Nr11 - Va-Yiggash

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

 

Thora-gedeelte Va Yiggash

 

Va-Yiggash(hij kwam naar voren), Gen 44:18-47:27, Haftarah: Ezech. 37:15-28

 

Gen 44:18-47:27   18 Toen naderde Juda tot hem en zeide : Met uw verlof, mijn heer, uw knecht moge toch een enkel woord ten aanhoren van mijn heer spreken en uw toorn ontbrande niet tegen uw knecht, want gij zijt als Farao.  19  Mijn heer heeft zijn knechten gevraagd : Hebt gij nog een vader of een broeder?  20  En wij zeiden tot mijn heer: Wij hebben een oude vader en daar is nog een jonge zoon zijns ouderdoms; maar zijn broeder is dood;  hij is de enig overgeblevene van zijn moeder , en zijn vader heeft hem zeer lief.  21  Toen zeidet gij tot uw knechten: Brengt hem tot mij, opdat ik mijn ogen op hem sla.  22  Maar wij zeiden tot mijn heer: De jongen kan zijn vader niet verlaten,  want verlaat hij zijn vader, dan zal deze sterven.  23  Daarop zeidet gij tot uw knechten: Indien uw jongste broeder niet met u meekomt , zult gij mijn aangezicht niet meer zien.  24  Nadat wij naar uw knecht, mijn vader, waren teruggereisd, deelden wij hem de woorden van mijn heer mee.  25  Toen nu onze vader zeide: Gaat ons weer een weinig voedsel kopen,  26  zeiden wij: Wij kunnen niet heentrekken; als onze jongste broeder bij ons is, dan zullen wij heentrekken; want wij zullen het aangezicht van die man niet mogen zien, wanneer onze jongste broeder niet bij ons is.  27  Daarop zeide uw knecht, mijn vader, tot ons: Gij weet, dat mijn vrouw mij twee zonen heeft gebaard;  28  de ene is van mij weggegaan, en ik heb moeten zeggen: voorzeker is hij verscheurd , en ik heb hem tot nu toe niet weergezien.  29  En neemt gij ook deze van mij weg , en overkomt hem een ongeluk, dan zult gij mijn grijze haar met verdriet in het dodenrijk doen neerdalen.  30  En nu, wanneer ik bij uw knecht, mijn vader, kom, en de jongen is niet bij ons, aan wiens ziel zijn eigen ziel nauw verbonden is ,  31  dan zal het gebeuren, als hij ziet, dat de jongen er niet is, dat hij sterven zal , en uw knechten zullen het grijze haar van uw knecht, onze vader, met verdriet in het dodenrijk doen neerdalen.  32  Maar uw knecht is borg geworden voor de jongen bij mijn vader met deze woorden : indien ik hem niet tot u breng,  dan moge ik te allen tijde tegenover mijn vader schuldig staan.  33  Nu dan, laat toch uw knecht in de plaats van de jongen als slaaf voor mijn heer achterblijven, en de jongen trekke met zijn broeders mee.  34  Want hoe zal ik naar mijn vader heentrekken , wanneer de jongen niet bij mij is? Ik zou het verdriet niet kunnen aanzien, dat mijn vader zou treffen.  45:1 Toen kon Yoseph zich niet langer bedwingen voor allen die bij hem stonden , en hij riep: Laat allen van mij weggaan. En daar stond niemand bij hem, toen Yoseph zich aan zijn broeders bekend maakte.  2  Daarop brak hij uit in luid geween,  zodat de Egyptenaren en Faraoís huis het hoorden.  3  En Yoseph zeide tot zijn broeders: Ik ben Yoseph; leeft mijn vader nog? Doch zijn broeders konden hem niet antwoorden , want zij deinsden van schrik voor hem terug.  4  Toen zeide Yoseph tot zijn broeders:  Komt toch naderbij. Daarop naderden zij. En hij zeide: Ik ben uw broeder Yoseph , die gij naar Egypte verkocht hebt.   5  Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden.  6  Want reeds twee jaren is er hongersnood geweest in dit land en er komen nog vijf jaren , waarin niet geploegd of geoogst zal worden. 7 Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde,  en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden.  8  Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God; Hij heeft mij gesteld tot Faraoís vader en tot heer over geheel zijn huis en tot heerser in het gehele land Egypte.  