Thora lezing: Succoth (loofhutten),
Lev. 22:26-23:44, Num. 29:12-16, Haftara Zach. 14:1-21
Dag 2:
Lev. 22:26-23:44, Num. 29:12-16, Haftara 1 Kon.8:2-21
Dag 3: Num. 29:17-25
Dag 4: Num. 29:20-28
Dag 5: Ex. 33:12-34:26;
Num.
29:23-28, Haft. Ezech. 38:18-39:16
Dag 6: Num. 29:26-34
Dag 7: Num. 29:26-34
Dag 8 (Shemini Azeret): Deut.
14:22-16:17; Num. 29:35-30:1, Haft. 1 Kon.8:54-9:1
Simcha Thora: Deut.
33:1-34:12; Gen. 1:1-2:3; Num. 29:35-30:1, Haft. Joz. 1:1-18
Lev. 22:26-23:44 26 En de Eeuwige sprak tot Moshè: 27 Wanneer een
rund of schaap of geit geboren wordt, dan zal dat zeven dagen bij
zijn moeder blijven, maar van de achtste dag af en daarna zal het
als een gave de Eeuwige ten vuuroffer welgevallig zijn. 28 Een
rund of een stuk kleinvee zult gij niet tegelijk met zijn jong op
een dag slachten . 29 En wanneer gij de Eeuwige een lofoffer
slacht, zult gij het zo slachten, dat gij welgevallen vindt. 30 Op
dezelfde dag zal het gegeten worden; niets moogt gij daarvan
overlaten tot de morgen: Ik ben de Eeuwige. 31 Neemt dan mijn
geboden nauwgezet in acht: Ik ben de Eeuwige. 32 En ontheiligt
mijn heilige naam niet , zodat Ik geheiligd worde in het midden
der Israëlieten: Ik ben de Eeuwige, die u heilig, 33 die u uit het
land Egypte deed trekken , opdat Ik u tot een God zou zijn: Ik ben
de Eeuwige. 23:1 De
Eeuwige sprak tot Moshè: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot
hen: De feesttijden van de Eeuwige, die gij zult uitroepen als
heilige samenkomsten , zijn mijn feesttijden. 3 Zes dagen mag
arbeid verricht worden , maar op de zevende dag zal er een
volkomen sabbat zijn: een heilige samenkomst; generlei arbeid zult
gij verrichten, het is een sabbat voor de Eeuwige in al uw
woonplaatsen. 4 Dit zijn de feesttijden van de Eeuwige, heilige
samenkomsten, die gij uitroepen zult op de daarvoor bepaalde tijd.
5 In de eerste maand, op de veertiende der maand, in de
avondschemering, is het pascha voor de Eeuwige. 6 En op de
vijftiende dag van deze maand is het feest der ongezuurde broden
voor de Eeuwige , zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten. 7
Op de eerste dag zult gij een heilige samenkomst hebben; dan zult
gij generlei slaafse arbeid verrichten. 8 Gij zult de Eeuwige een
vuuroffer brengen gedurende zeven dagen; op de zevende dag zal er
een heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij
verrichten. 9 En de Eeuwige sprak tot Moshè: 10 Spreek tot de
Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land dat Ik u
geef, en de oogst daarvan binnenhaalt, dan zult gij de
eerstelingsgarve van uw oogst naar de priester brengen , 11 en hij
zal de garve voor het aangezicht van de Eeuwige bewegen, opdat gij
welgevallig zijt; daags na de sabbat zal de priester die bewegen .
12 Gij zult op de dag waarop gij de garve beweegt , een gaaf
eenjarig schaap de Eeuwige ten brandoffer bereiden, 13 met als
bijbehorend spijsoffer twee tienden fijn meel, met olie
aangemaakt, ten vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige
, en als bijbehorend plengoffer een vierde hin wijn. 14 Tot op die
dag zult gij geen brood , geen geroosterd of vers koren eten,
totdat gij de offergave van uw God gebracht hebt : het is een
altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen.
