UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

 

 

Klik voor informatie over Sukkot!!

 

 

 

 

Thora-gedeelte voor Sukkot (Loofhutten)

 

Thora lezing: Succoth (loofhutten), Lev. 22:26-23:44, Num. 29:12-16, Haftara Zach. 14:1-21

 

Dag 2: Lev. 22:26-23:44, Num. 29:12-16, Haftara 1 Kon.8:2-21

Dag 3: Num. 29:17-25

Dag 4: Num. 29:20-28

Dag 5: Ex. 33:12-34:26; Num. 29:23-28, Haft. Ezech. 38:18-39:16

Dag 6: Num. 29:26-34

Dag 7: Num. 29:26-34

Dag 8 (Shemini Azeret): Deut. 14:22-16:17; Num. 29:35-30:1, Haft. 1 Kon.8:54-9:1

Simcha Thora: Deut. 33:1-34:12; Gen. 1:1-2:3; Num. 29:35-30:1, Haft. Joz. 1:1-18

 

Lev. 22:26-23:44 26 En de Eeuwige sprak tot Moshè: 27 Wanneer een rund of schaap of geit geboren wordt, dan zal dat zeven dagen bij zijn moeder blijven, maar van de achtste dag af en daarna zal het als een gave de Eeuwige ten vuuroffer welgevallig zijn. 28 Een rund of een stuk kleinvee zult gij niet tegelijk met zijn jong op een dag slachten . 29 En wanneer gij de Eeuwige een lofoffer slacht, zult gij het zo slachten, dat gij welgevallen vindt. 30 Op dezelfde dag zal het gegeten worden; niets moogt gij daarvan overlaten tot de morgen: Ik ben de Eeuwige. 31 Neemt dan mijn geboden nauwgezet in acht: Ik ben de Eeuwige. 32 En ontheiligt mijn heilige naam niet , zodat Ik geheiligd worde in het midden der Israëlieten: Ik ben de Eeuwige, die u heilig, 33 die u uit het land Egypte deed trekken , opdat Ik u tot een God zou zijn: Ik ben de Eeuwige. 23:1 De Eeuwige sprak tot Moshè: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: De feesttijden van de Eeuwige, die gij zult uitroepen als heilige samenkomsten , zijn mijn feesttijden. 3 Zes dagen mag arbeid verricht worden , maar op de zevende dag zal er een volkomen sabbat zijn: een heilige samenkomst; generlei arbeid zult gij verrichten, het is een sabbat voor de Eeuwige in al uw woonplaatsen. 4 Dit zijn de feesttijden van de Eeuwige, heilige samenkomsten, die gij uitroepen zult op de daarvoor bepaalde tijd. 5 In de eerste maand, op de veertiende der maand, in de avondschemering, is het pascha voor de Eeuwige. 6 En op de vijftiende dag van deze maand is het feest der ongezuurde broden voor de Eeuwige , zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten. 7 Op de eerste dag zult gij een heilige samenkomst hebben; dan zult gij generlei slaafse arbeid verrichten. 8 Gij zult de Eeuwige een vuuroffer brengen gedurende zeven dagen; op de zevende dag zal er een heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten. 9 En de Eeuwige sprak tot Moshè: 10 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land dat Ik u geef, en de oogst daarvan binnenhaalt, dan zult gij de eerstelingsgarve van uw oogst naar de priester brengen , 11 en hij zal de garve voor het aangezicht van de Eeuwige bewegen, opdat gij welgevallig zijt; daags na de sabbat zal de priester die bewegen . 12 Gij zult op de dag waarop gij de garve beweegt , een gaaf eenjarig schaap de Eeuwige ten brandoffer bereiden, 13 met als bijbehorend spijsoffer twee tienden fijn meel, met olie aangemaakt, ten vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige , en als bijbehorend plengoffer een vierde hin wijn. 14 Tot op die dag zult gij geen brood , geen geroosterd of vers koren eten, totdat gij de offergave van uw God gebracht hebt : het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen. 15 Dan zult gij tellen van de dag na de sabbat, van de dag waarop gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken zullen het zijn; 16 tot de dag na de zevende sabbat zult gij tellen, vijftig dagen; dan zult gij een nieuw spijsoffer de Eeuwige brengen. 17 Uit uw woonplaatsen zult gij twee beweegbroden meebrengen; uit twee tienden efa fijn meel zullen zij bereid worden, gezuurd zullen zij gebakken worden, eerstelingen voor de Eeuwige. 