Messias ben-David

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

De teksten waarin de Messias ben David wordt voorzegt:

Enkele persoonlijke bedenkingen van Rav Daum over de hoedanigheid van de Messias

 

 

 

Terug naar de Messias-introductie pagina

 

Jesaja 53

'Verborgen' Messias-teksten

 

 

 

 

 

De teksten waarin de Messias ben David wordt voorzegt:

 

 

In het samenstellen van de lijst ontdekten we dat er in de Tenach relatief weinig aandacht wordt gegeven aan de (exacte identiteit van de) Messias in vergelijking met de hoedanigheid van de Messiaanse tijd. Er worden vooral  kenmerken gegeven van wat hij doet. De geschriften leggen duidelijk meer de nadruk op het belang van de Messiaanse tijd dan op het belang van de persoon van de Messias.

 

 

Gen. 49:10  De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. 11  Hij zal zijn ezel aan de wijnstok binden en het jong zijner ezelin aan de wingerd; hij zal zijn kleed in wijn wassen en in druivebloed zijn gewaad.

 

Silo wordt gezien als de Messias. Hij wordt beschreven als iemand aan wie de volken fysiek gehoorzaam zullen zijn. Een wereldheerser. Dat hij zijn ezel bindt aan de wijn stok wijst er op dat in die tijd zo zegenrijk en vruchtbaar zullen zijn. Ook alles in de natuur zal goed groeien. Zo goed dat de wijnstokken zo sterk zullen zijn dat je er een ezel aan vast kunt binden. De ezel werd het vervoermiddel (om rond te rijden) van het koningshuis van David. Het tweede gedeelte van de tekst over zijn kleding vinden we ook in Jes. 63:2. Het laat zien dat de Messias de vijanden van God en IsraŽl vernietigt. Haat tegen God komt tot uiting in haat tegen IsraŽl. Zie de geschiedenis van Amalek in Gen. 17.

 

Jes 63: 2  Waarom is dat rood aan uw gewaad, en zijn uw klederen als die van iemand die de wijnpers treedt? 3  Ik heb de pers alleen getreden en van de volken was niemand bij Mij, Ik trad hen in mijn toorn en vertrad hen in mijn grimmigheid; toen spatte hun bloed op mijn klederen en ik bezoedelde mijn ganse gewaad.

 

 

 

Nu 24:7  Water vloeie uit zijn emmers, en zijn zaad hebbe overvloedig water; ja, zijn koning verheffe zich boven Agag, en zijn koninkrijk zij verheven.

 

Deze voorzegging wordt uitgesproken door Bileam. Terugverwijzend naar de vorige tekst is het waarschijnlijk dat uiteindelijk hier ook de Messias mee wordt bedoeld. Hij zal een bron van zegeningen. Water wordt in de Bijbel ook wel gezien als een beeld van het Woord van God, de Thora. Verder wordt hij hier weer als een krachtig vorst beschreven die de ĎAmelekietení zal verslaan.

 

 

Nu 24:17  Ik zie hem, doch niet nu; ik aanschouw hem, doch niet nabij; een ster treedt op uit Jakob en een scepter verheft zich uit IsraŽl; hij verplettert Moab aan beide einden, en verplettert alle zonen van het slaggewoel.

 

Ook weer een voorzegging die wordt uitgesproken door Bileam. Er wordt hier over een ster gesproken. Een ster is een wegwijzer. Hij wijst de juiste weg (brengt het volk terug in de wegen van de Thora). Het is een heerser, die Moab, de vijand van IsraŽl vernietigt

 

 

 

Deut.17: 4 Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de Eeuwige, uw God, u geven zal, dit in bezit genomen hebt en daarin woont, en gij dan zoudt zeggen: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals alle volken rondom mij hebben, 15  dan zult gij over u de koning aanstellen, die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal; uit het midden van uw broeders zult gij een koning over u aanstellen; geen buitenlander, die uw broeder niet is, zult gij over u mogen aanstellen. 16  Maar hij zal niet veel paarden houden en het volk niet naar Egypte terugvoeren om zich veel paarden aan te schaffen; want de Eeuwige heeft tot u gezegd: Op deze weg zult gij nooit meer terugkeren.17 Ook zal hij zich niet vele vrouwen nemen, opdat zijn hart niet afwijke; ook zal hij zich niet te veel zilver en goud vergaren. 18  Wanneer hij nu op de koninklijke troon gezeten is, dan zal hij voor zich een afschrift laten maken van deze wet, welke bij de levitische priesters berust. 19  Dat zal hij bij zich hebben en daarin zal hij lezen gedurende heel zijn leven om te leren de Eeuwige, zijn God, te vrezen door al de woorden van deze wet en al deze inzettingen naarstig te onderhouden,20  opdat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en hij van het gebod niet afwijke naar rechts of naar links, opdat hij lange tijd koning moge blijven, hijzelf en zijn zonen, te midden van IsraŽl.

 

Hier wordt het profiel van de toekomstige koning geschetst die Gíd zal aanstellen. Vandaar dat David in Ps. 40:7 ďToen zeide ik: Zie, ik kom; in de boekrol is over mij geschrevenĒ De Messias zal vorst zijn in de vorstelijke lijn van David. Dus ook op hem slaat dit gedeelte. Ďvoor zich een afschrift van deze wet zal laten makení ziet er op dat hij persoonlijk de wet voor zal leven.

 

 

1 Sam. 2:10  Wie met de Eeuwige twisten, worden gebroken; over hen dondert Hij in de hemel. De Eeuwige richt de einden der aarde; Hij geeft sterkte aan zijn koning en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde.

 

Er wordt hier echter niet duidelijk een verwijzing naar de Messias gemaakt. De Joodse uitleggers gaan er (in eenheid met andere teksten) echter van uit dat het hier ook om de Messias (de gezalfde) gaat. De Messias is uiteindelijk een koning die zijn taak ten volle uit zal voeren. Hij is door Gíd bekrachtigt.

 

 

1 Sam. 12:1 Samuel nu zeide tot geheel IsraŽl: Zie, ik heb naar u geluisterd in al wat gij tot mij gezegd hebt, en heb een koning over u aangesteld. 2  Nu dan, zie, de koning gaat u voor; ik echter ben oud en grijs geworden, en zie, mijn zonen zijn bij u; van mijn jeugd af tot op deze dag ben ik u voorgegaan. 3  Hier ben ik. Getuigt tegen mij in tegenwoordigheid van de Eeuwige en in tegenwoordigheid van zijn gezalfde: wiens rund heb ik genomen? Wiens ezel heb ik genomen? Wie heb ik verdrukt? Wie heb ik verongelijkt? Uit wiens hand heb ik een geschenk aangenomen en heb daarom mijn ogen toegedaan? Dan zal ik het u teruggeven.

 

Zou volgens sommige uitleggers een Messiaanse tekst zijn. Het komt er echter niet duidelijk vanuit de context  naar voren. Er wordt alleen melding gemaakt van Ďzijn gezalfdeí. Hier gaat het hoogstwaarschijnlijk om koning Shaul. Vanwege het gebruik van het woord gezalfde zou dat volgens sommige uitleggers is het woord Ď(zijn) gezalfdeí vaak ook een verwijzing naar de Messias.

 

 

2 Sam. 7:12  Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. 13  Die zal mijn naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen.

 

Het koningschap van David en de koninklijke troon zal worden bevestigt. Verder zal hij de tempel (fysieke) bouwen. Er wordt hier in de eerste plaats over Salomo gesproken. Verder gaat het over de Messias die uiteindelijk de taak compleet zal vervullen (zoals dat nog niet is gebeurt). Hij zal dus in een gelijkwaardig bestel koning zijn. Gíd geeft de belofte dat de koninklijke lijn door zal blijven gaan. Uiteindelijk zal de Messias de taak in volheid vervullen.

 

 

1 Kronieken 17:12  Die zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor immer bevestigen.

 

Idem als in 2 Sam. 7:12

 

 

 

1 Kron. 22:10  Die zal een huis bouwen voor mijn naam; hij zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een vader; Ik zal zijn koninklijke troon in Israel voor immer bevestigen.

 

Idem als in 2 Sam. 7:12. Eerst dus over Salomo die hier dus (als mens) zoon van Gíd wordt genoemd.

 

 

1 Kron. 28: 6  En Hij zeide tot mij: Uw zoon Salomo is het, die mijn huis en mijn voorhoven bouwen zal, want Ik heb Mij hem tot een zoon verkoren, ook zal Ik hem tot een vader zijn; 7 en Ik zal zijn koningschap voor altijd bevestigen, wanneer hij volhardt in het betrachten van mijn geboden en mijn verordeningen, gelijk heden ten dage.

 

Idem als in 2 Sam. 7:12. Eerst dus over Salomo die ook hier dus (als mens) zoon van Gíd wordt genoemd. Hier wordt Gíds belofte gekoppeld aan het houden van de Thora. De Messias zal succesvol zijn omdat Hij zich houdt aan de Thora.

 

 

2 Kronieken 7:18  dan zal Ik uw koningstroon bevestigen, zoals Ik Mij jegens uw vader David verbonden heb met de woorden: nimmer zal u een man ontbreken, die over IsraŽl heerst.

 

Idem als in 2 Sam. 7:12. Het gaat dus om een fysieke koning over IsraŽl zoals David dat was. Hij wordt ook wel genoemd Messias ben David. (Binnen het jodendom is er ook een Messias ben Jozef bekend maar dat is geheel iets anders)

 

 

 

2 Kronieken 21:7  Maar de Eeuwige wilde het huis Davids niet verdelgen, ter wille van het verbond dat Hij met David gesloten had, en omdat Hij gezegd had, dat Hij hem en zijn zonen altijd een lamp zou geven.

 

Belofte dat het huis van David voort zal blijven bestaan. De Messias zal uit dat Ďhuisí voortkomen.

 

 

 

Jes 2:4 En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natien.