9  Trekt haastig naar mijn vader en zegt tot hem: Zo zegt uw zoon Yoseph: God heeft mij gesteld tot heer over geheel Egypte, komt tot mij, draal niet.  10  Gij zult in het land Gosen wonen en gij zult dicht bij mij zijn, gij en uw kinderen en uw kindskinderen, uw kleinvee en uw runderen en al wat gij hebt.  11  En ik zal daar voor u zorgen, want er zal nog vijf jaar hongersnood zijn, opdat gij niet verarmt, gij, noch uw huis,  noch iemand van de uwen.  12  En zie, uw eigen ogen en die van mijn broeder Benjamin zien, dat het mijn mond is, die tot u spreekt.  13  Vertelt dan aan mijn vader al de heerlijkheid die ik in Egypte bezit, en alles wat gij gezien hebt, en brengt mijn vader haastig hierheen.  14  Toen viel hij zijn broeder Benjamin om de hals en weende, en Benjamin weende aan zijn hals.  15  En hij kuste al zijn broeders hartelijk en weende, hen omhelzende. Daarna eerst spraken zijn broeders met hem.  16 Toen het gerucht in Faraoís huis vernomen werd, dat Yosephs broeders waren gekomen , was dit Farao en zijn dienaren aangenaam.  17  En Farao zeide tot Yoseph: Zeg tot uw broeders: doet dit:  belaadt uw dieren en trekt heen naar het land Kanašn,  18  en haalt uw vader en uw gezinnen en komt tot mij, dan zal ik u het beste van het land Egypte geven, zodat gij het vette des lands eten zult.  19  Voorts hebt gij de opdracht hun te gelasten:  Neemt u uit het land Egypte wagens voor uw kinderen en voor uw vrouwen, brengt uw vader mee en komt herwaarts.   20  Gij moet het niet jammer vinden van uw huisraad, want het beste van het gehele land Egypte zal voor u zijn.  21  Toen deden de zonen van IsraŽl aldus ; en Yoseph gaf hun wagens volgens Farao s bevel; ook gaf hij hun teerkost voor de reis.  22  Aan hen allen, man voor man, gaf hij een stel kostbare klederen en aan Benjamin gaf hij drie honderd zilverstukken en vijf stel kostbare klederen.  23  Daarbij zond hij zijn vader tien ezels, beladen met het beste van Egypte , en tien ezelinnen, beladen met koren en brood en voedsel, voor zijn vader op de reis.  24  Hierop deed hij zijn broeders uitgeleide, en zij gingen heen, en hij zeide tot hen:  Maakt geen twist onderweg.  25 Zij dan trokken weg uit Egypte en kwamen in het land Kanašn bij hun vader Yaíakov.  26  Toen zij hem vertelden: Yoseph leeft nog en hij is zelfs heerser over het gehele land Egypte, bleef zijn hart er koud onder, want hij kon het niet geloven.  27  Maar toen zij hem al de woorden overbrachten, die Yoseph tot hen gesproken had, en toen hij de wagens zag, die Yoseph gezonden had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Yaíakov op.  28  En IsraŽl zeide: Het is genoeg, mijn zoon Yoseph leeft nog; ik wil gaan en hem zien, eer ik sterf.  46:1 En IsraŽl brak op met alles wat hij had en kwam te Berseba en bracht de God van zijn vader Itschak slachtoffers.  2  En God sprak tot IsraŽl in nachtgezichten , en Hij zeide: Yaíakov, Yaíakov. En hij zeide: Hier ben ik.  3  Toen zeide Hij: Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken.  4  Ik zal zelf met u naar Egypte trekken en Ik zal u ook zeker weer terugvoeren en Yoseph zal u de ogen toedrukken.   5 Toen ging Yaíakov uit Berseba op weg,  en de zonen van IsraŽl vervoerden hun vader Yaíakov, benevens hun kinderen en hun vrouwen, op de wagens die Farao gezonden had om hem te vervoeren.  6  Zij namen ook mee hun vee en hun have,  die zij in het land Kanašn verworven hadden , en zij kwamen in Egypte, Yaíakov en al zijn kroost met hem.  7  Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters en zijn gehele kroost bracht hij met zich naar Egypte.  8  Dit nu zijn de namen van de zonen van IsraŽl , die in Egypte kwamen, van Yaíakov en zijn zonen. De eerstgeborene van Yaíakov was Ruben.  9  De zonen van Ruben waren Chanok, Pallu,  Chesron en Karmi.  