Hosea 4-6

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
Espańol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

Hosea 4-6

 

4:1 Luister naar de woorden van HaShem de Eeuwige, Israëlieten! HaShem de Eeuwige voert een geding tegen de inwoners van dit land, want ze kennen geen eerlijkheid meer en geen liefde, en met God zijn ze niet meer vertrouwd. 2  Het is een en al meineed en bedrog, niets dan moord, diefstal en overspel; het ene bloedbad volgt op het andere. 3 Daarom is het land in rouw gedompeld en bezwijken al zijn inwoners, mét de dieren van het veld en alles wat vliegt; zelfs de vissen in zee sterven uit. 4 Maar laat niemand een aanklacht indienen en roep elkaar niet ter verantwoording. Tegen jou, priester, richt ik mijn aanklacht! 5  Op klaarlichte dag zul je struikelen, en ‘s nachts sleep je een profeet mee in je val. En je moeder zal ik laten omkomen. 6 Mijn volk komt om doordat het met mij niet vertrouwd is. Jij wilde het niet met mij vertrouwd maken, daarom wil ik niets meer met jou te maken hebben: je zult mij niet meer als priester dienen. Jij hebt de wet van je God verwaarloosd, daarom zal ik jouw kinderen verwaarlozen. 7 Hoe talrijker de priesters werden, des te meer zondigden ze tegen mij. Maar ik zal hun aanzien verruilen voor schande. 8  Ze teren op de zonden van mijn volk en hongeren naar nog meer. 9  Ik zal volk en priesters over één kam scheren: ik zal hun wangedrag bestraffen, hun misdaden zal ik vergelden. 10  (10–11) Ze zullen eten maar niet verzadigd raken, overspel plegen maar zich niet voortplanten. Want ze hebben HaShem de Eeuwige verlaten en vereren nu ontucht en wijn, waardoor het verstand beneveld raakt. 11 12 Mijn volk raadpleegt een stuk hout, uit stokjes lezen ze de toekomst af. Ze zijn bezeten van ontucht en keren zich af van hun God. 13  Ze brengen offers op de bergtoppen en branden wierook op de heuvels en onder eik, populier en terebint, want in hun schaduw is het aangenaam. Vandaar dat jullie dochters overspel plegen en jullie schoondochters ontrouw zijn! 14 Maar jullie dochters zal ik hun overspel niet aanrekenen, jullie schoondochters zal ik niet straffen voor hun ontrouw, want zelf gaan jullie met hoeren mee en brengen offers in gezelschap van tempelhoeren. En een volk zonder kennis komt ten val. 15  Als jij zo trouweloos bent, Israël, maak dan Juda tenminste niet medeschuldig. Kom niet naar Gilgal, trek niet naar het goddeloze Betel, en zweer daar niet: ‘Zo waar HaShem de Eeuwige leeft!’ 16  Israël verzet zich als een onwillige koe. Zou HaShem de Eeuwige het dan willen weiden, als een lam in het vrije veld? 17  Het volk van Efraďm heeft zich vergooid aan afgodsbeelden–laat het maar! 18  Ze zijn hun kater nog niet kwijt of ze haasten zich al naar de hoeren. Zie hun hartstocht branden, hun vorsten zijn dol op schande. 19  Maar een wervelstorm zal hen meesleuren. Met al dat offeren zullen ze bedrogen uitkomen. 5:1 Luister, priesters! Hoor toe, oudsten van Israël! Leden van het hof, luister aandachtig! De rechtspraak is toch aan jullie toevertrouwd? Maar in Mispa hebben jullie mijn volk in de val gelokt, op de Tabor je netten voor hen uitgespreid; 2  een diepe kuil van ontrouw hebben jullie gegraven. Maar ik zal jullie leren, allemaal! 3  Ik kende Efraďm, Israël lag mij na aan het hart; maar nu is Efraďm overspelig geworden, Israël heeft zich besmeurd. 4 Hun daden verhinderen hen terug te keren naar hun God: ze zijn bezeten van ontucht, waardoor HaShem de Eeuwige een vreemde voor hen geworden is. 5  Israëls hoogmoed zal tegen hemzelf getuigen, Efraďm komt door zijn wandaden ten val; zelfs Juda wordt in zijn val meegesleept. 6  Als ze dan met hun schapen, geiten en runderen op weg gaan om HaShem de Eeuwige te zoeken, zullen ze hem niet vinden: hij zal zich voor hen verborgen houden. 7 Ze zijn HaShem de Eeuwige ontrouw geweest en hebben bastaardkinderen voortgebracht. Maar vóór nieuwemaan worden ze met hun akkers verslonden. 8   Blaas de ramshoorn in Gibea, steek de trompet in Rama, sla alarm in Betel: ‘Te wapen, Benjamin!’ 9  Efraďm zal een schrikbeeld worden als de dag van de vergelding komt; wat ik over de stammen van Israël afkondig is onafwendbaar. 10  Nu al stillen de Judese bevelhebbers hun landhonger. Maar ik stort mijn woede als een vloed over hen uit. 11  Efraďm wordt verdrukt en het recht wordt verkracht, omdat het volk onverstoorbaar achter machten van niets aan liep. 12  Als een etterwond ben ik voor Efraďm, voor het volk van Juda als beenrot. 13  .. 14  Want ik ben het die Efraďm aanvalt als een leeuw, als een sterke leeuw keer ik mij tegen het volk van Juda: ikzelf zal hen verscheuren, ik zal hen wegslepen, en niemand die hen redden kan. 15  Ik ga terug naar de plaats waar ik woon, totdat ze voor hun daden geboet hebben en mij weer gaan zoeken. Door de nood gedreven zullen ze weer naar mij vragen. 6:1 ‘Kom, laten wij teruggaan naar HaShem de Eeuwige! Hij heeft ons verscheurd, hij zal ons genezen;  de hand die sloeg, zal ons verbinden. 2  Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet hij ons opstaan: in zijn nabijheid zullen wij leven. 3  Dan zullen wij hem kennen, ernaar jagen om HaShem de Eeuwige te kennen. Even zeker als de dageraad zal hij komen, hij komt naar ons als milde regen, als de lenteregen die de aarde drenkt.’4 Wat moet ik met je beginnen, Efraďm? Wat moet ik met je beginnen, Juda? Want jullie liefde is als een ochtendnevel, als dauw die ‘s morgens vroeg verdwijnt. 5  Daarom heb ik jullie gedood met de woorden die ik sprak, jullie neergehouwen door mijn profeten; zo brak het volle licht van mijn recht door. 6  Want liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer. 7  Maar zij hebben het verbond met mij geschonden, zoals eens in de stad Adam: daar waren ze mij al ontrouw. 8  Gilead is een broeinest van misdadigers, een stad vol bloedsporen. 9  De priesters liggen als een bende rovers op de loer, plegen moorden op de weg naar Sichem. Gruwelijk is het wat ze doen! 10  Bij het volk van Israël heb ik afschuwelijke dingen gezien: Efraďm is overspelig geworden, Israël heeft zich besmeurd. 11  Ook jij, Juda, zult oogsten wat je hebt gezaaid.  Steeds wanneer ik het lot van mijn volk ten goede keer,