 

Deze tekst geeft aan dat zijn macht en rechtspraak zal uitstrekken over volken en machtige natien

 

 

Jes. 9: 3  Gij hebt het volk vermenigvuldigd, zijn vreugde groot gemaakt; het verheugt zich voor uw aangezicht als met de vreugde bij de oogst, zoals men juicht bij het verdelen van de buit. 4  Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder, de roede van zijn drijver, hebt Gij verbroken als op Midjansdag. 5  Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur. Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en de Wonderbare Raadsman, Sterke God , Eeuwige Vader noemt hem Vredevorst. 7 Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Eeuwige der heerscharen zal dit doen.

 

Hier wordt er verwezen naar een fysieke koning die aanvallende, bloeddorstige legers (stampende schoen) vernietigt. Hij zal vrede stichten voor zijn koninkrijk. Het wijst in de eerste plaats op de geboorte van Hizkia de zoon van Achaz die godvruchtig was en daardoor vrede kreeg. Verder kan het naar de Messias ben David verwijzen die dan wel wordt getekend als een koning in een aards bestel.

 

 

Jesaja 11:1  En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isai en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen. 2  En op hem zal de Geest van de Eeuwige rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze van de Eeuwige; 3 ja, zijn lust zal zijn in de vreze van de Eeuwige. Hij zal niet richten naar hetgeen zijn ogen zien, noch rechtspreken naar hetgeen zijn oren horen; 4 want hij zal de geringen in gerechtigheid richten en over de ootmoedigen des lands in billijkheid rechtspreken, maar hij zal de aarde slaan met de roede zijns monds en met de adem zijner lippen de goddeloze doden. 5  Gerechtigheid zal de gordel zijner lendenen zijn en trouw de gordel zijner heupen. 6  Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich nederleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden; 7  de koe en de berin zullen samen weiden, haar jongen zullen zich tezamen nederleggen, en de leeuw zal stro eten als het rund; 8  dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en naar het nest van een giftige slang zal een gespeend kind zijn hand uitstrekken. 9  Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis van de Eeuwige, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. 10 En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isai zullen zoeken, die zal staan als een banier der natien, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn. 11  En het zal te dien dage geschieden, dat de Here wederom zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Patros, Ethiopie, Elam, Sinear, Hamat en in de kustlanden der zee. 12  En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israel verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde. 13  Dan zal de afgunst van Efraim verdwijnen en zij die Juda benauwen, zullen uitgeroeid worden; Efraim zal niet afgunstig zijn op Juda en Juda zal Efraim niet benauwen. 14  Westwaarts zullen zij de Filistijnen op de schouder vliegen, samen zullen zij de stammen van het Oosten plunderen; naar Edom en Moab zullen zij hun hand uitstrekken en de Ammonieten zullen hun onderhorig zijn. 15  Dan zal de Eeuwige de zeeboezem van Egypte met de ban slaan en Hij zal zijn hand tegen de Rivier bewegen met de gloed van zijn adem, en Hij zal haar tot zeven beken uiteenslaan en maken, dat men geschoeid daardoor kan gaan. 16  Dan zal er een heerbaan zijn voor de rest van zijn volk, die in Assur overblijven zal, zoals er voor Israel geweest is ten dage, toen het optrok uit het land Egypte. 12:1 En gij zult te dien dage zeggen: Ik loof U, Eeuwige, omdat Gij toornig op mij zijt geweest; uw toorn heeft zich afgewend en Gij vertroost mij. 2  Zie, God is mijn heil, ik vertrouw en vrees niet, want mijn sterkte en mijn psalm is HaShem de Eeuwige, en Hij is mij tot heil geweest. 3  Dan zult gij met vreugde water scheppen uit de bronnen des heils. 4 En gij zult te dien dage zeggen: Looft de Eeuwige, roept zijn naam aan, maakt onder de volken zijn daden bekend, vermeldt, dat zijn naam verheven is. 5  Psalmzingt de Eeuwige, want Hij heeft grootse dingen gedaan; dit worde bekendgemaakt op de ganse aarde. 6  Juicht en jubelt, inwoners van Sion, want groot in uw midden is de Heilige IsraŽls.

 

Er wordt hier gesproken over een rijsje dat voortkomt uit de afgehouwen tronk van Ishai. Wat ziet op een nakomeling van David nadat er geen hoop meer was voor een nakomeling. Na de tijd van koning Agrippa (die als laatste regeerder van IsraŽl uit het geslacht van David was) lijkt de lijn van het geslacht van de Ďstamí van David afgestorven. Gíd belooft een nieuwe nakomeling. In vers 6 staat dat hij godvrezend zal zijn (als hij Gíd zou zijn zou dit een onzinnige toevoeging zijn). Verder staat er dat hij als rijsje is voortgekomen Hij fysiek heerser en rechter zal zijn. Daardoor zal er in die tijd zoveel recht zijn dat het een effect op de natuur heeft. Zelfs een wolf en een lam kunnen tezamen zijn zonder dat de ene de ander verscheurt. In die tijd dat de Messias ontsproten is zal hij de rest van het volk IsraŽl loskopen wat op dat moment nog in de verstrooiing is. En de volken zullen zich aan hem onderwerpen.

 

 

 

Jes 52:7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning.

 

De Messias zal een boodschapper zijn van vrede.

 

Jes. 59: 17  Hij bekleedde Zich met gerechtigheid als met een pantser en de helm des heils was op zijn hoofd; Hij bekleedde Zich met wraak als met een gewaad en Hij hulde Zich in ijver als in een mantel. 18  Naar de daden zal Hij vergelden: grimmigheid aan zijn tegenstanders, vergelding aan zijn vijanden; aan de kustlanden zal Hij vergelding doen. 19  En men zal vanwaar de zon ondergaat de naam van de Eeuwige vrezen en vanwaar zij opgaat zijn heerlijkheid, want Hij komt als een onstuimige rivier, door de adem van de Eeuwige voortgezweept.  20  En een Verlosser zal komen voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord van de Eeuwige. 21  En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de Eeuwige. Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de Eeuwige, van nu aan tot in eeuwigheid.

 

In vers 20 wordt de Verlosser genoemd, de Messias die zal komen. Hij zal verlosser zijn voor degene die zich van het volk IsraŽl bekeren. De anderen zullen er niet meer zijn. Gelet op de voorgaande verzen gaat het hier ook weer om fysieke verlossing (die natuurlijk ook geestelijke invloed heeft).

 

 

Jer. 22:3  zo zegt de Eeuwige: doet recht en gerechtigheid, bevrijdt de beroofde uit de macht van de verdrukker, doet vreemdeling, wees en weduwe schade noch geweld aan en vergiet geen onschuldig bloed op deze plaats. 4  Want indien gij dit nauwgezet doet, dan zullen door de poorten van dit huis koningen binnengaan, die gezeten zijn op de troon van David, rijdende in wagens en op paarden, hij zelf met zijn dienaren en zijn volk.

 

Bekering door weer volgens de Thora te gaan leven resulteert in het bevestigen van de koninklijke troon van David waar uiteindelijk de Messias ben David ook op plaats zal nemen en het bevestigen van de stad Jeruzalem en de tempel.

 

 

 

Jer. 22: 18  Daarom zegt de Eeuwige aldus van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda: Men zal niet om hem klagen: ach mijn broeder, of: ach zuster; men zal niet om hem klagen: ach heer, of: ach zijne majesteit! 19  Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden: wegslepen en nederwerpen buiten de poorten van Jeruzalem. 20 Beklim de Libanon en hef geschreeuw aan, laat op de Basan uw stem horen, hef geschreeuw aan van Abarim uit, want al uw minnaars zijn verpletterd. 21  Ik heb tot u gesproken, toen gij in rust verkeerdet; gij hebt gezegd: Ik wil niet horen. Dat was uw weg van uw jeugd af aan, want gij hebt naar mijn stem niet gehoord. 22  Al uw herders zal de wind weiden en uw minnaars zullen in gevangenschap gaan. Want dan zult gij beschaamd staan en te schande worden om al uw boosheid. 23  Gij, die gezeten zijt op de Libanon, u nestelt in de ceders, hoe zult gij zuchten, als u weeen overkomen, smart als van een barende! 24  Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Eeuwige, al was Konjahu, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring aan mijn rechterhand, toch zou Ik u daar afrukken 25  en u geven in de macht van wie u naar het leven staan, in de macht van hen voor wie gij vrees koestert, in de macht van Nebukadressar, de koning van Babel, en de Chaldeeen; 26  en Ik zal u met uw moeder, die u gebaard heeft, wegslingeren naar een ander land, waar gij niet geboren zijt, en daar zult gij sterven; 27  en naar het land waarop zij hun hart zetten om daar terug te keren, daarheen zullen zij niet terugkeren. 28  Is hij een versmade, verbrijzelde pot, deze man, Konjahu, of een waardeloos stuk aardewerk? Waarom zijn zij weggeslingerd, hij en zijn geslacht, verworpen naar een land, dat zij niet kenden? 29  Land, land, land, hoor het woord van de Eeuwige: 30  Zo zegt de Eeuwige: Schrijf deze man in als kinderloos, een man die in zijn dagen geen geluk heeft, want het zal aan geen van zijn nakomelingen gelukken om te zitten op de troon van David en weer over Juda te regeren. 23:1  Wee de herders, die de schapen welke Ik weid, verderven en verstrooien, luidt het woord van de eeuwige. 2  Daarom, zo zegt de Eeuwige, de God van IsraŽl, tot de herders die mijn volk weiden: Gij verstrooit en verstoot mijn schapen, en zoekt ze niet op; zie, Ik bezoek aan u de boosheid uwer handelingen, luidt het woord van de Eeuwige. 3  En Ik zal de rest van mijn schapen verzamelen uit al de landen waarheen Ik ze heb verdreven, en Ik zal ze doen wederkeren naar hun weiden, en zij zullen vruchtbaar zijn en zich vermeerderen. 4  Ook zal Ik over hen herders verwekken om hen te weiden, en zij zullen vrees noch schrik meer hebben, en zij zullen niet gemist worden, luidt het woord van de Eeuwige.  Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. 6  In zijn dagen zal Juda behouden worden en IsraŽl veilig wonen; en dit is zijn naam, waarmede men hem zal noemen: de Eeuwige is onze gerechtigheid. 7  Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar de Eeuwige leeft, die de IsraŽlieten uit het land Egypte heeft doen optrekken, maar veeleer: 8  Zo waar de Eeuwige leeft, die het nageslacht van het huis IsraŽls heeft doen optrekken en die het heeft doen komen uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had; en zij zullen op hun eigen grond wonen.

