EzechiŽl 43-44

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Er uit gelicht

43:1 Toen leidde hij mij naar de poort; het was de poort die gericht was naar het oosten. 2  En zie, de heerlijkheid van de God van IsraŽl kwam uit oostelijke richting, er was een geluid als het gedruis van vele wateren en de aarde straalde vanwege zijn heerlijkheid. 3  Het gezicht dat ik zag, was als het gezicht dat ik gezien had, toen Hij kwam om de stad te vernielen, en het waren gezichten als het gezicht dat ik gezien had bij de rivier de Kebar. Ik viel op mijn aangezicht. 4  En de heerlijkheid van de Eeuwige ging het huis binnen door de poort die naar het oosten gericht was, 5  en de Geest nam mij op en bracht mij naar de binnenste voorhof, en zie, de heerlijkheid van de Eeuwige vervulde het huis. 6  Toen hoorde ik Hem uit de tempel tot mij spreken, terwijl de man naast mij stond, 7 en Hij zeide tot mij: Mensenkind, dit is de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik wonen zal onder de IsraŽlieten tot in eeuwigheid; het huis IsraŽls zal mijn heilige naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun ontucht en met de lijken van hun koningen na hun dood. 8  Doordat zij hun drempel naast mijn drempel gezet hadden en hun deurpost naast mijn deurpost, zodat alleen de muur tussen Mij en hen was, verontreinigden zij mijn heilige naam met de gruwelen die zij bedreven, en daarom verteerde Ik hen in mijn toorn. 9  Nu zullen zij hun ontucht en de lijken van hun koningen ver van Mij houden, zodat Ik onder hen wonen kan tot in eeuwigheid. 10  Gij nu, mensenkind, vertel het huis IsraŽls van de tempel (opdat zij zich schamen over hun ongerechtigheden) en laten zij het model nameten, 11 en als zij zich schamen over alles wat zij bedreven hebben, maak hun dan bekend de vorm van de tempel en zijn inrichting, zijn uitgangen en zijn ingangen, al zijn vormen, al zijn voorschriften, al zijn vormen en al zijn wetten, en schrijf die op voor hun ogen, opdat zij al de vormen en voorschriften ervan nauwgezet ten uitvoer brengen. 12  Dit is de wet voor het huis: op de top van de berg zal zijn gehele gebied aan alle kanten allerheiligst zijn. Zie, dit is de wet voor het huis. 13 Dit nu zijn de maten van het altaar in ellen, elk van een gewone el en een handbreedte: zijn goot is een el diep en een el breed en de opstaande rand langs de buitenkant eromheen is een span hoog. En dit is de onderbouw van het altaar: 14  van de goot in de grond tot de onderste omloop is het twee el, en de breedte een el. En van de kleine omloop tot de grote omloop is het vier el; en de breedte een el. 15  De vuurhaard is vier el en van de vuurhaard steken naar boven de vier horens uit. 16  En de vuurhaard is twaalf el lang bij twaalf el breed, vierkant naar zijn vier zijden. 17  De omloop is veertien el lang bij veertien el breed naar zijn vier zijden; de opstaande rand eromheen is een halve el en zijn goot is een el in het rond, en zijn trappen zijn naar het oosten gekeerd. 18  Daarop zeide Hij tot mij: Mensenkind, zo zegt Adonai de Eeuwige: dit zijn de inzettingen van het altaar: ten dage dat het voltooid is om er het brandoffer op te offeren en er bloed op te sprengen, 19  zult gij aan de levitische priesters die behoren tot het nageslacht van Sadok, die Mij het naaste zijn (luidt het woord van Adonai de Eeuwige) om Mij te dienen, een jonge stier tot een zondoffer geven; 20  en gij zult van zijn bloed iets nemen en het strijken aan de vier horens en aan de vier hoeken van de omloop en aan de opstaande rand rondom; zo zult gij het ontzondigen en er verzoening over doen. 21  Vervolgens zult gij de stier van het zondoffer nemen en men zal hem verbranden op de daartoe bestemde plaats van het huis, buiten het heiligdom. 22  Op de tweede dag zult gij een gave geitebok tot een zondoffer brengen en men zal het altaar ontzondigen, zoals men het met de stier ontzondigd heeft. 23  Wanneer gij de ontzondiging voleindigd hebt, dan zult gij een gave jonge stier en een gave ram uit het kleinvee brengen. 24  Gij zult ze voor het aangezicht van de Eeuwige brengen, en de priesters zullen zout op hen strooien en ze offeren als een brandoffer voor de Eeuwige. 25  Zeven dagen zult gij dagelijks een bok als zondoffer bereiden; ook zal men een jonge stier en een ram uit het kleinvee, beide gaaf, bereiden. 26  Zeven dagen zal men over het altaar verzoening doen en het reinigen en wijden. 27  En wanneer men die dagen voleindigd heeft, dan zullen de priesters op de achtste dag en daarna, op het altaar uw brandoffers en uw vredeoffers bereiden, en Ik zal een behagen in u hebben, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 44:1 Toen bracht hij mij terug naar de buitenste poort van het heiligdom, die op het oosten uitzag; deze was gesloten. 2  En de Eeuwige zeide tot mij: Deze poort zal gesloten blijven; zij zal niet geopend worden en niemand mag daardoor binnengaan, want de Eeuwige, de God van IsraŽl, is daardoor binnengegaan; daarom moet zij gesloten blijven. 