18 Bij het brood zult gij zeven gave eenjarige schapen offeren en een jonge stier en twee rammen; zij zullen een brandoffer voor de Eeuwige zijn, met de bijbehorende spijsoffers en plengoffers, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige. 19 Dan zult gij een geitebok ten zondoffer, en twee eenjarige schapen ten vredeoffer bereiden. 20 En de priester zal ze bewegen, bij het brood der eerstelingen, als beweegoffer voor het aangezicht van de Eeuwige bij de twee schapen : zij zullen de Eeuwige heilig zijn, zij zijn voor de priester. 21 Op deze zelfde dag zult gij een oproep doen uitgaan, gij zult een heilige samenkomst hebben, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten; het is een altoosdurende inzetting, in al uw woonplaatsen, voor uw geslachten. 22 Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt , dan zult gij de rand van uw veld bij uw oogst niet geheel afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, zult gij niet oplezen ; dat zult gij voor de arme en de vreemdeling laten liggen: Ik ben de Eeuwige, uw God. 23 En de Eeuwige sprak tot Moshè: 24 Spreek tot de Israëlieten: In de zevende maand, op de eerste der maand, zult gij een rustdag hebben, aangekondigd door bazuingeschal, een heilige samenkomst. 25 Generlei slaafse arbeid zult gij verrichten en gij zult de Eeuwige een vuuroffer brengen. 26 En de Eeuwige sprak tot Moshè: 27 Maar op de tiende van die zevende maand is de Verzoendag; een heilige samenkomst zult gij hebben en gij zult u verootmoedigen en de Eeuwige een vuuroffer brengen. 28 Op die dag zult gij generlei arbeid verrichten, want het is de Verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God. 29 Want ieder die zich op die dag niet zal verootmoedigen, zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten. 30 Ieder die enige arbeid verricht op die dag, zal Ik verdelgen uit het midden van zijn volk. 31 Generlei arbeid zult gij verrichten : het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen. 32 Het zal u een volkomen sabbat zijn en gij zult u verootmoedigen. Op de negende van de maand, des avonds, van avond tot avond , zult gij uw sabbat vieren. 33 En de Eeuwige sprak tot Moshè: 34 Spreek tot de Israëlieten: Op de vijftiende dag van deze zevende maand begint het Loofhuttenfeest voor de Eeuwige, zeven dagen lang. 35 Op de eerste dag zal er een heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten. 36 Zeven dagen zult gij de Eeuwige een vuuroffer brengen; op de achtste dag zult gij een heilige samenkomst hebben en de Eeuwige een vuuroffer brengen; het is een feest, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten . 37 Dit zijn de feesttijden van de Eeuwige, waarop gij heilige samenkomsten zult uitroepen, om de Eeuwige een vuuroffer te brengen: brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en plengoffers, naar het voorschrift voor iedere dag, 38 behalve de sabbatten van de Eeuwige en behalve de gaven en al de gelofteoffers en al de vrijwillige offers, die gij de Eeuwige geven wilt. 39 Doch op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer gij de opbrengst van uw land inzamelt, zult gij zeven dagen het feest van de Eeuwige vieren; op de eerste dag zal er rust zijn en op de achtste dag zal er rust zijn. 40 Op de eerste dag zult gij vruchten van sierlijke bomen nemen, takken van palmen en twijgen van loofbomen en van beekwilgen, en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, zeven dagen lang. 41 Gij zult het als een feest van de Eeuwige vieren zeven dagen in het jaar, een altoosdurende inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren. 42 In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen, 43 opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen , toen Ik hen uit het land Egypte leidde : Ik ben de Eeuwige, uw God. 44 Zo maakte Moshè de feesttijden van de Eeuwige aan de Israëlieten bekend.