 

In de periode dat de Spruit van David verwekt zal worden (23:5) zal hij als koning regeren, verstandig handelen en recht en gerechtigheid in het land zal doen. In die dagen zal Juda behouden worden en IsraŽl veilig wonen. Zeker van die combinatie kan gezegd worden dat hij nog niet is geweest. Kan dus geen sprake zijn van een wederkomst waarbij hij pas koning zal zijn.

 

 

 

 

Jer 29: 11  Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord van de Eeuwige, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven. 12  Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; 13  dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart. 14  Dan zal Ik Mij door u laten vinden, luidt het woord van de Eeuwige, en in uw lot een keer brengen; dan zal Ik u verzamelen uit alle volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik u verstoten heb, luidt het woord van de Eeuwige, en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren. 15 Wanneer gij zegt: De Eeuwige heeft ons in Babel profeten verwekt, 16  neen, zo zegt de Eeuwige van de koning die op de troon van David gezeten is, en van het ganse volk dat in deze stad woont, uw broeders die niet met u in ballingschap gegaan zijn, 17  zo zegt de Eeuwige der heerscharen: Zie, Ik zend het zwaard, de honger en de pest onder hen en Ik maak hen als afschuwelijke vijgen, zo slecht, dat zij niet te eten zijn; 18  Ik achtervolg hen met het zwaard, de honger en de pest en Ik maak hen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken der aarde, tot een voorwerp van verwensing, van ontzetting, tot een aanfluiting en een smaad onder alle volken waarheen Ik hen verstoot, 19  omdat zij niet naar mijn woorden gehoord hebben, luidt het woord van de Eeuwige, waarmee Ik mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg en laat, zonder dat gij gehoord hebt, luidt het woord van de Eeuwige. 20  Hoort gij dan naar het woord van de Eeuwige, o alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel weggezonden heb! 21  Zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van Israel, van Achab, de zoon van Kolaja, en van Sidkiahu, de zoon van Maaseja, die in mijn naam vals profeteren: Zie, Ik geef hen in de macht van Nebukadressar, de koning van Babel, die hen voor uw ogen ter dood zal brengen, 22  zodat aan hen een vervloeking zal ontleend worden bij alle ballingen van Juda die in Babel zijn: De Eeuwige doe met u als met Sidkiahu en Achab, die de koning van Babel op het vuur geroosterd heeft! 23  Omdat zij een schandelijke dwaasheid in Israel hebben begaan, overspel hebben gepleegd met de vrouwen van hun naasten en in mijn naam een woord hebben gesproken, dat een leugen was, dat Ik hun niet had opgedragen. Ja, Ik weet het wel en ben er getuige van, luidt het woord van de Eeuwige. 24 En tot Semaja, de Nechelamiet, moet gij dit zeggen: 25  Zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van Israel: Omdat gij in uw naam aan het gehele volk in Jeruzalem en de priester Sefanja, de zoon van Maaseja, en al de priesters een brief gezonden hebt van deze inhoud: 26  De Eeuwige heeft u tot priester aangesteld in de plaats van de priester Jojada, om opziener te zijn in het huis van de Eeuwige over een ieder die waanzinnig is en zich als profeet voordoet en om die in blok en halsijzer te zetten; 27  maar waarom zijt gij dan niet opgetreden tegen Jeremia uit Anatot, die zich bij u als profeet voordoet? 28  Hij heeft ons in Babel immers de boodschap gezonden: Het zal nog lang duren, bouwt huizen en woont daarin, legt tuinen aan en eet de vrucht daarvan. 29  De priester Sefanja had namelijk deze brief aan de profeet Jeremia voorgelezen. 30  Het woord van de Eeuwige nu kwam tot Jeremia: 31  Zend deze boodschap aan al de ballingen: Zo zegt de Eeuwige van Semaja, de Nechelamiet: Omdat Semaja voor u geprofeteerd heeft, zonder dat Ik hem gezonden heb en u op een leugen heeft doen vertrouwen, 32  daarom zo zegt de Eeuwige: Zie Ik doe bezoeking aan Semaja, de Nechelamiet, en zijn nageslacht; van de zijnen zal niemand onder dit volk wonen en hij zal het heil niet zien, dat Ik mijn volk breng, luidt het woord van de Eeuwige, omdat hij afval van de Eeuwige gepredikt heeft. 30:1 Het woord, dat van de Eeuwige tot Jeremia kwam: 2  Zo zegt de Eeuwige, de God van Israel: Schrijf alle woorden die Ik tot u gesproken heb, in een boek. 3  Want zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik in het lot van mijn volk Israel en Juda een keer breng, zegt de Eeuwige, en hen terugbreng in het land dat Ik aan hun vaderen gegeven heb, zodat zij het zullen bezitten. 4 Dit nu zijn de woorden die de Eeuwige over Israel en Juda gesproken heeft.5  Want zo zegt de Eeuwige: Angstgeschrei horen wij, schrik en geen heil. 6  Vraagt toch, ziet, of een man baart; waarom zie Ik iedere man met zijn handen aan zijn heupen als een barende en heeft elk gelaat een lijkkleur gekregen? 7  Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden. 8  Op die dag zal het gebeuren, luidt het woord van de Eeuwige der heerscharen, dat Ik het juk van hun hals zal verbreken en hun banden zal verscheuren; vreemden zullen hen niet meer knechten, 9  maar zij zullen de Eeuwige, hun God, dienen en David, hun koning, die Ik hun verwekken zal. 10 Gij dan, vrees niet, mijn knecht Jakob, luidt het woord van de Eeuwige, en wees niet verschrikt, IsraŽl, want zie, Ik verlos u uit verre streken, uw nakroost uit het land hunner gevangenschap; Jakob zal terugkeren en rustig en veilig zijn, door niemand opgeschrikt. 11  Want Ik ben met u, luidt het woord van de Eeuwige, om u te verlossen; want Ik zal met alle volken waaronder Ik u verstrooid heb, voorgoed afrekenen, maar met u zal Ik niet voorgoed afrekenen, doch naar recht u tuchtigen, al zal Ik u zeker niet vrij laten uitgaanÖÖÖ18 Zo zegt de Eeuwige: Zie, Ik breng een keer in het lot van de tenten van Jakob en over zijn woningen zal Ik Mij ontfermen: de stad zal op haar puinheuvel herbouwd worden en de burcht op zijn rechte plaats tronen. 19  Dan zal het loflied uit hun midden opstijgen, vreugdegedruis; Ik zal hen vermeerderen en zij zullen niet verminderen; Ik zal hen tot eer brengen en zij zullen niet veracht zijn. 20  Zijn zonen zullen zijn als eertijds, zijn vergadering zal bestendig voor Mij zijn en aan al zijn verdrukkers zal Ik bezoeking doen. 21  Zijn vorst zal uit hem voortkomen, zijn heerser uit zijn midden opstaan, en hem zal Ik doen naderen, dat hij tot Mij genake; want wie zou zijn hart ten borgtocht kunnen geven om tot Mij te genaken? luidt het woord van de Eeuwige. 22  Dan zult gij Mij tot een volk zijn en zal Ik u tot een God zijn. 23  Zie, een stormwind van de Eeuwige, gramschap vaart uit, een alles meesleurende storm! Op het hoofd der goddelozen zal hij neerkomen. 24  De brandende toorn van de Eeuwige zal zich niet afwenden, totdat Hij de plannen van zijn hart volvoerd en verwerkelijkt heeft; in het laatst der dagen zult gij dat inzien.

 

Het volk is afgeweken vanwege ongehoorzaamheid. God spreekt over herstel. Hij zal een keer brengen in het lot van IsraŽl en Juda. Bij de terugkeer o.l.v. Zerubabel, Ezra en Nehemia is er wel een herstel geweest van Juda maar niet van IsraŽl. Verder staat er dat vreemden hen niet meer zullen knechten, maar zij zullen de Eeuwige hun Gíd dienen. Duidelijk is dat die tijd ook nog niet is geweest (ook vers 23 en 24 laten dat duidelijk zien). Dan zal Gíd David hun koning verwekken wat een verwijzing is naar de Messias. De Messias wordt hier getekend als een koning in de lijn van David, gelijk als David.