10  De zonen van Simeon waren Jemuel, Jamin , Ohad, Jakin, Sochar en Saul, de zoon van een Kanaanitische.  11  De zonen van Levi waren Gerson, Kehat en Merari.  12  De zonen van Juda waren Er, Onan, Sela , Peres en Zerach; doch Er en Onan waren in het land Kanaan gestorven; en de zonen van Peres waren Chesron en Chamul.  13  De zonen van Issakar waren Tola, Puwwa,  Job en Simron.  14  De zonen van Zebulon waren Sered, Elon en Jachleel.  15  Dit waren de zonen van Lea, die zij aan Yaíakov gebaard heeft in Paddan-aram, benevens zijn dochter Dina. Het gehele zielental van zijn zonen en dochters was drieendertig.  16  De zonen van Gad waren Sifjon, Chaggi,  Suni, Esbon, Eri, Arodi en Areli.  17  De zonen van Aser waren Jimna, Jiswa,  Jiswi en Beria, benevens hun zuster Serach,  en de zonen van Beria waren Cheber en Malkiel .  18  Dit waren de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had, en zij baarde dezen aan Yaíakov; zestien zielen.  19  De zonen van Rachel, de vrouw van Yaíakov,  waren Yoseph en Benjamin.  20  En aan Yoseph werden in het land Egypte Manasse en Efraim geboren, die Asnat,  de dochter van Potifera, de priester van On,  hem baarde.  21  De zonen van Benjamin waren Bela, Beker , Asbel, Gera, Naaman, Echi, Ros,  Muppim, Chuppim en Ard.  22  Dit waren de zonen van Rachel, die aan Yaíakov geboren werden, het gehele zielental veertien.  23  De zoon van Dan was Chusim.  24  De zonen van Naftali waren Jachseel, Guni , Jeser en Sillem.  25  Dit waren de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had, en zij baarde dezen aan Yaíakov, het gehele zielental zeven.  26  Alle personen die met Yaíakov naar Egypte kwamen, zijn afstammelingen, behalve de vrouwen der zonen van Yaíakov, het gehele zielental was zesenzestig.  27  En de zonen van Yoseph, die hem in Egypte geboren waren, waren twee in getal. Het gehele getal der zielen van het huis van Yaíakov , die naar Egypte kwamen was zeventig.  28 Hij dan zond Juda voor zich uit naar Yoseph, opdat deze hem in Gosen zou ontmoeten . En zij kwamen in het land Gosen aan.  29  En Yoseph spande zijn wagen aan en trok naar Gosen, zijn vader IsraŽl tegemoet. Toen hij hem ontmoette, viel hij hem om de hals en weende geruime tijd aan zijn hals.  30  Toen zeide IsraŽl tot Yoseph: Nu kan ik sterven, nadat ik uw aangezicht gezien heb, omdat gij nog leeft.  31  En Yoseph zeide tot zijn broeders en tot het huis zijns vaders: Ik zal heengaan, het Farao meedelen en hem zeggen:  mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanašn waren, zijn tot mij gekomen; 32 die mannen zijn schaapherders, want zij zijn veehouders en hebben hun kleinvee, hun runderen en alles wat zij bezitten, meegebracht.  33  En wanneer Farao u roept en zegt : wat is uw bedrijf?  34  zegt dan: uw knechten zijn veehouders geweest van onze jeugd aan tot heden, zowel wij als onze vaderen, opdat gij in het land Gosen moogt wonen, want al wat schaapherder is, is voor de Egyptenaren een gruwel. 47:1 Toen kwam Yoseph bij Farao, deelde het hem mee, en zeide: Mijn vader en mijn broeders zijn met hun kleinvee, hun runderen en al wat zij bezitten, gekomen uit het land Kanašn, en zij zijn in het land Gosen.  2  Nu had hij vijf mannen uit zijn broeders meegenomen, en hij stelde die aan Farao voor.  3  En Farao zeide tot zijn broeders: Wat is uw bedrijf? Daarop zeiden zij tot Farao: Uw knechten zijn schaapherders,  wij evenals onze vaderen.  4  Ook zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen om als vreemdelingen in dit land te vertoeven , want er is geen weide meer voor de kudde, die uw knechten hebben, omdat de hongersnood zwaar is in het land Kanašn; nu dan, sta uw knechten toe in het land Gosen te wonen.  