Num. 29:12-16 12 En op de vijftiende dag der zevende maand zult gij een heilige samenkomst hebben , gij zult generlei slaafse arbeid verrichten; dan zult gij zeven dagen feest vieren voor de Eeuwige. 13 Gij zult een brandoffer brengen, een vuuroffer, een liefelijke reuk voor de Eeuwige: dertien jonge stieren, twee rammen , veertien eenjarige schapen, gaaf zullen zij zijn; 14 en het bijbehorend spijsoffer: fijn meel aangemaakt met olie, drie tienden bij elk van de dertien stieren, twee tienden bij elk van de twee rammen, 15 en telkens een tiende bij elk van de veertien schapen; 16 en een geitebok als zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer, het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend plengoffer.

Zach. 14:1-21 1 Zie, er komt een dag voor de Eeuwige, waarop de buit, op u behaald, binnen uw muren verdeeld zal worden. 2 Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen; de stad zal genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen geschonden. De helft van de stad zal wegtrekken in ballingschap, maar de rest van het volk zal in de stad niet uitgeroeid worden. 3 Dan zal de Eeuwige uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg; 4 zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts; 5 en gij zult de vlucht nemen in het dal mijner bergen, want het dal der bergen zal reiken tot Asel; ja, gij zult de vlucht nemen , zoals gij de vlucht genomen hebt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. En de Eeuwige, mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem. 6 En op die dag zal er geen kostelijk licht zijn, noch verstijving ; 7 ja, het zal een dag zijn (die is bij de Eeuwige bekend) geen dag en geen nacht; maar ten tijde van de avond zal er licht wezen. 8 Dan zullen te dien dage levende wateren uit Jeruzalem vlieten, de helft daarvan naar de oostelijke en de helft naar de westelijke zee; in de zomer zowel als in de winter zal dat geschieden. 9 En de Eeuwige zal koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de Eeuwige de enige zijn, en zijn naam de enige . 10 Het gehele land zal worden als de Vlakte van Geba tot Rimmon, zuidelijk van Jeruzalem ; maar dit zal verhoogd worden en op zijn plaats blijven bestaan, van de Benjaminpoort tot de plaats van de vroegere poort, tot de Hoekpoort, en van de Chananeltoren tot de koninklijke perskuipen; 11 men zal het bewonen, en er zal geen ban meer zijn, maar Jeruzalem zal veilig gelegen zijn. 12 Dan zal dit de plaag zijn, waarmee de Eeuwige alle volken zal treffen, die tegen Jeruzalem zijn uitgerukt: Hij zal ieders vlees, terwijl hij nog op zijn voeten staat, doen wegteren, en ieders ogen zullen wegteren in hun kassen, en ieders tong zal wegteren in zijn mond. 13 Ja, te dien dage zal er onder hen een grote, door de Eeuwige bewerkte, ontsteltenis wezen, en ieder zal de hand van een ander grijpen , en ieders hand zal zich tegen die van een ander verheffen. 14 Ja, ook Juda zal tegen Jeruzalem strijden , terwijl het vermogen van alle omwonende volken bijeengebracht wordt: goud, zilver en klederen in zeer grote menigte. 15 En voor de paarden, de muildieren, de kamelen , de ezels en alle dieren die zich in die legers bevinden, zal er een plaag zijn gelijk aan deze plaag. 16 Allen, die zijn overgebleven van al de volken, die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de Eeuwige der heerscharen, en het Loofhuttenfeest te vieren. 17 Maar wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor de Koning, de Eeuwige der heerscharen, neder te buigen, op hem zal geen regen vallen, 18 en indien het geslacht der Egyptenaren niet zal heentrekken en komen, op wie geen regen valt, dan zal toch komen de plaag waarmee de Eeuwige de volken zal treffen , die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. 19 Dit zal de straf zijn van de Egyptenaren en van alle volken die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. 20 Te dien dage zal op de bellen van de paarden staan: Voor de Eeuwige heilig; en de potten in het huis van de Eeuwige zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar; 21 ja, alle potten in Jeruzalem en in Juda zullen de Eeuwige der heerscharen heilig zijn , zodat alle offeraars kunnen komen en die gebruiken om daarin te koken . En er zal te dien dage geen Kanaaniet meer zijn in het huis van de Eeuwige der heerscharen.
 

