Jeremia 31-32

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

31:1 Te dien tijde, luidt het woord van de Eeuwige, zal Ik voor alle geslachten van Israel tot een God zijn en zullen zij Mij tot een volk zijn. 2  Zo zegt de Eeuwige: Het volk der ontkomenen aan het zwaard vond genade in de woestijn, Israel, op  weg naar zijn rust. 3  Van verre is de Eeuwige mij verschenen: Ja, Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken in goedertierenheid. 4  Weder opbouwen zal Ik u, zodat gij gebouwd wordt, jonkvrouw Israels. Opnieuw zult gij u tooien met tamboerijnen en uittrekken in vrolijke reidans; 5  gij zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria, en wie ze planten, zullen ook de vrucht genieten. 6  Want de dag is daar, dat de wachters roepen op het gebergte van Efraim: Komt, laat ons opgaan naar Sion, tot de Eeuwige, onze God! 7  Want zo zegt de Eeuwige: Jubelt van vreugd over Jakob, juicht om het hoofd der volkeren, verkondigt, looft en zegt: de Eeuwige heeft zijn volk verlost, het overblijfsel van Israel. 8  Zie, Ik breng hen uit het land van het noorden en verzamel hen van de einden der aarde; onder hen blinden en lammen, zwangeren en barenden tezamen; in een grote schare zullen zij hierheen terugkeren. 9  Onder geween zullen zij komen en onder smeking zal Ik hen leiden; Ik zal hen voeren naar waterbeken op een effen weg, waarop zij niet struikelen. Want Ik ben Israel tot een vader, en Efraim, die is mijn eerstgeborene. 10 Hoort het woord van de Eeuwige, o volken, verkondigt het in verre kustlanden en zegt: Hij, die Israel verstrooide, zal het verzamelen en het behoeden als een herder zijn kudde. 11  Want de Eeuwige maakt Jakob vrij en verlost hem uit de macht van wie sterker is dan hij. 12  Zo komen zij jubelend op de hoogte van Sion en stromen toe naar het goede van de Eeuwige, naar koren, most en olie, naar schapen en runderen; hun ziel zal zijn als een besproeide hof, zij zullen nooit meer versmachten. 13  Dan verheugt zich het meisje in de reidans, jongelingen en grijsaards tezamen. Ik verander hun rouw in vreugde. Ik troost en verblijd hen na hun smart. 14  Ik laaf de ziel der priesters met het vette en mijn volk wordt met het goede van Mij verzadigd, luidt het woord van de Eeuwige. 15  Zo zegt de Eeuwige: Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is. 16  Zo zegt de Eeuwige: Weerhoud uw stem van wenen, uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, luidt het woord van de Eeuwige, zij zullen terugkeren uit het land van de vijand. 17  Ja, er is hoop voor uw toekomst, luidt het woord van de Eeuwige, de kinderen zullen naar hun gebied terugkeren. 18 Ik heb werkelijk Efraim horen klagen: Gij hebt mij getuchtigd, als een ongetemd kalf werd ik getuchtigd; bekeer mij, dan zal ik mij bekeren, want Gij, Eeuwige, zijt mijn God. 19  Want nadat ik tot inkeer ben gekomen, heb ik berouw gekregen; nadat ik tot inzicht gekomen ben, heb ik mij op de heup geslagen; ik ben beschaamd, ja, ook te schande geworden, want ik heb de smaad van mijn jeugd gedragen. 20  Is Efraim Mij een lievelingszoon, een troetelkind, dat Ik, zo vaak als Ik van hem spreek, gedurig weder aan hem denken moet? Daarom is mijn binnenste over hem ontroerd, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, luidt het woord van de Eeuwige. 21  Richt u merkstenen op, zet u wegwijzers neer, zet uw hart op de heerbaan, de weg die gij gaat; keer terug, jonkvrouw Israels, keer terug naar uw steden hier! 22  Hoelang zult gij aarzelen, o afkerige dochter? Want de Eeuwige schept iets nieuws op aarde: de vrouw zal de man omvangen. 23  Zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van Israel: Wederom zal men dit woord zeggen in het land van Juda en in zijn steden, wanneer Ik een keer heb gebracht in hun lot: De Eeuwige zegene u, rechtvaardige woonstede, heilige berg! 24  Daar zal Juda wonen met al zijn steden tezamen, landbouwers en die met de kudde uittrekken; 25  want Ik verkwik de vermoeide ziel, elke versmachtende ziel verzadig Ik.

