Nr48 - Ki Tavo

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Thora-gedeelte Ki Tavo (Als je binnengaat)

Ki Tavo (als je binnengaat),  Deut 26:1-29:8,  Haftarah: Jes. 60:1-22

26:1 Wanneer gij komt in het land, dat de Eeuwige, uw God, u ten erfdeel geven zal en gij het in bezit neemt en daarin woont, 2  dan zult gij van de eerstelingen van alle vruchten van de bodem, die gij zult inzamelen van het land, dat de Eeuwige, uw God , u geven zal, nemen, en in een mand doen en naar de plaats gaan, die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal om daar zijn naam te doen wonen. 3  En gekomen bij de priester, die er dan wezen zal, zult gij tot hem zeggen : Ik verklaar heden voor de Eeuwige, uw God, dat ik gekomen ben in het land,  waarvan de Eeuwige aan onze vaderen gezworen heeft , dat Hij het ons zou geven.  4  Dan zal de priester de mand van u aannemen en die voor het altaar van de Eeuwige , uw God, zetten.  5  Daarna zult gij voor het aangezicht van de Eeuwige,  uw God, betuigen: Een zwervende ArameeŽr was mijn vader; hij trok met weinige mannen naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling, maar werd er tot een groot, machtig en talrijk volk.  6 Toen de Egyptenaren ons mishandelden en verdrukten en ons harde slavenarbeid oplegden, 7  riepen wij tot de Eeuwige, de God van onze vaderen, en de Eeuwige hoorde onze stem en zag onze ellende, moeite en verdrukking. 8 Toen leidde ons de Eeuwige uit Egypte met een sterke hand, een uitgestrekte arm en grote verschrikking, door tekenen en wonderen; 9 Hij bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land, een land, vloeiende van melk en honig.  10  En nu, zie, ik breng de eerstelingen van de vrucht van het land, dat Gij, de Eeuwige mij gegeven hebt. Gij zult ze neerzetten voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God; gij zult u voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God,  neerbuigen,  11  en gij zult u verheugen over al het goede dat de Eeuwige, uw God, u en uw huis gegeven heeft: gij, de Leviet en de vreemdeling,  die in uw midden is.  12 Wanneer gij in het derde jaar, het jaar der tienden, gereed gekomen zult zijn met het afzonderen van alle tienden uit uw opbrengst , dan zult gij ze geven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, opdat zij eten en zich verzadigen in uw steden.  13  En gij zult voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, zeggen: Ik heb het heilige uit het huis weggedaan; ook heb ik dat gegeven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, geheel overeenkomstig het gebod, dat Gij mij gegeven hebt. Ik heb geen uwer geboden overtreden of vergeten;  14  in mijn rouw heb ik daarvan niet gegeten , noch daarvan iets weggedaan,  terwijl ik onrein was, noch iets daarvan aan een dode gegeven; ik heb geluisterd naar de stem van de Eeuwige, mijn God, ik heb gedaan naar alles wat Gij ons geboden hebt.  15  Zie neder uit uw heilige woning,  uit de hemel, en zegen uw volk IsraŽl en het land, dat Gij ons gegeven hebt (zoals Gij onze vaderen onder ede beloofd hebt)  een land, vloeiende van melk en honig.  16 Heden beveelt u de Eeuwige, uw God , deze inzettingen en verordeningen na te komen; onderhoud ze dan naarstig met geheel uw hart en geheel uw ziel.  17  Gij hebt heden van de Eeuwige het woord aanvaard , dat Hij u tot een God zal zijn, en dat gij in zijn wegen wandelen moet, zijn inzettingen , geboden en verordeningen onderhouden en naar zijn stem luisteren.  18  En de Eeuwige heeft heden van u het woord aanvaard , dat gij zijn eigen volk zult zijn,  zoals Hij u gezegd heeft, en dat gij al zijn geboden zult onderhouden.  19  Dan zal Hij u verheffen tot een lof,  een naam en een sieraad, boven alle volken die Hij geschapen heeft en dan zult gij een volk zijn, geheiligd aan de Eeuwige, uw God, zoals Hij gezegd heeft.  27:1 Voorts geboden MoshŤ en de oudsten van IsraŽl het volk: Onderhoud heel het gebod, dat ik u heden opleg,  2  op de dag, waarop gij de Jordaan overtrekt naar het land dat de Eeuwige,  uw God, u geven zal, zult gij grote stenen oprichten, die met kalk bestrijken 3  en daarop na uw overtocht al de woorden dezer wet schrijven; opdat gij komt in het land dat de Eeuwige, uw God , u geven zal, een land, vloeiende van melk en honig, zoals de Eeuwige, de God uwer vaderen, u toegezegd heeft.  4  Als gij dan de Jordaan overgetrokken zijt , zult gij deze stenen, ten aanzien waarvan ik u heden opdracht geef, op de berg Ebal oprichten en met kalk bestrijken.  5  Ook zult gij daar een altaar bouwen voor de Eeuwige, uw God, een altaar van stenen, die gij niet met ijzer zult bewerken.  