 

 

Dag 5: Ex. 33:12-34:26 (Shabbat)

 

Ex 33:12-34:26 12 Toen zeide Moshé tot de Eeuwige: Zie , Gij zegt tot mij: doe dit volk optrekken, maar Gij hebt mij niet doen weten, wie Gij met mij zult zenden,  terwijl Gij toch gezegd hebt: Ik ken u bij name en ook hebt gij genade gevonden in mijn ogen.  13  Nu dan, indien ik genade in uw ogen gevonden heb, maak mij toch uw wegen bekend , zodat ik U ken; opdat ik genade vinde in uw ogen. Bedenk toch, dat deze natie uw volk is. 14  Toen zeide Hij: Moet Ik zelf medegaan om u gerust te stellen?  15  En hij zeide tot Hem: Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons vanhier niet optrekken.  16  Waaraan zal anders geweten worden, dat ik en uw volk genade in uw ogen gevonden hebben, dan doordat Gij met ons medegaat ? Immers daardoor zijn ik en uw volk afgezonderd uit alle volken, die op de aardbodem zijn.  17  En de Eeuwige zeide tot Moshé: Ook deze zaak, waarover gij gesproken hebt,  zal Ik doen, omdat gij genade in mijn ogen gevonden hebt en Ik u bij name ken.  18  Maar hij zeide: Doe mij toch uw heerlijkheid zien.  19  Hij nu zeide: Ik zal mijn luister aan u doen voorbijgaan en de naam van de Eeuwige voor u uitroepen: Ik zal genadig zijn,  wie Ik genadig ben, en Mij ontfermen,  over wie Ik Mij ontferm.  20  Hij zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven.  21  De Eeuwige zeide: Zie, bij Mij is een plaats, waar gij op de rots kunt staan;  22  wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat , zal Ik u in de rotsholte zetten en u met mijn hand bedekken, totdat Ik ben voorbijgegaan.  23  Dan zal Ik mijn hand wegnemen en gij zult Mij van achteren zien, maar mijn aangezicht zal niet gezien worden.  34:1 De Eeuwige zeide tot Moshé: Houw u twee stenen tafelen gelijk de eerste , dan zal Ik op de tafelen de woorden schrijven, die stonden op de eerste tafelen welke gij verbrijzeld hebt.  2  Wees gereed tegen de morgen en beklim in de morgen de berg Sinai;  vervoeg u daar bij Mij op de top van de berg.  3 Doch niemand zal met u opklimmen en ook mag niemand gezien worden op de gehele berg, zelfs het kleinvee en de runderen mogen niet weiden in de nabijheid van de berg.  4  Toen hieuw Moshé twee stenen tafelen gelijk de eerste; hij beklom vroeg in de morgen de berg Sinai, zoals de Eeuwige hem geboden had, en nam de twee stenen tafelen in zijn hand.  5 En de Eeuwige daalde neder in een wolk,  stelde Zich daar bij hem en riep de naam van de Eeuwige uit.  6  De Eeuwige ging aan hem voorbij en riep: Eeuwige, Eeuwige, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw,  7  die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar de schuldige houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht.  8  Moshé knielde haastig ter aarde , boog zich neder 9  en zeide: Indien ik genade in uw ogen gevonden heb, Adonai, dan ga toch Adonai in ons midden, want het is een hardnekkig volk, maar vergeef onze ongerechtigheden en onze zonden; neem ons als erfdeel in bezit.  10 Hij zeide: Zie, Ik sluit een verbond; in het bijzijn van uw gehele volk zal Ik wonderen doen, zoals niet gewrocht zijn op de gehele aarde en bij al de volken; het gehele volk, in welks midden gij zijt, zal het werk van de Eeuwige zien , want ontzagwekkend is wat Ik met u doe.  11  Onderhoud wat Ik u heden gebied . Zie, voor u uit verdrijf Ik de Amoriet, de Kanaaniet, de Hethiet, de Perizziet , de Chiwwiet en de Jebusiet.  