Nr42 - D'variem

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Thora-gedeelte D'variem (woorden),

 

D'varim (woorden), Deut. 1:1-3:22, Haftarah: Jes. 1:1-27.

Deut. 1:1 Dit zijn de woorden, die Mosjť tot geheel IsraŽl gesproken heeft aan de overzijde van de Jordaan, in de woestijn, in de Vlakte, tegenover Suf, tussen Paran, Tofel, Laban, Chaserot en Di-zahab;  2  elf dagreizen is het van Horeb in de richting van het gebergte Seir tot Kades-barnea.  3  In het veertigste jaar nu, in de elfde maand, op de eerste der maand, heeft Mosjť tot de IsraŽlieten gesproken overeenkomstig alles wat hem de Eeuwige ten aanzien van hen geboden had;  4  nadat hij Sichon, de koning der Amorieten,  die in Chesbon woonde, en Og, de koning van Bashan, die in Astarot woonde,  bij Edrei verslagen had;  5  aan de overzijde van de Jordaan, in het land van Moav, begon Mosjť deze wet te ontvouwen en hij zeide:  6  de Eeuwige, onze God, heeft tot ons bij Horeb gesproken: gij zijt lang genoeg bij deze berg gebleven;  7  begeeft u op weg, breekt op, trekt naar het gebergte der Amorieten en naar al hun naburen, in de Vlakte, op het Gebergte,  in de Laagte, in het Zuiderland en aan de zeekust , het land der Kanašnieten, en de Libanon tot aan de grote rivier, de Eufraat.  8  Zie, Ik heb dat land tot uw beschikking gesteld; trekt er binnen en neemt bezit van het land, waarvan de Eeuwige aan uw vaderen, Abraham, Isašk en Jakob gezworen heeft , dat Hij het hun en hun nakroost geven zou .  9 Toentertijd zeide ik tot u:  ik alleen zal de zorg voor u niet kunnen dragen.  10  de Eeuwige, uw God, heeft u vermenigvuldigd en zie, heden zijt gij zo talrijk als de sterren des hemels.  11  de Eeuwige, de God uwer vaderen, voege er aan u nog duizendmaal zoveel toe als gij nu telt en zegene u, zoals Hij u beloofd heeft.  12  Hoe zou ik dan alleen uw moeite, uw last en uw rechtsgedingen kunnen dragen?  13  Wijst uit uw stammen wijze, verstandige en ervaren mannen aan, dat ik hen als uw hoofden aanstelle.  14  Toen antwoorddet gij mij en zeidet:  het is goed, wat gij hebt voorgesteld te doen.  15  Daarop nam ik de hoofden van uw stammen,  wijze en ervaren mannen, en stelde hen als hoofden over u aan, oversten over duizend, oversten over honderd, oversten over vijftig en oversten over tien, en opzieners voor uw stammen.  16  En ik gebood toentertijd aan uw rechters : hoort de geschillen tussen uw broeders en oordeelt rechtvaardig tussen de een en de ander, of dit diens broeder is dan wel de vreemdeling die bij hem woont.  17  Gij zult in de rechtspraak de persoon niet aanzien; gij zult de onaanzienlijke evenzeer horen als de aanzienlijke; gij zult voor niemand vrezen, want de rechtspraak is Godes. De zaak echter, die voor u te zwaar is, zult gij tot mij brengen,  opdat ik die hore.  18  Zo gebood ik u toentertijd alle dingen, die gij doen moest.  19 Toen braken wij van Horeb op en gingen heel die grote en vreselijke woestijn door, die gij gezien hebt, in de richting van het gebergte der Amorieten, zoals de Eeuwige, onze God, ons geboden had;  en wij kwamen in Kades-barnea.  20  Toen zeide ik tot u: gij zijt gekomen tot het gebergte der Amorieten, dat de Eeuwige , onze God, ons geven zal.  21  Zie, de Eeuwige, uw God, heeft het land tot uw beschikking gesteld, trek op,  neem het in bezit, zoals de Eeuwige, de God uwer vaderen, tot u gesproken heeft; vrees niet en wees niet verschrikt.  22  Toen naderdet gij allen tot mij en zeidet: laten wij enige mannen vooruit zenden om voor ons het land te verkennen en ons in te lichten omtrent de weg waarlangs wij moeten optrekken, en over de steden die wij zullen bereiken.  23  Dit nu was goed in mijn ogen. Dus koos ik uit u twaalf mannen, voor elke stam een;  24  zij begaven zich op weg, trokken het gebergte in, kwamen tot aan het dal Eskol en verkenden dit.  25  Ook namen zij vruchten van het land mee en brachten ons die; tevens brachten zij ons verslag uit en zeiden: Het land dat de Eeuwige, onze God, ons geven zal,  is goed.  26  Maar gij wildet niet optrekken en waart weerspannig tegen het bevel van de Eeuwige , uw God; 27  gij mordet in uw tenten en zeidet:  omdat de Eeuwige ons haat, heeft Hij ons uit het land Egypte geleid om ons te brengen in de macht van de Amorieten en ons te verdelgen.  