EzechiŽl 35-36

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Er uit gelicht

 

35:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, keer uw gelaat naar het gebergte Seir, profeteer daartegen 3  en zeg: zo zegt van de Eeuwige: zie, Ik zal u, gebergte Seir! Ik strek mijn hand tegen u uit en maak u tot een oord van woestheid en verwoesting. 4  Tot een puinhoop zal Ik uw steden maken, een woestenij zult gij worden, en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 5  Omdat gij een eeuwige vijandschap hebt gekoesterd en gij de IsraŽlieten hebt overgeleverd aan het geweld van het zwaard ten tijde van hun rampspoed, ten tijde van de eindafrekening, 6  daarom, zo waar Ik leef, luidt het woord van van de Eeuwige, tot bloed zal Ik u maken en bloed zal u vervolgen; daar gij het vergieten van bloed niet hebt geschuwd, zal bloed u vervolgen. 7  Ik zal het gebergte Seir tot een oord van woestheid en verwoesting maken en daar uitroeien al wie er komt of gaat. 8  Zijn bergen zal Ik met gevallenen overdekken. Op uw heuvels, in uw dalen en in al uw beekbeddingen zullen zij vallen, die door het zwaard zijn geveld. 9  Tot een eeuwige woestenij zal Ik u maken; uw steden zullen niet meer bewoond worden; en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 10 Omdat gij gezegd hebt: Die beide volken en die beide landen zullen mij toebehoren; wij nemen ze in bezit (hoewel de Eeuwige daar was) 11  daarom, zo waar Ik leef, luidt het woord van van de Eeuwige, met dezelfde toorn en naijver waarmee gij hen in uw haat behandeld hebt, zal Ik ook handelen en Mij onder hen doen kennen, wanneer Ik u richten zal. 12  En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. Ik heb al de lasteringen gehoord, die gij tegen de bergen van IsraŽl gesproken hebt: zij zijn verwoest; zij zijn ons gegeven om ons te voeden! 13  Ja, gij hebt een hoge toon tegen Mij aangeslagen en grote woorden tegen Mij opeengestapeld; Ik heb het wel gehoord. 14  Zo zegt van de Eeuwige: Als de ganse aarde verheugd is zal Ik van u een woestenij maken; 15  zoals gij u verheugt omdat het erfdeel van het huis IsraŽls verwoest is, zo zal Ik aan u doen: een woestenij zult gij worden, gij gebergte Seir, ja Edom geheel en al. En men zal weten, dat Ik de Eeuwige ben. 36:1 Gij nu, mensenkind, profeteer over de bergen van IsraŽl en zeg: Bergen van IsraŽl, hoort het woord van de Eeuwige. 2  Zo zegt van de Eeuwige: omdat de vijand van u gezegd heeft: ha, eeuwige hoogten zijn in ons bezit gekomen, 3  daarom profeteer en zeg: zo zegt van de Eeuwige: juist omdat men u van alle kanten verwoest en vertreden heeft, opdat gij het bezit zoudt worden van het overblijfsel der volken, en omdat gij in opspraak gebracht en belasterd zijt door de mensen; 4  daarom, bergen van IsraŽl, hoort het woord van van de Eeuwige. Zo zegt van de Eeuwige tot de bergen, de heuvels, de beekbeddingen en de dalen, tot de woeste puinhopen en de ontvolkte steden, die voor het overblijfsel der omwonende volken tot buit en tot een voorwerp van spot geworden zijn, 5  daarom, zo zegt van de Eeuwige, voorwaar, in het vuur van mijn naijver heb Ik gesproken tot het overblijfsel der volken en tot geheel Edom, die met hartgrondige vreugde en diepe minachting mijn land voor zichzelf ten erfdeel hadden bestemd om het volkomen uit te plunderen; 6  daarom, profeteer over het land van IsraŽl en zeg tot de bergen en de heuvels, tot de beekbeddingen en de dalen: zo zegt van de Eeuwige: zie, Ik spreek in mijn naijver en in mijn grimmigheid: omdat gij de smaad der volken gedragen hebt, 7  daarom, zo zegt van de Eeuwige, zweer Ik: voorwaar, de volken die rondom u wonen, zullen zelf hun smaad dragen. 8  Maar gij, bergen van IsraŽl, zult uw takken voortbrengen en uw vruchten dragen voor mijn volk IsraŽl, want nabij is zijn komst. 9  Want zie, Ik kom bij u en keer Mij tot u, gij zult bewerkt en bezaaid worden. 10  Ik zal de mensen op u talrijk maken: het ganse huis IsraŽls; de steden zullen weer bewoond en de puinhopen herbouwd worden. 