Nr51 - Ha'azinu

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

Thora-gedeelte voor Ha'azinu (Luister)

 

Ha'azinu(Luister),   Deut 32:1-52, Haftarah: II Sam 22:1-51,

 

Deut. 32:1-52:  1 Neigt uw oor, gij hemelen, dan wil ik spreken , en de aarde hore naar de woorden van mijn mond.  2 Mijn leer druipe als regen, mijn rede druppele als dauw, als regenbuien op het jonge groen, en als regenstromen op het kruid;  3  want ik zal de naam van de Eeuwige uitroepen ; geeft grootheid onze God,  4  de Rots, wiens werk volkomen is, omdat al zijn wegen recht zijn; een God van trouw , zonder onrecht, rechtvaardig en waarachtig is Hij.  5  Verderfelijk hebben tegen Hem gehandeld, die zijn zonen niet zijn, maar een schandvlek, een verkeerd en vals geslacht.  6  Vergeldt gij op deze wijze de Eeuwige, gij dwaas en onwijs volk? Is Hij niet uw Vader, die u geschapen heeft, die u gemaakt heeft en toebereid?  7 Gedenk aan de dagen van weleer let op de jaren van geslacht na geslacht; vraag uw vader, dat hij het u meedele, uw oudsten, dat zij het u zeggen.  8  Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde, toen Hij de mensenkinderen van elkander scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het aantal der zonen van IsraŽl.  9  Want het deel de Eeuwige is zijn volk, Jakov het Hem toegemeten erfdeel.  10  Hij vond hem in een land van steppen, in een woest land van gehuil in de wildernis. Hij beschutte hem, lette op hem, bewaarde hem als zijn oogappel.  11  Als een arend, die zijn broedsel opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn wieken uitspreidt, er een opneemt en draagt op zijn vlerken,  12  zo heeft hem de Eeuwige alleen geleid, en geen vreemde god stond hem terzijde.  13  Hij deed hem rijden over de hoogten der aarde, en eten de opbrengst van het veld;  Hij deed hem honig zuigen uit de rots,  en olie uit het keihard gesteente.  14  Boter van runderen en melk van kleinvee , met vet van lammeren; en rammen van Basan en bokken, met het vetste der tarwe ; en druivebloed dronkt gij, schuimende wijn.  15 Toen werd Jesurun vet, en sloeg achteruit , vet werd gij, dik en vet gemest , en hij verwierp God, die hem gemaakt had, hij minachtte de Rots van zijn heil.  16  Zij verwekten Hem tot naijver door vreemde goden, met gruwelen krenkten zij Hem;  17  zij offerden aan de boze geesten, die geen goden zijn, aan goden, die zij niet hebben gekend , nieuwe goden, die kort tevoren opgekomen waren, voor welke uw vaderen niet gehuiverd hadden.  18  De Rots, die u verwekt heeft, hebt gij veronachtzaamd en vergeten de God, die u heeft voortgebracht.  19 Toen de Eeuwige dat zag, heeft Hij hen verworpen, omdat Hij gekrenkt was door zijn zonen en dochteren;  20  Hij zeide: Ik wil mijn aangezicht voor hen verbergen en zien, wat hun einde wezen zal, want zij zijn een verkeerd geslacht, kinderen, die geen trouw kennen.  21  Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen god is, zij krenkten Mij met hun ijdelheden. Daarom zal Ik hen tot naijver verwekken door wat geen natie is, door een dwaas volk zal Ik hen krenken.  22  Want een vuur is in mijn toorn ontstoken , het brandt tot in de diepten van het dodenrijk; het verteert de aarde met wat zij opbrengt en verzengt de grondvesten der bergen.  23  Ik zal rampen over hen ophopen, al mijn pijlen tegen hen afschieten.  24  Als zij uitgeput zijn van honger en verteerd van koortsgloed en dodelijke ziekte, dan zal Ik de tanden der wilde dieren tegen hen loslaten, met het venijn van wat schuifelt in het stof.  25 Buitenshuis zal het zwaard verdelgen, en binnenskamers de ontzetting:  jongeling zowel als maagd, zuigeling en grijsaard.  