15 Dan zult gij tellen van de dag na de sabbat, van de dag waarop
gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken
zullen het zijn; 16 tot de dag na de zevende sabbat zult gij
tellen, vijftig dagen; dan zult gij een nieuw spijsoffer de
Eeuwige brengen. 17 Uit uw woonplaatsen zult gij twee beweegbroden
meebrengen; uit twee tienden efa fijn meel zullen zij bereid
worden, gezuurd zullen zij gebakken worden, eerstelingen voor de
Eeuwige. 18 Bij het brood zult gij zeven gave eenjarige schapen
offeren en een jonge stier en twee rammen; zij zullen een
brandoffer voor de Eeuwige zijn, met de bijbehorende spijsoffers
en plengoffers, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de
Eeuwige. 19 Dan zult gij een geitebok ten zondoffer, en twee
eenjarige schapen ten vredeoffer bereiden. 20 En de priester zal
ze bewegen, bij het brood der eerstelingen, als beweegoffer voor
het aangezicht van de Eeuwige bij de twee schapen : zij zullen de
Eeuwige heilig zijn, zij zijn voor de priester. 21 Op deze zelfde
dag zult gij een oproep doen uitgaan, gij zult een heilige
samenkomst hebben, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten;
het is een altoosdurende inzetting, in al uw woonplaatsen, voor uw
geslachten. 22 Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt , dan
zult gij de rand van uw veld bij uw oogst niet geheel afmaaien, en
wat van uw oogst is blijven liggen, zult gij niet oplezen ; dat
zult gij voor de arme en de vreemdeling laten liggen: Ik ben de
Eeuwige, uw God. 23 En de Eeuwige sprak tot Moshè: 24 Spreek tot
de Israëlieten: In de zevende maand, op de eerste der maand, zult
gij een rustdag hebben, aangekondigd door bazuingeschal, een
heilige samenkomst. 25 Generlei slaafse arbeid zult gij verrichten
en gij zult de Eeuwige een vuuroffer brengen. 26 En de Eeuwige
sprak tot Moshè: 27 Maar op de tiende van die zevende maand is de
Verzoendag; een heilige samenkomst zult gij hebben en gij zult u
verootmoedigen en de Eeuwige een vuuroffer brengen. 28 Op die dag
zult gij generlei arbeid verrichten, want het is de Verzoendag, om
over u verzoening te doen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw
God. 29 Want ieder die zich op die dag niet zal verootmoedigen,
zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten. 30 Ieder die enige
arbeid verricht op die dag, zal Ik verdelgen uit het midden van
zijn volk. 31 Generlei arbeid zult gij verrichten : het is een
altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen.
32 Het zal u een volkomen sabbat zijn en gij zult u
verootmoedigen. Op de negende van de maand, des avonds, van avond
tot avond , zult gij uw sabbat vieren. 33 En de Eeuwige sprak tot
Moshè: 34 Spreek tot de Israëlieten: Op de vijftiende dag van deze
zevende maand begint het Loofhuttenfeest voor de Eeuwige, zeven
dagen lang. 35 Op de eerste dag zal er een heilige samenkomst
zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten. 36 Zeven dagen
zult gij de Eeuwige een vuuroffer brengen; op de achtste dag zult
gij een heilige samenkomst hebben en de Eeuwige een vuuroffer
brengen; het is een feest, generlei slaafse arbeid zult gij
verrichten . 37 Dit zijn de feesttijden van de Eeuwige, waarop gij
heilige samenkomsten zult uitroepen, om de Eeuwige een vuuroffer
te brengen: brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en plengoffers,
naar het voorschrift voor iedere dag, 38 behalve de sabbatten van
de Eeuwige en behalve de gaven en al de gelofteoffers en al de
vrijwillige offers, die gij de Eeuwige geven wilt. 39 Doch op de
vijftiende dag van de zevende maand, wanneer gij de opbrengst van
uw land inzamelt, zult gij zeven dagen het feest van de Eeuwige
vieren; op de eerste dag zal er rust zijn en op de achtste dag zal
er rust zijn. 40 Op de eerste dag zult gij vruchten van sierlijke
bomen nemen, takken van palmen en twijgen van loofbomen en van
beekwilgen, en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de
Eeuwige, uw God, zeven dagen lang. 41 Gij zult het als een feest
van de Eeuwige vieren zeven dagen in het jaar, een altoosdurende
inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het
vieren. 42 In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in
Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen, 43 opdat uw
geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen ,
toen Ik hen uit het land Egypte leidde : Ik ben de Eeuwige, uw
God. 44 Zo maakte Moshè de feesttijden van de Eeuwige aan de
Israëlieten bekend.