28  Waarheen trekken wij op? Onze broeders hebben ons het hart doen smelten met de tijding : de mensen zijn groter en langer dan wij, de steden zijn groot en hemelhoog versterkt, en ook hebben wij daar Enakieten gezien.  29 Ik zeide wel tot u: Beeft niet, vreest niet voor hen.  30  de Eeuwige, uw God, die voor u uit gaat , Hij zal voor u strijden in overeenstemming met alles wat Hij voor uw ogen met u gedaan heeft in Egypte 31  en in de woestijn, waar gij hebt gezien,  hoe de Eeuwige, uw God, u droeg, zoals een man zijn kind draagt, op heel de weg die gij gegaan zijt, totdat gij op deze plaats gekomen zijt.  32  Doch ondanks dit woord geloofdet gij niet in de Eeuwige, uw God,  33  die voor u uit ging op de weg om voor u een plaats te zoeken, waar gij u kondt legeren : des nachts in een vuur om u te doen zien op de weg waarlangs gij moest gaan,  en des daags in een wolk.  34  Toen de Eeuwige uw woorden hoorde,  werd Hij toornig en zwoer:  35  niet een van deze mannen, dit boze geslacht, zal het goede land zien,  waarvan Ik gezworen heb, dat Ik het aan uw vaderen zou geven,  36  behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, ja, aan hem zal Ik het land geven, dat hij betreden heeft, en aan zijn kinderen, omdat hij de Eeuwige volkomen gevolgd heeft.  37  Ook op mij werd de Eeuwige vertoornd om uwentwil, zodat Hij zeide: ook gij zult daar niet komen.  38  Jozua, de zoon van Nun, die in uw dienst staat, die zal daar komen; sterk hem, want hij zal het IsraŽl doen beerven.  39  En uw kleine kinderen, waarvan gij gezegd hebt : ten roof zullen zij zijn, en uw zonen , die op dit ogenblik nog geen kennis hebben van goed en kwaad, die zullen daar komen, ja, aan hen zal Ik het geven en zij zullen het in bezit nemen.  40  Gij echter, wendt u om en breekt op naar de woestijn, in de richting van de Schelfzee.  41  Toen antwoorddet gij en zeidet tot mij: wij hebben tegen de Eeuwige gezondigd. Wij willen optrekken en strijden, naar alles wat de Eeuwige, onze God, ons geboden heeft . En ieder van u gordde zijn wapens aan, want gij achttet het licht naar het gebergte op te trekken.  42  Maar de Eeuwige zeide tot mij: zeg tot hen: gij zult niet optrekken en strijden , want Ik zal niet in uw midden zijn; opdat gij niet verslagen wordt voor uw vijanden.  43  En ik sprak tot u, maar gij luisterdet niet en waart weerspannig tegen het bevel van de Eeuwige; gij handeldet overmoedig en trokt op naar het gebergte.  44  Daarop trokken de Amorieten, die dat gebergte bewoonden, uit, u tegemoet, en zij vervolgden u als bijen en versloegen u in Seir, tot Chorma toe. 45 Toen keerdet gij terug en weendet voor het aangezicht van de Eeuwige; maar de Eeuwige luisterde niet naar u en neigde zijn oor niet tot u.  46  Zo bleeft gij dan lange tijd in Kades ; de vele dagen, dat gij daar vertoefd hebt.  2:1 Daarop wendden wij ons om en braken op naar de woestijn, in de richting van de Schelfzee, zoals de Eeuwige tot mij gesproken had ; vele dagen trokken wij om het gebergte Seir heen. 2 Toen zeide de Eeuwige tot mij:  3  gij hebt lang genoeg om dit gebergte heen getrokken, wendt u naar het noorden;  4  gebied het volk aldus: gij gaat nu trekken door het gebied van uw broeders,  de zonen van Esav, die in Seir wonen;  die zullen bevreesd voor u zijn. Neemt u echter zeer in acht;  5  daagt hen niet uit, want Ik zal u van hun land zelfs geen voetbreed geven , omdat Ik het gebergte Seir aan Esav tot een bezitting gegeven heb.  6  Voedsel om te eten zult gij van hen voor geld kopen; ook water om te drinken zult gij van hen voor geld kopen.  7  Want de Eeuwige, uw God, heeft u gezegend in al het werk uwer handen; Hij heeft uw tocht door deze grote woestijn gekend; deze veertig jaar was de Eeuwige,  uw God, met u, gij hebt aan niets gebrek gehad.  