieten nu en de Perizzieten woonden toen in het land.  8  Dus zeide Avram tot Lot: Laat er toch geen twist zijn tussen mij en u,  en tussen mijn herders en uw herders , want wij zijn mannen broeders.  9  Ligt het gehele land niet voor u open?  Scheid u toch van mij af; hetzij naar links, dan ga ik rechts, hetzij naar rechts, dan ga ik links.  10 Toen sloeg Lot zijn ogen op en zag, dat de gehele streek van de Jordaan rijk aan water was; voordat De Eeuwige Sodom en Gomorra verwoest had, was zij tot Soar toe als de hof van De Eeuwige, als het land Egypte.  11  Dus koos Lot voor zich de gehele streek van de Jordaan, en Lot brak op naar het oosten; en zij scheidden van elkander.  12  Avram bleef wonen in het land Kanašn en Lot vestigde zich in de steden van de Streek, en sloeg zijn tenten op tot bij Sodom.  13  De mannen van Sodom nu waren zeer slecht en zondig tegenover De Eeuwige.  14 En De Eeuwige zeide tot Avram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen,  15  want het gehele land, dat gij ziet , zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven.  16  En Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen,  ook uw nageslacht te tellen zou zijn.  17  Sta op, doorwandel het land in zijn lengte en breedte, want u zal Ik het geven.  18  Daarna sloeg Avram zijn tenten op en ging wonen bij de terebinten van Mamre bij Hebron , en hij bouwde daar een altaar voor De Eeuwige. 

14:1 Het gebeurde nu in de dagen van Amrafel,  de koning van Sinear, Arjok, de koning van Ellasar, Kedorlaomer, de koning van Elam, en Tidal, de koning der volken,  2  dat dezen oorlog voerden tegen Bera,  de koning van Sodom, Birsa, de koning van Gomorra, Sinab, de koning van Adma,  Semeber, de koning van Seboim, en de koning van Bela, dat is Soar.  3  Deze allen kwamen in bondgenootschap naar het dal Siddim, dat is de Zoutzee.  4  Twaalf jaar hadden zij Kedorlaomer gediend en in het dertiende jaar waren zij in opstand gekomen;  5  en in het veertiende jaar kwam Kedorlaomer met de koningen die bij hem waren,  en zij sloegen de Refaieten te Asterot-karnaim , de Zuzieten te Ham, de Emieten te Sawe-kirjataim 6  en de Chorieten op hun gebergte Seir tot El-paran, dat aan de rand der woestijn ligt. 7  Daarna keerden zij terug en kwamen te En-mispat, dat is Kades, en sloegen het gehele gebied van de Amalekieten, en ook de Amorieten, die te Chaseson-tamar woonden.  8  Toen rukten de koning van Sodom, de koning van Gomorra, de koning van Adma, de koning van Seboim en de koning van Bela, dat is Soar, uit en zij stelden zich tegen hen in slagorde in het dal Siddim,  9  tegen Kedorlaomer, de koning van Elam,  Tidal, de koning der volken, Amrafel de koning van Sinear, en Arjok, de koning van Ellasar, vier koningen tegen vijf.  10  Het dal Siddim nu was vol asfaltputten. Toen de koning van Sodom en die van Gomorra vluchtten, vielen zij daarin, en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.  11  En zij namen al de have van Sodom en Gomorra en al hun voedsel en trokken af.  12  Ook namen zij Lot mede, de zoon van Avrams broeder, en zijn have, en trokken af ; hij nu woonde te Sodom. 13 Toen kwam een vluchteling en deelde dit mede aan de Hebreeer Avram; hij nu woonde bij de terebinten van de Amoriet Mamre , de broeder van Eskol en Aner, die Avrams bondgenoten waren.  14  Toen Avram hoorde, dat zijn broeder als gevangene was weggevoerd, bracht hij zijn geoefenden, degenen die in zijn huis geboren waren, in de strijd, driehonderd achttien man, en achtervolgde hen tot Dan toe.  15  En zij verdeelden zich des nachts tegen hen in troepen, hij en zijn slaven, en versloegen hen en achtervolgden hen tot Choba toe, dat ten noorden van Damascus ligt.  16  En hij bracht al de have terug,  en ook zijn broeder Lot en diens have bracht hij terug, evenals de vrouwen en het volk.  17 Toen ging de koning van Sodom uit , hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedorlaomer en de koningen die met hem waren, naar het dal Sawe, dat is het Koningsdal.  18  En Melchisedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij nu was een priester van God, de Allerhoogste.  19  En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Avram door God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde,  20  en geprezen zij God, de Allerhoogste,  die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd . En hij gaf hem van alles de tienden.  21 De koning van Sodom nu zeide tot Avram: Geef mij de mensen, en behoud de have voor u.  22  Doch Avram zeide tot de koning van Sodom: Ik zweer bij De Eeuwige, bij God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde:  23  Zelfs geen draad of schoenriem, ja niets van het uwe zal ik nemen, opdat gij niet kunt zeggen: Ik heb Avram rijk gemaakt!  24  Geenszins, alleen wat de knechten hebben verteerd en het aandeel der mannen die met mij gegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre , laten die hun aandeel ontvangen.

