Jeremia 35-36

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
Espaol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

35: 1 Het woord, dat van de Eeuwige tot Jeremia kwam ten tijde van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:2  Ga naar het huis der Rekabieten en spreek met hen, breng hen naar het huis van de Eeuwige in een van de vertrekken, en geef hun wijn te drinken. 3  Toen nam ik Jaazanja, de zoon van Jirmeja, de zoon van Chabassinja, met zijn broeders en al zijn zonen: het gehele huis der Rekabieten, 4  en ik bracht hen naar het huis van de Eeuwige in het vertrek van de zonen van Chanan, de zoon van Jigdaljahu, de man Gods, dat naast het vertrek der vorsten ligt, boven dat van Maaseja, de zoon van Sallum, de dorpelwachter; 5  en ik zette de leden van het huis der Rekabieten kannen vol wijn en bekers voor en zeide tot hen: Drinkt wijn! 6  Maar zij zeiden: Wij drinken geen wijn; want onze vader Jonadab, de zoon van Rekab, heeft ons geboden: Nimmer zult gij of uw kinderen wijn drinken; 7  ook zult gij geen huis bouwen, geen zaad zaaien en geen wijngaard aanleggen of in bezit hebben, maar gij zult uw leven lang in tenten wonen, opdat gij lang leeft in het land waar gij als vreemdeling vertoeft. 8  En wij hebben onze vader Jonadab, de zoon van Rekab, gehoor gegeven in alles wat hij ons geboden heeft, zodat wij ons leven lang geen wijn drinken, wijzelf, onze vrouwen, onze zonen en onze dochters, 9  en geen huizen bouwen om in te wonen, en geen wijngaard, akker of bouwland bezitten, 10  maar wij wonen in tenten en houden ons gehoorzaam aan alles wat onze vader Jonadab ons geboden heeft. 11 Maar toen Nebukadressar, de koning van Babel, tegen het land optrok, hebben wij gezegd: Komt, laat ons naar Jeruzalem gaan, vanwege het leger van de Chaldeeen en dat van de Arameeers. Zo wonen wij in Jeruzalem. 12 Toen kwam het woord van de Eeuwige tot Jeremia: 13  Zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van Israel: Ga, en zeg tot de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem: Wilt gij hieruit geen lering trekken om aan mijn woorden gehoor te geven? luidt het woord van de Eeuwige. 14  Het gebod dat Jonadab, de zoon van Rekab, aan zijn zonen heeft opgelegd, om geen wijn te drinken, wordt gehouden; want tot op de huidige dag hebben zij geen wijn gedronken, omdat zij gehoor hebben gegeven aan het gebod van hun vader. En Ik heb tot u gesproken, vroeg en laat, maar gij hebt Mij geen gehoor gegeven. 15  Ik zond al mijn knechten, de profeten, tot u, vroeg en laat, met de boodschap: Bekeert u toch, een ieder van zijn boze weg, betert uw daden en loopt geen andere goden achterna om die te dienen, dan zult gij blijven in het land dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar gij hebt uw oor niet geneigd en Mij geen gehoor gegeven. 16  Ja, de zonen van Jonadab, de zoon van Rekab, hebben het gebod dat hun vader hun opgelegd had, gehouden, maar dit volk heeft Mij geen gehoor gegeven. 17  Daarom zegt de Eeuwige, de God der heerscharen, de God van Israel, aldus: Zie, Ik breng over Juda en alle inwoners van Jeruzalem al de rampspoed waarmede Ik hen gedreigd heb, omdat Ik tot hen gesproken heb, zonder dat zij gehoor gaven, en Ik tot hen geroepen heb, zonder dat zij antwoordden. 18  Maar tot het huis der Rekabieten zeide Jeremia: Zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van Israel: Omdat gij aan het gebod van uw vader Jonadab gehoor gegeven hebt en al zijn geboden gehouden en naar alles wat hij u gebood, gedaan hebt, 19  daarom zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van Israel, aldus: Nimmer zal het Jonadab, de zoon van Rekab, ontbreken aan een man, die voor mijn aangezicht staat al de dagen. 36:1 In het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van de Eeuwige tot Jeremia: 2  Neem een boekrol en schrijf daarop al de woorden die Ik tot u over Israel, Juda en alle volken gesproken heb, sedert de dag dat Ik tot u gesproken heb, sedert de tijd van Josia tot op heden. 3  Misschien zal het huis van Juda luisteren naar al de rampspoed die Ik hun denk aan te doen, opdat zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en Ik hun ongerechtigheid en zonde vergeve. 4  Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria, en Baruch schreef uit Jeremias mond al de woorden die de Eeuwige tot hem gesproken had, op een boekrol. 5  Daarop gaf Jeremia aan Baruch deze opdracht: Ik ben verhinderd, ik kan niet in het huis van de Eeuwige komen. 6  Ga gij dus en lees van de rol die gij uit mijn mond hebt opgetekend, de woorden van de Eeuwige voor ten aanhoren van het volk in het huis van de Eeuwige en op de vastendag; en ook ten aanhoren van alle Judeeers, die uit hun steden gekomen zijn, moet gij ze voorlezen. 