5  Toen zeide Farao tot Yoseph:  Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen;  6  het land Egypte ligt voor u open. Wijs uw vader en uw broeders in het beste deel van het land woonplaatsen aan, laten zij in het land Gosen wonen; indien gij weet, dat onder hen flinke mannen zijn, stel die dan tot opzichters over mijn kudde aan.  7  Ook bracht Yoseph zijn vader Yaíakov en stelde hem aan Farao voor. En Yaíakov zegende Farao.  8  Toen zeide Farao tot Yaíakov: Hoe groot is het getal van uw levensjaren?  9  En Yaíakov zeide tot Farao: Het getal der jaren mijner vreemdelingschap is honderd en dertig; weinig in getal en kwaad zijn al mijn levensjaren geweest, en zij hebben niet bereikt het getal der levensjaren van mijn vaderen in de dagen hunner vreemdelingschap.  10  Toen zegende Yaíakov Farao en ging van Farao heen.  11  Yoseph nu wees zijn vader en zijn broeders woonplaatsen aan en gaf hun grondbezit in het land Egypte, in het beste deel van het land , in het land Rameses, zoals Farao geboden had.  12  En Yoseph onderhield zijn vader, zijn broeders en het gehele huis zijns vaders met brood, naar het getal der kinderen.  13 Er was nu in het gehele land geen brood,  want de hongersnood was zeer zwaar, en het land Egypte en het land Kanašn raakten uitgeput tengevolge van de honger.  14  En Yoseph zamelde al het geld in,  dat zich in het land Egypte en in het land Kanašn bevond, voor het koren dat men kwam kopen, en Yoseph bracht het geld in Faraoís huis.  15  Toen het geld uit het land Egypte en uit het land Kanašn op was, kwamen alle Egyptenaren tot Yoseph en zeiden : Geef ons brood! Waarom toch zouden wij voor uw ogen sterven? Want er is geen geld meer.  16  En Yoseph zeide: Geeft uw vee,  dan zal ik u brood geven in ruil voor uw vee,  indien er geen geld meer is.  17  Toen brachten zij hun vee tot Yoseph,  en Yoseph gaf hun brood in ruil voor de paarden, het kleinvee, het rundvee en de ezels, en hij voorzag hen in dat jaar van brood in ruil voor al hun vee.  18  Toen dat jaar ten einde was, kwamen zij tot hem in het tweede jaar en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verhelen dat, nu het geld op is en onze veestapel aan mijn heer is gekomen, er voor mijn heer niet anders overblijft dan ons lichaam en onze grond.  19  Waarom zouden wij voor uw ogen sterven,  en zou onze grond verkommeren? Koop ons en onze grond in ruil voor brood; en wij en onze grond zullen Farao dienstbaar zijn. Geef ons dan zaad, opdat wij leven en niet sterven, en opdat de grond niet woest worde. 20 Toen kocht Yoseph al de grond der Egyptenaren voor Farao, want de Egyptenaren verkochten ieder zijn akker, omdat de honger hun te sterk werd. Zo kwam het land aan Farao.  21  En wat het volk aangaat, dat maakte hij dienstbaar van het ene einde van het gebied van Egypte tot het andere einde.  22  Alleen de grond der priesters kocht hij niet, want de priesters hadden vaste inkomsten van Farao, en zij leefden van hun vaste inkomsten, die Farao hun gegeven had , daarom verkochten zij hun grond niet.  23  En Yoseph zeide tot het volk: Zie , ik heb heden u en uw grond voor Farao gekocht; zie, hier is zaad voor u, opdat gij de grond kunt bezaaien.  24  Maar van de opbrengst zult gij een vijfde deel aan Farao geven, en vier delen zullen voor u zijn tot zaad voor de akker en tot voedsel voor u en voor hen die in uw huizen zijn,  en tot spijze voor uw kinderen.  25  Toen zeiden zij: Gij hebt ons in het leven behouden; mogen wij de genegenheid van mijn heer winnen, dan zullen wij Farao dienstbaar zijn.  26  En Yoseph maakte het tot een inzetting tot op de huidige dag met betrekking tot het grondbezit in Egypte, dat Farao daarvan een vijfde deel zou hebben; alleen de grond der priesters kwam niet aan Farao.  27 IsraŽl dan woonde in het land Egypte , in het land Gosen, en zij werden daar ingezetenen. Zij waren vruchtbaar en vermenigvuldigden zich zeer. 