3  Wat de vorst betreft, omdat hij vorst is, mag hij daarin gaan zitten om te eten voor het aangezicht van de Eeuwige; door de voorhal der poort zal hij naar binnen gaan en langs dezelfde weg naar buiten gaan. 4 Daarop bracht hij mij naar de Noordpoort, naar de voorkant van het huis; ik zag, zie, de heerlijkheid van de Eeuwige vervulde het huis van de Eeuwige; en ik viel op mijn aangezicht. 5  Toen zeide de Eeuwige tot mij: Mensenkind, let aandachtig op, zie met uw ogen en hoor met uw oren alles wat Ik tot u spreek aangaande al de inzettingen en wetten van het huis van de Eeuwige; let aandachtig op het betreden van het huis door al de toegangen van het heiligdom, 6  en zeg dan tot de weerspannigen, tot het huis IsraŽls: Zo zegt Adonai de Eeuwige: gij hebt meer dan genoeg gruwelen bedreven, huis IsraŽls, 7  doordat gij vreemdelingen, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van lichaam, hebt binnengebracht om in mijn heiligdom te zijn, om mijn huis te ontheiligen, terwijl gij de voor Mij bestemde spijze, vet en bloed, bracht, zodat zij mijn verbond schonden, boven al uw gruwelen. 8  En gij hebt zelf voor mijn heilige dingen geen zorg gedragen, maar gij hebt hen aangesteld om voor u mijn dienst in mijn heiligdom waar te nemen. 9  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Geen vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, zal mijn heiligdom binnengaan, geen vreemdeling onder de IsraŽlieten. 10 Maar wat betreft de Levieten die zich ver van Mij verwijderd hebben, toen IsraŽl afdwaalde (zij zijn immers van Mij afgedwaald achter hun afgoden aan) zij zullen hun ongerechtigheid dragen: 11  zij zullen in mijn heiligdom dienst doen als wachters bij de poorten van het huis en als dienaren van het huis; zij zullen voor het volk het brandoffer en het slachtoffer slachten en te hunner beschikking staan om hen te dienen. 12  Omdat zij hen gediend hebben voor het aangezicht van hun afgoden, en voor het huis IsraŽls een struikelblok tot ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik mijn hand ten ede tegen hen opgeheven, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen. 13  Zij zullen tot Mij niet naderen om Mij als priester te dienen en om te naderen tot al mijn heilige, ja tot de allerheiligste dingen; maar zij zullen hun smaad dragen en de gruwelen die zij bedreven hebben. 14  Dus zal Ik hen aanstellen om voor het huis zorg te dragen, voor de gehele dienst daarvan en voor alles wat daarin te doen valt. 15  Maar de levitische priesters, de zonen van Sadok, die de dienst in mijn heiligdom in acht genomen hebben, toen de IsraŽlieten van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen om Mij te dienen, en zij zullen in mijn dienst staan om Mij vet en bloed te brengen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 16  Die zullen mijn heiligdom binnengaan, en die zullen tot mijn tafel naderen om Mij te dienen, en zij zullen mijn dienst waarnemen. 17 Wanneer zij dan de poorten van de binnenste voorhof ingaan, zullen zij linnen klederen aantrekken; zij mogen geen wol dragen, als zij dienst doen in de poorten van de binnenste voorhof of in het huis. 18  Linnen hoofddoeken zullen op hun hoofd zijn en linnen broeken aan hun heupen, zij zullen zich niet omgorden met iets dat doet zweten. 19  En wanneer zij uitgaan naar de buitenste voorhof tot het volk, dan zullen zij hun klederen waarin zij dienst gedaan hebben, uittrekken en die neerleggen in de vertrekken van het heiligdom, en andere klederen aantrekken, opdat zij door hun klederen het volk niet heiligen. 20  Ook zullen zij hun hoofdhaar niet scheren noch het hoofdhaar vrij laten groeien, maar zij zullen hun hoofdhaar knippen. 21  Geen der priesters zal wijn drinken, wanneer zij de binnenste voorhof zullen ingaan. 22  Zij zullen zich geen weduwe of een verstotene tot vrouw nemen; maar meisjes uit de nakomelingschap van het huis IsraŽls, of een weduwe die de weduwe van een priester is, mogen zij nemen. 23  En zij zullen mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en niet heilig en het onderscheid doen kennen tussen onrein en rein. 24  Ook bij een geschil zullen zij optreden om recht te spreken; naar mijn verordeningen zullen zij dat beslechten; mijn wet en mijn inzettingen zullen zij op al mijn feesttijden onderhouden en mijn sabbatten zullen zij heiligen. 25  Niemand van hen mag bij een dode komen, waardoor hij zich zou verontreinigen; slechts aan vader of moeder, zoon of dochter, broeder of zuster die aan geen man heeft toebehoord, mogen zij zich verontreinigen. 26  Men zal na zijn reiniging voor hem zeven dagen aftellen, 27  en op de dag dat hij weer het heiligdom, de binnenste voorhof, binnengaat om in mijn heiligdom dienst te doen, zal hij zijn zondoffer brengen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 28  Dit zal hun tot erfdeel zijn: Ik ben hun erfdeel; een bezitting in IsraŽl moogt gij hun niet geven: Ik ben hun bezitting. 29  Het spijsoffer, het zondoffer en het schuldoffer mogen zij eten, en al wat in IsraŽl met de ban getroffen wordt, dat zal voor hen zijn; 30  het beste van alle eerstelingen van wat ook, en elke heffing van welke van al uw heffingen ook, zal voor de priesters wezen; ook het beste van uw gerstemeel zult gij de priester geven om zegen te doen rusten op uw huis. 31  Niets wat gestorven of verscheurd is, van gevogelte of van vee, zullen de priesters eten.