11  Ja, Ik zal mensen en dieren op u talrijk maken, zij zullen zich vermenigvuldigen en vruchtbaar zijn; Ik zal u bevolken als vanouds en u weldoen meer dan vroeger; en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 12  Ik zal mensen op u doen verkeren, en wel mijn volk IsraŽl, die zullen u in bezit krijgen; gij zult hun tot een erfdeel zijn en hen niet langer van kinderen beroven. 13  Zo zegt van de Eeuwige: Omdat men van u zegt: een mensenverslinder zijt gij, een land, dat zijn volk van kinderen berooft, 14  daarom zult gij geen mensen meer verslinden en uw volk niet meer van kinderen beroven, luidt het woord van van de Eeuwige. 15  Ik zal u de hoon der volken niet meer doen horen, de smaad der natien zult gij niet meer dragen, en gij zult uw volk niet meer van kinderen beroven, luidt het woord van van de Eeuwige. 16 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 17  Mensenkind, toen het huis IsraŽls nog in zijn land woonde, heeft het dat verontreinigd door zijn handel en wandel. Als de maandelijkse onreinheid, zo was hun wandel in mijn ogen. 18  Daarom stortte Ik mijn grimmigheid over hen uit vanwege het bloed dat zij in het land vergoten hadden, en omdat zij het verontreinigd hadden door hun afgoden. 19  Ik verstrooide hen onder de volken, zodat zij over de landen verspreid raakten; naar hun handel en wandel richtte Ik hen. 20  En bij alle volken waar zij kwamen, ontheiligden zij mijn heilige naam, doordat men van hen zeide: Dezen zijn het volk van de Eeuwige, maar toch moesten zij weg uit zijn land. 21  Dit deed Mij leed om mijn heilige naam, die het huis IsraŽls ontheiligd had onder de volken in wier gebied zij gekomen waren. 22  Daarom, zeg tot het huis IsraŽls: Zo zegt van de Eeuwige: niet om uwentwil doe Ik het, o huis IsraŽls, maar om mijn heilige naam, die gij ontheiligd hebt onder de volken in wier gebied gij gekomen zijt. 23  Ik zal mijn grote naam die onder de volken ontheiligd is, die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de volken zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, luidt het woord van van de Eeuwige, wanneer Ik voor hun ogen door jullie geheiligd wordt. 24  Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeenvergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; 25 Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; 26  een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. 27  Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt. 28  Gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn. 29  Ik zal u van al uw onreinheden verlossen, Ik zal het koren roepen en het vermeerderen, en geen hongersnood over u brengen. 30  Ja, Ik zal de vrucht van het geboomte en de opbrengst van het veld vermeerderen, opdat gij niet meer de smaad van hongersnood te dragen krijgt onder de volken. 31  Dan zult gij terugdenken aan uw boze wandel en aan uw handelwijze, die niet goed was, en gij zult van uzelf walgen om uw ongerechtigheden en uw gruwelen. 32  Niet om uwentwil doe Ik het, luidt het woord van van de Eeuwige; weet dat wel! Schaamt u en wordt schaamrood over uw wandel, huis IsraŽls. 33  Zo spreekt van de Eeuwige: Wanneer Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik de steden weer bevolken en zullen de puinhopen herbouwd worden; 34  het verwoeste land zal weer worden bewerkt, in plaats van een woestenij te zijn voor het oog van iedere voorbijganger. 35  En men zal zeggen: Dit land dat verwoest was, is geworden als de hof van Eden; de steden die, verwoest en vernield, in puin lagen, zijn weer versterkt en bewoond. 36  Dan zullen de volken die om u heen overgebleven zijn, weten, dat Ik, de Eeuwige, herbouwd heb wat vernield was en beplant heb wat verwoest was. Ik, de Eeuwige, heb het gesproken en Ik zal het doen. 37  Zo zegt van de Eeuwige: Ook dit zal Ik Mij door het huis IsraŽls laten afsmeken om hun te doen: Ik zal hen zo talrijk aan mensen maken als een kudde schapen; 38  zo vol als met een kudde offerschapen, als met de kudde schapen op Jeruzalems feesten, zo vol zullen de verwoeste steden zijn met mensenkudden. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben.