26 Ik zou gezegd hebben: Ik zal hen wegblazen , een einde maken aan hun gedachtenis onder de stervelingen,  27  indien Ik de hoon van de vijand niet gevreesd had, dat hun tegenstanders het zouden misverstaan en zeggen: onze hand was verheven, niet de Eeuwige heeft dit alles gedaan.  28  Want zij zijn een volk, dat elk begrip mist, en er is bij hen geen inzicht.  29  Indien zij wijs waren, zouden zij dit verstaan, zij zouden op hun einde letten.  30  Hoe zou een er duizend kunnen najagen en zouden twee er tienduizend op de vlucht kunnen drijven, als niet hun Rots hen verkocht en de Eeuwige hen prijsgegeven had.   31  Want hun rots is niet als onze Rots;  onze vijanden mogen zelf oordelen.  32  Waarlijk, hun wijnstok stamt uit de wijnstok van Sodom en uit de wijngaarden van Gomorra;  hun druiven zijn giftige druiven, bitter zijn hun trossen.  33  Hun wijn is slangevenijn en wreed addervergif.  34  Is het niet bij Mij weggeborgen,  verzegeld in mijn schatkamers?  35  Mij komt de wraak toe en de vergelding tegen de tijd, dat hun voet zal wankelen, want de dag van hun verderf is nabij, snel komt nader wat over hen is beschikt.  36  Want de Eeuwige zal recht doen aan zijn volk en Zich ontfermen over zijn knechten ; wanneer Hij ziet, dat hun kracht vergaan is, van hoog tot laag allen hun einde gevonden hebben,  37  dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden,  (de rots, waarbij zij schuilden)  38  die het vet van hun slachtoffers aten , de wijn van hun plengoffers dronken ? Laat hen opstaan om u te redden,  zodat gij bescherming vindt.  39 Ziet nu, dat Ik, Ik het ben, daar is geen God, behalve Mij. Ik dood en doe herleven, Ik verbrijzel en Ik genees, en niemand is er die redt uit mijn macht.  40  Voorwaar, Ik hef mijn hand ten hemelen zeg: Zowaar Ik in eeuwigheid leef :  41  als Ik mijn bliksemend zwaard wet,  en mijn hand grijpt naar het gericht, dan zal Ik wraak oefenen aan mijn tegenstanders, en vergelding brengen over wie Mij haten.  42  Ik zal mijn pijlen dronken maken van bloed, en mijn zwaard zal vlees verslinden : het bloed der verslagenen en der gevangenen, de harige hoofden der vijanden .  43  Jubelt, gij natiŽn, om zijn volk, want Hij wreekt het bloed van zijn knechten,  Hij oefent wraak aan zijn tegenstanders en verzoent zijn land, zijn volk.  44 MoshŤ dan kwam en sprak ten aanhoren van het volk al de woorden van dit lied, samen met Hosea, de zoon van Nun .  45  En nadat MoshŤ al deze woorden tot geheel IsraŽl gesproken had,  46  zeide hij tot hen: Neemt al de woorden ter harte, waarmee ik u heden vermaan, opdat gij daarmee uw kinderen zult opdragen al de woorden dezer wet nauwgezet te onderhouden.  47  Want dit is voor u geen ledig woord, maar dit is uw leven: door dit woord zult gij lang wonen in het land , dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit zult nemen.  48  Voorts zeide de Eeuwige op diezelfde dag tot MoshŤ:  49  Beklim dit gebergte, de Abarim (de berg Nebo, die in het land Moav ligt, tegenover Jericho) en aanschouw het land Kanašn, dat Ik de IsraŽlieten in bezit zal geven,  50  en sterf op de berg, die gij beklimmen zult, opdat gij tot uw voorgeslacht vergaderd wordt, zoals uw broeder Ašron op de berg Hor gestorven en tot zijn voorgeslacht vergaderd is.  51  Omdat gij ontrouw jegens Mij geweest zijt te midden van de IsraŽlieten, bij de wateren van Meribat-kades in de woestijn Sin , en gij Mij niet geheiligd hebt te midden van de IsraŽlieten.  52  Want gij zult het land voor u zien liggen, maar daar niet binnengaan,  het land dat Ik de IsraŽlieten geven zal. 