6  Van onbehouwen stenen zult gij het altaar van de Eeuwige, uw God, bouwen, en daarop brandoffers brengen aan de Eeuwige, uw God.  7  Ook zult gij vredeoffers slachten, die daar eten en u verheugen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God.  8  Vervolgens zult gij op die stenen al de woorden dezer wet klaar en duidelijk schrijven .  9  Ook spraken MoshŤ en de levitische priesters tot geheel IsraŽl: Zwijg , IsraŽl, en luister. Heden zijt gij geworden tot het volk van de Eeuwige,  uw God.  10  Daarom zult gij luisteren naar de stem van de Eeuwige, uw God, en zijn geboden en inzettingen onderhouden, die ik u heden opleg.  11 Op die dag gebood MoshŤ het volk:  12  Wanneer gij de Jordaan overgetrokken zijt,  zullen zich op de berg Gerizzim opstellen om het volk te zegenen: Simeon,  Levi, Judah, Issakar, Jozef en Benjamin.   13  En op de berg Eval zullen zich opstellen om te vervloeken: Ruven, Gad, Asher , Zevulon, Dan en Naftali.  14  Dan zullen de Levieten met luider stem voor alle mannen in IsraŽl betuigen:  15  Vervloekt is de man, die een gesneden of gegoten beeld maakt, een gruwel voor de Eeuwige, het maaksel der handen van een werkman , en dit in het verborgene opstelt. En het gehele volk zal antwoorden: Amen.  16  Vervloekt is hij, die zijn vader of moeder veracht. En het gehele volk zal zeggen : Amen.  17  Vervloekt is hij, die de grensscheiding van zijn naaste verlegt. En het gehele volk zal zeggen: Amen.  18  Vervloekt is hij, die een blinde op een verkeerde weg leidt. En het gehele volk zal zeggen: Amen.  19  Vervloekt is hij, die het recht van vreemdeling, wees en weduwe buigt. En het gehele volk zal zeggen: Amen.  20  Vervloekt is hij, die gemeenschap heeft met de vrouw van zijn vader, want hij heeft zijns vaders dek opgeslagen. En het gehele volk zal zeggen: Amen.  21  Vervloekt is hij, die gemeenschap heeft met een dier. En het gehele volk zal zeggen: Amen.  22  Vervloekt is hij, die gemeenschap heeft met zijn zuster, de dochter van zijn vader of van zijn moeder. En het gehele volk zal zeggen : Amen.  23  Vervloekt is hij, die gemeenschap heeft met zijn schoonmoeder. En het gehele volk zal zeggen: Amen.  24  Vervloekt is hij, die in het geheim zijn naaste doodt. En het gehele volk zal zeggen: Amen.  25  Vervloekt is hij, die een geschenk aanneemt om iemand te doden en onschuldig bloed te vergieten. En het gehele volk zal zeggen : Amen.  26  Vervloekt is hij, die de woorden van deze wet niet metterdaad volbrengt . En het gehele volk zal zeggen:  Amen.  28:1 Indien gij dan aandachtig luistert naar de stem van de Eeuwige, uw God, en al zijn geboden, die ik u heden opleg , naarstig onderhoudt, dan zal de Eeuwige, uw God, u verheffen boven alle volken der aarde.  2  De volgende zegeningen zullen alle over u komen en uw deel worden, indien gij luistert naar de stem van de Eeuwige, uw God :  3  Gezegend zult gij zijn in de stad en gezegend op het veld.  4  Gezegend zal zijn de vrucht van uw schoot , de vrucht van uw bodem en de vrucht van uw vee: de worp van uw runderen en de dracht van uw kleinvee.  5  Gezegend zullen zijn uw mand en uw baktrog.  6  Gezegend zult gij zijn bij uw ingang en gezegend zult gij zijn bij uw uitgang.  7  de Eeuwige zal uw vijanden, die tegen u opstaan, verslagen aan u overleveren . Langs een enkele weg zullen zij tegen u optrekken, maar langs zeven wegen voor u vluchten.  8  de Eeuwige zal over u de zegen gebieden in uw schuren en in alles wat gij onderneemt; Hij zal u zegenen in het land dat de Eeuwige, uw God , u geven zal.  9  de Eeuwige zal u als zijn heilig volk bevestigen , zoals Hij u gezworen heeft, indien gij de geboden van de Eeuwige, uw God, onderhoudt en in zijn wegen wandelt.  10  Dan zullen alle volken der aarde zien , dat de naam van de Eeuwige over u uitgeroepen is, en zij zullen voor u vrezen.  11  Ook zal de Eeuwige u overvloedig het goede schenken, in de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw vee en de vrucht van uw bodem; in het land, waarvan de Eeuwige aan uw vaderen gezworen heeft, dat Hij het u geven zou.  12  de Eeuwige zal zijn rijke schatkamer, de hemel , voor u openen om op zijn tijd de regen voor uw land te geven en al het werk uwer handen te zegenen, zodat gij aan vele volken zult uitlenen zonder zelf te leen te ontvangen. 13  de Eeuwige zal u stellen tot een hoofd en niet tot een staart, gij zult enkel opgaan en niet neergaan, wanneer gij luistert naar de geboden van de Eeuwige, uw God , die ik u heden opleg om die naarstig te onderhouden,  14  en wanneer gij niet afwijkt van alle geboden, die ik u heden geef, noch naar rechts noch naar links, door het achterna lopen en dienen van andere goden.  