 

 

Eruit gelicht:

-         Toen leidde hij mij naar de poort; het was de poort die gericht was naar het oosten. En zie, de heerlijkheid van de God van IsraŽl kwam uit oostelijke richting, er was een geluid als het gedruis van vele wateren en de aarde straalde vanwege zijn heerlijkheid. (43:1, 2) Negentien jaar nadat EzechiŽl zag dat de heerlijkheid van Gíd, de Shechina, de Tempel verliet krijgt hij in een visioen te zien dat de Heerlijkheid van Gíd weer terugkeert naar de Tempel. Dit gebeurt als IsraŽl weer de Thora onderhoud (zie vers 7 het huis IsraŽls zal mijn heilige naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen). De aarde zal nu dit keer vol worden van de heerlijkheid van Gíd. Zie Jesaja 60:2 ďWant zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiŽn, maar over u zal de Eeuwige opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien wordenĒ, Haggai 2:9 ďDe toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de Eeuwige der heerscharen; op deze plaats zal Ik heil geven, luidt het woord van de Eeuwige der heerscharen.Ē Habakuk 2:14 ď Want de aarde zal vol worden van de kennis van heerlijkheid van de Eeuwige, gelijk de wateren die de bodem der zee bedekken.Ē. Jesaja 40:5  En de heerlijkheid van de Eeuwige zal zich openbaren, en al het levende tezamen zal dit zien, want de mond van de Eeuwige heeft het gesproken. Jesaja 52:7, 8  Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw Gíd is Koning. Hoor, uw wachters verheffen de stem, zij jubelen tezamen, want met eigen ogen zien zij, hoe de Eeuwige naar Sion wederkeert.