 

 

 

Eruit gelicht:

-         Mensenkind, keer uw gelaat naar het gebergte Seir, profeteer daartegen (35:2) Seir is Edom, de tegenstander van IsraŽl (zie ook vers 15). Edom zal vallen ten tijde van IsraŽls totale verlossing. Obadja 1:21 ďVerlossers zullen de berg Sion bestijgen om over het gebergte van Esau gericht te oefenen, en het koningschap zal zijn aan de Eeuwige.Ē

 

-         Omdat gij gezegd hebt: Die beide volken en die beide landen zullen mij toebehoren; wij nemen ze in bezit (hoewel de Eeuwige daar was) (35:10). Dat is IsraŽl en Juda of Juda en EfraÔm (Juda staat dan voor de kinderen van Leah en EfraÔm voor de kinderen van Rachel).

 

-          Als de ganse aarde verheugd is zal Ik van u een woestenij maken (35:14). Ziet op de Messiaanse tijd dat Gíds regering over alle dingen duidelijk is. De Messias, een instrument in Gíds hand zal de wereld brengen onder het gezag van Gíd. Dan zal de aarde zich verheugen. Ps. 97:1 De Eeuwige regeert. Dat de aarde juiche, dat vele kustlanden zich verheugen. In die tijd zal Edom tot een woestenij worden.

 

-         En men zal weten, dat Ik de Eeuwige ben (35:15b) Daarin zal Edom zien dat de Eeuwige de enige ene waarachtige Gíd is.

 

-         daarom, zo zegt van de Eeuwige, zweer Ik: voorwaar, de volken die rondom u wonen, zullen zelf hun smaad dragen (36:7). IsraŽl zal dan de overtredingen van de volken niet meer dragen. Jes 53:3b,4,5a: ďja, als iemand, voor wie men het gelaat zouden verbergen; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. Maar in waarheid, het waren onze ziekten die hij op zich nam, en onze smarten die hij droeg; maar wij beschouwden hem als een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte.  Hij werd gepijnigd door/vanwege onze rebelse zonden en onderdrukt door onze ongerechtighedenĒ. (zie de studie over Jesaja 53)

 

-         Maar gij, bergen van IsraŽl, zult uw takken voortbrengen en uw vruchten dragen voor mijn volk IsraŽl, want nabij is zijn komst. Want zie, Ik kom bij u en keer Mij tot u, gij zult bewerkt en bezaaid worden. 10  Ik zal de mensen op u talrijk maken: het ganse huis IsraŽls; de steden zullen weer bewoond en de puinhopen herbouwd worden. Ja, Ik zal mensen en dieren op u talrijk maken, zij zullen zich vermenigvuldigen en vruchtbaar zijn; Ik zal u bevolken als vanouds en u weldoen meer dan vroeger; en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben (36:8-11).  Met het volk IsraŽl zal het beter gaan als ooit tevoren. De beloften gelden voor het volk IsraŽl. Gíd heeft IsraŽl niet aan de kant gezet.