 

 

 

Jer. 33: 2 Zo zegt de Eeuwige, die dat doet, de Eeuwige, die dat formeert, om het in vervulling te doen gaan, wiens naam Eeuwige is: 3  Roep tot Mij en Ik zal u antwoorden en u grote, ondoorgrondelijke dingen verkondigen, waarvan gij niet weet. 4  Want, zo zegt de Eeuwige, de God van IsraŽl, aangaande de huizen dezer stad en de huizen van de koningen van Juda, die afgebroken zijn voor de wallen en voor het zwaard; 5  men komt om de ChaldeeŽn te bestrijden, om ze te vullen met de lijken der mensen die Ik in mijn toorn en mijn gramschap verslagen heb, en om al wier boosheid Ik mijn aangezicht voor deze stad verborgen heb: 6  Zie, Ik zal haar genezing schenken en herstel, Ik zal hen genezen en hun een schat van bestendige vrede ontsluiten; 7 ja, Ik zal een keer brengen in het lot van Juda en IsraŽl en hen opbouwen als weleer; 8  Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, waardoor zij tegenover Mij gezondigd hebben, en Ik zal hun vergeven al hun ongerechtigheden, waardoor zij tegenover Mij gezondigd hebben en van Mij afvallig geworden zijn. 9  Dan zal zij Mij tot een blijde naam worden, tot lof en eer bij alle volkeren der aarde, die van al het goede dat Ik aan hen doe, horen zullen; ja, zij zullen zich verbazen en verwonderen over al het goede en al het heil, dat Ik aan haar doe. 10 Zo zegt de Eeuwige: In deze plaats, waarvan gij zegt: Zij is verwoest, mens noch dier is er, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem die woest liggen, zonder mensen, zonder inwoners en zonder dieren, zal weer gehoord worden de stem der vreugde 11  en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem der bruid, de stem van hen die zeggen: Looft de Eeuwige der heerscharen, want de Eeuwige is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid! terwijl zij lofoffers in het huis van de Eeuwige brengen; want Ik zal in het lot van het land een keer brengen, zodat het wordt als tevoren, zegt de Eeuwige. 12  Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: In dit gebied, dat verwoest ligt, zodat er mens noch dier is, en in al zijn steden zal weer een weide zijn voor de herders die de schapen doen legeren; 13  in de steden van het Gebergte, van de Laagte en van het Zuiderland, in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem en in de steden van Juda zullen de schapen weer onder de hand van de teller doorgaan, zegt de Eeuwige. 14  Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik het goede woord in vervulling zal doen gaan, dat Ik over het huis van IsraŽl en het huis van Juda gesproken heb. 15  In die dagen en te dien tijde zal Ik aan David een Spruit der gerechtigheid doen ontspruiten, die naar recht en gerechtigheid in het land zal handelen. 16  In die dagen zal Juda verlost worden en Jeruzalem veilig wonen, en zo zal men het noemen: De Eeuwige is onze gerechtigheid. 17 Want zo zegt de Eeuwige: Nimmer zal het David ontbreken aan een man, die op de troon van het huis IsraŽls gezeten is; 18  en de levitische priesters zal het nimmer ontbreken voor mijn aangezicht aan een man die brandoffers offert, spijsoffers ontsteekt en slachtoffers brengt al de dagen. 19  Het woord van de Eeuwige kwam tot Jeremia: 20  Zo zegt de Eeuwige: Indien gij mijn verbond aangaande de dag en de nacht kunt verbreken, zodat er geen dag en nacht meer zou zijn op hun tijd, 21  dan zal ook mijn verbond met mijn knecht David verbroken worden, dat hij geen zoon meer hebben zal, die koning is op zijn troon, en met de Levieten, de priesters, mijn dienaren. 22  Zoals het heer des hemels niet geteld en het zand der zee niet gemeten kan worden, zo talrijk zal Ik maken het nageslacht van mijn knecht David, en de Levieten, die Mij dienen. 23  Het woord van de Eeuwige kwam tot Jeremia: 24  Hebt gij niet gemerkt, wat dit volk spreekt: De twee geslachten, die de Eeuwige verkoren heeft, heeft Hij verworpen? En mijn volk verachten zij, alsof het in hun ogen geen volk meer is. 25  Zo zegt de Eeuwige: Indien Ik mijn verbond aangaande de dag en de nacht, de verordeningen van hemel en aarde, niet heb vastgesteld, 26  dan zal Ik ook het nakroost van Jakob en mijn knecht David verwerpen, dat Ik uit zijn nazaten geen heersers neem over het nageslacht van Avraham, Itschak en Yaíakov, want Ik zal een keer brengen in hun lot en Mij over hen ontfermen.

 

In vers 15 staat dat in de dagen van de Spruit van David Juda verlost zal worden en IsraŽl veilig zal wonen. Dan zal het aan David nimmer aan een man op de troon van het huis IsraŽls ontbreken en aan Levitische priesters die zullen offeren. In de tijd van de Messias zal de tempel er weer staan om niet meer afgebroken te worden.

 

 

 

Eze 21:27  Een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop zal Ik ze maken. Maar ook zo zal het niet blijven. Totdat hij komt, die er recht op heeft en aan wie Ik het geven zal.

 

Ziet in de eerste plaats op Zerubabel maar uiteindelijk in zijn volle betekenis op de Messias die daadwerkelijk herstel zal brengen. Het kan ook vertaald worden met Verlaten, verlaten zal ik haar maken. Zoiets is er nooit geweest, tot de tijd van de komst van de uitvoerder van recht, als ik haar in zijn hand gegeven zal hebben. Jeruzalem zal uitermate verlaten zijn tot de tijdsperiode van de uitvoerder van recht.

 

 

Ezech 34: 22 zal Ik mijn schapen verlossen, opdat zij niet langer tot een prooi zijn; Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere. 23  Dan zal Ik een herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. 24  Ik, de Eeuwige, zal hun God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de Eeuwige, heb het gesproken. 25  Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten en het wild gedierte uit het land wegdoen, zodat zij veilig kunnen wonen in de steppe en slapen in de bossen. 26 Ik zal die, ja al wat rondom mijn heuvel ligt, tot een zegen stellen; Ik zal de regen doen neerdalen op zijn tijd, zegenbrengende regens zullen het zijn; 27  het geboomte des velds zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst. Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechten. 28  Dan zullen zij de volken niet langer tot een prooi zijn; het wild gedierte der aarde zal ze niet meer verslinden, maar zij zullen veilig wonen, zonder dat iemand hen opschrikt. 29  Ik zal voor hen een plantengroei doen opschieten, waarvan men overal spreekt, zodat niemand in het land meer door honger zal worden weggerukt en zij de smaad der volken niet langer te dragen hebben. 30  En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis Israels, mijn volk zijn, luidt het woord van de Adonai de Eeuwige. 31  Gij toch zijt mijn schapen, de schapen die Ik weid; gij zijt mensen en Ik ben uw God, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.

 

De vorst die hier getekend wordt is duidelijk de Messias ben David. In de eerste plaats is hij een tegenbeeld van de vorsten die in Ezech. 22:6 worden genoemd en hun werk niet goed gedaan hebben (zelfzuchtige vorsten waren het). De Messias zal een vorst en herder zijn als alle koningen uit de lijn van David maar dan iemand die zijn taak naar behoren uitvoerd. (Het beeld van de weidende herder komt ook voor in Ps 78:71,72 ďvan achter de zogende schapen haalde Hij hem, om Jakob, zijn volk, te weiden en IsraŽl, zijn erfdeel. Deze weidde hen naar de oprechtheid van zijn hart, en leidde hen met kundige hand.Ē.) Er wordt in deze tekst duidelijk een scheiding gemaakt tussen Gíd en de Messias. Ze zijn duidelijk niet dezelfde. De Messias ben David wordt hier in verband gebracht met het veilig wonen van IsraŽl in het land IsraŽl. Dan wordt het juk van de verdrukkers verbroken en zal er ook welvaart in het land zijn. De Messias wordt hier met vorst aangeduid. Deze aanduiding wordt in het verdere van de hoofdstukken aangehouden. Verder komt duidelijk uit dit vers naar voren dat hij een mens en niet G'd zelf is 'Ik, de Eeuwige, zal hun God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen'.

 

 

 

Ezech 37:24  En mijn knecht David zal koning over hen wezen; een herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. 25  Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn. 26  Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. 27  Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. 28  En de volken zullen weten, dat Ik, de Eeuwige, het ben die IsraŽl heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat.

 

Weer wordt hier duidelijk de Messias ben David beschreven. In de volgende hoofdstukken (t/m 48) wordt er naar deze vorst verwezen, de Messias ben David. Hier wordt geschreven dat het volk IsraŽl ten tijde van de regering van de vorst het volk weer in het land IsraŽl zal wonen (om er niet meer uit verwijdert te worden) en dat het volk zal leven in overeenstemming met Gíds geboden (de Thora). Ook de tempel zal er op dat moment weer staan. Gíd zet het volk IsraŽl apart, heiligt hen.

 

 

Ezech. 44: 1 Toen bracht hij mij terug naar de buitenste poort van het heiligdom, die op het oosten uitzag; deze was gesloten.2  En de Eeuwige zeide tot mij: Deze poort zal gesloten blijven; zij zal niet geopend worden en niemand mag daardoor binnengaan, want de Eeuwige, de God van IsraŽl, is daardoor binnengegaan; daarom moet zij gesloten blijve .3 Wat de vorst betreft, omdat hij vorst is, mag hij daarin gaan zitten om te eten voor het aangezicht van de Eeuwige; door de voorhal der poort zal hij naar binnen gaan en langs dezelfde weg naar buiten gaan. 4 Daarop bracht hij mij naar de Noordpoort, naar de voorkant van het huis; ik zag, zie, de heerlijkheid van de Eeuwige vervulde het huis van de Eeuwige; en ik viel op mijn aangezicht. 5  Toen zeide de Eeuwige tot mij: Mensenkind, let aandachtig op, zie met uw ogen en hoor met uw oren alles wat Ik tot u spreek aangaande al de inzettingen en wetten van het huis van de Eeuwige; let aandachtig op het betreden van het huis door al de toegangen van het heiligdom, 6  en zeg dan tot de weerspannigen, tot het huis IsraŽls: Zo zegt Adonai de Eeuwige: gij hebt meer dan genoeg gruwelen bedreven, huis IsraŽls, 7 doordat gij vreemdelingen, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van lichaam, hebt binnengebracht om in mijn heiligdom te zijn, om mijn huis te ontheiligen, terwijl gij de voor Mij bestemde spijze, vet en bloed, bracht, zodat zij mijn verbond schonden, boven al uw gruwelen. 8  En gij hebt zelf voor mijn heilige dingen geen zorg gedragen, maar gij hebt hen aangesteld om voor u mijn dienst in mijn heiligdom waar te nemen. 9  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Geen vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, zal mijn heiligdom binnengaan, geen vreemdeling onder de IsraŽlieten. 10 Maar wat betreft de Levieten die zich ver van Mij verwijderd hebben, toen IsraŽl afdwaalde (zij zijn immers van Mij afgedwaald achter hun afgoden aan) zij zullen hun ongerechtigheid dragen: 11  zij zullen in mijn heiligdom dienst doen als wachters bij de poorten van het huis en als dienaren van het huis; zij zullen voor het volk het brandoffer en het slachtoffer slachten en te hunner beschikking staan om hen te dienen. 12  Omdat zij hen gediend hebben voor het aangezicht van hun afgoden, en voor het huis IsraŽls een struikelblok tot ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik mijn hand ten ede tegen hen opgeheven, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen. 13  Zij zullen tot Mij niet naderen om Mij als priester te dienen en om te naderen tot al mijn heilige, ja tot de allerheiligste dingen; maar zij zullen hun smaad dragen en de gruwelen die zij bedreven hebben. 14  Dus zal Ik hen aanstellen om voor het huis zorg te dragen, voor de gehele dienst daarvan en voor alles wat daarin te doen valt. 15  Maar de levitische priesters, de zonen van Sadok, die de dienst in mijn heiligdom in acht genomen hebben, toen de IsraŽlieten van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen om Mij te dienen, en zij zullen in mijn dienst staan om Mij vet en bloed te brengen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 16  Die zullen mijn heiligdom binnengaan, en die zullen tot mijn tafel naderen om Mij te dienen, en zij zullen mijn dienst waarnemen.