26  Hierbij ontwaakte ik en zag op; mijn slaap was zo zoet. 27 Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik het huis van Israel en het huis van Juda bezaai met zaad van mensen en zaad van dieren; 28  en het zal gebeuren, zoals Ik wakker ben geweest om hen uit te rukken en af te breken, te verwoesten en te verdelgen en rampen over hen te brengen, zo zal Ik wakker zijn om hen te bouwen en te planten, luidt het woord van de Eeuwige. 29  In die dagen zal men niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden. 30  Maar ieder zal om zijn eigen ongerechtigheid sterven; ieder die onrijpe druiven eet, diens tanden zullen slee worden. 31  Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik met het huis van Israel en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. 32  Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord van de Eeuwige. 33  Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israel sluiten zal na deze dagen, luidt het woord van de Eeuwige: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. 34  Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de Eeuwige: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord van de Eeuwige, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken. 35 Zo zegt de Eeuwige, die de zon overdag tot een licht geeft, die de maan en de sterren verordent tot een licht des nachts, die de zee opzweept, dat haar golven bruisen, wiens naam is Eeuwige der heerscharen: 36  Als deze verordeningen voor mijn ogen zullen wankelen, luidt het woord van de Eeuwige, dan zal ook het nageslacht van Israel ophouden al de dagen een volk te zijn voor mijn ogen. 37  Zo zegt de Eeuwige: Als de hemel boven te meten is en de fundamenten der aarde beneden na te speuren zijn, dan zal Ik heel het nageslacht van Israel verwerpen om al hetgeen zij gedaan hebben, luidt het woord van de Eeuwige. 38  Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat de stad voor de Eeuwige opgebouwd wordt, van de Chananeltoren af tot aan de Hoekpoort; 39  dan gaat het meetsnoer verder rechtuit tot aan de heuvel Gareb en wendt zich naar Goa; 40  en het gehele lijkendal met de as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort oostwaarts, zal de Eeuwige heilig zijn; er zal niet weer vernield en verwoest worden in eeuwigheid. 32:1 Het woord, dat van de Eeuwige tot Jeremia kwam in het tiende jaar van Sedekia, de koning van Juda; dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadressar. 2  Toen lag het leger van de koning van Babel om Jeruzalem, en de profeet Jeremia was opgesloten in de gevangenhof, die aan het paleis van de koning van Juda verbonden was, 3  waar Sedekia, de koning van Juda, hem opgesloten had onder de beschuldiging: Waarom profeteert gij: zo zegt de Eeuwige: zie, Ik geef deze stad in de macht van de koning van Babel, zodat hij haar innemen zal, 4  en Sedekia, de koning van Juda, zal aan de macht der Chaldeeen niet ontkomen, maar hij zal zeker in de macht van de koning van Babel worden overgeleverd, hij zal van mond tot mond met hem spreken en van aangezicht tot aangezicht hem zien; 5  die zal Sedekia naar Babel voeren en daar zal hij blijven, totdat Ik naar hem omzie, luidt het woord van de Eeuwige; wanneer gij tegen de Chaldeeen strijdt, zult gij niet voorspoedig zijn. 6  Jeremia dan zeide: Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 7  Zie, Chanamel, de zoon van uw oom Sallum, komt tot u met het voorstel: Koop gij mijn akker die in Anatot ligt, want gij hebt het recht van lossing tot de koop. 8  En Chanamel, de zoon van mijn oom, kwam naar het woord van de Eeuwige tot mij in de gevangenhof en zeide tot mij: Koop toch mijn akker die in Anatot, in het gebied van Benjamin ligt, want gij hebt het recht van bezit en gij hebt de lossing, koop gij hem. Toen wist ik, dat dit het woord van de Eeuwige was. 9  Dus kocht ik van Chanamel, de zoon van mijn oom, de akker die in Anatot ligt, en ik wilde hem het geld, zeventien zilveren sikkelen, afwegen. 10  Dus schreef ik een koopbrief, zette mijn zegel erop, liet die door getuigen bekrachtigen en woog het geld op een weegschaal af. 11  Daarna nam ik de koopbrief, zowel die, die verzegeld was naar het voorschrift en de wettelijke bepalingen, als de open brief, 12  en gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, de zoon van Machseja, in tegenwoordigheid van Chanamel, de zoon van mijn oom, de getuigen die de koopbrief ondertekend hadden, en al de Judeeers die zich in de gevangenhof bevonden. 