 

 

4:1 “Luister naar de woorden van HaShem de Eeuwige, Israëlieten! HaShem de Eeuwige voert een geding tegen de inwoners van dit land, want ze kennen geen eerlijkheid meer en geen liefde, en met God zijn ze niet meer vertrouwd” De ballingschap werd veroorzaakt door ontbreken aan eerlijkheid, ontbreken van liefde voor elkaar en niet in de minste plaats door het ontbreken van een vertrouwde relatie met HaShem. Zie ook 6:6 “Want liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is eer waard dan enig offer”

 

4:6 “Mijn volk komt om doordat het met mij niet vertrouwd is”. De oordelend die voorzegd waren en zijn worden veroorzaakt door het feit dat het volk niet meer met HaShem vertrouwd is. Men leeft niet meer volgens de instructies van de Thora. Er staat verder “Jij hebt de wet van je God verwaarloosd”

 

4:14 “Maar jullie dochters zal ik hun overspel niet aanrekenen, jullie schoondochters zal ik niet straffen voor hun ontrouw”. De eerste uit een geslacht die de Thora loslaat wordt door HaShem verantwoordelijk gesteld. De kinderen zijn beperkt verantwoordelijk. Ze weten in zekere zin niet beter omdat hun ouders hun zo hebben opgevoed. Ook nu vandaag weet het meerdere deel van de niet-religieuze Joodse gemeenschap niets over het onderhouden van de Thora omdat dat niet door hen ouders is bijgebracht.

