Nr52-VeZot Ha-Beracha

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
Wie zijn wij?
EspaŮol
Beth Midrash
Het Joodse vragertje
Joods?
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Israel Photo's
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

Wezot Ha-Beracha (dit is de zegen),   Deut. 33:1-34:12

Deut 33:1 Dit is de zegen, waarmede MoshŤ, de man Gíds, de IsraŽlieten voor zijn sterven gezegend heeft. 2  Hij zeide: de Eeuwige is gekomen van Sinai en over hen opgegaan uit Seir; Hij is in lichtglans verschenen van het gebergte Paran en gekomen uit het midden van heilige tienduizenden; aan zijn rechterzijde zagen zij een brandend vuur. 3 Ja, Hij heeft de volken lief; al zijn heiligen; in uw hand zijn zij, aan uw voeten legeren zij zich, vangen iets op van uw woorden. 4  MoshŤ heeft ons de wet geboden, een bezit voor de gemeente van Yaíakov. 5  Hij werd Koning in Jesurun, toen de hoofden van het volk bijeenkwamen, de stammen van IsraŽl alle tezamen. 6 Ruven leve, en sterve niet, maar laten zijn mannen te tellen blijven. 7  En dit betreft Juda. Hij zeide: Hoor, de Eeuwige, de stem van Jehoeda en breng hem tot zijn volk; zijn handen strijden voor hem, en wees Gij hem een hulp tegen zijn tegenstanders. 8 Van Levi zeide hij: Uw Tummim en Urim behoren de man toe, die uw gunstgenoot is, die Gij bij Massa op de proef gesteld hebt, met wie Gij getwist hebt bij de wateren van Meriba; 9 die van zijn vader en zijn moeder zeide: ik zie hen niet; zijn broeders wilde hij niet kennen en van zijn kinderen wilde hij niet weten. Want zij onderhouden uw woord en bewaren uw verbond; 10 zij onderwijzen Yaíakov uw verordeningen, IsraŽl uw wet; zij doen reukwerk in uw neus opstijgen en leggen het brandoffer op uw altaar. 11 Zegen, de Eeuwige, zijn kracht en zie het werk zijner handen met welgevallen aan. Verpletter de lendenen van zijn tegenstanders en van wie hem haten, zodat zij niet meer kunnen opstaan. 12 Van Benjamin zeide hij: De beminde van de Eeuwige, die veilig bij Hem wonen zal. Hij beschermt hem te allen tijde en woont tussen zijn berghellingen. 13  Van Yoseph zeide hij: Zijn land zij door de Eeuwige gezegend met de kostelijkste gave des hemels, met de dauw, en met de watervloed die beneden ligt; 14 met de kostelijkste gave, die de zon voortbrengt, en met de kostelijkste gave, die de maan doet uitspruiten; 15  met het uitnemendste der aloude bergen, 16 en met de kostelijkste gave der eeuwige heuvelen, en met de kostelijkste gave van de aarde en haar volheid; met het welbehagen van Hem, die in de braamstruik tegenwoordig was; dat moge komen op het hoofd van Yoseph, op de schedel van de uitverkorene onder zijn broeders. 17  De eersteling zijner runderen is zijn trots en diens horens zijn horens van een woudos; daarmee zal hij de volken stoten, alle einden der aarde. Dit zijn de tienduizenden van EfraÔm en dit zijn de duizenden van Manasse. 18 Van Zevulon zeide hij: Verheug u, gij Zevulon, over uw tochten, en gij, Jischachar, over uw tenten. 19 Volken zullen zij roepen tot de berg; daar zullen zij offers brengen naar de eis, want zij zullen gezoogd worden met de overvloed der zeeŽn en met de meest verborgen schatten van het strand. 20  Van Gad zeide hij: Geprezen zij Hij, die voor Gad ruimte maakt; hij legt zich neder als een leeuwin en verbrijzelt de arm, ja, de schedel. 21  Hij voorzag zichzelf van het beste deel, want daar was het deel van de heersersstaf verborgen; hij kwam tot de hoofden van het volk; het heeft de gerechtigheid van de eeuwige en zijn gerichten ten uitvoer gebracht met IsraŽl. 22 En van Dan zeide hij: Dan is een leeuwewelp, die uit Basan te voorschijn springt. 23  En van Naftali zeide hij: Naftali is verzadigd van het welbehagen en vervuld van de zegen van de Eeuwige; neem het Meer in bezit en het Zuiden. 24  Van Aser zeide hij: Gezegend zij Aser onder de zonen; hij zij bemind bij zijn broeders, en hij dope zijn voet in olie. 25  IJzer en koper mogen uw grendels zijn, uw sterkte moge zijn als uw levensduur. 26 Daar is niemand als Gíd, o Jesurun; Hij rijdt langs de hemel als uw helper en in zijn hoogheid over de wolken. 27 De eeuwige Gíd is u een woning en onder u zijn eeuwige armen. Omdat Hij de vijand voor u verdreef en zeide: Verdelg! 28  daarom woonde IsraŽl veilig en bleef de bron van Yaíakov ongestoord in een land van koren en most; ja, zijn hemel sprenkelt dauw. 29  Welzalig zijt gij, IsraŽl; wie is aan u gelijk? Een volk, verlost door de Eeuwige, die het schild uwer hulp en het zwaard uwer hoogheid is. Daarom zullen uw vijanden veinzen u hulde te brengen, en gij zult op hun hoogten treden. 34:1 Toen beklom MoshŤ uit de velden van Moav de berg Nebo, de top van de Pisga, die tegenover Jericho ligt, en de Eeuwige liet hem het gehele land zien: Gilead tot Dan toe, 2  het gehele Naftali, het land van EfraÔm en MenasjŤ, het gehele land van Juda tot aan de achterste zee, 3  het Zuiderland en de Streek, het dal van Jericho, de Palmstad, tot Soar toe. 4  En de Eeuwige zeide tot hem: Dit is het land, dat Ik Avraham, Itschak en Yaíakov onder ede beloofd heb met deze woorden: aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u met uw ogen laten zien, maar gij zult daarheen niet overtrekken. 5 Toen stierf MoshŤ, de knecht van de Eeuwige, aldaar in het land Moav, volgens van de Eeuwige woord. 6  En Hij begroef hem in een dal in het land Moav, tegenover Bet-peor, en niemand heeft zijn graf geweten tot op de huidige dag. 7  MoshŤ was honderd twintig jaar oud, toen hij stierf; zijn oog was niet verduisterd en zijn kracht was niet geweken. 8  En de IsraŽlieten beweenden MoshŤ in de velden van Moav dertig dagen lang, totdat de dagen van de rouwklacht over MoshŤ ten einde waren. 9 Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de geest der wijsheid, want MoshŤ had zijn handen op hem gelegd. Daarom luisterden de IsraŽlieten naar hem en deden zoals de Eeuwige MoshŤ geboden had. 10  Zoals MoshŤ, dien de Eeuwige gekend heeft van aangezicht tot aangezicht, is er in IsraŽl geen profeet meer opgestaan; 11  getuige al de tekenen en wonderen, die de eeuwige hem heeft opgedragen te doen in het land Egypte aan Farao, aan al zijn hovelingen en aan zijn gehele land, 12  en getuige al het machtsbetoon en al de schrikwekkende, grote daden, die MoshŤ ten aanschouwen van geheel IsraŽl gewrocht heeft.

 

 

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 13 augustus 2013