13  Toen gaf ik Baruch in hun tegenwoordigheid deze opdracht: 14  Zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van Israel: Neem deze brieven, deze koopbrief, zowel de verzegelde als deze open brief, en leg ze in een aarden vat, opdat zij lange tijd bewaard blijven; 15  want zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van Israel: Er zullen weer huizen, akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land. 16 Toen bad ik tot de Eeuwige, nadat ik de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, gegeven had: 17  Ach, Adinai de Eeuwige, zie, Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt door uw grote kracht en uw uitgestrekte arm; niets zou te wonderlijk zijn voor U, 18  die aan duizenden goedertierenheid bewijst en de ongerechtigheid der vaderen in de boezem van hun kinderen na hen vergeldt, o grote, sterke God, wiens naam is Eeuwige der heerscharen, 19  groot van raad en machtig van daad, wiens ogen open zijn over alle wegen der mensenkinderen om aan een ieder te geven naar zijn wegen en naar de vrucht zijner handelingen; 20  die tekenen en wonderen gedaan hebt in het land Egypte tot op deze dag, zowel in Israel als onder de mensen, en Uzelf een naam hebt gemaakt, gelijk heden blijkt; 21  die uw volk Israel uit het land Egypte geleid hebt door tekenen en wonderen met een sterke hand, een uitgestrekte arm en grote verschrikking; 22  en hun dit land gegeven hebt, waarvan Gij aan hun vaderen gezworen hadt het hun te zullen geven, een land, overvloeiende van melk en honig; 23  maar toen zij gekomen waren en het in bezit genomen hadden, hoorden zij niet naar uw stem en wandelden niet naar uw wet; zij deden niets van alles wat Gij hun geboden hadt te doen; daarom hebt Gij al deze rampspoed over hen gebracht. 24  Zie, de wallen zijn tot aan de stad gekomen om die in te nemen, en de stad is gegeven in de macht van de Chaldeeen die tegen haar strijden, door het zwaard, de honger en de pest; ja, wat Gij gesproken hebt, is geschied; en zie, Gij aanschouwt het. 25  Toch hebt Gij zelf tot mij gezegd, Adinai de Eeuwige: Koop u de akker voor de prijs en laat het door getuigen bekrachtigen, terwijl de stad in de macht der Chaldeeen is gegeven! 26 Toen kwam het woord van de Eeuwige tot Jeremia: 27  Zie, Ik, de Eeuwige, ben de God van al wat leeft; zou voor Mij iets te wonderlijk zijn? 28  Daarom zegt de Eeuwige aldus: Zie, Ik geef deze stad wel in de macht van de Chaldeeen en van Nebukadressar, de koning van Babel, die haar innemen zal; 29  en de Chaldeeen die tegen deze stad strijden, zullen komen, deze stad in vlam zetten en haar verbranden, met de huizen, op welker daken men voor de Baal offers ontstoken en plengoffers aan andere goden gebracht heeft, waarmee men Mij heeft gekrenkt. 30  Want de Israelieten en de Judeeers deden van jongs af voortdurend enkel wat kwaad is in mijn ogen; de Israelieten krenkten Mij immers voortdurend met het werk hunner handen, luidt het woord van de Eeuwige. 31  Want deze stad heeft mijn toorn en mijn gramschap opgewekt sedert de dag dat men haar bouwde, tot op heden, zodat Ik haar moet wegdoen uit mijn ogen 32  om al de boosheid die de Israelieten en de Judeeers bedreven hebben en waarmee zij Mij gekrenkt hebben; zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten, zowel de mannen van Juda als de inwoners van Jeruzalem; 33  zij keerden mij de nek toe in plaats van het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg en laat, luisterden zij niet en lieten zich niet gezeggen. 34  Maar zij zetten hun gruwelen in het huis waarover mijn naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen, 35  en zij bouwden de hoogten van de Baal, die zich in het dal Ben-hinnom bevinden, om hun zonen en dochters aan de Moloch te wijden, wat Ik hun niet geboden had en wat bij Mij niet opgekomen was, het bedrijven van deze gruwel om Juda te doen zondigen. 36  Maar nu, zo zegt de Eeuwige, de God van Israel, van deze stad, waarvan gij zegt: Zij is in de macht van de koning van Babel gegeven door het zwaard, de honger en de pest: 37 zie, Ik verzamel hen uit al de landen, waarheen Ik hen in mijn toorn en gramschap en grote verbolgenheid zal verdreven hebben, en Ik zal hen naar deze plaats terugbrengen en hen veilig doen wonen; 38  zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn; 39  Ik zal hun een hart en een weg geven, zodat zij Mij vrezen al de dagen, hun en hun kinderen na hen ten goede; 40  ja, Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij niet van achter hen afwenden zal en dat Ik hun wel zal doen, en mijn vrees zal Ik in hun hart leggen, zodat zij niet van Mij afwijken; 41  Ik zal Mij over hen verblijden en hun weldoen en Ik zal hen voorgoed in dit land planten met heel mijn hart en heel mijn ziel. 42  Want zo zegt de Eeuwige: Zoals Ik al deze zware rampspoed over dit volk gebracht heb, zo breng Ik over hen al het heil, dat Ik over hen verkondig. 43  Er zullen akkers gekocht worden in dit land, waarvan gij zegt: Een wildernis is het, zonder mens en dier, het is in de macht der Chaldeeen gegeven; 44  akkers zal men voor geld kopen en koopbrieven schrijven, deze verzegelen en door getuigen doen bekrachtigen in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem, in de steden van Juda, van het Gebergte, van de Laagte en van het Zuiderland; want Ik zal in hun lot een keer brengen, luidt het woord van de Eeuwige.