 

4:14b “En een volk zonder kennis komt ten val”. Ondanks dat de kinderen niet als eerste verantwoordelijk zijn voor het verlaten van HaShem door zijn geboden niet meer op te volgen ervaren ze wel de gevolgen van het verlaten van HaShem. Ze ondervinden namelijk niet het goede van het onderhouden van de Thora. De condities van het land Israel zijn zodanig dat je er niet kunt leven als je niet leeft volgens de instructies van de Thora. Een voorbeeld om dit toe te lichten is dat het land geen natuurlijke waterbronnen heeft die zonder regen opgevuld worden. Het land heeft dus regen nodig. Alleen als de inwoners van het land zich aan de Thora houden valt er voldoende regen. Zie ook vers 16 “Zou HaShem de Eeuwige het dan willen weiden, als een lam in het vrije veld?”.

 

5:6 “Als ze dan met hun schapen, geiten en runderen op weg gaan om HaShem de Eeuwige te zoeken, zullen ze hem niet vinden: hij zal zich voor hen verborgen houden”. Als het volk de Thora niet meer houdt zijn zij niet meer in staat de stem van HaShem te verstaan, de dagelijkse leiding die Hij geeft

 

5:11 “Efraďm wordt verdrukt en het recht wordt verkracht, omdat het volk onverstoorbaar achter machten van niets aan liep”. Kan ook vertaald worden met omdat ze niet achter het gebod aanliepen wat een andere omschrijving voor “achter andere machten van niets aanliepen” is. Het niet opvolgen van de Thora (en dus niet erkennen van HaShem als enige macht) is het zelfde als het toekennen van macht aan andere machten (die geen macht hebben)

 

5:13 “Toen Efraďm merkte hoe ziek het was, en Juda zijn zwerende wonden zag, wendde Efraďm zich tot Assyrië om hulp te zoeken bij koning Kemphaan. Maar die kan geen genezing brengen, die heeft geen middel tegen hun kwalen”. Als de gevolgen zichtbaar worden van het afwijken van HaShem (het opvolgen van HaShems instructies) zoekt het volk eerst hulp bij andere volken, denkende dat zij hun kunnen redden. Uiteindelijk zullen zij erachter komen dat het ijdele hoop is. Alleen HaShem kan en zal helpen.

 

6:1-3 “Kom, laten wij teruggaan naar HaShem de Eeuwige! Hij heeft ons verscheurd, hij zal ons genezen;  de hand die sloeg, zal ons verbinden. 2  Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet hij ons opstaan: in zijn nabijheid zullen wij leven. 3  Dan zullen wij hem kennen, ernaar jagen om HaShem de Eeuwige te kennen. Even zeker als de dageraad zal hij komen, hij komt naar ons als milde regen, als de lenteregen die de aarde drenkt”. Na het ontdekken dat niemand het volk kan en zal helpen komt het volk Israel tot de conclusie dat ze weer naar HaShem moeten gaan. Het enige middel voor herstel is namelijk terugkeer naar HaShem, leven volgens HaShems instructies, eerlijk zijn, liefde hebben voor elkaar en het leven in vertrouwdheid met HaShem. Door het weer gaan onderhouden van de Thora-instructies zullen ze HaShem hem kennen en ook Zijn dagelijkse aanwijzingen herkennen. Het volk ziet hoe goed het is om naar Gods wil te leven en zal daardoor zich meer intensiveren om Hem te kennen.

 

6:6 “Want liefde(liefdadigheid) wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn (Hem kennen) is meer waard dan enig offer. Elkaar liefhebben en helpen is van groot belang

 

 

 

 

 

 

Bron:

Tanach, Stone Editie, Hebreeuwse Tanach met Engelse vertaling

The Torah Anthology Yalkut Me'am Lo'ez, The book of Trei-Asar (1) Rabbijn Shmuel Yerushalmi

Judaica Books of the Prophets, The book of the twelve Prophets Volume one, Translation of text, Rashi and Commentary by Rabbi A.J. Rosenberg

 

 

 

Andere bijbelstudies van Hosea:

Hosea 1-3

Hosea 7-9

Hosea 10-12

Hosea 13-14

 

 

Start ] Omhoog ] Hosea 7-9 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021