15 Maar indien gij niet luistert naar de stem van de Eeuwige, uw God, en niet al zijn geboden en inzettingen, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt,  dan zullen de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen:  16  Vervloekt zult gij zijn in de stad en vervloekt op het veld.  17  Vervloekt zullen zijn uw mand en uw baktrog.  18  Vervloekt zal zijn de vrucht van uw schoot , de vrucht van uw bodem, de worp van uw runderen en de dracht van uw kleinvee.  19  Vervloekt zult gij zijn bij uw ingang en vervloekt bij uw uitgang.  20  de Eeuwige zal over u de vloek, de verwarring en de bedreiging doen komen in alles wat gij onderneemt en wat gij doet, totdat gij verdelgd wordt en snel te gronde gaat vanwege de slechtheid uwer daden, omdat gij Mij verlaten hebt. 21 de Eeuwige zal de pest aan u doen kleven, totdat zij u heeft weggevaagd uit het land, dat gij in bezit gaat nemen. 22 de Eeuwige zal u slaan met tering, koorts , brand, ontstekingen, droogte, brandkoren en honigdauw: zij zullen u vervolgen, totdat gij te gronde gaat.  23  Ook zal de hemel boven uw hoofd van koper zijn en de aarde onder u van ijzer.   24  de Eeuwige zal poeder en stof over uw land laten regenen; van de hemel zullen die op u neerdalen, totdat gij verdelgd zijt.  25 de Eeuwige zal u verslagen aan uw vijanden overleveren. Langs een enkele weg zult gij tegen hen optrekken, maar langs zeven wegen voor hen vluchten, zodat gij tot een schrikbeeld zult wezen voor alle koninkrijken der aarde.  26  Uw lijken zullen tot voedsel dienen voor al het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde, zonder dat iemand die opschrikt.  27  de Eeuwige zal u slaan met Egyptische zweren, met builen, uitslag en schurft , waarvan gij niet kunt genezen. 28 de Eeuwige zal u slaan met waanzin,  verblinding en verstandsverbijstering,  29  zodat gij op de middag rondtast,  als een blinde in de duisternis; gij zult op uw wegen niet voorspoedig zijn, maar bij voortduring slechts verdrukt en beroofd worden, zonder dat iemand u redt.  30  Gij zult een vrouw ondertrouwen, maar een andere man zal haar beslapen.  Gij zult een huis bouwen, maar het niet bewonen. Gij zult een wijngaard planten , maar de vrucht daarvan niet genieten.  31  Uw rund zal voor uw ogen geslacht worden , maar gij zult daarvan niet eten.  Uw ezel zal in uw bijzijn geroofd worden , en niet tot u terugkeren. Uw kleinvee zal aan uw vijanden worden gegeven,  zonder dat iemand u te hulp komt.  32  Uw zonen en dochters zullen aan een ander volk worden overgeleverd, terwijl gij het met eigen ogen ziet, en de gehele dag naar hen smacht, zonder iets te kunnen doen.  33  Een volk, dat gij niet kent, zal de vrucht van uw bodem eten en alles waarvoor gij gezwoegd hebt; bij voortduring zult gij slechts verdrukt en vertrapt worden.  34  Gij zult waanzinnig worden vanwege het schouwspel, dat uw ogen zullen zien.  35  de Eeuwige zal u slaan met boze zweren aan de knieŽn en aan de dijen, waarvan gij niet kunt genezen; van uw voetzool af tot uw schedel toe.  36 de Eeuwige zal u en de koning, die gij over u hebt aangesteld, naar een volk voeren dat gij niet kendet, gij noch uw vaderen; aldaar zult gij andere goden dienen , hout en steen.  37  Gij zult een voorwerp van ontzetting worden,  een spreekwoord en een spotrede onder alle volken , naar wier land de Eeuwige u wegvoert.  38  Veel zaad zult gij naar de akker brengen , maar weinig inzamelen, want de sprinkhaan zal het afvreten.  39  Wijngaarden zult gij planten en bewerken , maar geen wijn drinken of opleggen; want de worm zal eraan knagen.  40  Olijfbomen zult gij hebben in uw gehele gebied, maar u niet met olie zalven;  want uw olijven zullen afvallen.  41  Gij zult zonen en dochters verwekken,  maar zij zullen u niet toebehoren, want zij zullen in gevangenschap gaan.  42  Van al uw geboomte en veldvruchten zullen de sprinkhanen zich meester maken.  43  Steeds meer zal de vreemdeling in uw midden u te boven gaan, terwijl gij al dieper zinkt.  44  Hij zal u te leen geven, maar gij niet aan hem; hij zal hoofd zijn,  en gij staart.  45 Al deze vervloekingen zullen over u komen, u achtervolgen en u treffen,  totdat gij verdelgd zijt, omdat gij niet geluisterd hebt naar de stem van de Eeuwige , uw God, en de geboden en inzettingen die Hij u opgelegd heeft, niet onderhouden hebt;  46  zij zullen onder u tot een teken en wonder zijn , en onder uw nageslacht, voor altoos.  47  Omdat gij de Eeuwige, uw God, niet met vreugde en blijdschap gediend hebt vanwege al uw overvloed,  48  zult gij de vijanden, die de Eeuwige tegen u zal doen optrekken, dienen, onder honger en dorst, in naaktheid en met gebrek aan alles; Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelgd heeft.  