7  Misschien zal zich hun smeekgebed uitstorten voor het aangezicht van de Eeuwige en zullen zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg; want groot is de toorn en de gramschap, waarmede de Eeuwige dit volk gedreigd heeft. 8  Baruch, de zoon van Neria, handelde daarop geheel, zoals de profeet Jeremia hem opgedragen had, en hij las uit het boek de woorden van de Eeuwige in het huis van de Eeuwige voor. 9 In het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, had men een vasten voor de Eeuwige afgekondigd; al het volk in Jeruzalem en al het volk dat uit de steden van Juda in Jeruzalem gekomen was. 10  Toen las Baruch uit het boek de woorden van Jeremia voor, in het huis van de Eeuwige, in het vertrek van Gemarja, de zoon van de schrijver Safan, in de bovenste voorhof bij de ingang van de nieuwe poort van het huis van de Eeuwige, ten aanhoren van al het volk. 11  Nu hoorde Michajehu, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, al de woorden van de Eeuwige uit het boek; 12  en hij daalde af naar het paleis des konings, naar het vertrek van de schrijver; en zie, daar waren al de vorsten gezeten: de schrijver Elisama, Delaja, de zoon van Semaja, Elnatan, de zoon van Akbor, Gemarja, de zoon van Safan, Sidkiahu, de zoon van Chananja, en de overige vorsten. 13  En Michajehu deelde hun al de woorden mede, die hij gehoord had, toen Baruch uit het boek las ten aanhoren van het volk. 14  Daarop zonden al de vorsten Jehudi, de zoon van Netanja, de zoon van Selemja, de zoon van Kusi, naar Baruch met de boodschap: De rol, waaruit gij ten aanhoren van het volk hebt voorgelezen, neem die mee en kom hier. Toen nam Baruch, de zoon van Neria, de rol mee en kwam tot hen. 15  Toen zeiden zij tot hem: Neem plaats en lees ze ons voor. En Baruch las hun voor. 16  Toen zij al de woorden gehoord hadden, uitten zij onder elkander hun vrees en zeiden: Stellig moeten wij al deze woorden aan de koning overbrengen. 17  En zij vroegen Baruch: Vertel ons toch, hoe hebt gij al deze woorden opgeschreven? 18  Toen zeide Baruch tot hen: Hij zeide mij mondeling al deze woorden, terwijl ik ze met inkt in het boek schreef. 19  Daarop zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen, verberg u, gij en Jeremia, en laat niemand weten, waar gij zijt. 20 Toen gingen zij naar de koning in de hof, nadat zij de rol hadden weggelegd in het vertrek van de schrijver Elisama, en zij verhaalden al deze woorden ten aanhoren van de koning. 21  De koning zond daarop Jehudi om de rol te halen, en deze haalde haar uit het vertrek van de schrijver Elisama. En Jehudi las haar voor ten aanhoren van de koning en van al de vorsten, die rondom de koning stonden. 22  De koning nu was gezeten in het winterpaleis, in de negende maand, met het vuurbekken brandende voor zich. 23  Telkens als Jehudi drie of vier kolommen gelezen had, sneed de koning ze met een schrijversmes af en wierp ze in het vuur dat in het bekken was, totdat de gehele rol verteerd was in het vuur dat in het bekken was. 24  Zij verschrokken niet en scheurden hun klederen niet, de koning noch een van zijn dienaren, die al deze woorden hoorden; 25  ofschoon zelfs Elnatan en Delaja en Gemarja er bij de koning op aandrongen de rol niet te verbranden, luisterde hij niet naar hen. 26  Daarop gebood de koning de prins Jerachmeel en Seraja, de zoon van Azriel, en Selemja, de zoon van Abdeel, om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia gevangen te nemen; maar de Eeuwige hield hen verborgen. 27  Toen kwam het woord van de Eeuwige tot Jeremia, nadat de koning de rol met de woorden die Baruch had opgetekend uit de mond van Jeremia, verbrand had, aldus: 28  Neem weer een andere rol en schrijf daarop al de vorige woorden die op de eerste rol stonden, welke Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft; 29  en zeg aangaande Jojakim, de koning van Juda: Zo zegt de Eeuwige: Gij hebt deze rol verbrand en gezegd: Waarom hebt gij daarin geschreven: De koning van Babel zal zeker komen en dit land verwoesten en er mens en dier uitroeien? 30  Daarom, zo zegt de Eeuwige aangaande Jojakim, de koning van Juda: Hij zal niemand hebben, die op de troon van David is gezeten, en zijn lijk zal neergeworpen liggen in de hitte overdag en in de koude des nachts; 31  Ik zal aan hem, zijn nakomelingen en zijn dienaren hun ongerechtigheid bezoeken, en Ik zal over hen en de inwoners van Jeruzalem en de mannen van Juda al de rampspoed brengen, waarvan Ik tot hen gesproken heb, zonder dat zij gehoor hebben gegeven. 32  Jeremia nam een andere rol en gaf die aan de schrijver Baruch, de zoon van Neria, en deze schreef daarop uit de mond van Jeremia al de woorden uit het boek dat Jojakim, de koning van Juda, in het vuur verbrand had; en nog vele dergelijke woorden werden daaraan toegevoegd.