 

Ezech. 37:15-28  15 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij:  16  Gij mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de IsraŽlieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop : voor Yoseph (het stuk hout van EfraÔm) en het gehele huis IsraŽls dat daarbij behoort;  17  voeg ze dan aan elkander tot een stuk hout, zodat zij in uw hand tot een worden .  18  Wanneer nu uw volksgenoten u vragen : Wilt gij ons niet meedelen, wat gij daarmee bedoelt?  19  zeg dan tot hen: Zo zegt de Eeuwige de Here: zie, Ik neem het stuk hout van Yoseph (dat aan EfraÔm toebehoort ) en van de stammen IsraŽls die daarbij behoren en Ik voeg het bij het stuk van Juda en maak ze tot een stuk hout, zodat zij een zijn in mijn hand.  20  Terwijl de stukken hout die gij beschreven hebt , voor hun ogen in uw hand zijn,   21  zeg dan tot hen: Zo zegt de Eeuwige de Here: zie, Ik haal de IsraŽlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeenverzamelen en hen naar hun land brengen.  22  En Ik zal hen tot een volk maken in het land, op de bergen IsraŽls, en een koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken.  23  Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn.  24  En mijn knecht David zal koning over hen wezen; een herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden.  25  Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Yaíakov gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn.  26  Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten , een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen.  27  Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een Gíd zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.  28  En de volken zullen weten, dat Ik,  de Eeuwige, het ben die IsraŽl heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat. 