 

-         En de heerlijkheid van de Eeuwige ging het huis binnen door de poort die naar het oosten gericht was, (43:4). De Heerlijkheid van Gíd komt door dezelfde poort weer binnen als dat Hij weggegaan is. Dit laat zien dat er sprake is van herstel zoals dat staat in Maleachi 3:4  ďDan zal het offer van Juda en van Jeruzalem de Eeuwige aangenaam zijn als in de dagen van ouds en als in vroegere jaren.Ē

 

-         en Hij zeide tot mij: Mensenkind, dit is de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik wonen zal onder de IsraŽlieten tot in eeuwigheid (43:7)  Jeruzalem, de berg Sion is de plaats door Gíd uitgekozen waar Hij tot in eeuwigheid onder de IsraŽlieten zal wonen. De berg Sion weggeven aan anderen (zoals ex-premier Barak wilde) is dan ook onbestaanbaar. Het is de plaats die Gíd voor zichzelf heeft uitgekozen om temidden van de IsraŽlieten te wonen als in de dagen van Salomo. Jer. 17:12 ďTroon der heerlijkheid, van ouds verheven, plaats van ons heiligdom,Ē Jes. 66:1 Zo zegt de Eeuwige: De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank mijner voeten, waar zou dan het huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen, en waar de plaats mijner rust?. Psalmen 47:8  ďGod regeert over de volken, God is gezeten op zijn heilige troon.Ē Jeremia 3:17  ďTe dien tijde zal men Jeruzalem noemen de troon van de Eeuwige, en alle volken zullen zich daarheen verzamelen om de naam van de Eeuwige te Jeruzalem, en zij zullen niet meer wandelen naar de verstoktheid van hun boos hart.Ē

 

-         zij noch hun koningen, met hun ontucht en met de lijken van hun koningen na hun dood.(43:7b). Bij de nieuwe indeling is het paleis van de koning (de Messias) relatief ver verwijdert van het tempel terrein (45:7 ď7  Wat de vorst betreft, ter weerszijden van de heilige heffing en van de bezitting der stad, langs de heilige heffing en langs de bezitting der stad, aan de westzijde westwaarts en aan de oostzijde oostwaarts (en de lengte moet overeenkomen met een van de andere delen, van de westgrens tot de oostgrens)Ē) zodat de koningen er onder geen beding meer de oorzaak er van zouden kunnen zijn dat de Heerlijkheid van Gíd zou verdwijnen zoals dat voorheen het geval was. Als een koning van Juda werd begraven (in zijn paleistuin) was het gebruik dat men er een altaar voor een afgod bij zette. Zie vers 9 ď9  Nu zullen zij hun ontucht en de lijken van hun koningen ver van Mij houden, zodat Ik onder hen wonen kan tot in eeuwigheidĒ

 

-         en als zij zich schamen over alles wat zij bedreven hebben, maak hun dan bekend de vorm van de tempel en zijn inrichting, zijn uitgangen en zijn ingangen, al zijn vormen, al zijn voorschriften, al zijn vormen en al zijn wetten, en schrijf die op voor hun ogen, opdat zij al de vormen en voorschriften ervan nauwgezet ten uitvoer brengen. (43:11). Gíd geeft opnieuw instructies met de bedoeling dat ze exact uitgevoerd worden. Dan zal de heerlijkheid van Gíd weer komen.

 

-         Daarop zeide Hij tot mij: Mensenkind, zo zegt Adonai de Eeuwige: dit zijn de inzettingen van het altaar: ten dage dat het voltooid is om er het brandoffer op te offeren en er bloed op te sprengen, 19  zult gij aan de levitische priesters die behoren tot het nageslacht van Sadok, die Mij het naaste zijn (luidt het woord van Adonai de Eeuwige) om Mij te dienen, een jonge stier tot een zondoffer geven (43:18). De priesters zullen weer offerandes brengen als van ouds. Priesters uit het priesterlijke geslacht van Zadok (die de eerste hogepriester was in de Tempel van Salomo)

 