49  de Eeuwige zal tegen u doen aanrukken een volk, dat van verre komt, van het einde der aarde, zoals een arend aanzweeft: een volk, waarvan gij de taal niet verstaat,  50  een hardvochtig volk, dat geen grijsaard ontziet en geen knaap genade bewijst;  51  dat de vrucht van uw vee en van uw bodem zal opeten, totdat gij verdelgd zijt; dat u geen koren, most of olie zal overlaten , noch de worp van uw runderen of de dracht van uw kleinvee, totdat het u te gronde gericht heeft.  52  Het zal u in het nauw brengen in al uw steden, totdat de hoge, versterkte muren vallen, waarop gij in uw gehele land vertrouwdet; ja, het zal u in het nauw brengen in al uw steden, in geheel het land dat de Eeuwige, uw God, u geven zal.  53  In de benardheid en benauwdheid, waarmede uw vijand u kwellen zal, zult gij de vrucht van uw eigen schoot eten, het vlees van de zonen en dochters, die de Eeuwige, uw God, u geven zal.  54  De meest verwekelijkte en verwende man onder u zal zijn broeder noch zijn eigen vrouw noch de kinderen, die hem nog resten, iets gunnen,  55  zodat hij geen van hen iets zal willen geven van het vlees zijner kinderen, die hij eet, omdat uw vijand hem niets anders overgelaten heeft, in de benardheid en benauwdheid, waarmede deze u in al uw steden kwellen zal.  56  De verwekelijkte en verwende vrouw onder u, die van verwendheid en wekelijkheid het nooit gewaagd heeft haar voetzool op de grond te zetten, zal haar eigen man noch haar zoon en dochter iets gunnen,  57  zelfs niet de nageboorte uit haar schoot noch de kinderen, die zij baart, want bij gebrek aan alles zal zij die in het geheim eten, in de benardheid en benauwdheid,  waarmede uw vijanden u in uw steden kwellen zal.  58  Indien gij niet naarstig onderhoudt al de woorden der wet(de regels van het koninkrijk), die in dit boek geschreven zijn, en gij niet deze heerlijke, geduchte Naam, de Eeuwige, uw God vreest,  59  dan zal de Eeuwige u en uw nageslacht ongemeen zwaar tuchtigen met felle, aanhoudende slagen en boze, aanhoudende ziekten. 60 Hij zal alle kwalen van Egypte, waarvoor gij bevreesd zijt, weer over u brengen , zodat zij aan u kleven.  61  Ook allerlei ziekten en slagen,  die in het boek van deze wet niet beschreven zijn, zal de Eeuwige over u doen komen, totdat gij verdelgd zijt.  62  Met weinigen zult gij overblijven,  terwijl gij talrijk geweest zijt als de sterren des hemels, omdat gij niet geluisterd hebt naar de stem van de Eeuwige, uw God.  63  Zoals de Eeuwige er behagen in had om u wel te doen en u talrijk te maken, zo zal de Eeuwige er behagen in hebben om u te gronde te richten en te verdelgen ; en gij zult weggerukt worden uit het land, dat gij in bezit gaat nemen.  64  de Eeuwige zal u verstrooien onder alle natiŽn van het ene einde der aarde tot het andere; aldaar zult gij andere goden dienen, die noch gij noch uw vaderen gekend hebben: hout en steen.  65  Gij zult onder die volken geen rust vinden noch een rustplaats voor uw voetzool ; de Eeuwige zal u daar een bevend hart geven, ogen vol heimwee en een kwijnende ziel.  66  Zonder ophouden zal uw leven in gevaar verkeren ; des nachts en des daags zult gij opschrikken en van uw leven niet zeker zijn.  67  Des morgens zult gij zeggen: Was het maar avond; en des avonds: Was het maar morgen. Vanwege de vrees, die uw hart vervult, en vanwege het schouwspel, dat uw ogen zien.  68  de Eeuwige zal u op schepen naar Egypte terugbrengen langs de weg, waarvan Ik u gezegd had: Gij zult die nooit weerzien; gij zult daar aan uw vijanden als slaven en slavinnen te koop aangeboden worden , maar er zal geen koper zijn.  29:1  Dit zijn de woorden van het verbond dat de Eeuwige MoshŤ geboden heeft met de IsraŽlieten te sluiten in het land Moab, naast het verbond dat Hij met hen bij Horeb gesloten had.  2  MoshŤ dan riep geheel IsraŽl tot zich en zeide tot hen: Gij hebt alles gezien wat de Eeuwige in het land Egypte voor uw ogen Farao, al zijn dienaren en zijn gehele land heeft aangedaan:  3  de grote beproevingen, die gij met eigen ogen gezien hebt, die grote tekenen en wonderen.  4  Doch de Eeuwige heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien , of oren om te horen, tot op de huidige dag.  5  Veertig jaar liet Ik u door de woestijn trekken; de klederen die gij droegt zijn niet versleten evenmin als de schoenen aan uw voeten (voorziening)bt gij niet gegeten, wijn of bedwelmende drank niet gedronken, opdat gij zoudt weten, dat Ik de Eeuwige, uw God , ben.  7  Toen gij op deze plaats gekomen waart , trokken Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Basan, ten strijde tegen ons op, en wij versloegen hen,  8  veroverden hun land en gaven dat tot een erfdeel aan Ruben, Gad en de halve stam Manasse.