 

2 Sam. 22: 1 David sprak tot de Eeuwige de woorden van dit lied ten dage, dat de Eeuwige hem verlost had uit de greep van al zijn vijanden en uit de greep van Saul: 2 Hij zeide: de Eeuwige, mijn steenrots, mijn vesting en mijn bevrijder, 3  mijn God, de Rots, bij wie ik schuil, mijn schild, hoorn mijns heils, mijn burcht, mijn toevlucht, mijn verlosser; van geweld hebt Gij mij verlost. 4  Geloofd zij de Eeuwige, roep ik uit; want van mijn vijanden ben ik verlost. 5  Voorwaar, baren des doods hadden mij omvangen en stromen van verderf hadden mij overvallen, 6  banden van het dodenrijk hadden mij omgeven, valstrikken van de dood lagen op mijn weg. 7  Toen het mij bang te moede was, riep ik de Eeuwige aan; tot mijn God riep ik. En Hij hoorde mijn stem uit zijn paleis, mijn hulpgeroep klonk in zijn oren. 8  Toen dreunde en beefde de aarde, de grondvesten van de hemel sidderden en daverden, omdat Hij in toorn ontbrand was. 9  Rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam voort uit zijn mond, kolen raakten erdoor in brand. 10  Hij neigde de hemel en daalde neder, donkerheid was onder zijn voeten, 11  Hij reed op een cherub en vloog, Hij verscheen op de vleugels van de wind. 12  En Hij stelde het duister tot een beschutting rondom Zich: duistere wateren, wolkengevaarten. 13  Van de glans voor Hem raakten vurige kolen in brand. 14  de Eeuwige deed de donder uit de hemel weerklinken, de Allerhoogste verhief zijn stem. 15  Hij schoot pijlen en verstrooide hen, bliksemen en bracht hen in verschrikking. 16  Toen werden de beddingen der zee zichtbaar, de grondvesten der wereld kwamen bloot door het dreigen van de Eeuwige, vanwege het blazen van de adem van zijn neus. 17  Hij reikte van omhoog, greep mij, trok mij op uit grote wateren. 18  Hij ontrukte mij aan mijn machtige vijand, aan mijn haters, omdat zij sterker waren dan ik. 19  Zij traden mij in de weg ten dage van mijn ongeluk, maar de Eeuwige was mij een steun; 20  Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij, omdat Hij welgevallen aan mij had. 21  de Eeuwige deed mij naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid mijner handen vergold Hij mij, 22  want ik heb de wegen van de Eeuwige gehouden en ben niet goddeloos afgeweken van mijn God. 23  Want al zijn verordeningen stonden mij voor ogen en van zijn inzettingen week ik niet af, 24  maar ik was onberispelijk voor Hem, en wachtte mij voor ongerechtigheid. 25  de Eeuwige heeft mij vergolden naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinheid voor zijn ogen. 26  Jegens de getrouwe toont Gij U getrouw, jegens de onberispelijke toont Gij U onberispelijk, 27  jegens de reine toont Gij U rein, maar jegens de verkeerde toont Gij U een tegenstander. 28  Het ellendige volk verlost Gij, en uw ogen zijn tegen de hovaardigen; Gij vernedert hen. 29  Want Gij, o de Eeuwige, zijt mijn lamp, en de Eeuwige doet mijn duisternis opklaren. 30  Met U immers loop ik op een legerbende in, met mijn God spring ik over een muur. 31  Gods weg is volmaakt; van de Eeuwige woord is zuiver. Hij is een schild voor allen die bij Hem schuilen. 32  Want wie is God behalve de Eeuwige, wie is een rots buiten onze God? 33  Die God, die mijn sterke veste is en mijn weg effen maakt; 34  die mijn voeten maakt als die der hinden en mij op mijn hoogten doet staan; 35  die mijn handen oefent ten strijde, zodat mijn armen een koperen boog spannen. 36  Ook gaaft Gij mij het schild uws heils, door mij te verhoren hebt Gij mij groot gemaakt. 37  Gij hebt mij ruimte gegeven voor mijn schreden, en mijn enkels wankelden niet. 38  Ik vervolgde mijn vijanden om hen te verdelgen, en liet niet af, eer ik hen had vernietigd; 39  ik vernietigde en verpletterde hen, zodat zij niet weer opstonden, en zij vielen onder mijn voeten. 40  Gij hebt mij aangegord met kracht tot de strijd, Gij deedt onder mij bukken wie tegen mij opstonden; 41  Gij deedt mijn vijanden mij de rug toekeren, en mijn haters verdelgde ik. 42  Zij riepen om hulp, maar niemand redde, tot de Eeuwige, maar Hij antwoordde hun niet; 43  toen vermaalde ik hen als stof der aarde; ik vertrad en vertrapte hen als slijk der straten. 44  Gij deedt mij ontkomen aan de twisten van mijn volk, Gij hebt mij bewaard om hoofd te zijn der natien; volken die ik niet kende, werden mij dienstbaar. 45  Vreemden veinsden onderdanigheid tegenover mij; nauwelijks hadden zij van mij gehoord, of zij gehoorzaamden mij. 46  Vreemden verloren hun kracht en verlieten bevend hun burchten. 47  de Eeuwige leeft. Geprezen zij mijn Rots, en verhoogd zij de God mijns heils, 48  de God, die mij wraak heeft verleend, die volken aan mij onderworpen heeft 49  en mij van mijn vijanden heeft bevrijd. Gij hebt mij verhoogd boven hen die tegen mij opstonden, Gij hebt mij gered van de geweldenaar. 50  Daarom loof ik U, o de Eeuwige, onder de volken en wil ik uw naam psalmzingen. 51  Hij schenkt zijn koning grote uitreddingen, en betoont trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht voor altijd.

 

 

 

 

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr52-VeZot Ha-Beracha ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021