15:1 Hierna kwam het woord van De Eeuwige tot Avram in een gezicht: Vrees niet, Avram Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn.  2 En Avram zeide: Adonai De Eeuwige, wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis, dat zal deze Damascener Eliezer zijn.  3  En Avram zeide: Zie, mij hebt Gij geen nakroost gegeven, en nu moet een onderhorige mijn erfgenaam zijn.  4  En zie, het woord van De Eeuwige kwam tot hem : Deze zal uw erfgenaam niet zijn,  maar uw lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn.  5  Toen leidde Hij hem naar buiten, en zeide : Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn.  6  En hij geloofde in De Eeuwige, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid.  7 En Hij zeide tot hem: Ik ben De Eeuwige,  die u uit Ur der Chaldeeen heb geleid om u dit land in bezit te geven.  8  En hij zeide: Adonai De Eeuwige, waaraan zal ik weten, dat ik het bezitten zal?  9  En Hij zeide tot hem: Haal mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.  10  Hij haalde die alle voor Hem, deelde ze middendoor en legde de stukken tegenover elkander, maar het gevogelte deelde hij niet.  11  Toen de roofvogels op de dode dieren neerstreken, joeg Avram ze weg .  12 Toen de zon op het punt stond onder te gaan , viel een diepe slaap op Avram.  En zie, hem overviel een angstwekkende,  dikke duisternis.  13  En Hij zeide tot Avram: Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar.  14  Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken.  15  Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan ; gij zult in hoge ouderdom begraven worden.  16  Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol.  17 Toen de zon was ondergegaan, en er dikke duisternis was, zie, een rokende oven met een vurige fakkel, welke tussen die stukken doorging.  18  Te dien dage sloot De Eeuwige een verbond met Avram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat:  19  De Keniet, de Kenizziet, de Kadmoniet,  20  de Hethiet, de Perizziet, de Refaieten,  21  de Amoriet, de Kanašniet, de Girgasiet en de Jebusiet. 

16:1 Sarai nu, de vrouw van Avram, schonk hem geen kinderen, en zij had een Egyptische slavin , wier naam was Hagar.  2  En Sarai zeide tot Avram: Zie toch , De Eeuwige heeft mij niet vergund te baren; ga toch tot mijn slavin;  misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Avram luisterde naar Sarai.  3  En Sarai, de vrouw van Avram, nam Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Avram tien jaar in het land Kanašn gewoond had, en gaf haar aan haar man Avram tot vrouw.  4 En hij ging tot Hagar en zij werd zwanger ; toen zij zag, dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres verachtelijk in haar ogen.  5  Toen zeide Sarai tot Avram: De krenking mij aangedaan, komt voor uw rekening; ik heb mijn slavin in uw schoot gegeven, en nu zij ziet, dat zij zwanger geworden is, ben ik verachtelijk in haar ogen; De Eeuwige doe recht tussen mij en u.  6  En Avram zeide tot Sarai: Zie, uw slavin is in uw macht; doe met haar wat goed is in uw ogen. Toen vernederde Sarai haar, en zij vluchtte van haar weg. 7 En de Engel van De Eeuwige trof haar aan bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur.  8  En Hij zeide: Hagar, slavin van Sarai , vanwaar komt gij en waarheen gaat gij? En zij zeide: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai.  9  En de Engel van De Eeuwige zeide tot haar:  Keer naar uw meesteres terug en verneder u onder haar hand.  10 En de Engel van De Eeuwige zeide tot haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken,  zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden.  11  Voorts zeide de Engel van De Eeuwige tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en hem Ismael noemen, want De Eeuwige heeft naar uw ellende gehoord.  12  Hij zal een wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, en hij zal ten aanschouwen van al zijn broederen wonen.  13 Toen noemde zij de naam van De Eeuwige, die tot haar gesproken had: Gij zijt een God des aanziens; want, zeide zij, heb ik hier ook omgezien naar Hem, die naar mij ziet ?  14  Daarom noemt men die put: de put Lachai-roi; zie, hij is tussen Kades en Bered.  15 En Hagar baarde Avram een zoon en Avram noemde de zoon, die Hagar gebaard had, Ismael.  16  En Avram was zesentachtig jaar oud , toen Hagar Ismael aan Avram baarde. 