 

Hier wordt over de vorst gesproken. Vanuit Ezech. 34:24 en Ezech. 37:25 weten we dat het om de Messias ben David gaat. Als eerste wordt duidelijk dat Gíd en de Messias niet een en dezelfde zijn. De Messias mag voor het aangezicht van de Eeuwige gaan zitten. Verder wordt dus gezegt dat de vorst gebruik mag maken van bepaalde gedeelten van het tempelcomplex om daar te eten.

 

 

 

Ezech. 45:7 Wat de vorst betreft, ter weerszijden van de heilige heffing en van de bezitting der stad, langs de heilige heffing en langs de bezitting der stad, aan de westzijde westwaarts en aan de oostzijde oostwaarts (en de lengte moet overeenkomen met een van de andere delen, van de westgrens tot de oostgrens) 8  zal zijn gebied zijn, tot een bezitting in IsraŽl, zodat mijn vorsten mijn volk niet meer onderdrukken, maar het land overlaten aan het huis IsraŽls, naar hun stammen.

 

In deze tekst wordt de vorst (de Messias ben David) een stuk land toebedeelt. Meer zal hij niet krijgen voor zijn gebruik. Dit als tegenstelling van al de andere vorsten (uit de lijn van David) die er zijn geweest en zichzelf hebben verrijkt door stukken grond in beslag te nemen van ondergeschikte IsraŽlieten (zoals dat ook door koning Achab bij Nabot gebeurde).

 

 

Ezech. 45:13  Dit nu is de heffing die gij de vorst geven zult: een zesde efa van een homer tarwe en een zesde efa van een homer gerst; 3 Dit nu is de heffing die gij de vorst geven zult: een zesde efa van een homer tarwe en een zesde efa van een homer gerst; 14  en het recht op de olie, de bath olie, bedraagt een tiende bath van elke kor (tien bath een homer, want tien bath is een homer). 15  Voorts een stuk kleinvee van elke kudde van tweehonderd uit de waterrijke weiden van IsraŽl, tot spijsoffer, brandoffer en vredeoffers, om over hen verzoening te doen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 16  Al het volk des lands zal bijdragen aan deze heffing voor de vorst in IsraŽls. 17  Maar op de vorst rust de plicht van de brandoffers, het spijsoffer en het plengoffer, op de feesten, de nieuwemaansdagen en de sabbatten, op al de hoogtijden van het huis IsraŽls. Hij zal het zondoffer en het spijsoffer, het brandoffer en de vredeoffers brengen, om verzoening te doen voor het gehele huis IsraŽls. 18  Zo zegt Adonai de Eeuwig: In de eerste maand, op de eerste der maand, zult gij een gave jonge stier nemen en daarmede het heiligdom ontzondigen. 19  De priester zal daartoe iets van het bloed van het zondoffer nemen en dat strijken aan de post van het huis, aan de vier hoeken van de omloop van het altaar en aan de post van de poort van de binnenste voorhof. 20  Evenzo zult gij doen op de zevende van de maand ter wille van hen die onopzettelijk en onwetend zondigen; en gij zult verzoening doen voor het huis. 21  In de eerste maand, op de veertiende dag der maand, zult gij het Pascha vieren; gedurende het feest van zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden. 22  Op die dag zal de vorst voor zichzelf en voor al het volk des lands een stier als zondoffer bereiden.  23  En gedurende de zeven dagen van het feest zal hij zeven dagen lang dagelijks als brandoffer voor de Eeuwige zeven stieren en zeven rammen bereiden, alle gaaf, en als zondoffer dagelijks een geitebok; 24  als spijsoffer zal hij een efa bij elke stier en een efa bij elke ram bereiden en een hin olie bij elke efa. 25  Ook in de zevende maand, op de vijftiende dag der maand, op het feest, zal hij het bereiden; zeven dagen lang desgelijks, zowel het zondoffer als het brandoffer, het spijsoffer zowel als de olie. 46:1 Zo zegt Adonai de Eeuwige: De poort van de binnenste voorhof, die op het oosten uitziet, zal op de zes werkdagen gesloten blijven, maar op de sabbatdag geopend worden; ook op de nieuwemaansdag zal zij geopend worden. 2  De vorst zal van buiten af door de voorhal der poort naar binnen gaan, en bij de post van de poort blijven staan; dan zullen de priesters zijn brandoffer en zijn vredeoffer bereiden, waarna hij zich zal nederbuigen op de drempel der poort, en dan naar buiten gaan. De poort mag tot de avond niet gesloten worden. 3  Het volk des lands echter zal zich op de sabbatten en de nieuwemaansdagen bij de ingang van die poort voor het aangezicht van de Eeuwige nederbuigen. 4  Het brandoffer dat de vorst de Eeuwige brengt, zal op de sabbatdag bestaan uit zes gave schapen en een gave ram; 5  en als spijsoffer een efa bij elke ram en bij de schapen een spijsoffer als hij bij machte is te geven, en een hin olie bij elke efa.Op de nieuwemaansdag zullen het zijn een gave, jonge stier, zes schapen en een ram, alle gaaf; 7  en als spijsoffer zal hij een efa bij elke stier en een efa bij elke ram bereiden en bij de schapen naardat zijn vermogen toereikend is, en een hin olie bij elke efa. 8  Wanneer nu de vorst naar binnen gaat, zal hij door de voorhal der poort naar binnen gaan en langs dezelfde weg naar buiten gaan. 9  Maar wanneer het volk des lands op de feesttijden voor het aangezicht van de Eeuwige komt, dan zal wie door de Noordpoort binnengekomen is om zich neder te buigen, door de Zuidpoort naar buiten gaan en wie door de Zuidpoort binnengekomen is, zal door de Noordpoort naar buiten gaan. Hij zal niet door dezelfde poort terugkeren als waardoor hij binnenkwam, maar door die welke er recht tegenover ligt, naar buiten gaan. 10  De vorst zal, als zij naar binnen gaan, in hun midden naar binnen gaan, en als zij naar buiten gaan, zal hij ook naar buiten gaan. 11  Ook op de feesten en op de hoogtijden zal het spijsoffer een efa bij elke stier en een efa bij elke ram zijn, en bij de schapen zoveel als hij bij machte is te geven; voorts een hin olie bij elke efa. 12  Wanneer de vorst een vrijwillig offer bereidt, een brandoffer of een vredeoffer als vrijwillige gave aan de Eeuwige, dan zal men de poort die op het oosten uitziet, voor hem openen, en hij zal zijn brandoffer en zijn vredeoffer bereiden, zoals hij het op de sabbatdag doet; en nadat hij naar buiten gegaan is, zal men de poort na zijn vertrek sluiten. 13  Een eenjarig, gaaf schaap zult gij de Eeuwige dagelijks tot een brandoffer bereiden; elke morgen zult gij het bereiden; 14  als spijsoffer zult gij daar elke morgen bij doen een zesde efa en een derde hin olie om het fijn meel te bevochtigen; het is een spijsoffer voor de Eeuwige, altoosdurende, vaste inzettingen. 15  En bereidt het schaap, het spijsoffer en de olie elke morgen toe als een dagelijks brandoffer. 16 Zo zegt Adonai de Eeuwige: Wanneer de vorst een geschenk aan een zijner zonen geeft, dan is het diens erfdeel; aan zijn zonen zal het toebehoren, het is hun bezit als erfdeel; 17  maar wanneer hij een geschenk uit zijn erfdeel aan een van zijn dienaren geeft, zal het hem toebehoren tot het jaar der vrijlating en dan tot de vorst terugkeren; voorwaar, het is zijn eigen erfdeel, aan zijn zonen zal het blijven toebehoren. 18  De vorst mag echter niets nemen uit het erfdeel van het volk door het uit zijn bezit te verdringen; hij zal van zijn eigen bezit zijn zonen doen erven, opdat niemand van mijn volk uit zijn bezitting verdreven worde.

 

In deze teksten wordt heel wat over de Messias ben David gezegd. (Nogmaals vanuit Ezech. 34:24 en Ezech. 37:25 weten we dat het om de Messias ben David gaat). Hij zal een heffing ontvangen. Op hem rust de plicht van diverse offers (wat hij dan laat door de Levitische priesters, zie 46:2). Hij is eindverantwoordelijke om te zorgen dat alles gebeurt. Dan staat er in 45:22 dat hij voor zichzelf en het volk een zondoffer moet bereiden (dit vers heeft er voor gezorgd dat sommige (Joodse) uitleggers aan de geldigheid van dit geschrift twijfelen. Hier wordt een afwijkende instructie gegeven voor Pesach als er in de Thora gegeven wordt. Anderen zeggen dat het ene het andere niet hoeft uit te sluiten). Ook in 46:4-7 en 12-13 wordt er beschreven dat de vorst ook nog andere offers zal brengen, in vuur opgaande offers, spijsoffers, bakoffers en vredeoffers. Hij laat dat de priesters doen (46:2). Verder wordt er een aantal gedragsregels gegeven voor de vorst. Ook wordt er beschreven dat de vorst zonen zal hebben.