8 Daarom trokken wij verder, weg van onze broeders, de zonen van Esav, die in Seir wonen, weg van de vlakte, van Elat en Esjon-geber. Daarna wendden wij ons en gingen in de richting van de woestijn van Moav.  9  Toen zeide de Eeuwige tot mij: benauw Moav niet, en daag het niet uit ten strijde, want Ik zal u van zijn land niets in bezit geven, omdat Ik Ar aan de zonen van Lot tot een bezitting gegeven heb.  10  De Emieten hadden eertijds daarin gewoond, een groot en talrijk volk, lang als de Enakieten;  11  ook deze werden voor Refaieten gehouden, evenals de Enakieten, maar de Moavieten noemen hen Emieten.  12  En in Seir hadden eertijds de Chorieten gewoond, maar de zonen van Esav hadden hen uit hun gebied verdreven, hen verdelgd en zich in hun plaats gevestigd, evenals IsraŽl gedaan heeft met het land, dat de Eeuwige hun in bezit gegeven heeft.   13  Maakt u nu gereed en trekt de beek Zered over. Toen trokken wij over de beek Zered.  14  En de tijd dat wij reisden vanaf Kades-barnea, totdat wij de beek Zered overtrokken, bedroeg achtendertig jaar;  totdat dit gehele geslacht, de krijgslieden uit de legerplaats, gestorven was tot de laatste man, zoals hun de Eeuwige had gezworen ;  15  ja, ook was de hand van de Eeuwige tegen hen geweest om hen uit de legerplaats weg te rukken, totdat zij gestorven waren tot de laatste man. 16 Toen dan van het volk alle krijgslieden gestorven waren tot de laatste man,  17  sprak de Eeuwige tot mij:  18  heden trekt gij langs het gebied van Moav, te weten Ar,  19  en dan komt gij in de nabijheid van de Ammonieten; benauw hen niet en daag hen niet uit, want Ik zal u van het land der Ammonieten niets in bezit geven , omdat Ik het aan de zonen van Lot tot een bezitting gegeven heb.  20  Ook dit wordt voor een land van Refaieten gehouden; Refaieten hadden eertijds daarin gewoond, maar de Ammonieten noemden hen Zamzummieten,  21  een groot en talrijk volk, lang als de Enakieten, maar de Eeuwige had hen verdreven en verdelgd, zodat genen hun gebied in bezit genomen en zich in hun plaats gevestigd hadden;   22  evenals Hij voor de zonen van Esav gedaan had , die in Seir wonen: voor wie Hij de Chorieten verdreven en verdelgd had, zodat genen hun gebied in bezit genomen hadden en daar in hun plaats wonen tot op de huidige dag .  23  De Kaftorieten, die uit Kaftor gekomen waren , hadden de Awwieten, die tot Gaza in dorpen woonden, verdelgd en zich in hun plaats gevestigd.  24 Maakt u gereed, breekt op en trekt de beek Arnon over. Zie, Ik geef Sichon, de koning van Chesbon, de Amoriet, en zijn land in uw macht; begin met het in bezit te nemen en daag hem uit ten strijde.  25  Op deze dag begin Ik schrik en vrees voor u te leggen op de volken onder de ganse hemel, zodat zij voor u sidderen en beven, wanneer zij van u horen gewagen.  26  Daarop zond ik uit de woestijn Kedemot boden tot Sichon, de koning van Chesbon , met een vredelievende boodschap:  27  laat mij door uw land trekken; ik zal uitsluitend de weg blijven volgen, zonder naar rechts of links af te buigen.  28  Voedsel om te eten zult gij mij voor geld verkopen en water om te drinken zult gij mij voor geld geven; laat mij slechts te voet doortrekken,  29  zoals de zonen van Esav, die in Seir wonen, mij toegestaan hebben en de Moavieten , die in Ar wonen, totdat ik de Jordaan overtrek naar het land, dat de Eeuwige, onze God, ons geven zal.  30  Doch Sichon, de koning van Chesbon, wilde ons niet door zijn gebied laten trekken,  want de Eeuwige, uw God, verhardde zijn geest en verstokte zijn hart, ten einde hem in uw macht te geven, zoals dit heden het geval is.  31  Toen zeide de Eeuwige tot mij: Zie,  Ik begin met Sichon en zijn land u ter beschikking te stellen; begin het te veroveren en neem zijn land in bezit.  32  En Sichon trok uit, ons tegemoet,  hij en zijn gehele volk, om bij Jahas slag te leveren,  33  maar de Eeuwige, onze God, gaf hem aan ons over, zodat wij hem versloegen met zijn zonen en al zijn volk.  34  Wij namen toentertijd al zijn steden in en sloegen elke stad met de ban, mannen, vrouwen en kinderen; wij lieten niemand ontkomen;  35  alleen het vee roofden wij voor ons evenals de buit uit de steden, die wij ingenomen hadden.  