-         jonge stier tot een zondoffer geven (43:19b). Zie Ex. 29:1,36 ďDit nu is wat gij hun doen zult, om hen te heiligen om voor Mij het priesterambt te bekleden: Neem een jonge stier,Ö Dagelijks zult gij een stier als zondoffer ter verzoening bereiden en het altaar ontzondigen, doordat gij er verzoening over doet; gij zult het zalven om het te heiligen.Ē

 

-         en gij zult van zijn bloed iets nemen en het strijken aan de vier horens en aan de vier hoeken van de omloop en aan de opstaande rand rondom; zo zult gij het ontzondigen en er verzoening over doen. (43:20) Zie Ex 29:12a ďGij zult van het bloed van de stier nemen en dat met uw vinger aan de hoornen van het altaar strijkenĒ

 

-         Op de tweede dag zult gij een gave geitebok tot een zondoffer brengen en men zal het altaar ontzondigen, zoals men het met de stier ontzondigd heeft. Wanneer gij de ontzondiging voleindigd hebt, dan zult gij een gave jonge stier en een gave ram uit het kleinvee brengen.  (43:22, 23). Duidelijk wordt dat de instructie van de Thora om het altaar te ontzondigen nog steeds van kracht zijn.

 

-         en Ik zal een behagen in u hebben, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. (43:27b). Alleen na het exact uitvoeren van de offerinstructies die Gíd geeft zal Gíd een behagen in hen hebben.

 

-         Deze poort zal gesloten blijven; zij zal niet geopend worden en niemand mag daardoor binnengaan, want de Eeuwige, de God van IsraŽl, is daardoor binnengegaan; daarom moet zij gesloten blijven (44:2). Dat geeft aan dat de heerlijkheid van Gíd vanaf dat moment niet meer zal verdwijnen.

 

-         Wat de vorst betreft, omdat hij vorst is, mag hij daarin gaan zitten om te eten voor het aangezicht van de Eeuwige (44:3). Dat is de Messias ben David. Zie Ezech 34: 24 waar de vorst wordt benoemd ďIk, de Eeuwige, zal hun tot een God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de Eeuwige, heb het gesproken.Ē. Verder Ezech 37: 24, 25 ďEn mijn knecht David zal koning over hen wezen; een herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden.  Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijnĒ. In deze verzen zie je duidelijk dat de Messias absoluut niet hetzelfde als Gíd is (zoals in het christendom wordt beweert).

 

-         doordat gij vreemdelingen, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van lichaam, hebt binnengebracht om in mijn heiligdom te zijn, om mijn huis te ontheiligen, terwijl gij de voor Mij bestemde spijze, vet en bloed, bracht, zodat zij mijn verbond schonden, boven al uw gruwelen. (44:7). In de mondelinge thora staat beschreven dat het verboden is onbesnedenen van lichaam in de tempel te brengen. Zij waren onbevoegd om daar te komen (zie ook Num. 18:4). Hierin wordt duidelijk dat de profeet EzechiŽl de mondelinge Thora ook als woord van Gíd ziet. 

 

-         En gij hebt zelf voor mijn heilige dingen geen zorg gedragen, maar gij hebt hen aangesteld om voor u mijn dienst in mijn heiligdom waar te nemen (44:8) Zie Num. 18:3-5 ďopdat zij hun taak vervullen jegens u, zowel als hun taak met betrekking tot de gehele tent; tot het gerei van het heiligdom en tot het altaar echter, zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, niet alleen zij, maar ook gij; en opdat zij zich bij u aansluiten en hun taak vervullen met betrekking tot de tent der samenkomst naar de gehele dienst der tent; maar een onbevoegde zal tot u niet naderen. Gij echter zult uw taak vervullen met betrekking tot het heilige en het altaar, opdat er geen toorn meer op de IsraŽlieten rusteĒ

 