 

 

Eruit gelicht:

 

-         Deze hoofdstukken gaan over het verlangen van Gd dat Isral zich bekeert zodat de oordelen niet uitgevoerd hoeven te worden.

 

-         Wilt gij hieruit geen lering trekken om aan mijn woorden gehoor te geven? luidt het woord van de Eeuwige. Het gebod dat Jonadab, de zoon van Rekab, aan zijn zonen heeft opgelegd, om geen wijn te drinken, wordt gehouden; want tot op de huidige dag hebben zij geen wijn gedronken, omdat zij gehoor hebben gegeven aan het gebod van hun vader. (35:13,14). Gd zegent de kinderen van Jonadab omdat ze het gebod van hun vader opvolgde. Dan vergelijkt Gd hen met Zijn eigen volk dat Hem als G;d niet gehoorzaamt.

 

-         Bekeert u toch, een ieder van zijn boze weg, betert uw daden en loopt geen andere goden achterna om die te dienen, dan zult gij blijven in het land dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar gij hebt uw oor niet geneigd en Mij geen gehoor gegeven (35:15b). Als het volk zich bekeerd zou hebben, zouden zij niet de verstrooiing in gegaan zijn.

 

-         Misschien zal het huis van Juda luisteren naar al de rampspoed die Ik hun denk aan te doen, opdat zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en Ik hun ongerechtigheid en zonde vergeve (35:3). Gd roept weer op tot bekering in de hoop dat ze nu zullen luisteren zodat de oordelen niet uitgevoerd zullen worden.

 

-         Telkens als Jehudi drie of vier kolommen gelezen had, sneed de koning ze met een schrijversmes af en wierp ze in het vuur dat in het bekken was, totdat de gehele rol verteerd was in het vuur dat in het bekken was. Zij verschrokken niet en scheurden hun klederen niet, de koning noch een van zijn dienaren, die al deze woorden hoorden; (36:23,24). Heel bewust wil de koning zich niet bekeren tot Gd en is dus zelf verantwoordelijk voor al de oordelen die over hem komen.

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Jeremia 37-38 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021