36  Van Aroer af, aan de oever van de beek Arnon, en de stad in het dal, tot aan Gilead was er geen stad, die voor ons onneembaar was; de Eeuwige, onze God stelde alles tot onze beschikking.   37  Alleen tot het land der Ammonieten zijt gij niet genaderd: tot de gehele oever van de beek Jabbok niet, noch tot de steden van het gebergte, noch tot enige plaats, waarvoor de Eeuwige, onze God, ons een verbod gegeven had.  3:1 Daarop wendden wij ons en trokken op in de richting van Bashan. En Og, de koning van Bashan, trok uit, ons tegemoet, hij en zijn gehele volk, om bij Edrei slag te leveren.  2  Doch de Eeuwige zeide tot mij: Vrees hem niet, want Ik geef hem met zijn gehele volk en zijn land in uw macht, en gij zult met hem doen, gelijk gij gedaan hebt met Sichon, de koning der Amorieten, die te Chesbon woonde. 3  En de Eeuwige, onze God, gaf ook Og , de koning van Bashan, en zijn gehele volk in onze macht en wij versloegen hem zo volkomen, dat wij van hem niemand ontkomen lieten.  4  Wij namen toentertijd al zijn steden in; er was geen stad, die wij hem niet ontnamen, zestig steden, de gehele landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bashan. 5 Dit waren altemaal versterkte steden, met hoge muren, met deuren en grendels;  ongerekend zeer vele onversterkte steden.  6 Wij sloegen ze met de ban, zoals wij met Sichon, de koning van Chesbon, gedaan hadden , elke stad met de ban slaande,  mannen, vrouwen en kinderen.  7  Maar al het vee en de buit en de steden roofden wij voor ons.  8  Zo ontnamen wij toen aan de beide koningen der Amorieten het land, dat aan de overzijde van de Jordaan ligt, van de beek Arnon af tot de berg Hermon,   9  (de Sidoniers noemen de Hermon Sirjon en de Amorieten noemen hem Senir)  10  al de steden van de hoogvlakte, zowel als geheel Gilead en geheel Bashan tot Salka en Edrei, steden van het koninkrijk Og in Bashan.  11  Alleen Og, de koning van Bashan, was overgebleven als laatste der Refaieten;  zie, zijn rustbank was een rustbank van ijzer ; zij staat immers in Rabba der Ammonieten.  Negen el is zij lang en vier el breed naar de gewone el.  12 Dit land nu namen wij te dien tijde in bezit; van Aroer af, dat aan de beek Arnon ligt, met de helft van het gebergte van Gilead en zijn steden gaf ik het aan de Rubenieten en aan de Gadieten;  13  en de rest van Gilead met geheel Bashan,  het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam Manasse, de gehele landstreek van Argob. (Dit gehele Bashan wordt land der Refaieten genoemd).  14  Jair, de zoon van Manasse, nam de gehele landstreek van Argob tot het gebied der Gesurieten en der Maakatieten, en noemde deze, namelijk Bashan, naar zijn naam : de dorpen van Jair, tot op deze dag.  15  Aan Makir gaf ik Gilead.  16  Aan de Rubenieten en aan de Gadieten gaf ik een deel van Gilead, aan de ene kant tot aan de beek Arnon, halverwege de beek met het oeverland, en aan de andere kant tot de beek Jabbok, de grens der Ammonieten;  17  voorts de Vlakte en de Jordaan en het bijbehorend gebied, van Kinneret af tot aan de zee der Vlakte, de Zoutzee, aan de voet van de hellingen van de Pisga oostwaarts.  18  Toentertijd nu gebood ik u:  de Eeuwige, uw God, heeft u dit land gegeven om het in bezit te nemen; maar toch zult gij aan de spits van uw broeders, de IsraŽlieten,  gewapend naar de overzijde trekken: alle weerbare mannen.  19  Alleen uw vrouwen, uw kinderen en uw vee (ik weet dat gij veel vee hebt) mogen in de steden blijven, die ik u gegeven heb ,  20  totdat de Eeuwige uw broeders rust gegeven heeft zoals u, en ook zij het land in bezit genomen hebben, dat de Eeuwige, uw God , hun aan de overzijde van de Jordaan geven zal ; dan moogt gij terugkeren, ieder naar de bezitting die ik u gegeven heb.  21 En aan Jozua gebood ik toentertijd : Uw ogen hebben alles gezien, wat de Eeuwige, uw God, aan deze twee koningen gedaan heeft; zo zal de Eeuwige aan alle koninkrijken doen, waar gij naar toe trekt;  22  gij zult voor hen niet vrezen, want de Eeuwige, uw God, is het, die voor u strijdt.