 

Jesaja 60: 1 Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van de Eeuwige gaat over u op.  2  Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natien, maar over u zal de Eeuwige opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. 3  Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.  4  Hef uw ogen op en zie rondom:  zij allen verzamelen zich, komen tot u;  uw zonen komen van verre en uw dochters worden op de heup aangedragen.  5  Dan zult gij het zien en stralen van vreugde; uw hart zal zich ontroerd verruimen, want tot u zal de rijkdom der zee zich wenden, het vermogen der volken zal tot u komen. 6 Een menigte kamelen zal u overdekken,  jonge kamelen van Midjan en Efa; uit Seba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen en de roemrijke daden van de Eeuwige blijde verkondigen.  7  Al de schapen van Kedar zullen zich voor u verzamelen, de rammen van Nebajot zullen zich u ten dienste stellen; zij zullen als een welgevallig offer op mijn altaar komen en aan mijn luisterrijk huis zal Ik luister verlenen .  8  Wie zijn dezen, die als een wolk komen aangevlogen en als duiven naar hun til?  9 Want op Mij zullen de kustlanden wachten;  en de schepen van Tarsis zullen de eerste zijn om uw zonen van verre aan te brengen; hun zilver en goud voeren zij mede, ter ere van de naam van de Eeuwige, uws Gods, voor de Heilige IsraŽls, omdat Hij u luister verleend heeft.  10  Vreemdelingen zullen uw muren herbouwen en hun koningen zullen u dienen, want in mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd.  11  En uw poorten zullen bestendig openstaan , dag noch nacht zullen zij gesloten worden, opdat men tot u inbrenge het vermogen der volken, terwijl hun koningen worden meegevoerd.  12  Want het volk en het koninkrijk, die u niet willen dienen, zullen te gronde gaan,  en die volken zullen zeker verwoest worden .  13  De heerlijkheid van de Libanon zal tot u komen, cypres, plataan en denneboom tezamen, om de plaats van mijn heiligdom op te luisteren; en de plaats mijner voeten zal Ik heerlijk maken.  14  De zonen uwer verdrukkers zullen deemoedig tot u komen, aan uw voeten zullen al uw versmaders zich neerwerpen en zij zullen u noemen: De stad van de Eeuwige,  het Sion van de Heilige IsraŽls.  15 Terwijl gij eertijds verlaten waart en gehaat, zodat niemand door u heentrok , zal Ik u stellen tot een eeuwige praal , tot een vreugde voor geslacht op geslacht.  16  En gij zult de melk der volken zuigen,  ja koninklijke borsten zuigen, en gij zult weten, dat Ik, de Eeuwige, uw Redder ben en uw Verlosser, de Machtige Jakobs .  17  Voor koper zal Ik goud brengen,  voor ijzer zilver, voor hout koper , voor stenen ijzer; Ik zal vrede tot uw overheid maken en gerechtigheid tot uw heerseres.  18  Van geen geweld zal in uw land meer gehoord worden, van verwoesting noch verderf in uw gebied; en gij zult uw muren Heil noemen en uw poorten Lof.  19  De zon zal u niet meer tot licht zijn bij dag, noch de maan tot een schijnsel voor u lichten; maar de Eeuwige zal u tot een eeuwig licht zijn en uw God tot uw luister .  20  Uw zon zal niet meer ondergaan en uw maan niet meer afnemen, want de Eeuwige zal u tot een eeuwig licht zijn en de dagen van uw rouw zullen ten einde wezen.  21  Uw volk zal geheel uit rechtvaardigen bestaan, voor altoos zullen zij het land bezitten : een scheut die Ik geplant heb, een werk mijner handen, tot mijn verheerlijking.  22  De kleinste zal tot een geslacht worden en de geringste tot een machtig volk; Ik, de Eeuwige, zal het te zijner tijd met haast volvoeren . 