Num. 29:12-16 12 En op de vijftiende dag der zevende maand zult
gij een heilige samenkomst hebben , gij zult generlei slaafse
arbeid verrichten; dan zult gij zeven dagen feest vieren voor de
Eeuwige. 13 Gij zult een brandoffer brengen, een vuuroffer, een
liefelijke reuk voor de Eeuwige: dertien jonge stieren, twee
rammen , veertien eenjarige schapen, gaaf zullen zij zijn; 14 en
het bijbehorend spijsoffer: fijn meel aangemaakt met olie, drie
tienden bij elk van de dertien stieren, twee tienden bij elk van
de twee rammen, 15 en telkens een tiende bij elk van de veertien
schapen; 16 en een geitebok als zondoffer, ongeacht het dagelijks
brandoffer, het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend
plengoffer.
Zach. 14:1-21 1 Zie, er komt een dag voor de Eeuwige, waarop de
buit, op u behaald, binnen uw muren verdeeld zal worden. 2 Dan zal
Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen; de stad zal
genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen
geschonden. De helft van de stad zal wegtrekken in ballingschap,
maar de rest van het volk zal in de stad niet uitgeroeid worden. 3
Dan zal de Eeuwige uittrekken om tegen die volken te strijden,
zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg; 4 zijn voeten
zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt
aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten,
oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft
van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts;
5 en gij zult de vlucht nemen in het dal mijner bergen, want het
dal der bergen zal reiken tot Asel; ja, gij zult de vlucht nemen ,
zoals gij de vlucht genomen hebt voor de aardbeving in de dagen
van Uzzia, de koning van Juda. En de Eeuwige, mijn God, zal komen,
alle heiligen met Hem. 6 En op die dag zal er geen kostelijk licht
zijn, noch verstijving ; 7 ja, het zal een dag zijn (die is bij de
Eeuwige bekend) geen dag en geen nacht; maar ten tijde van de
avond zal er licht wezen. 8 Dan zullen te dien dage levende
wateren uit Jeruzalem vlieten, de helft daarvan naar de oostelijke
en de helft naar de westelijke zee; in de zomer zowel als in de
winter zal dat geschieden. 9 En de Eeuwige zal koning worden over
de gehele aarde; te dien dage zal de Eeuwige de enige zijn, en
zijn naam de enige . 10 Het gehele land zal worden als de Vlakte
van Geba tot Rimmon, zuidelijk van Jeruzalem ; maar dit zal
verhoogd worden en op zijn plaats blijven bestaan, van de
Benjaminpoort tot de plaats van de vroegere poort, tot de
Hoekpoort, en van de Chananeltoren tot de koninklijke perskuipen;
11 men zal het bewonen, en er zal geen ban meer zijn, maar
Jeruzalem zal veilig gelegen zijn. 12 Dan zal dit de plaag zijn,
waarmee de Eeuwige alle volken zal treffen, die tegen Jeruzalem
zijn uitgerukt: Hij zal ieders vlees, terwijl hij nog op zijn
voeten staat, doen wegteren, en ieders ogen zullen wegteren in hun
kassen, en ieders tong zal wegteren in zijn mond. 13 Ja, te dien
dage zal er onder hen een grote, door de Eeuwige bewerkte,
ontsteltenis wezen, en ieder zal de hand van een ander grijpen ,
en ieders hand zal zich tegen die van een ander verheffen. 14 Ja,
ook Juda zal tegen Jeruzalem strijden , terwijl het vermogen van
alle omwonende volken bijeengebracht wordt: goud, zilver en
klederen in zeer grote menigte. 15 En voor de paarden, de
muildieren, de kamelen , de ezels en alle dieren die zich in die
legers bevinden, zal er een plaag zijn gelijk aan deze plaag. 16
Allen, die zijn overgebleven van al de volken, die tegen Jeruzalem
zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer
te buigen voor de Koning, de Eeuwige der heerscharen, en het
Loofhuttenfeest te vieren. 17 Maar wie uit de geslachten der aarde
niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor de Koning, de
Eeuwige der heerscharen, neder te buigen, op hem zal geen regen
vallen, 18 en indien het geslacht der Egyptenaren niet zal
heentrekken en komen, op wie geen regen valt, dan zal toch komen
de plaag waarmee de Eeuwige de volken zal treffen , die niet
heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. 19 Dit zal de straf
zijn van de Egyptenaren en van alle volken die niet heentrekken om
het Loofhuttenfeest te vieren. 20 Te dien dage zal op de bellen
van de paarden staan: Voor de Eeuwige heilig; en de potten in het
huis van de Eeuwige zullen zijn als de sprengbekkens voor het
altaar; 21 ja, alle potten in Jeruzalem en in Juda zullen de
Eeuwige der heerscharen heilig zijn , zodat alle offeraars kunnen
komen en die gebruiken om daarin te koken . En er zal te dien dage
geen Kanaaniet meer zijn in het huis van de Eeuwige der
heerscharen.