12  Neem u in acht, dat gij geen verbond sluit met de inwoners van het land,  waarheen gij gaat, opdat zij niet tot een valstrik in uw midden worden.  13  Integendeel, hun altaren zult gij omverhalen , hun gewijde stenen verbrijzelen en hun gewijde palen omhouwen.  14  Want gij zult u niet nederbuigen voor een andere god, immers de Eeuwige, wiens naam Naijverige is, is een naijverig God.  15  Sluit toch geen verbond met de inwoners van het land; wanneer zij hun goden overspelig nalopen en aan hun goden offeren,  dan zouden zij u uitnodigen en gij zoudt van hun slachtoffer eten.  16  Wanneer gij van hun dochters voor uw zonen neemt en zij haar goden overspelig nalopen , dan zouden zij tevens uw zonen tot overspelig nalopen van haar goden verleiden.   17  Gegoten goden zult gij u niet maken .  18 Het feest der ongezuurde broden zult gij onderhouden: zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb , op de bepaalde tijd van de maand Abib,  want in de maand Abib zijt gij uit Egypte getrokken. 19  Alles wat het eerst uit de moederschoot voortkomt, is mijn eigendom, en al uw vee van het mannelijk geslacht, dat de eerstgeboorte is van een rund of van een stuk kleinvee.  20  Maar de eerstgeboorte van een ezel zult gij lossen voor een stuk kleinvee; indien gij het niet lost, zult gij het de nek breken.  Iedere eerstgeborene van uw zonen zult gij lossen , en men zal niet met ledige handen voor mijn aangezicht verschijnen.  21  Zes dagen zult gij arbeiden, maar op de zevende dag zult gij rusten, ook in de ploegtijd en in de oogst zult gij de rustdag houden.  22  Het feest der weken, der eerstelingen van de tarweoogst, zult gij vieren, en het feest der inzameling bij de wisseling des jaars.  23  Driemaal in het jaar zal ieder van u,  die van het mannelijk geslacht is, voor het aangezicht van Adonai de Eeuwige, de God van Israël,  verschijnen,  24  want Ik zal volken voor uw aangezicht verdrijven en uw gebied ruim maken; en niemand zal uw land begeren, wanneer gij opgaat, om voor het aangezicht van de Eeuwige,  uw God, te verschijnen driemaal in het jaar.  25  Gij zult het bloed van mijn slachtoffer niet op iets gezuurds slachten, en het slachtoffer van het Paasfeest mag de nacht niet overblijven tot de morgen.  26  Het beste van de eerstelingen van uw bodem zult gij in het huis van de Eeuwige uw God, brengen. Gij zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder. 

 

Num. 29:23-28, 23 Op de vierde dag tien stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige schapen,  24  en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers bij de stieren, bij de rammen en bij de schapen naar hun aantal, volgens het voorschrift; 25 en een geitebok als zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer, het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend plengoffer. 26  Op de vijfde dag negen stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige schapen, 27 en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers bij de stieren, bij de rammen en bij de schapen naar hun aantal, volgens het voorschrift; 28 en een bok als zondoffer, ongeacht het dagelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend plengoffer.