 

Een paar gedachten

>Het beste van de eerstelingen van de inkomsten zijn voor God (26:2) en behoren naar de Tempel gebracht te worden. Spr. 3: 9 Vereer de Eeuwige met uw rijkdom en met de eerstelingen van al uw inkomsten, 10  dan zullen uw schuren met overvloed gevuld worden en uw perskuipen van most overstromen. Ge 4: 3 Na verloop van tijd nu bracht Kain van de vruchten der aarde aan de Eeuwige een offer; 4 ook Abel bracht er een van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet; en de Eeuwige sloeg acht op Abel en zijn offer, 5  maar op KaÔn en zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen werd Kain zeer toornig en zijn gelaat betrok. 6 En de Eeuwige zeide tot Kain: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? 7  Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen. Ex 23:19  Het beste der eerstelingen van uw bodem zult gij in het huis van de Eeuwige, uw God, brengen. Ex 23:19  Het beste der eerstelingen van uw bodem zult gij in het huis van de Eeuwige, uw God, brengen.

 

>  ďEen zwervende ArameeŽr was mijn vaderĒ (26:5). De hebreeuwse grondtekst van deze zin kan ook vertaald worden als ď Een ArameeŽr probeerde mijn vader te vernietigen (wat dan op Laban slaat). Anderen verwijzen dat de ArameeŽr toch op Abraham slaat.