Dag 5: Ex. 33:12-34:26 (Shabbat)
Ex 33:12-34:26
12 Toen zeide Moshé tot de Eeuwige: Zie , Gij zegt tot mij: doe dit
volk optrekken, maar Gij hebt mij niet doen weten, wie Gij met mij
zult zenden, terwijl Gij toch gezegd hebt: Ik ken u bij name en ook
hebt gij genade gevonden in mijn ogen. 13 Nu dan, indien ik genade
in uw ogen gevonden heb, maak mij toch uw wegen bekend , zodat ik U
ken; opdat ik genade vinde in uw ogen. Bedenk toch, dat deze natie uw
volk is. 14 Toen zeide Hij: Moet Ik zelf medegaan om u gerust te
stellen? 15 En hij zeide tot Hem: Indien Gij zelf niet medegaat, doe
ons vanhier niet optrekken. 16 Waaraan zal anders geweten worden,
dat ik en uw volk genade in uw ogen gevonden hebben, dan doordat Gij
met ons medegaat ? Immers daardoor zijn ik en uw volk afgezonderd uit
alle volken, die op de aardbodem zijn. 17 En de Eeuwige zeide tot
Moshé: Ook deze zaak, waarover gij gesproken hebt, zal Ik doen, omdat
gij genade in mijn ogen gevonden hebt en Ik u bij name ken. 18 Maar
hij zeide: Doe mij toch uw heerlijkheid zien. 19 Hij nu zeide: Ik
zal mijn luister aan u doen voorbijgaan en de naam van de Eeuwige voor
u uitroepen: Ik zal genadig zijn, wie Ik genadig ben, en Mij
ontfermen, over wie Ik Mij ontferm. 20 Hij zeide: Gij zult mijn
aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven.
21 De Eeuwige zeide: Zie, bij Mij is een plaats, waar gij op de rots
kunt staan; 22 wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat , zal Ik u in
de rotsholte zetten en u met mijn hand bedekken, totdat Ik ben
voorbijgegaan. 23 Dan zal Ik mijn hand wegnemen en gij zult Mij van
achteren zien, maar mijn aangezicht zal niet gezien worden.
34:1 De Eeuwige zeide tot Moshé:
Houw u twee stenen tafelen gelijk de eerste , dan zal Ik op de tafelen
de woorden schrijven, die stonden op de eerste tafelen welke gij
verbrijzeld hebt. 2 Wees gereed tegen de morgen en beklim in de
morgen de berg Sinai; vervoeg u daar bij Mij op de top van de berg.