 

 

 

Ezech 48: 21 Het overige echter is voor de vorst: het gebied aan weerszijden van de heilige heffing en het bezit der stad, langs de vijfentwintigduizend el van de heffing tot aan de oostgrens, en westwaarts langs de vijfentwintigduizend el tot aan de westgrens, evenwijdig aan de stamgebieden, zal voor de vorst zijn. En de heilige heffing en het heiligdom van het huis zullen in het midden daarvan zijn. 22  Uitgezonderd het bezit der Levieten en het bezit der stad, die liggen tussen wat van de vorst is, zal wat tussen de grens van Juda en die van Benjamin ligt, voor de vorst zijn.

 

In deze teksten wordt een beschrijving gegeven van het gebied wat de vorst krijgt. Dit weer in tegenstelling tot voorgaande vorsten die zichzelf ten koste van het volk verrijkte (zie ook weer Ezech. 22:6)

 

 

Hos. 3:4  Want vele dagen zullen de IsraŽlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. 5  Daarna zullen de IsraŽlieten zich bekeren, en de Eeuwige, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de Eeuwige en tot zijn heil, in de dagen der toekomst.

 

Hier wordt beschreven dat IsraŽl vele jaren zonder koning en vorst zal zitten tot de tijd van de Messias ben David. Ten tijde van de Messias ben David zullen er ook weer offers gebracht worden. Zal de efod en de terafim ook weer gebruikt worden en de IsraŽlieten zullen zich bekeren tot de Eeuwige hun Gíd.

 

 

Amos 9:11 Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat daarvan is ingestort, overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen van ouds, 12  opdat zij beŽrven de rest van Edom en van al de volken over wie mijn naam is uitgeroepen, luidt het woord van de Eeuwige, die dit doet. 13  Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat de ploeger zich aansluit bij de maaier en de druiventreder bij hem die het zaad strooit; dan zullen de bergen druipen van jonge wijn en al de heuvelen daarvan overvloeien. 14  Ik zal een keer brengen in het lot van mijn volk IsraŽl: verwoeste steden zullen zij herbouwen en bewonen; wijngaarden zullen zij planten en de wijn ervan drinken; boomgaarden zullen zij aanleggen en de vrucht daarvan eten. 15  Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond die Ik hun gegeven heb, zegt de Eeuwige, uw God.

 

De vervallen hut van David is een verwijzing naar het koningschap van het huis van David. De Messias ben David is koning in de lijn van dat huis. Het koningschap van het huis van David zal zijn volheid beleven als er een keer is in het lot van IsraŽl, als de verwoeste steden weer herbouwd worden en de wijngaarden weer gepland worden en het volk niet meer uit het land IsraŽl gerukt zal worden.

 

 

 

Zach. 3: 6 Hierop vermaande de Engel van de Eeuwige Jozua: 7  Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: Indien gij in mijn wegen wandelt en de door Mij opgedragen taak waarneemt, dan zult gij zowel mijn huis richten als mijn voorhoven bewaken, en Ik zal u doen verkeren onder hen die hier staan. 8 Hoor toch, gij hogepriester Jozua, gij en uw gezellen die voor u zitten (zij zijn immers mannen die ten wonderteken dienen) voorwaar, zie, Ik zal mijn knecht, de Spruit, doen komen; 9  voorwaar zie, van de steen die Ik voor Jozua neerleg (op die ene steen zijn zeven ogen) zal Ik zelf het graveersel graveren, luidt het woord van de Eeuwige der heerscharen, en Ik zal op een dag de ongerechtigheid van dit land wegdoen. 10  Te dien dage, luidt het woord van de Eeuwige der heerscharen, zult gij elkander nodigen onder de wijnstok en onder de vijgeboom. 4:1 De engel die met mij sprak, kwam terug en wekte mij zoals men iemand uit de slaap wekt. 2  Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? Daarop antwoordde ik: Ik zie daar een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; 3  en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. 4  Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? 5  Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer. 6  Hij antwoordde mij: Dit is het woord van de Eeuwige tot Zerubbabel: niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest! zegt de Eeuwige der heerscharen. 7  Wie zijt gij, grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte; hij zal de gevelsteen naar voren brengen onder het gejubel: heil, heil zij hem! 8  En het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 9  De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien, en gij zult weten, dat de Eeuwige der heerscharen mij tot u gezonden heeft. 10  Want wie veracht de dag der kleine dingen? Zij zullen zich verblijden, als zij het paslood zien in de hand van Zerubbabel. Deze zeven zijn de ogen van de Eeuwige, die de ganse aarde doorlopen. 11 Ik nam het woord en vroeg hem: Wat betekenen deze twee olijfbomen rechts en links van de kandelaar? 12  Andermaal nam ik het woord en vroeg hem: Wat betekenen de twee olijftakken, die door twee gouden buizen het goud van zich doen uitvloeien? 13  En hij zeide tot mij: Weet gij niet, wat zij betekenen? Ik antwoordde: Neen mijn heer. 14  Toen zeide hij: Zij zijn de twee messiassen die voor de Here der ganse aarde staan.

 

 

In 3:8 wordt er gesproken over de Spruit die uit zal komen. In de eerste plaats ziet dat op Zerubbabel (komt uit de geslachtslijn van David). Verder verwijst het naar de komende Messias. In wat de Messias doet gaat het uiteindelijk erom dat het einddoel bereikt wordt. Er kunnen, in theorie, ondertussen veel gezalfden/messiassen een taak hebben totdat het uiteindelijke doel is bereikt.

 

 

Zach. 6:9 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 10  Neem gaven van de weggevoerden, van Cheldai, van Tobia en van Jedaja, en gij, kom nog heden, kom in het huis van Josia, de zoon van Sefanja, waar zij, uit Babel komende, hun intrek genomen hebben. 11  Neem dan zilver en goud en maak een kroon en zet die op het hoofd van de hogepriester Jozua, de zoon van Josadak, 12  en zeg tot hem: Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: zie, een man, wiens naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en hij zal de tempel van de Eeuwige bouwen. 13  Ja, hij zal de tempel van de Eeuwige bouwen en hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon; en hij zal priester zijn op zijn troon; heilzaam overleg zal er tussen hen beiden zijn. 14  En de kroon zal tot gedachtenis aan Chelem, Tobia, Jedaja en Chen, de zoon van Sefanja, in de tempel van de Eeuwige blijven. 15  Die verre zijn, zullen aan de tempel van de Eeuwige komen bouwen en gij zult weten, dat de Eeuwige der heerscharen mij tot u gezonden heeft. Dit zal geschieden, indien gij aandachtig luistert naar de stem van de Eeuwige, uw GodÖÖ.8: 20  Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: Wederom zullen er volken komen en inwoners van vele steden, 21  en de inwoners van de ene zullen zich begeven naar die van de andere, en zeggen: Laten wij toch heengaan om de gunst van de Eeuwige af te smeken en om de Eeuwige der heerscharen te zoeken; ook ik wil gaan. 22  Ja, vele natien en machtige volken zullen komen om de Eeuwige der heerscharen te Jeruzalem te zoeken en de gunst van de Eeuwige af te smeken. 23  Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is.

 

In vers 12 wordt de Spruit genoemd wat een verwijzing is naar de Messias (zie ook de teksten in EzechiŽl). Er wordt hier gezegd dat hij de tempel zal bouwen. Kan in de eerste plaats ook een verwijzing zijn naar Zerubabel. Het is echter ook een verwijzing naar de Messias en de Messiaanse tijd. Tussen de Messias en de Hogepriester zal Ďheilzaamí. In hoofdstuk 8 wordt er gesproken over de tijd dat volken naar Jeruzalem zullen komen om van de Eeuwige ĎZijn gunst af te smekení. In die tijd zullen mensen de slip van de mantel van een Joodse man vastgrijpen (waar de tsietsiet aan zit die wijst op het onderhouden van de Thora (Num.15:38)) en zich bij hem aansluiten omdat gezien wordt dat God met hem is. Dit ziet op het aansluiten van het mensen uit de volken bij het Joodse volk. Deze gebeurtenissen hebben niet ten tijde van de 2e tempel plaats gevonden en moeten dus nog gebeuren.

 

 

 

Zach. 9:9 Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong. 10  Dan zal Ik de wagens uit Efraim en de paarden uit Jeruzalem tenietdoen, ook de strijdboog wordt tenietgedaan; en hij zal de volken vrede verkondigen, en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee, en van de Rivier tot de einden der aarde. 11  Ook laat Ik ter wille van uw eigen verbondsbloed de gevangenen onder u vrij uit de put, waarin geen water is. 12 Keert terug naar de burcht, gij gevangenen, die hoop moogt koesteren; nog heden verkondig Ik: dubbel zal Ik u vergelding doen. 13  Want Ik span Mij Juda, op de boog leg Ik Efraim, en wek uw kinderen, o Sion, op tegen uw kinderen, o Griekenland, en maak u als het zwaard van een held. 14  Dan zal de Eeuwige hun verschijnen, en zijn pijl zal als de bliksem uitschieten, en Adonai de Eeuwige zal de bazuin blazen en optrekken in zuiderstormen. 15  De Eeuwige der heerscharen zal hen beschutten, zodat zij verslinden, ja de slingerstenen vertreden; zij zullen drinken, tieren als van wijn, en vol worden als een sprengbekken, als de hoeken van het altaar. 16  Zo zal de Eeuwige, hun God, hen te dien dage verlossen als de kudde die zijn volk immers is, ja zij zijn kroonjuwelen, die zullen blinken in zijn land.