 

Jesaja 1: 1 Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz,  dat hij heeft gezien over Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotam,  Achaz en Jechizkia, koningen van Juda.  2 Hoort, hemelen, en aarde, neig uw oor , want de Eeuwige spreekt: Ik heb kinderen grootgebracht en opgevoed,  maar zij zijn van Mij afvallig geworden.  3  Een rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester, maar IsraŽl heeft geen begrip, mijn volk geen inzicht.  4  Wee het zondige volk, de natie,  beladen met ongerechtigheid, het gebroed van boosdoeners, de verdorven kinderen. Zij hebben de Eeuwige verlaten, de Heilige IsraŽls versmaad, zich achterwaarts gewend .  5  Waar wilt gij nog meer geslagen worden , dat gij voortgaat met af te wijken?  Het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid;  6  van de voetzool af tot de schedel is er niets gaaf; wonden, striemen en verse kwetsuren, die niet uitgedrukt zijn noch verbonden noch met olie verzacht .  7  Uw land is een woestenij; uw steden zijn met vuur verbrand; uw akker, daarvan eten vreemden voor uw ogen: een woestenij, als door vreemden onderstboven gekeerd.  8  En de dochter van Sion is achtergebleven als een hut in een wijngaard, als een nachthut in een komkommerveld, als een belegerde stad.  9  Indien de Eeuwige der heerscharen ons niet enige weinige ontkomenen had overgelaten, waren wij als Sodom geworden, aan Gomorra gelijk .  10 Hoort het woord van de Eeuwige, bestuurders van Sodom; neigt uw oor tot de onderwijzing van onze God, volk van Gomorra.  11  Waartoe dient Mij de menigte uwer slachtoffers ? zegt de Eeuwige; oververzadigd ben Ik van de brandoffers van rammen en het vet van mestkalveren, en aan het bloed van stieren,  schapen en bokken heb Ik geen welgevallen.  12  Wanneer gij komt om voor mijn aangezicht te verschijnen; wie heeft dit van u verlangd mijn voorhoven plat te treden ?  13  Gaat niet voort met huichelachtige offers te brengen; gruwelijk reukwerk is het Mij; nieuwe maan en sabbat, het bijeenroepen der samenkomsten. Ik verdraag het niet: onrecht met feestelijke vergadering.  14  Uw nieuwemaansdagen en uw feesten haat Ik met heel mijn ziel, zij zijn Mij een last . Ik ben moede ze te dragen.  15  Wanneer gij uw handen uitbreidt, verberg Ik mijn ogen voor u; zelfs wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; uw handen zijn vol bloed.  16 Wast u, reinigt u, doet uw boze daden uit mijn ogen weg; houdt op kwaad te doen;  17  leert goed te doen, tracht naar recht, houdt de geweldenaar in toom, doet recht aan de wees, verdedigt de rechtszaak der weduwe.  18  Komt toch en laat ons tezamen richten , zegt de Eeuwige; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn , zij zullen worden als witte wol.  19  Als gij gewillig zijt en luistert,  zult gij het goede des lands eten;  20  maar als gij weigert en weerspannig zijt , zult gij door het zwaard worden verteerd , want de mond van de Eeuwige heeft het gesproken.  21 Hoe is de getrouwe veste tot een ontuchtige geworden, zij die vervuld was van recht, en waarin gerechtigheid overnachtte , en nu; enkel moordenaars!  22  Uw zilver is met onzuivere bestanddelen vermengd , uw edele wijn is met water vervalst.  23  Uw vorsten zijn opstandelingen en metgezellen der dieven; ieder van hen is belust op geschenken en jaagt beloningen na;  aan de wees doen zij geen recht en de rechtszaak der weduwe vindt bij hen geen gehoor.  24  Daarom luidt het woord van de Here, de Eeuwige der heerscharen, de Machtige IsraŽls: Wee, Ik zal wraak oefenen aan mijn tegenstanders en Ik wil Mij wreken op mijn vijanden ;  25  Ik wil mijn hand tegen u keren en Ik zal uw slakken als met loog uitzuiveren en al uw looddelen verwijderen;  26  uw rechters zal Ik weer maken als weleer en uw raadsheren als in den beginne. Daarna zal men u noemen: stad der gerechtigheid , getrouwe veste.  27  Sion zal door recht verlost worden, en wie daaruit zich bekeren, door gerechtigheid; 