 

-         Ik zal u de hoon der volken niet meer doen horen, de smaad der natiŽn zult gij niet meer dragen (36:15). Zie ook weer de studie over Jes. 53. Jes 53:3b,4,5a: ďja, als iemand, voor wie men het gelaat zouden verbergen; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. Maar in waarheid, het waren onze ziekten die hij op zich nam, en onze smarten die hij droeg; maar wij beschouwden hem als een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte.  Hij werd gepijnigd door/vanwege onze rebelse zonden en onderdrukt door onze ongerechtighedenĒ

 

-         Mensenkind, toen het huis IsraŽls nog in zijn land woonde, heeft het dat verontreinigd door zijn handel en wandel. Als de maandelijkse onreinheid, zo was hun wandel in mijn ogen. 18  Daarom stortte Ik mijn grimmigheid over hen uit vanwege het bloed dat zij in het land vergoten hadden, en omdat zij het verontreinigd hadden door hun afgoden. (36:17,18). Gíd geeft weer duidelijk de reden van de oordelen op en de verstrooiing van het volk IsraŽl; Hun handel en wandel was niet in overeenstemming met Gíds wil (onderhouden van de Thora).

 

-         En bij alle volken waar zij kwamen, ontheiligden zij mijn heilige naam, doordat men van hen zeide: Dezen zijn het volk van de Eeuwige, maar toch moesten zij weg uit zijn land. (36:20). Gíds Naam wordt ontheiligd als IsraŽl in de diaspora (verstrooiing is).

 

-         Daarom, zeg tot het huis IsraŽls: Zo zegt van de Eeuwige: niet om uwentwil doe Ik het, o huis IsraŽls, maar om mijn heilige naam, die gij ontheiligd hebt onder de volken in wier gebied gij gekomen zijt. Ik zal mijn grote naam die onder de volken ontheiligd is, die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de volken zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, luidt het woord van van de Eeuwige, wanneer Ik voor hun ogen door jullie geheiligd wordt. (36:22,23) Gíds Naam wordt weer geheiligd als het volk IsraŽl weer de Gíd heiligt door in Zijn wegen (onderhouden van de Thora) te gaan.

 

-         Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeenvergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; (36:24, 25). Gíd zal IsraŽl weer geheel terugbrengen naar het land IsraŽl en zal ze schoonmaken van alle afgoderij.

 

-         een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt. (36:26,27). Zie Deut. 30:6 ďEn de Eeuwige, uw God, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de Eeuwige, uw God, liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft.Ē En ook Jer. 31:33-36 ď33  Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van IsraŽl sluiten zal na deze dagen, luidt het woord van de Eeuwige: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. 34  Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de Eeuwige: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord van de Eeuwige, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken. 35 Zo zegt de Eeuwige, die de zon overdag tot een licht geeft, die de maan en de sterren verordent tot een licht des nachts, die de zee opzweept, dat haar golven bruisen, wiens naam is Eeuwige der heerscharen: 36  Als deze verordeningen voor mijn ogen zullen wankelen, luidt het woord van de Eeuwige, dan zal ook het nageslacht van IsraŽl ophouden al de dagen een volk te zijn voor mijn ogen.Ē In die tijd (Jer.31 beschrijft dat als de tijd van het Nieuwe Verbond) zal het zo zijn dat ieder, als vanzelf zich aan de Thora zal houden. Niemand hoeft de ander te leren. Gíd zal maken dat IsraŽl de Thora (Zijn instructies) zal onderhouden. Duidelijk zien we (om ons heen) dat die periode nog niet is aangebroken.

 

-         Gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn. Ik zal u van al uw onreinheden verlossen, Ik zal het koren roepen en het vermeerderen, en geen hongersnood over u brengen (36:28,29). Die tijd van het ĎNieuwe Verbondí zal ook herkenbaar zijn aan het feit dat het volk IsraŽl weer (voorgoed) in het land IsraŽl zal wonen (en zich aan de Thora zal houden). Zie ook vers 33-35 ďWanneer Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik de steden weer bevolken en zullen de puinhopen herbouwd worden; 34  het verwoeste land zal weer worden bewerkt, in plaats van een woestenij te zijn voor het oog van iedere voorbijganger. 35  En men zal zeggen: Dit land dat verwoest was, is geworden als de hof van Eden; de steden die, verwoest en vernield, in puin lagen, zijn weer versterkt en bewoond.Ē Duidelijk is dat die combinatie van wonen in het land IsraŽl en het onderhouden van de Thora nog niet is aangebroken.

 

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl 37-38 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021