 

Eruit gelicht:

 

-         Te dien tijde, luidt het woord van de Eeuwige, zal Ik voor alle geslachten van IsraŽl tot een God zijn en zullen zij Mij tot een volk zijn (31:1). Alle stammen zullen weer terugkeren naar IsraŽl en zullen Gíd weer op Zijn manier dienen. Dat is door de Thora te onderhouden.

 

-         Ja, Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken in goedertierenheid (31:3b). Gíds liefde voor het volk IsraŽl blijft onveranderd.

 

-         Weder opbouwen zal Ik u, zodat gij gebouwd wordt, jonkvrouw IsraŽls. Opnieuw zult gij u tooien met tamboerijnen en uittrekken in vrolijke reidans (31:4). Duidelijke belofte van herstel voor IsraŽl.

 

-         gij zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria, en wie ze planten, zullen ook de vrucht genieten (31:5). Herstel zal niet alleen geestelijk zijn maar ook fysiek. Specifiek wordt er een plaats aanduiding gegeven. Nu reeds zien wij in beginsel deze belofte in vervulling gaan. (zie: http://www.grizimtour.com/Agriculture.htm)

 

-         Hoort het woord van de Eeuwige, o volken, verkondigt het in verre kustlanden en zegt: Hij, die IsraŽl verstrooide, zal het verzamelen en het behoeden als een herder zijn kudde. (31:10). Overal ter wereld zal men weten dat Gíd het is die IsraŽl weer terugbrengt.

 

-         Want de Eeuwige maakt Jakob vrij en verlost hem uit de macht van wie sterker is dan hij. (31:11). Hoe sterk de tegenstanders van IsraŽl ook lijken, zij zullen verliezen.

 

-         Ik laaf de ziel der priesters met het vette en mijn volk wordt met het goede van Mij verzadigd, luidt het woord van de Eeuwige (31:14). Ook de priesters zullen er weer zijn om Gíd te dienen in Zijn tempel.

 

-         Zo zegt de Eeuwige: Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is. Zo zegt de Eeuwige: Weerhoud uw stem van wenen, uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, luidt het woord van de Eeuwige, zij zullen terugkeren uit het land van de vijand. Ja, er is hoop voor uw toekomst, luidt het woord van de Eeuwige, de kinderen zullen naar hun gebied terugkeren. (31:15-17). Langs de weg bij Rachels graf is het volk volgens de overleveringen weggevoerd. God beloofd, het gebed van Rachel voor haar kinderen te horen. Ze zullen terugkeren uit de verstrooiing, terug naar Eretz IsraŽl.

 

-         Want nadat ik tot inkeer ben gekomen, heb ik berouw gekregen; nadat ik tot inzicht gekomen ben, heb ik mij op de heup geslagen; ik ben beschaamd, ja, ook te schande geworden, want ik heb de smaad van mijn jeugd gedragen. (31:19). Het volk heeft zich bekeert van hun zonden en heeft de voorzegde straf gedragen. Daarom komen ze terug.