 

 

Een paar gedachten

 

>Juda wil de plaats innemen van Benjamin (44:18-34). Juda is een ander mens geworden in de loop van de tijd. Hij heeft zijn zonden beleden en schuld erkent (43:16) en we zien hier dat hij zich ook heeft bekeerd. Hij heeft geleerd van zijn fouten.

 

>Ook Yoseph is in het proces door Gíd gevormd. Hij heeft geen boosheid of wrok naar zijn broers ondanks het feit wat ze hebben gedaan. Kennelijk had hij het hun al vergeven. Hij legt direct de nadruk op het plan van Gíd in het gebeurde (45:5)

 

>Gíd houdt alles in de hand en gebruikt alle dingen in Zijn plan daar waar je godvrezend ben en je, je vertrouwen op de Eeuwige hebt gesteld. Dingen die anderen ten kwade aanwenden gebruikt Gíd ten goede.(45:5)

 

>Yoseph heeft zijn broers daadwerkelijk vergeven. Hij had kennelijk al nagedacht hoe het nu verder moest. Hij nodigt hen uit om naar Egypte te komen om daar ten tijde van de hongersnood te wonen dicht bij hem (45:9-11).

 

>En IsraŽl brak op met alles wat hij had en kwam te Berseva en bracht de God van zijn vader Itschak slachtoffers (46:1). Voordat hij het land Kanašn uitgaat zoekt Yaíakov Gíds aangezicht. Hij wil weten of hij inderdaad mag gaan. Zijn liefde voor Gíd is groter dan zijn verlangen om met Yoseph herenigt te worden. In de gedeelten hiervoor wordt er geschreven over zijn grote liefde voor Yoseph. Teruggekoppeld kunnen we hier zijn grote liefde voor de Eeuwige zien.

 

>bracht de God van zijn vader Itschak slachtoffers (46:1c). Dat specifiek Itschaks naam wordt vermeld wil volgens Rashi zeggen dat een persoon grotere eer aan zijn vader als aan zijn grootvader behoort toe te brengen.

 

>en kwam te Berseva (46:1b). Beersheva is de plaats waar Avraham de tamariskboom heeft geplant en offers aan Gíd bracht (ook na de ĎAkeidaí, de beproeving om Itschak te offeren). Hij wil van Gíd weten of hij naar Egypte mag gaan. De omstandigheden zijn geen maatstaf voor Yaíakov. Volgens de Midrash is Yaíakov ook naar Beersheva gegaan om juist de tamarisk mee te nemen. Die zou dan later weer gebruikt zijn om de tabernakel in de woestijn te bouwen.

 

>Gíd belooft aan Yaíakov, voordat hij naar Egypte vertrekt dat Hij hem terug zal brengen (46:3,4). Zo heeft Gíd het volk IsraŽl voor de verstrooiing beloofd hen weer terug te brengen naar het land IsraŽl.

 

>en zij kwamen in Egypte, Yaíakov en al zijn kroost met hem (46:6) en want Ik zal u daar tot een groot volk maken (46:3). Het volk IsraŽl in Egypte is een beeld van het volk IsraŽl in de verstrooiing. Het volk IsraŽl behield daar zijn eigen identiteit. Ja overal waar ze komen betekenen ze op alle gebied veel voor de maatschappij. Verhoudingsgewijs zijn de meeste ontdekkingen en uitvindingen gedaan door het Joodse volk. Dat zit in de belofte van hen tot een groot volk te maken.

 

>In de ontmoeting tussen Yaíakov en Yoseph zien we de ontmoeting tussen een Jood die uiterlijk in zijn omgeving (buiten zijn volk) is opgegaan en geassimileerd en zijn eigen volk. Het wordt weer bij elkaar gebracht. (46:29). De Joodse uitleggers zeggen dat Yaíakov dat bijzonder emotionele moment van grote blijdschap specifiek toewendde op Gíd te loven. Dit deed hij door zijn blijdschap die hij door de ontmoeting kreeg aan te wenden om Gíd eer te brengen.

 

>Nu had hij vijf mannen uit zijn broeders meegenomen (47:2). De uitleggers zeggen dat Yoseph de 5 zwakst uitziende broers mee neemt naar Farao opdat ze niet als soldaat in Faraoís leger worden aangesteld. Ze zeggen dat ze schaapherders zijn. De Egyptenaren hadden ook schapen maar hadden er een gruwel aan om ze te weiden. De broers worden nu aangeboden om schaapherders te leveren en zijn zo tot nut voor hun gastland Egypte.

 

>Toen zegende Yaíakov Farao en ging van Farao heen (47:10). De uitleggers menen dat uiteindelijk ten gevolge van deze zegen de hongersnood is opgehouden.

 

>Ook in/door EzechiŽl beloofd Gíd weer een terugkeer van het volk IsraŽl en nu ook een herbouw van de tempel. Juist aan die tempel die temidden van de IsraŽlieten zal staan op de berg Sion in Jeruzalem zullen de volken zijn dat Gíd het is die IsraŽl heiligt / apart zet. (Ezech. 37:26-28) 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021