17:1 Toen Avram negenennegentig jaar oud was, verscheen De Eeuwige aan Avram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk;  2  Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen , en u uitermate talrijk maken.  3  Toen wierp Avram zich op zijn aangezicht en God sprak tot hem:  4 Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden;  5  en gij zult niet meer Avram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham,  omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb.  6  Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.  7 Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten,  tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn.  8  Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft het ganse land Kanašn, tot een altoosdurende bezitting geven,  en Ik zal hun tot een God zijn.  9  Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten.  10  Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht:  dat bij u al wat mannelijk is besneden worde;  11  gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u.  12  Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten : zowel wie in uw huis geboren is, als wie van enige vreemdeling voor geld is gekocht , doch niet van uw nageslacht is.  13  Wie in uw huis geboren is en wie door u voor geld gekocht is, moet voorzeker besneden worden; zo zal mij verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig verbond.  14  En de onbesnedene, de man namelijk, die het vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten: hij heeft mijn verbond verbroken.  15 Verder zeide God tot Abraham: Wat uw vrouw Sarai betreft, gij zult haar niet Sarai noemen, maar Sara zal haar naam zijn.   16  En Ik zal haar zegenen, en ook zal Ik u uit haar een zoon schenken, ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal ; koningen van volken zullen uit haar voortkomen.  17 Toen wierp Abraham zich op zijn aangezicht, lachte en zeide bij zichzelf : Zal dan aan een honderdjarige een kind geboren worden, en zal Sara, een negentigjarige, baren?  18  En Abraham zeide tot God: Och, mocht IsmaŽl voor uw aangezicht leven!  19  Maar God zeide: Neen, maar uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isaak noemen, en Ik zal mijn verbond met hem oprichten tot een eeuwig verbond , voor zijn nageslacht.  20  En wat IsmaŽl betreft, Ik heb u verhoord;  zie, Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar doen zijn en uitermate talrijk maken ; twaalf vorsten zal hij verwekken , en Ik zal hem tot een groot volk stellen .  21  Maar mijn verbond zal Ik oprichten met Isaak, die Sara u op deze zelfde tijd in het volgend jaar baren zal.  22  Toen God geŽindigd had met hem te spreken , voer Hij van Abraham op.  23 Daarop nam Abraham zijn zoon IsmaŽl en allen die in zijn huis geboren waren, ook allen die door hem voor geld gekocht waren, al wat mannelijk was onder Abrahams huisgenoten , en hij besneed het vlees van hun voorhuid op diezelfde dag, zoals God tot hem gesproken had.  24  En Abraham was negenennegentig jaar oud , toen hij het vlees van zijn voorhuid liet besnijden.  25  En zijn zoon IsmaŽl was dertien jaar oud, toen hij het vlees van zijn voorhuid liet besnijden.  26  Op diezelfde dag werden Abraham en zijn zoon IsmaŽl besneden.  27  En al zijn huisgenoten, zowel die in zijn huis geboren, als die van een vreemdeling voor geld gekocht waren, werden met hem besneden. 

 

Jes. 40:27-41:16  27 Waarom zegt gij, o Jakob, en spreekt , o IsraŽl: mijn weg is voor De Eeuwige verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij?  28  Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is De Eeuwige,  Schepper van de einden der aarde. Hij wordt noch moede noch mat, zijn verstand is niet te doorgronden.  29  Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert hij sterkte.  30  Jongelingen worden moede en mat,  zelfs jonge mannen struikelen,  31  maar wie De Eeuwige verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat. 

41:1 Hoort Mij zwijgend aan, gij kustlanden, en laten de natiŽn nieuwe kracht putten;  laten zij toetreden en dan spreken;  laten wij tezamen in het gericht gaan.   2  Wie heeft hem uit het oosten verwekt , dien bij elke schrede de zege ontmoet?  Wie levert volken aan hem over en doet hem koningen vertreden, wiens zwaard hen maakt tot stof, wiens boog hen maakt tot dwarrelende stoppels?  3  Hij vervolgt hen, hij gaat ongedeerd voort op een pad dat hij nog nooit had betreden.  4  Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht ? Hij, die de geslachten van de aanvang af heeft geroepen; Ik, De Eeuwige, die de eerste ben, en bij de laatsten ben Ik dezelfde.  5  De kustlanden zagen het en werden bevreesd ; de einden der aarde sidderden, zij naderden en kwamen nabij;  6  de een hielp de ander en zeide tot zijn makker: Houd moed!  7  De werkman bemoedigt de goudsmid;  wie met de hamer plet, bemoedigt degene die op het aambeeld slaat, en hij zegt van het soldeersel: Het is goed. Daarop bevestigt hij het met spijkers, opdat het niet wankele .  8  Maar gij, Israel, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham,  9  gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken , tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht,  Ik heb u verkoren en u niet versmaad;  10  Vrees niet, want Ik ben met u;  zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u,  ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand.  11  Zie, allen die tegen u in woede ontstoken zijn , staan beschaamd en worden te schande ; de mannen die u bestrijden, worden als niets en komen om;  12  gij zult hen zoeken, maar niet vinden , de mannen die u bestoken; zij worden als niets, ja vernietigd, de mannen die tegen u oorlog voeren.  13  Want Ik, De Eeuwige, uw God, grijp uw rechterhand vast; die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.  14  Vrees niet, gij wormpje Jakob, gij volkje IsraŽl! Ik ben het, die u help,  luidt het woord van De Eeuwige, en uw Verlosser is de Heilige IsraŽls.  15  Zie, Ik stel u tot een scherpe, nieuwe dorsslede met dubbele sneden; gij zult bergen dorsen en verbrijzelen, en heuvelen zult gij tot kaf maken.  16  Gij zult ze wannen, en de wind zal ze opnemen en de storm zal ze verstrooien ; maar gij zult juichen in De Eeuwige,  u beroemen in de Heilige IsraŽls. 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr4 - Va-Yera ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021