 

Hier wordt het beeld geschets van een koning in de lijn van David (ook David en Salomo reden op een ezel). De heerschappij van deze koning zal zich uitstrekken over de hele aarde. Hij zal een wereld heerser zijn. IsraŽl zal in die tijd verlost worden.

 

 

Micha 4: 1 En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis van de Eeuwige vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En volkeren zullen derwaarts heenstromen, 2  en vele natien zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg van de Eeuwige, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en van de Eeuwige woord uit Jeruzalem. 3  En Hij zal richten tussen vele volkeren en rechtspreken over machtige natien tot in verre landen. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. 4  Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, zonder dat iemand hen opschrikt; want de mond van de Eeuwige der heerscharen heeft het gesproken. 5  Want alle volkeren wandelen elk in de naam van zijn god, maar wij zullen wandelen in de naam van de Eeuwige, onze God, voor altoos en immer.

 

Hier wordt niet over de Messias gesproken maar over de Messiaanse tijd. Volen zullen in die tijd leven in overeenstemming met de Thora. In die tijd zal er daadwerkelijke wereldvrede zijn. De almacht van de Eeuwige zal gezien worden en de onmacht van alle andere goden.

 

 

 

Micha 5:2  En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over IsraŽl en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid. 3  Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft. Dan zal het overblijfsel zijner broederen terugkeren met de IsraŽlieten. 4  Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht van de Eeuwige, in de majesteit van de naam van de Eeuwige, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde,5  en Hij zal vrede zijn. Wanneer Assur in ons land komt, en wanneer hij onze paleizen betreedt, dan zullen wij tegen hem zeven herders stellen en acht vorsten uit de mensen, 6  die het land Assur zullen weiden met het zwaard en het land van Nimrod in zijn poorten. En Hij zal bevrijden van Assur, wanneer die in ons land komt en wanneer hij ons gebied betreedt. 7  En het overblijfsel van Jakob zal te midden van vele volkeren zijn als dauw van de Eeuwige, als regenstromen op het groene kruid, dat niet wacht op de mens, noch mensenkinderen verbeidt. 8  En het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de natiŽn, te midden van vele volkeren als een leeuw onder de dieren des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden, die, wanneer hij er binnendringt, neerslaat en verscheurt, zonder dat iemand redt. 9  Uw hand zal verheven zijn boven uw tegenstanders, en al uw vijanden zullen worden uitgeroeid. 10  Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik uw paarden uit uw midden zal uitroeien en dat Ik uw strijdwagens zal vernietigen. 11  Ik zal de steden van uw land uitroeien en al uw vestingen afbreken. 12  Ook zal Ik de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen waarzeggers meer hebben. 13  Ik zal uw gesneden beelden en uw gewijde stenen uit uw midden uitroeien, en gij zult u niet meer nederbuigen voor het werk uwer handen. 14  Ook zal Ik uw gewijde palen uit uw midden uitrukken en uw steden verwoesten. 15  En Ik zal in toorn en gramschap wraak oefenen over de volkeren die geen gehoor gegeven hebben.

 

Hier wordt gesproken over het feit dat de Messias uit het geslacht van David zal voortkomen (dat is de verwijzing naar Bethlehem). Het overblijfsel van IsraŽl zal terugkeren naar het land en in vrede wonen. Er zal echte vrede zijn en er zal geen afgoderij onder het volk IsraŽl meer zijn.

 

 

Ps 89: 22  geen vijand zal hem overvallen, geen booswicht zal hem verdrukken; 23  ja, Ik zal zijn tegenstanders voor zijn aangezicht verpletteren, wie hem haten, zal Ik verslaan. 24  Maar mijn trouw en mijn goedertierenheid zullen met hem zijn, en door mijn naam zal zijn hoorn verhoogd worden; 25  ook zal Ik zijn hand leggen op de zee, en zijn rechterhand op de stromen. 26  Hij zal tot Mij zeggen: Gij zijt mijn Vader, mijn God en de rots van mijn heil. 27  Ja, Ik zal hem tot een eerstgeborene stellen, tot de hoogste van de koningen der aarde. 28 Voor altoos zal Ik jegens hem mijn goedertierenheid bewaren en mijn verbond zal voor hem vast blijven; 29  zijn nakroost zal Ik voor immer doen voortbestaan, en zijn troon als de dagen des hemels. 30  Indien zijn zonen mijn wet verlaten, en niet naar mijn verordeningen wandelen; 31  indien zij mijn inzettingen ontwijden, en mijn geboden niet onderhouden, 32  dan zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen; 33  maar mijn goedertierenheid zal Ik hem niet onthouden, mijn trouw zal Ik niet verloochenen, 34  mijn verbond zal Ik niet ontwijden, noch veranderen wat over mijn lippen gekomen is. 35  Eenmaal heb Ik bij mijn heiligheid gezworen: Hoe zou Ik tegenover David liegen! 36  Zijn nakroost zal voor altoos bestaan, zijn troon zal als de zon voor mij zijn;

 

 

Hier wordt gesproken over de nakomeling van David die als hoogste boven alle koningen op aarde zal zijn. Hij zal leven volgens Gíds instructies.

 

 

Ps 132:11 De Eeuwige heeft David een dure eed gezworen, waarop Hij niet terugkomt: Een van uw lijfelijke zonen zal Ik op uw troon zetten. 12  Als uw zonen mijn verbond houden en mijn getuigenis, die Ik hun leer, dan zullen ook hun zonen voor immer op uw troon zitten. 13  Want de Eeuwige heeft Sion verkoren, Hij heeft het Zich ter woning begeerd: 14  Dit is mijn rustplaats voor immer, hier zal Ik wonen, want haar heb Ik begeerd. 15  Haar voedsel zal Ik rijkelijk zegenen, haar armen zal Ik met brood verzadigen, 16  haar priesters zal Ik met heil bekleden, haar vromen zullen vrolijk juichen. 17  Daar zal ik voor David een hoorn doen uitspruiten, Ik zal voor mijn gezalfde een lamp bereiden; 18  zijn vijanden zal Ik met schaamte bekleden, maar op hem zal zijn kroon blinken.

 

De nakomeling van David zal de vijanden verslaan. De Eeuwige zal in die tijd de berg Sion als zijn woonplaats hebben. Ook zullen de priesters hun dienst uitvoeren.

 

 

 

 

 

Vanuit al deze teksten kunnen we de volgende Ďprofielschetsí halen van de Messias ben David:

 

 

> Hij heeft heerschappij over IsraŽl en volken

> Hij is vernietiger van Edom

> Hij heeft fysieke heerschappij, is koning.

> Houdt zich aan de Tthora instructies en leeft hem voor.

> Wordt door dienstknecht van Gíd, een profeet gezalfd.

> In zijn tijd zal Juda verlost worden en zal IsraŽl veilig wonen.

> Hij zal de tempel van de Eeuwige bouwen, die temidden van het volk IsraŽl zal staan.

> Op dezelfde manier als koning David zal hij koning zijn.

> Is niet Gíd zelf. Leeft als koning David in dienst van Gíd.

> Brengt de rest van het volk IsraŽl weer terug naar het land IsraŽl.

> Er zal echte wereldvrede komen (ook onder de dieren). Fysiek verlosser voor degene die zich tot Gíd bekeren.

 

 

 

 

 

 

 

 

Enkele persoonlijke bedenkingen van Rav Daum over de hoedanigheid van de Messias

 

Rabbijn Kook (zie pagina Zionisme) had een ongelofelijke liefde voor Eretz IsraŽl. Het idee is dat de mensen het land IsraŽl helpen. Dit idee is tevens een Messiaans idee. Het streven hiernaar is het begin van de geíoela (de verlossing).

 

Velen dachten dat dit moment plotseling komt, een soort verkondiger staat op, verklaart dat hij de Messias is, een soort Eliahoe. Dit was eigenlijk het idee van vroeger.

 

Geíoela is verbonden met twee begrippen:

      Messias.

De Messias is een mens die geÔnspireerd is met een Gíddelijke Geest. David is verbonden met het begrip Messias. (Massiah Ben David). De gezalfde, de koning, ook hogepriester. Een soort Chanoeka met zalving om het heel eenvoudig uit te leggen.

Mem, Samech, Chet betekent Ďzalvení.

 

In Jesaja 9 vinden we een beschrijving van het Messiaanse. Zelfs de natuur gaat veranderen. De mens verandert ook, er zullen geen wapens meer zijn. De Messias is gekoppeld met verlossing. Niet van de zonden, zoals in het christendom. De mens is nooit onfeilbaar, want dan is hij gelijk aan Gíd.

In het Jodendom zijn er zondoffers voor de zonden. Ook de hogepriester moet een zondoffer brengen. Dat tonen aan het volk is mooi, want ook hij is niet zonder zonden.

 

Jesasja 9:

Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen. U hebt het volk weer groot gemaakt, diepe vreugde gaf u het, blijdschap als de vreugde bij de oogst, zij jubelen als bij het verdelen van de buit. Het juk dat op hen drukte, de stok op hun schouder, de zweep van de drijver, u hebt ze verbrijzeld, zoals Midjan destijds. Iedere laars die dreunend stampte en elke mantel waaraan bloed kleeft, ze worden verbrand, een prooi van het vuur. Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven; de heerschappij rust op zijn schouders. Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman, Gíddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst. Groot is zijn heerschappij, aan de vrede zal geen einde komen. Davieds troon en rijk zijn erop gebouwd, ze staan vast, in recht en gerechtigheid, van nu tot in eeuwigheid. Daarvoor zal hij zich beijveren, de Eeuwige Tsevaot.

 

 

 

 

Waarom Jezus niet de Messias voor het Joodse volk is.