 

Haft. Ezech. 38:18-39:16

18  Maar te dien dage, wanneer Gog komt in het land van Israël, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, dan zal mijn grimmigheid opstijgen in mijn neus, 19  en in mijn naijver, in het vuur mijner verbolgenheid, zal Ik spreken: Waarlijk, te dien dage zal een zware aardbeving het land van Israël teisteren. 20  Ja, beven zullen voor Mij de vissen der zee, het gevogelte des hemels, het gedierte des velds en al het kruipend gedierte dat op de aardbodem kruipt en alle mensen die op de aarde leven; de bergen zullen neerstorten, de bergwanden zullen vallen, elke muur zal ter aarde storten. 21  Dan zal Ik op al mijn bergen het zwaard tegen hem oproepen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige; het zwaard van de een zal tegen de ander zijn. 22  Ik zal met hem in het gericht treden door pest en door bloed; stromende regen en hagelstenen, vuur en zwavel zal Ik doen neerregenen op hem, op zijn krijgsbenden en op de vele volken die met hem zijn; 23  Ik zal Mij groot en heilig betonen en Mij doen kennen ten aanschouwen van vele volken; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. 39:1 Gij nu, mensenkind, profeteer tegen Gog en zeg: Zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik zal u, Gog, grootvorst van Mesek en Tubal! 2  Ik zal u komen halen en u voortdrijven, u doen optrekken uit het verre noorden en brengen op de bergen van Israël. 3  Dan zal Ik de boog uit uw linkerhand slaan en de pijlen uit uw rechterhand doen vallen. 4  Op de bergen van Israël zult gij vallen, gij met al uw krijgsbenden en de volken die met u zijn; aan roofvogels, vogels van allerlei gevederte, en aan het gedierte des velds zal Ik u tot voedsel geven; 5  op het open veld zult gij vallen, want Ik heb het gesproken, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 6  Ik zal vuur werpen in Magog en onder hen die in gerustheid de kustlanden bewonen; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben. 7  Ik zal mijn heilige naam bekendmaken onder mijn volk Israël; Ik zal mijn heilige naam niet meer laten ontheiligen; en de volken zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, heilig in Israël. 8 Zie, het komt, het zal geschieden, luidt het woord van Adonai de Eeuwige; dit is de dag, waarvan Ik gesproken heb. 9  Dan zullen de inwoners van de steden van Israël uitgaan en de brand steken in het wapentuig: kleine en grote schilden, bogen en pijlen, knotsen en speren. Zeven jaar lang zullen zij daarmee hun vuur stoken. 10  Zij zullen geen hout van het veld halen of in de bossen hakken, want met dat wapentuig zullen zij hun vuur stoken. Zo zullen zij hun berovers beroven en hun plunderaars uitplunderen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 11  Te dien dage zal Ik aan Gog een plaats geven, waar zijn graf zal zijn in Israël: het dal der doortrekkenden, ten oosten van de zee; en dat zal de weg versperren aan wie erdoor willen trekken. Daar zal men Gog met heel zijn menigte begraven en men zal het noemen: het dal van Gogs menigte. 12  Het huis Israëls zal hen begraven om het land te reinigen, zeven maanden lang; 13  ja, het gehele volk des lands zal begraven, en dat zal hun tot roem strekken op de dag dat Ik Mij verheerlijk, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 14  Men zal mannen aanstellen met de vaste taak het land door te gaan om te begraven wie van de doortrekkenden op het land waren blijven liggen, en het te reinigen. Na verloop van zeven maanden zullen zij een onderzoek instellen; 15  als zij dan het land doorgaan, en een van hen ziet mensenbeenderen, dan zal hij daar een merkteken bij zetten, totdat de grafdelvers ze begraven

 

 

 

[ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 29 november 2021