 

 

Een paar gedachten

>Er is tijd om het Woord van God tot je te nemen en er is tijd om in actie te komen (1:6)

 >Ter voorbereiding van het tot actie komen herhaalt Mozes nog eens de instructies van God (1:5). De instructies van God zijn een bescherming voor hen. Als een vleugel over het volk.(Ps 36:5 en Mal. 4:2) 

 >Deut.1:1 Dit zijn de woorden, die Mosjť tot geheel IsraŽl gesproken heeft aan de overzijde van de Jordaan, in de woestijn, in de Vlakte, tegenover Suf, tussen Paran,  Tofel, Lavan, Chaserot en Di-Zahav In de woestijn waar ze klaagden (Ex. 17:3),  in de vlakte waar ze Baal Peor aanbaden (Num.25), tegenover Suf waar ze klaagden in ongeloof (Ex. 14:11), Paran waar de verspieders zondigde (Num. 13), Tofel en Lavan betekend laster en wit. De plaats waar ze klaagden over het witte manna (Num. 21:5) Chaserot is de plaats waar de muiterij van Korach begon en Di-Zavav betekend te veel goud en ziet op de plaats van de zonde met het gouden kalf. Mozes gaat opnieuw alle woorden van God spreken en noemt eerst de plaatsen waar het volk tegen God gezondigt had. Zie 1 Cor. 10:6. Let op Mozes die hen lief heeft bestraft hen i.t.t. Biliam die hun haatte hen moest zegenen.

 >Di-Zahav (1:1) betekend te veel goud. Het heeft de smaak we hebben genoeg gehoord. Stop er maar mee. Een mens heeft een natuurlijk verlangen tot vermeerdering. God heeft dat in de mens gelegd om juist meer in de wegen van God te gaan in plaats van de behoefte te vullen met het vergaren van bijvoorbeeld meer bezittingen.

 >Nadat God de deur geopend had om het land binnen te gaan, had het volk IsraŽl de verantwoordelijkheid om dat ook daadwerkelijk te doen (1:8). Zo ook had het volk in 1948 de verantwoordelijkheid om in IsraŽl te gaan wonen en in 1967 in de bij gekomen gebied. God gaf de gebieden aan IsraŽl om daar te gaan wonen. De nederzettingen in Judea en Samaria zijn opgezet in antwoord op deze goddelijke opdracht.

 >Wees in het gaan in het plan van God niet bang maar ga vooruit om tot je bestemming te komen. Stilstand lijkt veilig maar is eigenlijk dodelijk (1:21). Leven met God is een weg van vooruitgang en verder gaan.

 >Doel van alle verkenning moet zuiver zijn: Hoe in gehoorzaamheid te gaan. En niet: Bij twijfel niet gaan. (1:22-26)

 >Stap zetten in geloof is zonder bang te zijn op weg gaan. Niet kijken naar logica of omstandigheid maar in geloof en gehoorzaamheid gaan. (1:28-31)

 >De vijanden van IsraŽl worden vergeleken met bijen. (1:44). Als ze steken gaan ze zelf dood.

 >God geeft de vijanden van IsraŽl in hun hand (2:31). IsraŽl moet wel optrekken en ze verslaan.

 >

 

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr43 - Va-Etchanan ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021