 

>Eerstelingen als dank en onder herinnering dat God uitgeleide heeft gedaan uit Ur der ChaldeeŽn en Egypte. (26:3,4) en onder dankbaarheid voor het zijn in het land IsraŽl. (26:9). Verheug je in de dankbaarheid aan God (26:11).

 

>Tienden van de inkomsten afzonderen voor God op de manier zoals Hij dat heeft bedoelt (26:12,13) 1/60 voor de priesters, 1/10 voor de levieten (6 jaren oogst) 1/10 van de rest opeten in Jeruzalem (1e, 2e, 4e en 5e jaar), 1/10 van de rest voor armen (3e en 6e jaar) 7e jaar geen oogst. Vertienen  (asher) in (14:22) heeft dezelfde wortel als rijk  (asheer). Vertienen zal je rijk maken opdat je God zal vrezen wordt er bedoeld in 14:22 en 23). Rabbi Pinchas, een Tsadik, kwam op een plaats waar de mensen klaagden over muizen die de oogst vernielden. Rabbi Pinchas kreeg inzicht en zei: Weet je wat de muizen vertelde. Er worden geen tienden van de oogst gehaald. Toen de mensen het beleeden en zich bekeerden verdwenen de muizen.

 

>Als je trouw bent in het geven van je gaven aan God mag je God herinneren aan de belofte om zegen te geven (26:14,15)

 

>Het zijn van het volk van God en het doen van Zijn geboden (Thora) horen onlosmakelijk bij elkaar voor altijd (26:16-19) (27:8-10). Het Nieuwe Verbond is ook hierop gebaseerd (Jer. 31:33,34 en Ezech. 36:27)

 

>Ook het houden van Gods geboden en komen wonen in het land IsraŽl horen bij elkaar (27:1-3).

 

>Uit je vreugde en dankbaarheid aan God voor al de zegeningen die Hij geeft (27:7)

 

>Zonder tegenspreken volle aandacht voor wat Hij wil (27:9)

 

>Uitspreken bekrachtigt de woorden van God (27:14)

 

>Je bent onderworpen aan een vloek als je tegen Gods geboden ingaat; als je, je ouders veracht (27:16). Je land wat God aan een ander heeft gegeven aan jezelf toebedeelt (17), een blinde de verkeerde kant uitstuurt (18), onrechtvaardig met weduwen en wezen (de zwakkeren van de maatschappij) omgaat (19), die gemeenschap heeft met de vrouw van zijn vader (20), die gemeenschap heeft met een dier (21), met zijn zus / halfzus (22), schoonmoeder (23), iemand die een ander stiekem doodt (24),  bloedgeld aanneemt om te doden (25), iemand die Gods geboden niet opvolgt.

 

>Luisteren en opvolgen van de instructies van God resulteert in zegen, waar je woont en in wat je onderneemt. De vijanden zullen verslagen worden en anderen zullen ontzag hebben. Regen zal op tijd vallen en God zal je tot hoofd en niet tot staart stellen (28:3-13)

 

>Gods opdracht opvolgen resulteert in een zegen; een nieuwe opdracht (met zegen) (28:1-5)

 

>Niet luisteren resulteert in het tegenovergestelde van de zegen (28:15-68)

 

>Kijk en zie de realiteit wat het betekend te leven met en voor God (29:2)

 

>Jeruzalem zal tot zijn bestemming komen (Jes. 60:1,2)

 

>Volken die zich niet onderwerpen aan IsraŽl zullen te gronde gaan (60:12)

 

>Het volk IsraŽl zal weer de Thora houden (60:21) daarom zullen ze niet meer uit het land verdwijnen (60:21b)

 

>Het zal zijn ter verheerlijking van de Naam van de Eeuwige (60:21).

 

 

 

 

Links voor bestudering van het  Thoragedeelte:

 

Nederlands:

http://www.joodsleven.nl/

http://www.nik.nl (onder Over Jodendom, Parasje van de week)

http://bethhamidrash.org/online/parashat-hashavua/

 

Engels:

http://ravkooktorah.org/

http://www.machonmeir.net/

http://www.torah.org/learning/torahportion.php3

http://www.chabad.org/parshah/default.asp

http://www.shemayisrael.co.il/parsha/eylevine/Archives.htm

http://israelvisit.co.il/top/previous.shtml

 

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] Nr50 - Nizzavim ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021