3 Doch niemand zal met u opklimmen en ook mag niemand gezien worden op
de gehele berg, zelfs het kleinvee en de runderen mogen niet weiden in
de nabijheid van de berg. 4 Toen hieuw Moshé twee stenen tafelen
gelijk de eerste; hij beklom vroeg in de morgen de berg Sinai, zoals
de Eeuwige hem geboden had, en nam de twee stenen tafelen in zijn
hand. 5 En de Eeuwige daalde neder in een wolk, stelde Zich daar bij
hem en riep de naam van de Eeuwige uit. 6 De Eeuwige ging aan hem
voorbij en riep: Eeuwige, Eeuwige, God, barmhartig en genadig,
lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, 7 die
goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid,
overtreding en zonde vergeeft; maar de schuldige houdt Hij
zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan
kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht. 8 Moshé
knielde haastig ter aarde , boog zich neder 9 en zeide: Indien ik
genade in uw ogen gevonden heb, Adonai, dan ga toch Adonai in ons
midden, want het is een hardnekkig volk, maar vergeef onze
ongerechtigheden en onze zonden; neem ons als erfdeel in bezit. 10
Hij zeide: Zie, Ik sluit een verbond; in het bijzijn van uw gehele
volk zal Ik wonderen doen, zoals niet gewrocht zijn op de gehele aarde
en bij al de volken; het gehele volk, in welks midden gij zijt, zal
het werk van de Eeuwige zien , want ontzagwekkend is wat Ik met u
doe. 11 Onderhoud wat Ik u heden gebied . Zie, voor u uit verdrijf
Ik de Amoriet, de Kanaaniet, de Hethiet, de Perizziet , de Chiwwiet en
de Jebusiet. 12 Neem u in acht, dat gij geen verbond sluit met de
inwoners van het land, waarheen gij gaat, opdat zij niet tot een
valstrik in uw midden worden. 13 Integendeel, hun altaren zult gij
omverhalen , hun gewijde stenen verbrijzelen en hun gewijde palen
omhouwen. 14 Want gij zult u niet nederbuigen voor een andere god,
immers de Eeuwige, wiens naam Naijverige is, is een naijverig God.
15 Sluit toch geen verbond met de inwoners van het land; wanneer zij
hun goden overspelig nalopen en aan hun goden offeren, dan zouden zij
u uitnodigen en gij zoudt van hun slachtoffer eten. 16 Wanneer gij
van hun dochters voor uw zonen neemt en zij haar goden overspelig
nalopen , dan zouden zij tevens uw zonen tot overspelig nalopen van
haar goden verleiden. 17 Gegoten goden zult gij u niet maken . 18
Het feest der ongezuurde broden zult gij onderhouden: zeven dagen zult
gij ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb , op de bepaalde
tijd van de maand Abib, want in de maand Abib zijt gij uit Egypte
getrokken. 19 Alles wat het eerst uit de moederschoot voortkomt, is
mijn eigendom, en al uw vee van het mannelijk geslacht, dat de
eerstgeboorte is van een rund of van een stuk kleinvee. 20 Maar de
eerstgeboorte van een ezel zult gij lossen voor een stuk kleinvee;
indien gij het niet lost, zult gij het de nek breken. Iedere
eerstgeborene van uw zonen zult gij lossen , en men zal niet met
ledige handen voor mijn aangezicht verschijnen. 21 Zes dagen zult
gij arbeiden, maar op de zevende dag zult gij rusten, ook in de
ploegtijd en in de oogst zult gij de rustdag houden. 22 Het feest
der weken, der eerstelingen van de tarweoogst, zult gij vieren, en het
feest der inzameling bij de wisseling des jaars. 23 Driemaal in het
jaar zal ieder van u, die van het mannelijk geslacht is, voor het
aangezicht van Adonai de Eeuwige, de God van Israël, verschijnen,
24 want Ik zal volken voor uw aangezicht verdrijven en uw gebied ruim
maken; en niemand zal uw land begeren, wanneer gij opgaat, om voor het
aangezicht van de Eeuwige, uw God, te verschijnen driemaal in het
jaar. 25 Gij zult het bloed van mijn slachtoffer niet op iets
gezuurds slachten, en het slachtoffer van het Paasfeest mag de nacht
niet overblijven tot de morgen. 26 Het beste van de eerstelingen van
uw bodem zult gij in het huis van de Eeuwige uw God, brengen. Gij zult
een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.
Num.
29:23-28,
23 Op de
vierde dag tien stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige schapen,
24 en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers bij
de stieren, bij de rammen en bij de schapen naar hun aantal, volgens
het voorschrift; 25 en een geitebok als zondoffer, ongeacht het
dagelijks brandoffer, het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend
plengoffer. 26 Op de vijfde dag negen stieren, twee rammen, veertien
gave, eenjarige schapen, 27 en het bijbehorend spijsoffer en de
bijbehorende plengoffers bij de stieren, bij de rammen en bij de
schapen naar hun aantal, volgens het voorschrift; 28 en een bok als
zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer en het bijbehorend
spijsoffer en het bijbehorend plengoffer.