 

-         In die dagen zal men niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden.Maar ieder zal om zijn eigen ongerechtigheid sterven; ieder die onrijpe druiven eet, diens tanden zullen slee worden. (31:29, 30). De kinderen dragen niet meer de gevolgen van de zonden van hun vaderen maar zullen alleen verantwoording dragen over hun eigen zonden.

 

-         Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik met het huis van IsraŽl en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord van de eeuwige. Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van IsraŽl sluiten zal na deze dagen, luidt het woord van de Eeuwige: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. (31:31-33). Het verbond met hun vaderen was de overeenkomst dat zij zich aan de Thora zouden houden. Gíd vernieuwt de overeenkomst met het volk en het zal zo zijn dat ze vanuit hun hart Ďautomatischí de instructies van Gíd zullen weten en doen.

 

-         Zo zegt de Eeuwige, die de zon overdag tot een licht geeft, die de maan en de sterren verordent tot een licht des nachts, die de zee opzweept, dat haar golven bruisen, wiens naam is Eeuwige der heerscharen: Als deze verordeningen voor mijn ogen zullen wankelen, luidt het woord van de Eeuwige, dan zal ook het nageslacht van IsraŽl ophouden al de dagen een volk te zijn voor mijn ogen. (31:35,36) . Zolang dag en nacht zich afwisselen, kunnen we er van overtuigt zijn dat Gíd Zijn beloften aan IsraŽl ten uitvoer brengt.

 

-         want zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van IsraŽl: Er zullen weer huizen, akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land. (32:15). Het dagelijkse leven zal weer zijn gang hebben als ten tijde van het Davidische koninkrijk.

 

-         Want deze stad heeft mijn toorn en mijn gramschap opgewekt sedert de dag dat men haar bouwde, tot op heden, zodat Ik haar moet wegdoen uit mijn ogen om al de boosheid die de IsraŽlieten en de JudeeŽrs bedreven hebben en waarmee zij Mij gekrenkt hebben; zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten, zowel de mannen van Juda als de inwoners van Jeruzalem; zij keerden mij de nek toe in plaats van het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg en laat, luisterden zij niet en lieten zich niet gezeggen. Maar zij zetten hun gruwelen in het huis waarover mijn naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen, en zij bouwden de hoogten van de Baal, die zich in het dal Ben-hinnom bevinden, om hun zonen en dochters aan de Moloch te wijden, wat Ik hun niet geboden had en wat bij Mij niet opgekomen was, het bedrijven van deze gruwel om Juda te doen zondigen. (32:31-35). Vanaf het begin van de bouw van Jeruzalem waren er grote zonden bij de bewoners van de stad. Gíd geeft weer aan dat vanwege het verachten van Gíds instructies, de Thora, is het volk onder de oordelen gekomen. De verantwoording ligt bij hen zelf.

 

-         zie, Ik verzamel hen uit al de landen, waarheen Ik hen in mijn toorn en gramschap en grote verbolgenheid zal verdreven hebben, en Ik zal hen naar deze plaats terugbrengen en hen veilig doen wonen (32:37). Nu, na de straf brengt Gíd hen weer terug in het land.

 

-         zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn; Ik zal hun een hart en een weg geven, zodat zij Mij vrezen al de dagen, hun en hun kinderen na hen ten goede; ja, Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij niet van achter hen afwenden zal en dat Ik hun wel zal doen, en mijn vrees zal Ik in hun hart leggen, zodat zij niet van Mij afwijken; (32:38-40). Terug in het land en bekeert tot Gíd zal het volk IsraŽl echt godvrezend zijn.

 

-         Ik zal Mij over hen verblijden en hun weldoen en Ik zal hen voorgoed in dit land planten met heel mijn hart en heel mijn ziel. (32:41). Met heel Zijn hart en ziel zal Gíd het volk IsraŽl weer terugplanten in hun land.

 

-         Want zo zegt de Eeuwige: Zoals Ik al deze zware rampspoed over dit volk gebracht heb, zo breng Ik over hen al het heil, dat Ik over hen verkondig. (32:42). Deoordelen zijn gekomen. Zo zeker zullen ook de goede beloften in vervulling gaan.

 

 

Start ] Omhoog ] Jeremia 33-34 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021