-         Zo zegt Adonai de Eeuwige: Geen vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, zal mijn heiligdom binnengaan, geen vreemdeling onder de IsraŽlieten. (44:9). Zoals bij Pesach Ex 12:43,44  ďDe Eeuwige zeide tot Moshť en Aharon: Dit is de inzetting van het Pascha: geen enkele vreemdeling mag ervan eten. Iedere slaaf, die door iemand voor geld is gekocht, mag er eerst van eten, wanneer gij hem besneden hebt.Ē. Duidelijk wordt uit deze tekst dat de besnijdenis nog steeds van belang zal zijn. Gen 17. 7 Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn. 8  Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft het ganse land Kanašn, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn. 9  Voorts zeide God tot Avraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten. 10  Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; 11  gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u. 12  Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: zowel wie in uw huis geboren is, als wie van enige vreemdeling voor geld is gekocht, doch niet van uw nageslacht is. 13  Wie in uw huis geboren is en wie door u voor geld gekocht is, moet voorzeker besneden worden; zo zal mijn verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig verbond

 

-         Maar wat betreft de Levieten die zich ver van Mij verwijderd hebben, toen IsraŽl afdwaalde (zij zijn immers van Mij afgedwaald achter hun afgoden aan) zij zullen hun ongerechtigheid dragen (44:10). Ze zijn zelf verantwoordelijk voor hun zonden. De zonden hebben verstrekkende gevolgen voor hun bediening.

 

-         Maar wat betreft de Levieten die zich ver van Mij verwijderd hebben, toen IsraŽl afdwaalde (zij zijn immers van Mij afgedwaald achter hun afgoden aan) zij zullen hun ongerechtigheid dragen: zij zullen in mijn heiligdom dienst doen als wachters bij de poorten van het huis en als dienaren van het huis; zij zullen voor het volk het brandoffer en het slachtoffer slachten en te hunner beschikking staan om hen te dienen. (44:10, 11). Gaat om Levieten die zich van afgodendienst bekeerd hebben. De priesters worden hier Levieten genoemd.

 

-         Maar de levitische priesters, de zonen van Sadok, die de dienst in mijn heiligdom in acht genomen hebben, toen de IsraŽlieten van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen om Mij te dienen, en zij zullen in mijn dienst staan om Mij vet en bloed te brengen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige (44:15). De familielijn van Zadok zie 1 Kron. 5:30:41. Zij waren Gíd trouw gebleven en worden ervoor beloond.

 

-         Ook zullen zij (44:20). Ook hier zien we dat de Thora instructies nog steeds van kracht zijn. Maleachi 3:3  Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Eeuwige in gerechtigheid offer brengen.

 

-         En zij zullen mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en niet heilig en het onderscheid doen kennen tussen onrein en rein. Ook bij een geschil zullen zij optreden om recht te spreken; naar mijn verordeningen zullen zij dat beslechten; mijn wet en mijn inzettingen zullen zij op al mijn feesttijden onderhouden en mijn sabbatten zullen zij heiligen. (44:23, 24). Zie. Deut. 33: 8 Van Levi zeide hij: Uw Tummim en Urim behoren de man toe, die uw gunstgenoot is, die Gij bij Massa op de proef gesteld hebt, met wie Gij getwist hebt bij de wateren van Meriba; 9  die van zijn vader en zijn moeder zeide: ik zie hen niet; zijn broeders wilde hij niet kennen en van zijn kinderen wilde hij niet weten. Want zij onderhouden uw woord en bewaren uw verbond; 10  zij onderwijzen Yaíakov uw verordeningen, IsraŽl uw wet; zij doen reukwerk in uw neus opstijgen en leggen het brandoffer op uw altaar. Lev. 10: 11  en opdat gij de IsraŽlieten kunt onderwijzen in al de inzettingen die de Eeuwige door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft.

 

-         Ook bij een geschil zullen zij optreden om recht te spreken; naar mijn verordeningen zullen zij dat beslechten; mijn wet en mijn inzettingen zullen zij op al mijn feesttijden onderhouden en mijn sabbatten zullen zij heiligen. (44:24). Ook in dit vers blijkt duidelijk dat de Thora dan ook nog steeds actueel is.

 

-         en op de dag dat hij weer het heiligdom, de binnenste voorhof, binnengaat om in mijn heiligdom dienst te doen, zal hij zijn zondoffer brengen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige  (44:27). Ook in de 3e Tempel worden zondoffers gebracht.

 

 

 

Interessante links m.b.t. de Derde Tempel:

http://www.templeinstitute.org/index.htm

http://www.templemountfaithful.org/

http://www.thirdtemple.com/index.htm

 

Start ] Omhoog ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021