Haft. Ezech. 38:18-39:16
18 Maar te dien dage,
wanneer Gog komt in het land van Israël, luidt het woord van Adonai de
Eeuwige, dan zal mijn grimmigheid opstijgen in mijn neus, 19 en in
mijn naijver, in het vuur mijner verbolgenheid, zal Ik spreken:
Waarlijk, te dien dage zal een zware aardbeving het land van Israël
teisteren. 20 Ja, beven zullen voor Mij de vissen der zee, het
gevogelte des hemels, het gedierte des velds en al het kruipend
gedierte dat op de aardbodem kruipt en alle mensen die op de aarde
leven; de bergen zullen neerstorten, de bergwanden zullen vallen, elke
muur zal ter aarde storten. 21 Dan zal Ik op al mijn bergen het
zwaard tegen hem oproepen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige; het
zwaard van de een zal tegen de ander zijn. 22 Ik zal met hem in het
gericht treden door pest en door bloed; stromende regen en hagelstenen,
vuur en zwavel zal Ik doen neerregenen op hem, op zijn krijgsbenden en
op de vele volken die met hem zijn; 23 Ik zal Mij groot en heilig
betonen en Mij doen kennen ten aanschouwen van vele volken; en zij
zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben.
39:1
Gij nu, mensenkind, profeteer tegen Gog en zeg: Zo zegt Adonai de
Eeuwige: zie, Ik zal u, Gog, grootvorst van Mesek en Tubal! 2 Ik zal
u komen halen en u voortdrijven, u doen optrekken uit het verre
noorden en brengen op de bergen van Israël. 3 Dan zal Ik de boog uit
uw linkerhand slaan en de pijlen uit uw rechterhand doen vallen. 4 Op
de bergen van Israël zult gij vallen, gij met al uw krijgsbenden en de
volken die met u zijn; aan roofvogels, vogels van allerlei gevederte,
en aan het gedierte des velds zal Ik u tot voedsel geven; 5 op het
open veld zult gij vallen, want Ik heb het gesproken, luidt het woord
van Adonai de Eeuwige. 6 Ik zal vuur werpen in Magog en onder hen die
in gerustheid de kustlanden bewonen; en zij zullen weten, dat Ik de
Eeuwige ben. 7 Ik zal mijn heilige naam bekendmaken onder mijn volk
Israël; Ik zal mijn heilige naam niet meer laten ontheiligen; en de
volken zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, heilig in Israël. 8 Zie,
het komt, het zal geschieden, luidt het woord van Adonai de Eeuwige;
dit is de dag, waarvan Ik gesproken heb. 9 Dan zullen de inwoners van
de steden van Israël uitgaan en de brand steken in het wapentuig:
kleine en grote schilden, bogen en pijlen, knotsen en speren. Zeven
jaar lang zullen zij daarmee hun vuur stoken. 10 Zij zullen geen hout
van het veld halen of in de bossen hakken, want met dat wapentuig
zullen zij hun vuur stoken. Zo zullen zij hun berovers beroven en hun
plunderaars uitplunderen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 11
Te dien dage zal Ik aan Gog een plaats geven, waar zijn graf zal zijn
in Israël: het dal der doortrekkenden, ten oosten van de zee; en dat
zal de weg versperren aan wie erdoor willen trekken. Daar zal men Gog
met heel zijn menigte begraven en men zal het noemen: het dal van Gogs
menigte. 12 Het huis Israëls zal hen begraven om het land te reinigen,
zeven maanden lang; 13 ja, het gehele volk des lands zal begraven, en
dat zal hun tot roem strekken op de dag dat Ik Mij verheerlijk, luidt
het woord van Adonai de Eeuwige. 14 Men zal mannen aanstellen met de
vaste taak het land door te gaan om te begraven wie van de
doortrekkenden op het land waren blijven liggen, en het te reinigen.
Na verloop van zeven maanden zullen zij een onderzoek instellen; 15
als zij dan het land doorgaan, en een van hen ziet mensenbeenderen,
dan zal hij daar een merkteken bij zetten, totdat de grafdelvers ze
begraven
|