Jezus is een man die zich tegen vele principes van het Jodendom stelt. Hij heeft zichzelf als een soort Messias geproclameerd. Dopen is wel een Joods idee, het idee van het nieuwe, een nieuw hoofdstuk, een nieuwe fase in het leven, een nieuw capitel met water als belangrijk, tastbaar natuurelement. Joden accepteren Jezus niet als de Messias omdat ze niet verlost waren van de Romeinse bezetters. Ook het einde van Jezus kan niet gezien worden als verlossend. ĎHij kon zichzelf nog niet reddení. Het Jodendom accepteert ook niet dat een mens alle zonden van de wereld op zich kan nemen. Fundamentele dingen als afschaffing van de Sjabbat kan echt niet.

 

Was Jezus van Joodse kant bezien een grote figuur?

Dit speelt echt geen rol. Jezus bestond wel en hij heeft het Jodendom (zoals Mohammed) negatief beÔnvloed.

De hele geschiedenis van missionering en verrijzenis, het goede nieuws verspreiden,Ö is paganisch (modern heidens).

 

Wat verstaat men dan wel onder de Massiah?

*   Een pax mondial (wereldvrede)

    Dit idee is verankerd in Jesaja 4

    Jesaja 4: ĎOp die dag zal de Eeuwige het land tot bloei brengen, het zal als een kostbaar sieraad zijn. De rijke vrucht van het land zal elke JisraŽliet die ontkomen is met trots vervullen. Ieder die nog in Tsion is, ieder die in Jeroesjalayim is achtergebleven, zal heilig genoemd worden, alle mensen in Jeroesjalayim die ten leven opgeschreven zijn. Wanneer de Eeuwige het vuil van de Tsions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeroesjalayim heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, dan zal hij boven de plaats waar Tsion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Zijn luister zal alles bedekken, als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, en beschutting tegen storm en regení.

*    Het volk IsraŽl wordt teruggebracht en het land wordt opgebouwd. (Groen worden, verstedelijking)

    Jesaja: ĎEfrajÔm en Juda gaan samenwerken om zich te etablerení.

*    Visie van de Messiaanse tijd.

        Rabbijnen verklaren dat de mens in een tijd van overvloed komt. Er is grote rijkdom. In de Talmoed staat dat kinderen van Ďarmoedeí grote geleerden zullen zijn. Rijken houden zich veelal met andere dingen bezig. Er zal dus een tijdperk van materiŽle overvloed zijn. Geen zorgen voor het naakte leven.

    Er is niet het idee dat alle mensen Joden zullen worden. Er is tolerantie naar andere religies, wel is het zo dat het bestaan van 1 Gíd door allen erkend zal worden.

               

 

    In die periode is er ook de weerbeleving van de doden. Er bestaat leven hierna, maar er is zelfs nog meer: de doden zullen wederopstaan. Daarover is reeds veel geschreven:

opsommingsteken

Het kind met Elia

opsommingsteken

Het kind met Elisha

opsommingsteken

EzechiŽl 37: ĎIk werd opnieuw door de hand van de Eeuwige gegrepen. Zijn Geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel wat beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. De Eeuwige vroeg mij: ĎMensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?í Ik antwoordde: ĎEeuwige Gíd, dat weet u alleení. Toen zei hij: ĎProfeteer, en zeg tegen deze beenderen: ĎDorre beenderen, luister naar de woorden van de Eeuwige! Dit zegt de Eeuwige Gíd: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de Eeuwige bení.

Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. Toen zei Hij tegen mij: ĎProfeteer tegen de wind, profeteer mensenkind, en zeg tegen de wind: ĎDit zegt de Eeuwige Gíd: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan levení. Ik profeteerde zoals Hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte.

        Er is verder de beschrijving van de oorlog tussen Gog en Magog. Dit

zijn een soort supermachten die tegen elkaar staan. Is dat de Holocaust, is dit de atoomoorlog ? Men weet het niet.

 

Het idee van de verlossing loopt als een rode draad doorheen de hele geschiedenis van het Jodendom. Altijd zijn er dromers geweest van geíoela doorheen de lange exils. Een grote relgieuze dromer was Nachmanides, arts, fysicus, grote talenkenner, een Talmoedische geleerde, kabbalist, die leefde rond 1300 in Gerona, Spanje. Hij bracht het idee terug de mitsva te vervullen om in het land IsraŽl te wonen, zelfs voor de tijd dat de Massiah komt. Hij heeft het debat gewonnen met de Joodse apostaat ĎChristianií, die zich naar de kerk had gewend. Hiervoor kreeg hij een prijs van de koning en is naar het land IsraŽl getrokken. In IsraŽl schreef hij een beroemd commentaar op de Pentateuch. Dat commentaar liep over van de liefde voor het land. Hij schreef dat het een mitsva is overal het Joodse land te bevrijden en te bezetten, ook voor de Messiaanse tijd. Hij spreekt dat er geen ander land is waar Gíd zo te voelen is als in IsraŽl. Door de Ďplichtí naar IsraŽl te gaan wordt Nachamides als de eerste Zionist gezien. Zijn rustplaats is in IsraŽl. Zijn woorden aan zijn leerlingen: Ďals ik sterf, zal je op het graf van mijn moeder een menora ziení, en zo wisten de leerlingen volgens de legende dat de grote meester gestorven was.

Het is tevens een gedachte van een Talmoedisch Rabbijn om niet terug te keren naar het land voor de Messiaanse tijd. Hiervoor baseeert hij zich op ĎSjier Hasjieriemí. Gíd heeft laten zweren zich niet te haasten met de verlossing. Dit staat drie keer geschreven. Hij wilde dat de exils niet te zwaar zouden zijn. Andere volken hebben zich daaraan niet gehouden en is volgens de meeste Rabbijnen het Ďzich niet haastení ook niet meer bindend.

 

Een tweede religieuze dromer was Theodore Herzl. Hij was de tegenpool van Nachmanides, volledig geassimileerd, uit de Habzburger monarchie, was intellectueel, maar kende geen Ievriet. Hij was wel een zeer getalenteerd schrijver. Op foto toont hij zich zeer charismatisch, de ogen en de baard geven een bijna profetische uitstraling. Hij heeft wel zijn bar mitsva gedaan, is met een joodse vrouw getrouwd maar al zijn kinderen zijn gedoopt. De Dreyfus-affaire heeft hem veranderd. Hij heeft gepredikt voor een Joodse staat, maar welk karakter is tot op de dag van vandaag niet opgelost.

De Joodse staat is het begin van de verlossing. Het is een natuurlijk proces dat ook gezien wordt als een voorbode van de komst van de Massiah.

De staat IsraŽl is nu 60 jaar. Dat is een zeer goede reden te vieren, maar er is een hoge prijs betaald met de shoa. Aan deze bloedprijs heeft Herzl toen niet aan gedacht. De volken waren niet bereid de Joodse staat te geven. De shoa en de vernietiging van de tempel zijn niet te vergelijken. Men vraagt niet Ďwaar was Gíd in de shoaí maar ĎWaar was de mensí? Ook de Holocaust is verbonden met verlossing. Lijden is een zeer groot begrip. Waar Gíd van houdt, gaat Hij proeven en dat is lijden! De mens wordt gespiritualiseerd. Overvloed betekent rijkdom en rijkdom maakt de mens corrupt. Als de mens is in diepte is de kans groot dat hij tesjoeva doet, bezinning en boetedoening.

Voor de dimensies van de shoa zijn geen woorden, het is een uniekheid in negatieve zin.

Was dit de oorlog van Gog en Magog? Alle volken belagen Jeruzalem en zeggen dat het aan hen behoort. Jodendom is elke keer gevestigd geweest door lijden. Dit was zo van Egypte tot de shoa. Het jodendom is er wel gesterkt uit gekomen, gerevitaliseerd. Een kritische noot is dat de kwaliteit van Torah-studie van een groter niveau was.

 

We leven in de Messiaanse tijd, hiervoor zijn volgende kenmerken:

ō      Een groot deel van de Joden leeft in IsraŽl. (45%)

ō      Er is de Joodse souvereiniteit

ō      Het verlangen terug te keren is nog nooit zo groot geweest.

ō      Er is nog nooit zoveel Torah geleerd als vandaag. (In IsraŽl)

De misjna meldt dat alles zeer duur zal zijn (een grote inflatie), dat er een grote inpertinentie zal zijn van leraar tegen leerling (hoetspa), schoonzus tegen schoonmoeder.

Kan men een goede Jood zijn buiten IsraŽl?

Ja, historisch zijn er twee grote centra:

IsraŽl, Babylon en later dan ook Europa. Het is historisch van belang dat het Jodendom zich niet op ťťn plaats situeert. Joden spreken van in IsraŽl leven als het kan. Als tweede willen ze hun laatste rustplaats in IsraŽl, dan is er vergeving van de zonden. (zo staat geschreven). Het is van belang als levende te komen en niet als dode.

 

Mijn bestemming

 

Mijn bestemming, eens zal ik haar kennen

eens zal ik vinden mijn rust

dan vul ik mijn geest met gezang

en hoef ik niet langer gebogen te gaan

Vol van hoop is mijn hart

dat te rechter tijd mijn redding komt

en aanbreekt de dag dat ik oog in oog

zal staan met mijn bestemming

En als tot dit einde te komen

mijn binnenste wanhopen mocht,

van ťťn vonk zal het al stralen

tot een licht op mijn pad.

En vonken zullen volgen

groeien tot een vuur

en als licht zullen ze dagelijks stralen

en lichten en groeien.

En uit die punten van mijn gedachten

die zich zamelen tot kudden

neem ik mijn letters

en die worden tot woorden.

Rav Kook

 

 

 

 

 

 

 

Samen bewerkt door Rabbijn Ahron Daum en Petra Vanhamme                                                                     juni 2008

 

 

 

 

 

Terug naar de Messias-introductie pagina

 

Jesaja 53

'Verborgen' Messias-teksten

 

Start ] Omhoog ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021